Skip to main content

Full text of "De handelingen der zeven eerste vergaderingen van de Algemeene Synode der Nederduitsch Gereformeerde Kerk van Zuid-Afrika."

See other formats


BX9620 . N4 3 1857 






Nederduitsch Geref ormeerde 
Kerk van Zuid-Afrika. 
Algemeene 
Synode . 

Handelíngen . . . 



r 



UBíïARY OF PRiNCETON 



GCT 0 3 2010 



SE.Yíl'-'ARY 



THEOL 



Digitized by the Internet Archive 
in 2015 



https://archive.org/details/dehandelingenderOOnede 



//3 - 





* JF 



l Jty r w t vr ^ r 

t &* • «-* ' *' ‘ * ^ob<A 






4 j — 



— . <///, ^ ^1'-^ ^ * t 1 ‘ ’ 



Jk" 

A? - > 

f \ Ife 




DE HAJSTDELINGEN 



DER 



ZEYEN EERSTE VERGADERINGEN 



VAN DE 



ALGEMEENE SYNODE 

DER 

NEDERDUITSCH GEREEORMEERDE KERK 



YAN 



ZUID-AERIKA. 



UBRARY Q 





THEOLOGICAL SEMINARY 



KAAPSTAD : 

GEDRUKT AAN DE MACHINE DRUKKERIJ VAN G. J. FIKE, 
ST. GEORGESTRAAT. 






1857. 



Geene Exemplaren worden voor echt erlcend, dan die xvelJce door den Prceses en 
Scriba aldus zijn geteeJcend , 




DE 

H ANDELII GEN 

DER 



EERSTE VERGADERING 

VAN DE ALGEMEENE SYNODE 



NEDERDUITSCH GEREFORMEERDE KERK VAN ZBID AFRIKA, 

GEHOUDEN 



1N DE K AAPSTAD, OP DINGSDAG, DEN 2 NOVEMBEE, 1824, 

EN YOLGENDE DÁGEN. 




KAAPSTÁD : 

GEDRUKT AAN DE MACHINE DRUKKERIJ VAN G. J. PIKE, 
ST. GEORGESTRAAT. 



1857. 





' 


























































: . 






. 









• i 



























YOOEREDE 



Een enkel woord tot toelichting moge wenschelijk , inaar kan ook voldoende 
gerekend worden bij de uitgave van het eerste gedeelte van “ De Handelingen der Zeven 
Eerste Vergaderingen van de Algemeene Synode der Nederduitsch Gereformeerde Kerk 
van Zuid-Afrika ." 

Reeds waren de Handelingen der Achtste Synodale Vergadering, gehouden in 
1852 , volgens Synodaal besluit, in het licht vqrschenen, en werd nu ook het volgend voor- 
stel op de jongste Synode gedaan en aangenomen : “ Dat de Handelingen der Synode 
sedert 1824 , even als die der laatste Synode, zonder bezwaar voor het Synodale Fonds 
worden verkrijgbaar gesteld." Hierop werd de vereerende docli geenszins gemakke- 
lijke taak aan mij opgedragen, het in dezen gevaïlen besluit ten uitvoer te brengen, 
en de uitgaaf te bezorgen. Ik gevoelde levendig de bezwaren welke in het volbrengen van 
zulk eene taak, noodzakelijk geboren worden uit den grooten afstand waarop mijn werk- 
kring van de drukpers is verwijderd, en kwam daarom spoedig tot het besluit met dit 
werk eenen aanvang te maken, vóór dat ik naar mijne gemeente terugkeerde. Sedert 
de Synodale Vergadering is uiteengegaan, heb ik mij dan ook met dezen arbeid onledig 
gehouden, en dien tot aan het einde van de Zittingen der Tzveede Synodale Vergadering 
inogen volbrengen. Hoezeer ik echter aan den éénen kant de verpligting gevoelde 
die er op mij gelegd is ingevolge de opdragt vanwege de Hoog-Eerw. Synode, ik bleef 
aan den anderen kant alle vrijmoedigheid missen, langer dan volstrekt noodig, van mijne 
gemeente verwijderd te blijven, over welke ik voor weinige maanden slechts den herders- 
staf heb aanvaard, nadat zij een zoo geruimen tijd herderloos was geweest. Derhalve 
kon ik niet langer verwijlen, en zal het nu ook voor een ieder duidelijk zijn, waarom nu 
slechts de Handelingen der beide eerste Synodale Vergaderingen worden verkrijgbaar 
gesteld, als ook waarom het Vervolg eerst over eenige maanden het licht zal kunnen zien. 

Ik heb mij niet de vrijheid veroorloofd, ook niet waar ik het wenschelijk dacht, 
eenige zinsnede te veranderen of te verduidelijken. 

Dit Eerste Gedeelte zal met het Vervolg een geheel uitmaken, dat van eene 
Inleiding zal worden voorafgegaan, en met een Alphabetischen Register worden voorzien. 

Voorts is het mijn wensch en bede, dat ook hierdoor de kennis van de Geschie- 
denis onzer Kerk, en de belangstelling in hare welvaart, mogen worden bevorderd. 



S. HOFMEYR. 



Kaapstad, 16 Dec., 1857 . 














































■ 














































■ 














































































. 

. 

* 

' 




































. 
















































/ 



SYNODALE IIAYDELIYGEY 



EERSTE ZITTING, 

2jS November, 1824. 

Na voorafgegane werkzaamheden van den Eerw. Kerkeraad aan de Hoofd- 
plaats, betrekkelijk dit onderwerp, verklaarde deszelfs Prseses, de Eerw. Heer J. C. 
Berrangé de algemeene Kerkvergadering wettig te zijn geconstitueerd, en zullen tot 
dezelve worden toegelaten de drie Predikanten in de Kaapstad, namelijk de Eerw. 
Heer Heinrich von Manger, Jan Christoffel Berrangé, Abraham Faure, en de Ouder- 
lingen Hendrik de Jongh en J. H. Hofmeyr, Sen. Van 

Stellenbosch . — De Eerw. Hr. Meent Borcherds, en Ouderling Jacobus Chris- 
tiaan Faure. 

Paarl . — De Eerw. Hr. Tobias Herold, en Ouderling P. T. Blignault. 

Zwartland . — De Eerw. Hr. J. Scholtz, zonder Ouderling. 

Tulbagh . — Van welke gemeente zich de aldaar zijnde Leeraar J. R. Kicherer, 
uithoofde van tusschen beide gekomen zijnde huiselijke omstandigheden, heeft geëxcu- 
seerd, doch zijn verschenen de Ouderlingen Pieter Conradie en Johan Diederik 
Mohr. 

Graaff-Reinet . — De Eerw. Hr. A. Murray, zonder Ouderhng. 

Zwellendam . — De Eerw. Hr. Cornelis Mol, zonder Ouderling. 

Caledon . — De Eerw. Hr. G. Thom, en Ouderling D. F. du Toit. 

George . — Hetwelk thans geen Leeraar heeft, de Ouderling C. L. Campher. 

Uitenhage . — De Eerw. Hr. Alex. Smith, zijnde de Ouderling P. Maree, van 
daar nog niet gearriveerd. 

Cradock . — Niemand verschenen. 

Somerset . — De Eerw. Hr. Jan Spijker, en Ouderling D. J. Morkel. 

Beaufort . — Thans vacant, niemand verschenen. 

Worcester . — De Eerw. Hr. Henry Sutherland, en Ouderling J. du Toit. 

Vervolgens tot Moderatoren benoemd zijnde de Eerw. HH. J. C. Berrangé 
en M. Borcherds, welke laatste ingevolge Art. 47 van de vigerende Kerkorde als 
Secretaris tevens zal fungeren, werden deze met hun beiden gecommitteerd, om 
den Hoog-Ed. Achtb. Heer Sir John Truter, Ridder enz. enz. enz. door Zijne Excel- 
lentie den Heer Gouverneur Lord Charles Henry Somerset benoemd tot eersten 
Commissaris Politiek, van de woning des Kosters, alwaar hij zich thans bevond, af te ha- 
len, terwijl de tweede Commissaris Politiek, de Wel-Ed. Heer Petrus Johannes Truter, 
oud Lid van den Ed. Achtb. Raad van Justitie enz. enz. zich reeds bij ons bevond. 
Hetwelk geschied zijnde, en dus beide HH. Commissarissen Politiek zitting genomen 



2 



hebbende, werd gehandeld over den inhoud van het laatste gedeelte der bekendraaking 
in de laatste Stads-Courant, onder den 29sten Oct. 11. geplaatst, betrekkelijk het al of 
niet met geslotene deuren houden der Vergaderingen, en is na daarover ingenomen 
te hebben het advies van den Hoog-Ed. Achtb. Heer Commissaris Politiek Sir John 
Truter, met gemeene toestemming besloten, dat deze Vergadering, zoodra de gewone 
plegtigheden ter opening gebruikelijk, zullen zijn afgeloopen, zal gehouden worden met 
geslotene deuren, dat al de te maken Regulatien natuurlijk de sanctie van het Gouver- 
nement behoefden, om de kracht van Wetten te erlangen, .en dat zoo om deze als 
vele andere redenen de strikste geheimhouding van al de Leden verwacht werd, con- 
form den grondregel, almede door den Hoog-Eerw. Praeses aangehaald, de non Elimi - 
nando. Waarop de Scriba verzocht werd, het te dien einde opgesteld gebed, waarvan 
eene copij zal te vinden zijn in de Bijlagen, voor te lezen, hetwelk geschied zijnde 
werden Welgem. HH. Commissarissen Politiek door de Eerw. Heeren Moderatoren, 
binnen geleid in de Kerk, en namen aldaar hunne zitting op de plaats voor hen be- 
stemd, aan de regterhand van den predikstoel. Ter linkerzijde van denzelven, plaat- 
sten zich de Hoog-Eerw. Prseses en de Hoog-Eerw. Scriba, en vervolgens tegen hen 
over de Leden der Algemeene Vergadering, wanneer zijn Hoog-Eerw. de Praeses eene 
aanspraak deed, waarvan copij zal te vinden zijn onder de Bijlagen, alsmede van 
antwoord door den Hoog-Ed. Heer eersten Commissaris Sir John Truter. 

Na welke verrigtingen de Hoog-Eerw. Prasses aan de toehoorders bekend 
maakte dat het laatste gedeelte der bekendmaking betrekkelijk het toelaten van toe- 
hoorders, door de Algemeene Vergadering ingetrokken zijnde, de toehoorders verzocht 
werden zich te absenteren, gelijk dan ook geschied is. 

De opening dezer Vergadering werd aangekondigd met de gebruikelijke 
plegtigheid van den hamerslag, door den Hoog-Eerw. Praeses, en als nu begonnen de 
werkzaamheden een begin te nemen met de voorlezing van eene geproponeerde 
orde van zaken ter verhandeling, die door allen werd aangenomen, met uitzondering 
van den Eerw. Heer Thom, van Caledon, die vermeent dat de Stads Kerkeraad eene 
stem te veel zou krijgen, waarop dit artikel van nieuws werd opgelezen, waarover 
gediscoureerd, en het advies van den Hoog-Ed. Achtb. Hr. Commissaris Politiek Sir 
John Truter ingewonnen zijnde, zijn Eerw. daarin toestemde. Opzigtelijk Art. 15 werd 
goedgevonden er bij te voegen, dat indien de voórslag van den Hoog-Eerw. Praeses in 
het benoemen van Commissarissen, de algemeene goedkeuring wegdraagt, dan zal 
dezelve doorgaan, zoo niet, zal elk verschil omtrent de te benoemene personen, bij 
loting moeten beslist worden. 

Betrekkelijk Art. 18, zijn aan den Secretaris, op zijn verzoek tot zijne assis- 
tentie en hulp toegevoegd, de Wel-Eerw. Heeren A. Faure en Thom. Desgelijks 
aan den Hoog-Eerw. Prasses, de Eerw. Heeren T. Herold, J. Spijker, en A. Murray, 
om eene Commissie te formeren, ten einde uit de algemeene voordi’agten die 
ingezonden zijn, speciale hoofdpunten te formeren, ten einde in de Vergadering 
zelve, met zoo veel te meer geregeldheid en orde te kunnen voortgaan, zoo zijn 
alrnede de Eerw. Heeren Von Manger, Mol, Smith, en de Ouderling J. du Toit 
gecommitteerd, orn met elkander te raadplegen over het beramen van middelen tot 
goedmaking van de kosten door deze Vergadering veroorzaakt. 



3 



Voorts opgemerkt zijnde hoe zeer het mogelijk was, dat nu of dan een of 
eenige der Leden zich niet konden in gemoede vereenigen met de besluiten der 
meerderheid, is als eene grondwet in zulk een geval vastgesteld, dat men alsdan de 
vrijheid zal hebben zijn protest daartegen te laten aanteekenen, mits hetzelve schrif- 
telijk over te geven, met bijvoeging van de redenen die hem daartoe bewogen, en 
eigenhandig onderteekend, om onder de Bijlagen tot de Resolutien bewaard, en in het 
Lokaal voor de papieren voor deze Vergadering te formeren, gedeponeerd te worden. 

Het reglement op de orde der Vergadering dan nu aldus overwogen zijnde, 
werd onder de voorschrevene bepalingen eenparig aangenomen, en zal van hetzelve 
een copij aan elk een der Leden worden ter hand gesteld, waarmede deze eerste Zitting 
met Dankzegging tot God volgens het formulier, onder de Bijlagen te \inden, werd 
besloten. 



TWEEDE ZITTING, 

3 November, 1824. 

Allen present, uitgenomen de tweede Commissaris Politiek, de Wel-Ed. 
Achtb. Heer P. J. Truter, bij indispositie, en de Ouderling J. C. Faure, met permissie. 

Deze Zitting met gebed begonnen zijnde, las de Secretaris voor de Notulen 
van gisteren, door hem als nu conform de Minuten geëxtendeerd, na welker ondertee- 
kening, de Vergadering, onder de leiding van den Hoog-Eerw. Praeses, overging ter 
revisie van het Reglement van Orde op de verhandeling van zaken in de Vergadering, 
gisteren avond door den Eerw. Heer A. Faure in het net geschreven, hetwelk goed- 
gekeurd zijnde door den Hoog-Eerw. Heer Praeses, alsmede den Secretaris is geteekend, 
en door den Hoog-Ed. Heer Commissaris Pohtiek Sir John Truter gecontrasigneerd, 
en staande de Vergadering naar de drukpers gezonden. 

De Hoog-Eerw. Praeses vestigde vervolgens de aandacht der Vergadering op 
Art. 48 van de Kerkorde, en verzocht de Heeren Von Manger, Mol, Smith, en du Toit, 
om hun rapport in te leveren, nopens de bepaling der fondsen door hen gevonden, voor 
de kosten die op het houden van deze Vergadering zouden komen te vallen, waartoe zij 
gisteren gecommitteerd waren, hetwelk door den Eerw. Heer Mol werd voorgelezen, 
waarvan copij zal gehouden worden onder de Bijlagen tot deze tweede Zitting. Betrek- 
kelijk Lit. A. waarover gedelibereerd zullende worden, zoo praeadviseerde de Hoog- 
Eenv. Praeses, dat de daarin opgegevene Kosten en Fondsen, hun toescheen onaan- 
nemelijk te zijn, en dat er hinderpalen bestonden die onoverkomelijk waren om hun 
plan te accepteren, en is na voorafgegane cliscussien over dit sujet, het resultaat en 
besluit geweest, dat voor dit maal al de gecommitteerden hebben op zich genomen, 
deze kosten, of zelve te dragen, of met hunne respective Kerkeraden daarover in 
onderhandeling te treden, in dat vertrouwen dat dezelve hun, en vooral den verafwo- 
nenden Leden, naar billijkheid en uit liefde voor de belangen van onze Gemeenschappe- 



4 



lijke Godsdienst, tot wier instandhouding elk onzer deze kostbare en vermoeijende 
reis ondernomen had, wel zouden willen te gemoet komen. Doch wanneer onverhoopt 
het tegendeel mogt blijken, alsdan, uit naam dezer Vergadering, door eene Commissie 
in der tijd te formeren, de nooclige adhortatien daartoe per missive zullen gedaan 
worden ; en dat men voor liet toekomende zal zorgen, voor een volgende Vergadering 
fondsen te creëren, door de verhooging van zulke takken der Kerkehjke inkomsten, in 
Art. 45 der Kerkorde voormeld, als daarvoor vatbaar waren, of door iets van andere der- 
zelve af te trekken, en daartoe de autorisatie van het Gouvernement te verzoeken. Waar- 
op liet advies van den Hoog-Ed. Achtb. Heer Commissaris Politiek verzocht zijnde, heeft 
Zijn Hoog-Ed. Achtb. de goedheid gehad om een brief daartoe strekkende, eerst in 
de Hollandsche en daarna in de Engelsche taal op te stellen, en is voor deze gunstige 
en ijverige medewerking Zijn Hoog-Ed. Achtb. door den Hoog-Eerw. Praeses op het 
hartehjkste bedankt geworden. 

De Secretaris werd gelast, ten spoedigste voor het afschrijven en expediëren 
des gemelden briefs in de Engelsclie taal te zullen zorgen, en nam aan denzelven op 
morgen ter tafel te zullen brengen, om geteekend te kunnen worden. 

Voorts opgemerkt zijnde dat deze brief van eene Schedule moest vergezeld 
gaan, behelzende eene opgaaf, zoowel wat voor verhooging als aftrekking onder 
Kerkinkomsten in Art. 45 vatbaar was, is, na voorafgaande discussien over de onder- 
scheidene voorstelhng, staande deze Zitting, aan ons gesubpediteerd, besloten, aan 
Zijne Excellentie den Gouverneur voor te dragen het volgend ontwerp : — 

1. Om van de gewone collecten te mogen aftrekken 10 pCt. 

2. Van giften, geschenken en legaten do. 10 pCt. 

3. De Doopgelden, buiten den gewonen tijd te verhoogen met 1 Rd. en voor ieder 
kind op den gewonen tijd 4 Schell. 

4. Lidmaatgelden do. 

5. Trouwgelden met 2 Rds. 

6. Begrafenisgelden 4 Schell. 

7. Zitplaatsen in de Kerk clo., met bijgevoegde bepahng dat armen en onvermogen- 
clen daarvan zullen uitgezonderd bhjven, ten einde deze som een algemeen 
Fonds moge opleveren door den tijcl voor Synodale onkosten, en is besloten 
daarop Z. Excellenties sanctie te verzoeken. 

Dit besluit bij blijkbare meerderheid van stemmen genomen, vond echter 
bedenking bij den afgevaardigde van Somerset, wiens Leeraar, de Eerw. Heer Spijker, 
verklaarde zich in gemoede daarmede niet te kunnen vereenigen, uithoofde van de 
gesteldheid hunner finantien, che geene cle minste aftrekking gedoogden, en schoon 
de Eerw. Heer Faure, Zijn Eerw. poogde te doen inzien, dat door dit toe te stemmen 
waarschijnhjk de Kerkekas aldaar meer bevoordeeld dan benadeeld zoude worden, 
bleef echter Zijn Eerw. vermeenen daartegen te moeten protesteren, tot het opmaken 
van welk protest en deszelfs motiven, aan Zijn Eerw. dan ook de vrijheid cloor de Mode- 
ratoren is gelaten, om daarin volhardende, hetzelve in de volgende Sessie in te leveren. 

Voorts werd besloten eene Commissie te formeren voor eene Weduwenbeurs, 
bestaande uit de Predikanten Von Manger en Mol, en cle Ouderhngen Hofmeyr en 
Mohr, terwijl op verzoek van den Hoog-Eerw. Prseses, is toegevoegd Ds. Scholtz, 



5 



om mede werkzaam te zijn in de Commissie gisteren benoemd tot het formeren van 
eene algemeene voordragt uit de speciale pnnten van Besclirijving, aan deze Verga- 
dering te doen, waarmede deze Zitting met Dankzegging tot God werd besloten. 



DERDE ZITTING 

4 November, 1824. 

Allen present, uitgezonderd de Ouderlingen J. C. Faure en D. J. Morkel, 
met permissie. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen der laatste 
Zitting geresumeerd, na welker onderteekening de werkzaamheden begonnen met de 
voorlezing van den brief der Synode aan Zijne Excellentie, door Sir John Truter gis- 
teren opgesteld, waarvan het origineel in het Hollandsch in het Archief zal gedepo- 
neerd, en in het Engelsch aan Zijne Excellentie den Governeur zal verzonden worden, 
na welks onderteekening door den Praeses en Secretaris, alsmede contrasignatien door 
de Hoog- en Wel-Ed. Heeren Commissarissen Politiek, dezelve staande deze Zitting 
door de Secretaris geëxpedieerd werd. 

Vervolgens deed de Eerw. Von Manger verslag van het resultaat der delibe- 
ratien gisteren door hem en zijne medegecommitteerden gehouden, tot het oprigten 
van een fonds voor Predikants Weduwen en Weezen, na welks voorlezing de Hoog- 
Eerw. Praeses voorstelde om dit plan, als nog alleen in het ruwe besclireven, in zijn 
geheel in het net te schrijven, en morgen ten minste één uur voor het aangaan der 
Vergadering ter tafel te bezorgen, opdat elk der leden tijd en gelegenheid moge heb- 
ben zijne gedachten daarover te laten gaan, onverminderd de vrijheid om zijn Eerw. 
heden avond aan zijn huis daarover te spreken, welke propositie algemeen werd aan- 
genomen. 

Waarop Zijn Hoog-Eerw. overging tot een voorstel omhetRapport der Com- 
missie te hooren, gedecerneerd om uit de in het generaal ingezondene propositien te 

formeren speciale punten van beschrijHng of deliberatien, ten einde met zoo veel 

te meer geregeldheid en orde in de werkzaamheden der Synode te kunnen voortvaren, 
de leden tusschen beide op eene zeer impressive wijze indachtig makende, op het bij- 
zonder gewigt van dit gedeelte onzer .verrigtingen, en dus alles zeer gepastelijk voor- 
bereid hebbende, gaf zijn Hoog-Eerw. ter voorlezing over : 1. Aan den Eerw. Heer 
Spijker de voorlezing van het Algemeene Reglement van Kerkbestuur, eerste afdee- 
ling, gemerkt door den Secretaris met Lit. A. 2. Aan den Eerw. Heer Murray de 
tweede afdeeling, gemerkt met Lit. B. 3. Aan den Eerw. Heer Herold de derde 

afdeeling, gemerkt met Lit. C. 4. Aan den Eerw. Heer Spijker de vierde afdeeling, 

het eerste onderdeel, met een gedeelte van het tweede onderdeel, Lit. D. 5. Aan Ds. 
Mun’ay het vervolg van de vierde afdeeling, behelzende het tweede onderdeel, Lit. 
E. 6. Ds. Herold het derde onderdeel der vierde afdeeling, Lit. F. 



B 



6 



De Kerk der hoofdplaats alzoo provisioneel en gedeeltelijk (zoover ten minste 
als men daarmede gereed was, het overige hetwelk men nog te proponeren had voor 
eene volgende Sessie gereserveerd houdende) voorgedragen hebbende, zoo zoude men 
nu overgaan tot de Buiten-Kerken, doch is goedgevonden, op voorstel van den Hoog- 
Eerw. Praeses, om vooraf te handelen met de proposanten over eene aanteekening 
welke men omtrent het ingeleverde geoordeeld had te moeten maken, van zoodanige 
propositien die aan de Commissie met deze zaak belast eenigermate duister waren voor- 
gekomen, en onzeker onder welke rubrieken te plaatsen. En wel, opzigtelijk Cale- 
don, Art. 24 der zoogenoemde fundamentele Regulatien over het Catechismus prediken, 
hetwelk gebragt moest worden tot het geven van Godsdienstonderwijs in het algemeen. 
Art. 3 van de zoogenoemde temporaire Regulatien — eene propositie tot het schrijven 
van eenen herderlijken brief, hetwelk gepostponeerd is tot eene volgende Sessie. Art. 4, 
voorslag ter vereeniging van onze Kerk met die van Schotland, en ons te stellen onder 
hare protectie, hetwelk geoordeeld werd eene op zichzelve staande vraag te zijn, die 
na het advies van de Hoog-Ed. Heer Connnissaris Pohtiek, in de laatste Zitting der 
Synode diende verhandeld te worden. Art. 6, sub Lit. B, over de vereischten tot het 
wettig verrigten van predikatien, oefeninghouden, enz., — te brengen onder het artikel 
van Zendelingen en hetgeen daartoe strekt. 

Opzigtelijk Graaíf-Reinet. 1. Hoe te handelen met gedoopte slaven die on- 
getrouwd bleven ? Besloten dit te brengen onder het artikel van de Kerkelijke Tucht. 
2. Art. 4, of ook zulke personen die niet tot onze Kerk behooren aanspraak kunnen 
maken op de Diakonies bijstand, almede afzonderlijk te behandelen. 

Betrekkelijk de propositien van Tulbagh is geoordeeld dat zij moesten uitge- 
steld blijven tot eene volgende Sessie. 

Deze duisterheden dus weggenomen zijnde, zijn de verdere punten door 
Caledon, de Paarl en Stellenboscli, zoo als die op de geregelde Lijst tot objecten van 
deliberatie gebragt waren, voorgelezen. 

De Hoog-Eerw. Praeses vervolgens gevraagd hebbende of niemand iets meer 
te proponeren had, en zich niemand gemeld hebbende, is deze Zitting met dankzeg- 
ging tot God besloten. 



VIERDE ZITTING, 

5 November, 1824. 

Allen present, uitgezonderd de Eerw. Heer C. Mol, bij indispositie, en de 
Ouderlingen van Caledon en Somerset, met permissie. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen der laatste 
Zitting door den Secretaris voorgelezen, na welker onderteekening men overging tot 
de werkzaamheden der Synode, dezelve beginnende met het vervolg der voortzetting 
van de voorlezing van hetgeen de Kerkeraad der hoofdplaats al verder heeft gesuppe- 



7 



diteerd aan de Commissie ter collectie van de voorgedragene punten der beschríjving, 
en wel bepaaldelijk van kerkelijk opzigt en tucht (censuur), deels geschied door Ds. 
T. Herold, deels door den Hoog-Eerw. Prceses zelven, alsmede van hetgeen daartoe 
betrekkehjk was voorgedragen door de Kerken van Caledon, Beaufort, Graaíf-Reinet, 
en Tulbagh, door Ds. Murray, en eindelijk van hetgeen bevonden is voorgedragen te 
zijn op het artikel van publiek onderwijs door Caledon en Stellenbosch, welk laatste 
stuk werd voorgelezen door Ds. J. Scholtz. 

Na al welke voorbereidselen dan nu in overweging werd genomen, en door 
den Hoog-Eerw. Praeses voorgesteld als een object van deliberatie en synodaal besluit, 
de eerste afdeeling der algemeene bepalingen van het bestuur derTPervormde Kerken in_ 
deze volkplanting (zie Bijlagen). Bij welke gelegenheid, naingenomen advies van den 
Hoog-Ed. Achtbaren Heer Commissaris Politiek Sir John Truter, als erkende grondwet 
werd vastgesteld, , de thans figerende kerkorde aan te merken als grondslag en alge- 
meenen grondregel van al onze verrigtingen ; doch van dewelke deze latere algemeene 
bepalingen van Kerkbestuur slechts als modificatien en bijvoegselen, geboren uit de 
veranderde gesteldheid der tijden en omstandigheden, zullen worden beschouwd, na 
welke voorbereidselen de Hoog-Eerw. Praeses dan nu overging om dezelve, punt voor 
punt, in deliberatie te brengen, met dat gevolg, dat ze ook eenparig zijn aangenomen, 
zijnde alleenlijk door Sir John Truter het 6de artikel duidelijkheidshalve met klaar- 
dere bewoordingen uitgedrukt, zoo als uit zijns Hoog-Ed. Achtb. manuscript, staande 
deze Zitting gedaan, zal komen te blijken. Vervolgens werd besloten de^JJervormde 
Kerken dezer Kolonie te verdeelen in drie Ringen, waarvan de eerste zal behelzen de 
Kaapstad, Stellenbosch, de Paarl, Zwartland en Somerset ; de tweede, Tulbagh, 
Zwellendam, Caledon, George, en W orcester ; en de derde, Graaff-Reinet, Uitenhage, 
Beaufort, en Cradock. 

Voorts proponeert de Hoog-Eerw. Praeses eene Commissie ter behandeling en 
onderzoek van het werk der Zendelingen in deze Kolonie, of binnen derzelver kerkelijke 
limieten, en wel inzonderheid om aan de Synode op te geven welke wetten en usan- 
tien er ten dezen aanzien bij ons bestaan, en voor welke modificatien en verbeteringen 
dezelve mogten vatbaar zijn ; waartoe gecommitteerd zijn, als Prasses de Eerw. Heer 
Von Manger, en als leden derzelve, deEerw. Heeren Thom en Smith, met de Broeders 
Ouderlingen J. du Toit en Mohr. A1 verder werd door Zijn Hoog-Eerw. voorgesteld de 
vraag, of er al dan niet Kerkvisitatores zouden vereischt worden. Doch daarop is be- 
sloten, dat vermits nu reeds de Kerken in Ringen verdeeld waren, men de werkzaam- 
heden der Visitatoren zou overlaten aan de Synodale schikkingen desaangaande voor 
elken Ring te maken. 

Laatstelijk verzocht nog de Secretaris uit naam van Ds. A. Faure om de toe- 
stemming van den Hoog-Eerw. Heer Praeses en de Hoog-Ed. Achtb. Commissaris 
Politiek, alsmede der Synode, tot het mogen laten drukken hunner redevoeringen of 
aanspraken bij de opening der Synode gedaan, in zijn Eerws. zoo nuttig als geacht 
Maandwerk, welk verzoek gereedelijk werd aangenomen. 

De Hoog-Eerw. Praeses vervolgens gevraagd hebbende of niemand iets meer 
had voor te dragen, en niemand zich meldende, is deze Sessie met dankzegging tot 
God besloten. 




/ 

/ 



8 

VIJFDE ZITTING, 



6 November, 1824. 

Allen present, uitgezonderd de tweede Commissaris Politiek, de Wel-Edele 
Achtbare Heer P. J. Truter, de Eerw. Heeren H. von Manger en T. Herold, en de 
Heeren Ouderlingen Blignaut en D. J. Morkel, bij indispositie of met permissie. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen der laatste 
Zitting door den Secretaris voorgelezen, na welker onderteekening de Hoog-Eerw. 
Prseses voorstelde als een punt van deliberatie als nu te verhandelen, het door gecom- 
mitteerden tot deze zaak voorgestelde plan voor een weduwen fonds van predikanten 
onzer kerk, lietwelk Zijn Hoog-Eerw. van punt tot punt voorlas, en is bevonden, dat 
daarin Art. 1, eenparig werd aangenomen. Art. 2, veranderd met deze nadere bepaling, 
dat predikanten onder dertig jaren, voor den eersten inleg, zullen contribuëren 250 Rds., 
van dertig tot veertig jaren 350 Rds., van veertig tot vijftig jaren 450 Rds., van vijftig 
jaren en daarboven 500 Rds. Art. 3, om deze som by elkander te brengen, zal de 
Synode eene Commissie benoemen, waaraan elk predikant zal doen toekomen een 
vierde deel van zijn traktement, elk kwartaal, daarmede beginnende den lsten Januarij 
des aanstaanden jaars 1825, en zoo vervolgens, tot dat hij zijn quota geheel zal hebben 
voldaan. Opzigtelijk de maandebjksche contributie, op Art. 4, is besloten, in plaats 
van 2 Rds. te betalen 3 Rds. Art. 5, vastgesteld, dat, in plaats van eenen rentmeester 
tot de bebeering van dat fonds aan te stellen, men tracbten zal, door intercessie van 
den eersten Commissaris Pobtiek, liet gezegde fonds over te brengen op de Wees- 
kamer, en de bijeengebragte som onder bewaring van dat eerwaardig Collegie te doen 
stellen ; terwijl de Conunissie in Art. 3 bepaald, zicb alleenbjk zal bezig houden met 
het ontvangen der respective contributien. Art. 6 werd unaniem aangenomen, met 
deze exceptie echter, betrekkebjk Stellenbosch, dat, uit consideratie van bijzondere 
redenen, wordt toegelaten, om met de helft der som van 25 Rds., dus 12| Rds., aldaar 
genoten wordende van paren die vrijwilbg verkiezen buiten den gewonen tijd getrouwd 
te worden, te kunnen volstaan, gedurende bet aanwezen van den tegenwoordigen pre- 
dikant aldaar, zullende al verder elke bijdrage, van wien der leden ook tot dit fonds, 
buiten en bebalve bet boven vastgestelde, met dankbaarheid aangenomen worden. 
Opzigtebjk Art. 7 werd besloten ten dezen opzigte te bandelen zoo als de leden naar 
gelang der plaatsebjke omstandigbeden zullen raadzaamst oordeelen. Art. 8 in zijn 
geheel aangenomen. Art. 9, daaromtrent is besloten, met concurrentie der Hoog-Ed. 
Heeren Commissarissen Pobtiek, den geordenden en gewonen weg in te slaan. Art. 10, 
om hetzelve overeenkomstig de nu reeds vastgestelde veranderingen in de contributien 
tot dit fonds van nieuws te berekenen. Art. 11 en 12 gaaf aangenomen. Art. 13 voor 
vervallen verklaard. Art. 14 vastgesteld, echter met deze bijvoeging, dat daarom de 
Synode bet regt en de bevoegdheid bbjft behouden, om, in geval van overbjden 
eens leeraars, onverboopt in deze termen vervallende, aan zijne weduwe, mits zij 
daarom aanzoek doet, en de achterstallen haars overledenen mans aanzuivert, het genot 
en deelgenootscbap in dit fonds toe te staan. Art. 15 is vervallen. Art. 16, ten aan- 
zien van de betabng der inleggelden, bij Art. 3 reeds voorzien zijnde, zoo zal wat de 



9 



maandelijksche contributien aangaat, derzelver toebrenging gerekend worden te begin- 
nen met 1 Januarij 1825, en te expireren nret 1 April, moetende telkens betaald worden 
elk kwartaal, zoodra men zijn traktement bij het Gouvernement zal hebben ontvangen. 
Art. 17 aangenomen met eene kleine verandering door den Hoog-Eerw. Prasses daarin 
bekend gesteld. Art. 18 desgelijks, met provisionele bepaling dat uit dit fonds aan 
elke weduwe per annum zal gegeven worden, en wel bij kwartalen van 500 Rds., tenzij 
door onverhoopte sterfgevallen, het getal der weduwen zoodanig mogt vermenigvul- 
digen, dat eene verminderde toelage door den staat van het fonds noodzakelijk werd. 
Art. 19 is vervallen. Art. 20 aangenomen, met bijvoeging dat het regt der weduwen 
op dit fonds zal beginnen met den dood haars mans. Art. 21 aangenomen. In 
Art. 22 is bepaald, dat wanneer de predikants weduwe hertrouwt, zij haar regt op 
dit fonds verliezen zal. Art. 23 aangenomen. Art. 24 en 25 vervallen. Art. 26 in 
zijn geheel gebleven, met eenige duidelijkheidshalve daarin geschrevene veranderingen 
door den Hoog-Eerw. Praeses. Art. 27 is geoordeeld eene nieuwe modificatie te 
moeten krijgen, ingevolge het 3de en 5de artikel. Art. 28 werd als vervallen be- 
schouwd. Art. 29 aangenomen, en eindelijk op advies van den Hoog-Edelen eersten 
Commissaris Politiek nog daarbij gevoegd het volgende en laatste additionele artikel : 
“ In dit Reglement zullen geene veranderingen gemaakt worden, dan in eene wettig 
vergaderde Synode, en met toestemming van ten minste drie-vierde deelen der pre- 
senten en in het fonds belanghebbende leeraren, waarmede deze Zitting, na het doen 
der gewone vragen door den Hoog-Eerw. Heer Prseses, of niemand iets meer ter 
Vergadering had voor te dragen, met dankzegging tot God werd besloten. 



ZESDE ZITTING, 

8 November, 1824. 

Allen present, exceptis de beide Heeren Commissarissen Politiek, bij officiële 
betrekkingen en dispositie, en DD. Herold en Mol, en de Heeren Ouderlingen 
Blignaut en D. J. Morkel, met permissie. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen der laatste 
Zitting door den Secretaris voorgelezen, na welker onderteekening, eerstelijk, door 
Ds. Thom gereflecteerd werd, hoe zeer het mogelijk was dat eens een predikant moge 
sterven, eer hij nog zijn aandeel aan de eerste inleg-gelden had voldaan, en dus werd 
in omvraag gebragt, hoedanig men in zulk een geval zou te handelen hebben ? 
Waarop gedelibereerd zijnde, met eenparigheid van stennnen is besloten, dat in zulk 
een onverhoopt geval eene weduwe even goed tot het fonds zal geregtigd zijn, mits zij 
haren overledenen mans contributie, zoo wel tot den eersten inleg alsook de maande- 
lijksche, aanzuivere. 

Vervolgens werd, op verzoek van den Broeder Ouderling Mohr, besloten, om 
aan Zijn Ed. een bewijs te geven, dat de contributie van vijf-en-twintig Rijksdaalders 



c 



10 



extra trouwgelden, in zijne gemeente te Tulbagh, aldaar aangewend wordende tot het 
kerkfonds, voortaan zal gegeven worden aan het fonds tot goed maken der onkosten 
voor de Synode, volgens een generaal besluit in deze Vergadering genomen, en dus 
even zeer toepassehjk en verpligtend voor en op al onze gemeenten. 

Intusschen werd een brief ontvangen van den Secretaris des Bestuurs der 
Bijbelvereeniging, G. E. Overbeek, de Synode uitnoodigende om heden avond de 
plegtigheid in gemelden brief vermeld, in de Luthersche Kerk, bij te wonen ; welk 
verzoek werd geaccepteerd, en is besloten hetzelve terstond te beantwoorden, hetgeen 
dan ook onmiddelijk is geschied, door eenen brief, ten dien einde opgesteld door den 
Secretaris, welke, voorgelezen zijnde, door de Vergadering werd goedgekeurd en 
dadelijk geëxpedieerd. Na welk alles, de Eerw. Heer Von Manger verzocht om zijn 
verslag te doen van de werkzaamheden der Commissie tot het Zendelingswerk in deze 
Kolonie, onder Zijn Eerws. praesidium plaats gehad hebbende, en las opgem. Eerw. Heer 
Von Manger daarop voor een opstel zijner reflectien over dit onderwerp, hetwelk als 
zoodanig werd aangenomen, en waarmede zich vervolgens vereenigd hebben de Eerw. 
Heer J. Scholtz en de Broeder Ouderling De Jongh ; terwijl den Eerw. Heeren Thom 
en Smitli, alsmede den Broeders Ouderlingen Mohr en Du Toit, de van hen verzochte 
vrijheid werd gelaten om ook hunne reflectien over dit onderwerp overmorgen, in 
geschrifte, aan deze Vergadering te suppediteren. 

Vervolgens ging de Hoog-Eerw. Praeses over ter overweging van het onder- 
werp der Kerkvisitatie, aan de Ringen aanbevolen in de vierde Sessie, en verzocht den 
Eerw. Heer Spijker om het concept van een reglement desaangaande voor te lezen. 
Dit onderwerp vervolgens in deliberatie gebragt zijnde, bleek het, dat de leden het- 
zelve uit verschillende oogpunten beschouwden, weshalve de Hoog-Eerw. Praeses de 
vraag voorstelde aan deze Vergadering, of er al dan niet eene Kerkvisitatie zou plaats 
hebben ; waarop bij meerderheid van stemmen werd besloten, dezelve in te voeren, 
doch op zulk eene wijze, dat de onderscheidene Ringen zelve daartoe de vereischte 
schikkingen maken zullen, en elk in hunne betrekking een ontwerp daartoe zullen 
opgeven van den vorm en de wijze hoe zij denken dat de gemelde Kerkvisitatie op de 
nuttigste en meest convenabele wijze zal moeten worden bewerkstelligd, mits de 
modificatie en beslissing daarvan onderwerpende aan het oordeel der Synode ; waarop 
deze Zitting met dankzegging tot God werd besloten. 



ZEVENDE ZITTING, 

9 November, 1824. 

Allen present, uitgezonderd de tweede Commissaris Politiek, de Hoog-Ed. 
Achtb. Heer P. J. Truter, en de Heeren Ouderlingen J. C. Faure, Blignaut, Morkel, 
Hofmeyr en Conradie ; doch van nieuws bijgekomen de gedeputeerden van George, 
Steph. Hend. du Toit. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen der voor- 
gaande Sessie door den Secretaris voorgelezen en geteekend ; waarop de Hoog-Eerw. 



11 



Praeses voorstelde om in deliberatie te nemen het tweede gedeelte aangaande de Alge- 
meene Kerkvergadering in ’t gemeen, en las daarop hetzelve voor ter deliberatie, met dat 
gevolg, dat eenparig besloten werd daarvan Arts. 9, 10, 11, 12, 13 en 14 aan te nemen, 
het gestatueerde in Art. 15 desgelijks, doch met bijvoeging dat hetzelve werd overge- 
laten aan de onderscheidene Ringen onder approbatie der Synode. Arts. 16, 17 en 
18, gaaf aangenomen. Art. 19 met dit bijvoegsel in conformiteit met Art. 48 van de 
thans rigerende Kerkorde van 1804 ; waarop de derde afdeeling over het Kerkelijk 
Bestier in de Gemeenten in overweging werd genomen, en is daarvan aangenomen 
Art. 20, met dit bijvoegsel in conforaiiteit met Art. 24 der vigerende Kerkorde. Arts. 
21 en 22, met eenige verandering en bijvoegselen door den Hoog-Eerw. Prasses daarin 
met algemeene goedkeuring gemaakt, aangenomen in zijn geheel. Art. 23 aange- 
nomen, met de daarin door den Hoog-Eerw. Praeses gemaakte en door al de leden 
goedgekeurde verandering. Art. 24 aangenomen in zijn geheel. 

Vervolgens ging zijn Hoog-Eerw. over ter discussie van eenige additionele 
Artikels, als van Caledon, propositie 13, of in deze Synodale orde, hier Art. 25, het- 
welk werd aangenomen, met deze bijvoeging, dat de penningen onder de Godsdienst- 
oefeningen, aldaar nader omschreven, gecollecteerd, zullen worden gestort in de 
kast der Diakonie van de gemeente waarin ze geschieden. 

Propositie 14 aangenomen en begrepen in Art. 26. Propositie 15 vervat in 
deze Synodale orde in Art. 27, veranderd in een besluit, dat voortaan in vacante 
gemeenten geen doortrekkend leeraar zal vermogen te doopen of lidmaten aan te 
nemen, zonder voorkennis van den Kerkeraad; en zulks gedaan hebbende, zal hij van 
deze officiële vemgtingen een coiTect verslag doen, en hetzelve aan dat collegie doen 
toekomen. Propositie 16, in onze orde Art. 28, bepaald dat elk leeraar in gevallen 
van buitengewone absentie uit zijne gemeente, zal zorg dragen dat zijne dienst ten 
billijke genoegen van den Ring waartoe hij behoort zal worden waargenomen. 

Eindelijk werd nog vanwege Caledon en Graaff-Reinet te zamen gevraagd, 
hoe zich te gedragen wanneer ouders, die geen lidmaten zi jn der Hervorm de Kerken, 
aldaar van den leeraar verzoeken om hunne kinderen te doopen, en is het advies der 
Synode geweest, dat men dit overliet aan de discretie der respective leeraren zelven, 
om naar de verschillende omstandigheden alzoo te handelen, als zij telkens ten meesten 
nutte der Kerken raadzaamst zouden oordeelen, echter met deze bepaling, dat er 
alt oos twee leden der Hervormde Kerk al s getuigen zouden gesteld worden. 

Na al w r elke verrigtingen de Hoog-Eerw. Proeses eene Commissie voorsloeg 
itothet maken van een plan voor de oprigting eener Theologische Kweekschool, [zul- 
lende bêstaan uit de Eenv. Heeren Von Manger, Faure, Murray, Thom en Smith, 
w r elk voorslag eenparig werd aangenomen. 

Eindelijk werd nog op verzoek van den Eerw. Heer Faure, eene Commissie 
benoemd tot de ontvangst der contributien voor het Weduwen-Fonds, waartoe met 
eenparige toestennning verkozen is het geheele Eerwaarde Ministerie van de Kaapstad, 
aan hetwelk dus al de participanten in hetzelve hunne contributie zullen in te zenden 
hebben, conform de bepahngen daarvan in het reeds vastgestelde reglement gemaakt. 

Niets verder ter Vergadering voorgedragen zijnde, werd deze Zitting met 
dankzegging tot God besloten. 



12 

ACHTSTE ZITTING. 



10 November, 1824. 

Allen present, echter met exceptie van dezelfde personen als gisteren, alsmede 
de Eerw. Heeren Murray en Scholtz, en Ouderling Mohr, deels bij indispositie, deels 
met permissie. 

De Vergaderíng met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen van gisteren 
geresumeerd, na welker onderteekening de Hoog-Eerw. Praeses ter deliberatie voor- 
stelde de vierde afdeeling over het Godsdienst-onderwijs, en wel 

1. De eerste afdeeling over het Godsdienst-onderwijs, waarvan Art. 29 is 
aangenomen, desgelijks Art. 30 met de daaraan toegebragte veranderingen (waardoor 
dan ook voldaan werd aan de propositie van Caledon), en is tevens besloten Zijne 
Excellentie den Gouverneur per request te verzoeken, om een zeker aantal van exem. 
plaren van den Katechismus onzer Kerk, op de Gouvernements drukpers te mogen 
laten drukken, zoowel in het Hollandsch als ook vertaald in het Engelscli, onder- 
teekend door den Praeses en Secretaris der Synode. 

2. Werd ter deliberatie gebragt het tweede onderdeel, handelende van Gods- 
dienstonderwijzers en hunne vereischten, waarvan Ai*t. 31, 32 zijn aangenomen in hun 
geheel ; Art. 33, met weglating van de bepaling des ouderdoms, boven welke niemand 
tot dat ambt zou worden toegelaten ; Arts. 34, 35, 36, 37, 38, gaaf aangenomen. 

3. Derde onderdeel van de vierde afdeeling over het toezigt van Godsdienst- 
onderwijs, waarvan Arts. 39, 40, 41, 42, desgelijks werden aangenomen, en inzonder- 
heid Art. 43 allen Leeraren bijzonder ter observance word aanbevolen, waarop nu 

4. Zou zijn overgegaan tot het Appendix, doch hetwelk uitgesteld werd tot 
nadere gelegenheid, en is men om reden dat morgen de Hoog-Ed. Achtb. Heer eerste 
Commissaris Politiek niet zou kunnen tegenwoordig zijn, getreden 

5. Ter overweging van de vijfde afdeeling, behelzende het reglement op de 
uitoefening van Kerkelijk Opzigt en Tucht, en wel het eerste onderdeel, inhoudende 
o/gemeene bepalingen, waarvan Art. 44 — 60 gaaf zijn aangenomen ; doch ten aanzien 
van het 61ste behoort opgemerkt te worden, dat dit geschied is met de veranderingen 
door den eersten Commissaris Politiek aan de hand gegeven, waarop wederom Arts. 
62, 63, 64 gaaf werden aangenomen, desgelijks 65, maar met bepaling, dat een uitstel 
van vier in plaats van twee weken in het daarin voorkomend geval, werd vastgesteld ; 
zijnde voorts aangenomen in zijn geheel Arts. 66, 67, doch is in Art. 68 door Welgem. 
Heer Commissaris Politiek, eene nadere modificatie duidelijkheidshalve gemaakt, en 
eindelijk wederom Art. 69 gaaf aangenomen. 

De Hoog-Eerw. Praeses vervolgens de gewone vraag voorgesteld hebbende, of 
niemand iets meer aan de Vergadering had voor te dragen, en niemand zich meldende, 
zoo werd deze Zitting met dankzegging tot God besloten. 



13 



NEGENDE ZITTING, 

11 November, 1824. 

Present al de leden, met exceptie der beide Hoog-Ed. Achtb. Heeren Com- 
missarissen Politiek, de Eerw. J. Scholtz, de Heeren Ouderlingen Blignaut, Conradie, 
F. du Toit en D. J. Morkel, deels door officiële bezigheden of indispositie verhinderd, 
deels met permissie. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen van den 
10 11. geresumeerd en geteekend. De Hoog-Eerw. Praeses begon vervolgens de werk- 
zaamheden der Synode met het benoemen eener Commissie, bestaande uit de Eerw. 
Heeren Faure, Herold en Murray, ten einde de onderscheidene en uiteenloopende 
denkbeelden van de gecommitteerden tot het Zendelingswerk, ten fine van onderzoek 
en rapport, tot zekere hoofdpunten te brengen, aangezien de Hoog-Eerw. Praeses 
dezelve zoo zeer betuigde onderling verschillend bevonden te hebben, dat hij voor 
zich geene mogelijkheid had gezien om daarvan in dezen toestand, zoo als ze nu 
waren, een geregeld onderwerp van deliberatie te maken. 

Intusschen stelde Zijn Hoog-Eenv. voor, om in overweging te nemen het 
onderwei’p van een Reglement te maken op het houden van Oefeningen, waarnaar 
personen zulks begeerende te doen, zich bij derzelver uitvoering zouden hebben te 
gedragen (waarbij conferatur Art. 32 der reeds vastgestelde Punten). Waarop Zijn 
Hoog-Eerw. voorlas Art. 1, behelzende eene bepaling wat men niet of al door het. 
oefeninghouden zou te verstaan hebben, dat eenparig werd aangenomen ; gelijk ook 
plaats vond opzigtelijk Arts. 2, 3 en 4, met derzelver zes onderscheidene onderdeelen, 
alsmede de 5, 6, 7 en 8ste Artikelen, zijnde dit alzoo aangenomen Reglement te 
vinden onder de Bijlagen. 

Middelerwijl de Eerw. Heeren Faure, Herold en Murray wederom ter Ver- 
gadering verschenen zijnde, betuigden zij het even zoo als de Hoog-Eerw. Prasses 
onmogelijk gevonden te hebben om uit de verschillende stukken een geheel te kunnen 
formeren, zoodat men hetzelve geregeld, en van punt tot punt, aan deze Vergadering 
ter deliberatie zou kunnen voordragen, weshalve besloten werd om het advies van de 
Broeders Mohr en J. du Toit eerstelijk tot een leiddraad te nemen, gemeld in de 
Bijlagen tot deze Sessie, ten einde met dit stuk een begin te kunnen maken. Zijn 
Hoog-Eerw. las daarop voor de voorafgaande inleiding tot dit dokument betrekkelijk, 
en ging toen over tot de discussie van Ai*t. 1, hetwelk als overtollig beschouwd werd, 
doch besloten, dat de Synode het Gouvernement zal verzoeken, dat de Zendelingen, 
zoowel diegenen, die hier thans nu reeds zijn, als voortaan nog komen mogten, mogen 
bekend gemaakt worden, behalve met de 14 en 15 Arts. der Kerkorde, zoo ook 
inzonderheid met de Proclamatie van den 23 Februarij, 1805. Art. 2. Een verzoek 
aan den Gouverneur te doen, dat al zulke Zendelingen als nu reeds werkzaam zijn in 
de H er vormde Gern eente, of voortaan daartoe verlof zullen verkrijgen, in zoo veiTe 
hunne werkzaamheden betrekking hebben tot dc leden der Hervorm.de gevestigde 
Gemeenten, onder hetzelfde kerkbestuur zullen geplaatst worden. Art. 3 is weg- 
gevallen. Art. 4 aangenomen. Art. 5, met het bijvoegsel in het gezegde dokument. 



D 



14 



Lit. B., geschreven. Arts. 6 en 7 zijn aangenomen ; en eindelijk in Art. 8 vastgesteld, 
dat Zendelingen, tot de Hervormde Kerk als l idmaten belioorende , voortaan, als zij 
zulks verlangen, door ën vanwege deze Álgemeene Kerkvergadering zullen kunnen 
geordend worden, om onder de Gemeenten door hen uit de Heidenen verzameld, de 
Heihge Sacramenten te bedienen, onder de bepalingen die de Synode zal dienstig 
oordeelen desaangaande te maken. 

Verder niets ter Vergadering zijnde voorgedragen, is deze Zitting met dank- 
zegging tot God besloten. 



TIENDE ZITTING, 

12 November, 1824. 

Allen present, behalve de Hoog-Ed. Achtb. Heer tweede Commissaris Politiek, 
de Eerw. Heer Scholtz, de Heeren Faure, Blignaut, Conradie, Mohr, Campher, Morkel, 
Jac. du Toit en F. du Toit, zoo met verlof als door indispositie. 

Na het gebed werden de Resolutien der vorige Sessie geresumeerd en ge- 
teekend. De Praeses gaf te kennen, dat hij, op advies van den Hoog-Ed. Achtb. Com- 
missaris Politiek, de verdere deliberatie van de onderscheidene stukken over de zaak 
der Zendelingen ingekomen, tot eene volgende Sessie zoude uitstellen. Hierop zette 
men de werkzaamheden van de Achtste Sessie voort, beginnende met het Tweede 
Onderdeel van de Vijfde Afdeeling, behelzende “Bepalingen voor den Kerkeraad,” welk 
onderdeel twee Hoofdstukken bevat, waarvan het Eerste Hoofdstuk handelt over de 
uitoefening van Kerkehjk Opzigt en Tucht, anders gezegd Censuur,” zijnde Art. 70 
aangenomen. Art. 71, eene nieuwe propositie, door den Hoog-Ed. Achtb. Commis- 
saris Politiek ingebragt. Art. 72 aangenomen, met de noodige verkorting. Arts. 73, 
74, 75, 76, aangenomen. Art. 77 aangenomen, met eenige daarin gemaakte ver- 
anderingen. Arts. 78, 79, 80, 81, 82, 83, aangenomen ; en hiermede het Eerste 
Hoofdstuk afgeloopen. 

Tweede Hoofdstuk van Tweede Onderdeel der Vijfde Afdeeling, “ aangaande 
de behandeling van Kerkelijke Geschillen voor den Kerkeraad.” Vooraf werd in 
aanmerking genomen de propositie van Caledon, waar gevraagd wordt, “ Hoe te 
handelen met ouders, beide ledematen der Hervormde Kerk, die het bondzegel des 
Heiligen Doops bij andere leeraars, niet tot de Hervormde Iverk bêTToorende, hunne 
kinderen laten toedienen, en die, 'zoiicier vërlof van lïuhhëhTeeráár, het Avondmaal 
geregeld bij andere gezindten genieten ?” Geoordeeld, zulke buitengewone gevallen 
te brengen voor de Ringsvergadering.” Arts. 84, 85, 86, 87, aangenomen. Art. 88 
aangenomen, met verandering van den tijd van acht in veertien dagen. Arts. 89, 90, 
91, aangenomen. Hiermede het geheele Tweede Hoofdstuk afgehandeld. 

Derde Onderdeel van de Vijfde Afdeeling, behelzende “ Bepahngen voor het 
Ringsbestuur, zoo bij Appel ter Eerster Instantie en Revisie,” handelende het Eerste 



15 



Hoofdstuk bij Appel, zijnde Arts. 92 en 93 aangenomen. Art. 94 aangenomen, met 
de noodige verandering. Art. 95 aangenomen. Art. 96 aangenomen, met eene kleine 
verandering. Art. 97 gehecht aan Art. 96. Arts. 97, 98, 99, 100, aangenomen. 
Art. 101 aangenomen, met bijvoeging van den Hoog-Ed. Achtb. Commissaris Politiek. 
Arts. 102, 103, 104, 105, 106, aangenomen. 

Tweede Hoofdstuk ter Eerster Instantie, belangende deels Kerkelijk Opzigt 
en Tucht, en deels Kerkelijke Geschillen. 

A. Kerkelijk Opzigt en Tucht. — Arts. 107, 108, 109, 110, aangenomen. 
Art. 111 aangenomen, met bijgedane veranderingen. Arts. 112, 113, aangenomen. 
Art. 114 aangenomen, met verandering van de tijdsbepaling. Arts. 115, 116, 117, 
118, aangenomen. 

B. Kerkelijke Geschillen. — Arts. 119, 120, 121, 122, 123, 124, 125, aan- 

genomen. 

Vierde Onderdeel van de Vijfde Afdeeling, behelzende “ Bepalingen voor 
het Synodaal Bestuur, zoowel bij Appel als ter Eerster Instantie, zoo mede bij 
Revisie.” Eerste Hoofdstuk, bij Appel. — Arts. 126, 127, 128, 129, 130, aangenomen. 
Tweede Hoofdstuk, ter Eerster Instantie. — Arts. 131, 132, 133, 134, 135, aangenomen. 
Derde Hoofdstulc, in Revisie. — Art. 136 aangenomen. Art. 137 aangenomen, met 
eenige door den Hoog-Ed. Achtb. Commissaris Politiek daarin gemaakte verande- 
ringen. Art. 138 met 139 gecombineerd ; waarna de Vergadering met dankzegging 
tot God scheidde. 



j 

ELFDE ZITTING, 

15 November, 1824. 

Allen present, uitgenomen de Hoog-Ed. Achtb. E^er P. J. Truter, tweede 
Commissaris Politiek, en de Broeders Ouderlingen Hofmeyr, Blignaut, Conradie, 
Du Toit en Morkel, deels bij indispositie, deels bij permissie ; doch bijgekomen de 
Eerw. Heer Kicherer, van Tulbagh. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, las de Secretaris de Notulen 
voor der laatste Zitting, doch vóór welker onderteekening de Eervv. Heer Thom, van 
Caledon, verzocht om zijne reflectien te mogen laten hooren over het derde Hoofdstuk 
der Revisie, behelzende Arts. 136, 137, 138, en is, na voorafgegane discussie, besloten, 
ter meerdere volmaking er dit volgende bij te voegen, onder Art. 138: “ geene 
uitspraken of besluiten der Algemeene Kerkvergadering of Ringsbesturen zullen van 
kracht zijn, dan na dat dezelve door Zijne Excellentie den Gouverneur zullen zijn 
goedgekeurd.” 

Vervolgens werd het onderwerp van het Zendelingswerk ter deliberatie door 
den Hoog-Eerw. Praeses voorgesteld, en is na ingenomen advies van den Hoog-Ed. 



16 



Achtb. eersten Commissaris Politiek besloten, de twee yolgende bijgevoegde Artikelen 
vast te stellen : — 

1. Zendelingen, belijdenis van .d^J&Iervormde Godsdienst doende, en onder- 
wijs in dezelve binnen deze volkplanting willende geven, zullen onderworpen zijn aan 
het 13de Art. der Kerkorde, en gevolgelijk tot het geven van onderwijs in de Gods- 
dienst niet worden toegelaten, dan na voorgegaan behoorlijk verkregen verlof van 
inwoning en afgelegd examen voor, en daarop verkregen kwahficatie door den Kerkeraad 
der Gemeente, onder welks kring zij voornemens zijn zoodanig onderwijs te geven. 

2. Wanneer deze onderwijzers zich bij uitsluiting tot onderwijs bij de 
heidenen of onchristenen verledigen, zal de Kerkeraad onder welks kring zij werk- 
zaam zijn, gehouden zijn daartoe aan hen alle hulp en assistentie te verleenen, en zoo 
veel in hen is, de ledematen aanmoedigen om ook het hunne bij te dragen. 

Alverder werd in overweging genomen het ontwerp van een Seminarium, 
onder de Bijlagen, en las de Eerw. Heer Von' Manger daarop voor het concept plan* 
door Heeren gecommitteerden tot die zaak geformeerd, als behelzende hun rapport 
desaangaande ; waarop de Hoog-Eerw. Prasses de vraag voorstelde, of de Synode dit 
plan als nu in overweging wilde nemen, en is het eenparig gevoelen op dit sujet 
geweest, dat, hoe zeer ook een Seminarium van dien aard wenschelijk was, men 
echter onraadzaam oordeelde tot de discussie van de onderscheidene punten onmidde- 
lijk over te gaan, zonder alvorens de toestemming van Zijne Excellentie den Gouver- 
neur tot de oprigting van zulk een Instituut verkregen te hebben ; en werd besloten, 
per missive, aan opgemelden Heer Gouverneur ons te dien einde te wenden, zijnde 
dus gezegde plan gehouden in ad\ies, tot tijd en wijlen Hoogst-deszelfs goedvinden 
daaromtrent zal zijn bekend geworden. 

Waarop de Hoog-Eerw. Praeses al verder ter deliberatie bragt een ontwerp 
door den Eerw. Heer Thom ingediend, te vinden onder de Bijlagen, om een Kweek- 
school op te rigten voor onderwijzers der heidenen, zoo wel slaven als andere on- 
christenen, voor ons Gereformeerd Kerkgenootschap, om dezelve te leeren lezen, en 
in de grondën" _ vah d e God scliënst tc 'óhdër w ijz e n ; waaromtrent almede besloten is, 
eveneens als bij het voorgaande te handelen, en eer de Synode zich veroorloofde de 
onderscheidene punten te%eoordeelen, Zijner Excellenties goedvinden vooraf, in den- 
zelfden brief, te verzoeken. 

Waarop de Hoog-Eerw. Praeses voorstelde, eene algemeene bepaling te 
maken nopens de plaats en tijd waar en wanneer de onderscheidene Ringsvergade- 
rinngen zullen gehouden worden, en is betrekkelijk het eerste bepaald, dat de plaats 
bij rotatie zal rondgaan, beginnende met de oudste Kerk in de respective Ringen, 
en opzigtelijk den tijd vastgesteld, dat zulks ten minste een maal ’s jaars zal plaats 
hebben, en wel in de week die na het Paaschfeest telkens in zal vallen, terwijl het 
prsesidium in deze respective Ringsvergaderingen, voor de eerste maal zal waar- 
genomen worden door den leeraar der oudste Kerk in elken Ring, zullende het secre- 
tariaat daarbij worden waargenomen door den leeraar dier Kerk, die in ouderdom op 
hem volgt ; doch bij volgende Vergaderingen zal men dit moeten reguleren naar den 



* Zie Aanbangsel. 



17 



ouderdom of het aantal jaren dat zij in de dienst der Kerken gestaan hebben, en zal 
in zulke Vergaderingen alsmede uit elken Kerkeraad een Ouderling, of bij plaats- 
vervanging, eenig ander lid des Kerkeraads, zitting nemen ; wordende tevens vast- 
gesteld, dat in deze Ringsvergaderingen de instructien voor alle ondergeschikte kerke- 
dienaren, met name voorlezers en kosters, zullen geformeerd worden, onder approbatie 
echter der Synode. 

A1 verder werd gebandeld over het oprigten van een Coetus, die elk jaar 
tusscben de Synode, als slecbts om de twee jaren kunnende vergaderen, plaats zou 
moeten hebben, doch welk ondenverp bij nadere beschouwing niet aannemelijk werd 
geoordeeld, maar in deszelfs plaats vastgesteld, dat er eene onderhnge correspondentie 
tusschen de Scribas der onderscheidene Ringen plaats zal hebben. 

Alsmede werd besloten eenen Herderlijken Brief aan al onze Gemeenten te 
schrijven, waartoe de Secretaris dezer Vergadering verzocht werd om dien op te 
stellen ; tot welk opstel hij zich ook genegen verklaarde, mits dat de leden der 
Vergadering hem in scriptis den inhoud daartoe opgave, om alsdan, daardoor voor- 
gelicht, zoo veel beter in staat gesteld te zijn, opgemelden Herderlijken Brief naar de 
bijzondere gesteldheid der Gemeenten in te rigten en ten gemeenen nutte, zullende 
dezelve, des goedgekeurd, door den Hoog-Eerw. Praeses en Secretaris, uit naam der 
Synode geteekend, worden verzonden. En vermits men nu veronderstelde, dat, 
volgens de vigerende Kerkorde, voortaan telkens om het tweede jaar eene Synode of 
Algemeene Kerkvergadering stond gehouden te worden, elken eersten Dingsdag in de 
maand November, is tevens verordend, dat alle Buiten-Kerken dríe maanden van te 
voren derzelver Punten van Beschrijving, conform Arts. 48 en 49 derzelve Kerkorde, 
zullen inzenden bij het Eerw. Ministerie in de Kaapstad, ten einde geredigeerd te 
worden volgens Art. 48, welke Redactie binnen den tijd van ééne maand na de ont- 
vangst door de Buiten-Kerken zal beantwoord worden. 

Verder niets ter Vergadering voorgedragen zijnde, werd deze Zitting met 
dankzegging tot God besloten. \ 



TWAALFDE ZITTING, 

16 November, 1824. 

Allen present, behalve de Hoog-Ed. Achtb. tweede Commissaris Pohtiek en 
de Broeders Ouderlingen Blignaut, F. du Toit en D. Morkel. 

Na het gebed werden de Notulen der vorige Sessie geresumeerd en geteekend. 
1. Ter deliberatie genomen zijnde de voorstellen van verscheidene Kerken 
omtrent de hediening va p rlfn PnlihTkp p Commissaris bii 

aanmerkte, dat zij leden der Hei vormde Kerk behoorden te zijn, í s besloten Zijne 
Excellentie te verzoekehTom voortaarT zulke personen daartoe te benóemen^ die ten 
minste leden der Protestantsche Kerk zijn, en dat aan hen eéne instructie mag worden 

E 



18 



J 



gegeven, waaruit blijken zal welke de grenslinien zijn tusschen de burgerlijke en 
kerkelijke magt. 

2. Werd in overweging genomen het maken van eene bepaling omtrent den 
tijd van het ligten en inleveren van kerkelijke attestatien, waaromtrent besloten is, 
dat dezelve zullen ingeleverd worden voor dat zij een half jaar oud zijn, en ouder 
zijnde, zal de vertooner daarvoor 1 Rd. boete betalen, ten profyte van het Synodale 
fonds, en op zijn langst zullen zij aannemelijk zijn binnen een jaar en zes weken ; ten 
welken einde men de burgerlijke overheid zal verzoeken om voortaan geene burgerlijke 
attestatien aan iemand te geven, tenzij men zich alvorens bij den Kerkeraad of Predi- 
kant had vervoegd, om zijne kerkelijke attestatie te verkrijgen, waarvan men bewijs 
van den Kerkeraad zal moeten overleveren, dan wel een schriftelijk bewijs dat men 
geen hd der Kerk is. 

3. Opzigtelijk den ouderdom waar beneden geene nieuwe leden zullen worden 
aangenomen, is het besluit, geenen jongeling aan te nemen die jonger is dan ten minste 
zestïen jaren, en jonge dochters die beneden de vijftien jaren zijn. 

4. Jaarlijks als de Ringsvergadering plaats heeft, zal aan den Prasses een be- 
hoorlijk verslag van den staat van de Godsdienst, zoowel der Christenen als Heidenen 
in hunne gemeenten, worden gezonden. 

5. Men zal den Heer Gouverneur verzoeken, dat zich voortaan geene gods- 
dienstige vergadering in de Kolonie formeren mogte, zonder den naam op te geven van 
de Sekte tot welke zij behooren, en dat derzelver leeraars eir leúen geen anderen naam 
mogen voeren dan dien tot welken zij inderdaad behooren. 

6. De Kerk van Graaff-Reinet vraagt, lioe zich te gedragen als lijfheeren 
of lijfvrouwen hunne slaven of slavinnen, des begeerende, weigeren te laten tróuwen 1 
Is geoordeeld in zulke gevallen zich te vervoegen bij de Civile Magt of MagistraafT’ 
en derzelver advies in te nemen, wat de vastgestelde wetten op dit stuk mede- 

Í rengen. 

7. Gevraagd zijnde’ of ook personen van andere gezindheden op de kerke- 
as kunnen aanspraak maken, is daarop geadviseerd van neen, maar tevens vrijgelaten 
m aan zulke personen naar existentie van zaken, assistentie te geven. 

8. Stellenbosch vraagt, hoe men handelen zal met ledematen der Kerk, die 
verzuimen of onwillig zijn hunne kinderen te laten doopen, waarop besloten is zulke 
menschen voor den Kerkeraad tot drie malen te laten beschikken, om ze tot hun pligt 
te vermanen, en in geval van halsstarrige weigering voor dat Collegie te compareren, 
of hunne kinderen te laten doopen, zulke vaders of moeders te censureren. 

9. De Praeses gaf te kennen, dat de leden der Synode zich over het alge- 
meen beklaagden dat de Sabbat zoo aanmerkelijk ontheiligd werd, door het onnoochg 
koopen en verkoopen, geruchtmakend geraas op ’s Heeren wegen en straten, het 
spelen en clobbelen, het openzetten van taphuizen op den clag voor de godsdienst be- 
stemd ; en stelt voor om het Gouvernement te verzoeken voortaan door de gansche 
Kolonie de taphuizen ’s Zondags in het geheel te sluiten, en alle verdere ontheiliging 
van den Sabbat te verbieden ; hetgeen dan ook besloten is te doen. 

10. Ten aanziender propositie omeene nadere vereeniging met de Schotsche 
Kerk aan te gaan, is besloten het volgende te noteren : D oor de Cessie dezer Volk- 



19 



planting aan Zijne Gioot Brittannische Majesteit alle werkdadige betrekking tusschen 
de Hervormde Kerk in N edeflSnd en die van deze volkplanting opgehouden zijnde, is 
in overweging genomen, 'ót en m hoe verre de Hervormde Kerk alhier, eene gelijke be- 
trekking met de Hervormde Kerk in Schotland zoude heliooren te verkrijgen, en is 
na rijpe deliberatie unaniem geoordeeld, dat eene verbroedering met deze Kerk van 
wezenlijk belang zoude zijn voor de Koloniale Kerk, doch zijn te gelijk zeer vele 
zwarigheden ontmoet omtrent de wijze waarop dit zoude kunnen worden bewerkstelligd, 
daar het Bestuur der Koloniale Kerk gedurende den oorlog, inzonderheid door de 
Kerkorde onder het Bataafsche Gouvernement ingevoerd, en thans nog in volle kracht, 
én op zichzelve én met betrekking tot het Koloniaal Gouvernement eene geaardheid 
heeft verkregen, welke zelfs de betrekking met de Nederlandsche Kerk, indien de Kolo- 
nie nog tot dat Rijk behoorde, ten uiterste moeijelijk zoude maken, waarom best ge- 
dacht is, dit stuk voor als nog tot geen onderwerp van conclusive deliberatie te maken.” 
11. De Praeses bragt ter tafel eenen brief van Cornelius de Haas, van den 
2 November, 1824, geadresseerd aan den Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Heer Commissaris 
Politiek, verzoekende “ dat de hem door den Kaapschen Kerkeraad toegezondene, en 
daarop van hem ter beantwoording ingezondene schriften, op het nieuw mogten worden 
overgezien waarop besloten is te rescriberen, dat “ de Synode zich niet bevoegd 
acht daarover te juclicieren ;” waarna de Vergadering met dankzegging tot God 
scheidde. 



DERTIENDE ZITTING, 

17 November, 1824. 

Allen present, behalve de tweede Commissaris Politiek en de HH. Ouder- 
hngen J. D. Mohr, F. R. du Toit en D. Morkel, deels bij indispositie, deels met 
permissie. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen der vorige 
Sessie geresumeerd en geteekend, waarna 

1. In overweging werd genomen het opstel van den Herderlijken Brief, door 
den Secretaris vervaardigd, maar nog niet geheel voleindigd ; na welks voorlezing 
dezelve door de Vergadering werd goedgekeurd, mits daar nu nog bijvoegende eene 
nadere opwekking aan onze gemeenten, om toch vooral mede te werken tot de 
uitbreiding van de Christelijke Godsdienst, inzonderheid onder de heidenen in hunne 
eigene huisgezinnen ; en eindelijk, om zich vooral voorbeeldig te gedragen in de 
betooning van billijken eerbied en gehoorzaamheid omtrent de burgerlijke overheden, 
door wier hand het Gode behaagt ons in den tijd te regeren ; en tevens besloten, 
gemelden brief bij het sluiten van de Synode voor te lezen, denzelven alsdan te doen 
drukken, opdat dezelve door de respective leeraars, den eersten Zondag wanneer zij 
hunne dienst weder zullen aanvaarden, in hunne gemeenten zoude worden voorge- 
lezen, en vervolgens op alle mogehjke wijze verspreid. 



20 



2. Werd voorgelezen een dankadres aan Zijne Excellentie den Gouverneur, 
door den Secretaris vervaardigd, om, door den Wel-Eerw. Heer Murray in het Engelsch 
vertaald zijnde, op aanstaanden Vrijdag aan Zijne Excellentie te worden overgegeven, 
door den Hoog-Edele Hoog-Achth. Heer Commissaris Politiek, en de Hoog-Eerw. 
HH. Moderatoren. 

3. Werd besloten bij de overzending van de stukken aan Zijne Excellentie, 
te voegen eene conductoire missive, waarin aangestipt zullen worden die bijzondere 
punten welke de Vergadering aan de consideratie en sanctie van Zijne Excellentie 
komt te onderwerpen, als : — 1. De geformeerde Reglementen in het gemeen. 2. Deze 
navolgende speciale Artikelen : — A. Plan van eene weduwenbeurs. B. Verzoek aan 
Zij ne Ex cellenti e om zooveel mogelpk leden der G endhrrag erde^ of althans alleen 
der Protestansche Kerk, tot Commissaiïssen Politiek aan te stellen, en in hunne in- 
structie duidelijk bekend te stellen hoe verhunne magt zich uitstrekt. C. Zijne Excel- 
lentie te verzoeken dat elke godsdienstige vergadering, zicli met den naam dier sekte 
tot welke zij behoort zal benoemen, en zich niet zal mogen formeren binnen de 
grenzen der Kolonie, zonder ’s Gouvernements permissie. D. Alsmede een verzoek 
te doen ter afwering van al hetgeen strekt tot ontheiliging van den Sabbat, als bij 
de vorige Sessie bepaald. E. In gemelde missive op te merken, dat het verzoek om 
een Seminarium op te rigten, cum annexis, in eenen afzonderlijken brief reeds is ver- 
toond geworden. Ten welken einde gemelde brief door den Secretaris zal worden 
opgesteld, en door de Hoog-Eerw. HH. Moderatoren geteekend, met en benevens de 
stukken aan het Gouvernement zullen worden ingezonden. Ter volkomene vervaar- 
diging en in orde brenging, Moderatoren zullen worden geassisteerd door zoodanige 
leden der Vergadering, als in commissie met den Praeses hebben gefungeerd, en den 
Scriba geassisteerd. 

4. Werd besloten, om ingevolge Art. 20 van de Derde Afdeeling in het 
Reglement over Keikelijk Bestuur in de Gemeente, het fonneren van een Reglement 
op de Iverkeraden daarin vermeld, op te dragen aan de respective Ringsvergaderingen, 
onder approbatie van de Synode. 

Hierna scheidde men, als na gewoonte, met dankzegging tot God. 



VEERTIENDE ZITTING, 

18 November, 1824. 

Absent, de beide Hoog-Ed. Achtb. HH. Commissarissen Politiek, en de 
Ouderlingen D. Mohr, F. du Toit en D. J. Morkel, alsmede de Eerw. Heer Kicherer. 
A1 de overige leden present. 

De Vergadering met gebed begonnen zijnde, werden de Notulen der laatste 
Sessie voorgelezen, na welker onderteekening de Hoog-Eerw. Prasses voorstelde, om 
den brief van den 17 11. aan Zijne Excellentie den Gouverneur over het Seminarium, 



21 



cum annexis, als nu te teekenen uit naam der Synode, door Zijn Hoog-Eerw. zelven, 
en den Secretaris, gelijk ook geschiedde, namens deze Synode. Vervolgens werd 
door Zijn Hoog-Eerw. voorgelezen het Bijvoegsel, opgesteld door den Secretaris, bij 
den Herderlijken Brief van gisteren, naar het verlangen der leden ingerigt en goed- 
gekeurd. En overmits de Hoog-Ed. Achtb. eerste Commissaris Politiek de Synode 
had geadviseerd om Zijne Excellentie als nu per missive kennis te geven, dat de 
Synode morgen zou gesloten worden, zoo is resolveerd daaraan te voldoen, en las de 
Eerw. Heer Faure het concept eener missive voor, te dien einde in het Engelsch 
opgesteld, met kennisgeving, dat deze plegtigheid morgen om 10 uur zal beginnen, 
en eene in\ïtatie, dat Hoogstdezelve met zijne familie zulks met. hunne tegenwoordig- 
heid geliefden te vereeren, die almede op dezelfde wijze geteekend en bij het 
eindigen dezer Zitting geëxpediëerd werd, insgelijks aan Heeren Commissarissen van 
Onderzoek. 

Op benomen advies van opgemelden Heer Commissaris Politiek, werd al 
verder besloten in de Conductoire Missive, gisteren geprojecteerd, blijkens de notulen 
daartoe specterende, almede Zijne Excellentie te solliciteren, “ dat de Acta Synodi, 
voor zoover dezelve publiciteit behooren te krijgen, op het Gouvernements drukpers 
mogen gedmkt worden ; en inzonderheid dat van de vertaling van den Heidelbergschen 
Catechismus, cum annexis, ook een genoegzaam aantal exemplaren gedrukt mogen 
worden, om in de Engelsche scholen voor kinderen tot de Hervormde Kerk behooren- 
de gebruikt te worden.” 

A1 verder werd ontvangen, en staande deze Sessie aan de Vergadering ge- 
communiceerd, het Gouvernements missive van huidigen datum (onder de Bijlagen tot 
deze Sessie), waaruit bleek dat Zijne Excellentie de Gouverneur al de opgegevene 
middelen ter goedmaking der Synodale onkosten had geapprobeerd, except de ver- 
hooging op de aanneming van lidmaten en de trouwgelden. 

Ten besluite proponeerde Zijne Hoog-Eerw. betrekkelijk de wijze van heffing 
en administratie der alsnu geapprobeerde fondsen, deze volgende Regulatien : 1. Men 
zal dezelve beginnen te heffen met 1 Jan. 1825. 2. In elke gemeente zal de Diaken 

Cassier met dies ontvangst belast worden. Hij zal daarvan eene bijzondere aanteeke- 
ning houden, en dezelve bewaren bij de kerkpenningen, doch gesepareerd van'de rest 
der kerk-inkomsten. 3. Op de Ringsvergadering zal van het Montant dier opbrengst 
verslag gedaan worden. 4. Op aanschrijving van den Scriba van de Synode zullen de 
penningen tegen quitantie hem ter hand gesteld worden. 5. De Ringsvergaderingen 
zullen de rekeningen van hunne gemaakte noodzakelijke onkosten, voor contant bij de 
Synodale kas, met en benevens de restanten van het geincasseerde, inbrengen, onder 
approbatie van de Synode. 

Verder niets ter dezer Sessie voorgevallen zijnde, werd dezelve met dank- 
zegging tot God besloten. 



F 



22 

POST ACTA. 



Gehouden den 22sten November, 1824, bij wijze van conferentie, bestaande 
uit den Hoog-Eerw. Praeses der Synode, J. C. Berrangé, en de Eerw. Heeren H. von 
Manger, A. Faure, M. Borcherds, T. Herold, A. Murray, G. Thom, A. Smith. 

De Secretaris begint de werkzaamheden dezer Conferentie met het voor- 
lezen van een concept brief of Conductoire Missive, ter geleide der stukken die aan 
Zijne Excellentie ter sanctie zullen worden aangeboden, waarna de Hoog-Eerw. 
Scriba een concept ter tafel bragt eener bekendmaking van onze laatste verrigtingen, 
om in de Kaapsche Courant te worden geplaatst, welke, met eenige uitlatingen, als 
zoodanig is aangenomen geworden om te worden geplaatst. Alsmede eene bekend- 
making, dat de jongste leeraar in de Kaapstad, de Eenv. Heer A. Faure, als Secretaris 
zal fungeren, uitboofde van den afstand des verblijfs van den Hoog-Eerw. Scriba. 

De Scriba las almede de Conductoire Missive voor, geadresseerd aan Zijne 
Excellentie den Heer Hoofdgebieder, welke met de verzending der Reglementen, ter 
sanctie van Zijne Lordschap, aan Zijn Hoog-Ed. zal worden gepresenteerd, welke 
goedgekeurd zijnde, door de Hoog-Eerw. Moderatoren geteekend werd. 



AANHANGSEL, 



ONTWERP YAN EEN REOLEMENT YOOR HET THEOLOGISCH SEMINARIUM. 

Art. 1. Het moet zoodanig worden ingerigt dat men eene liberale opvoeding 
in hetzelve ontvangt, en dat men bekwaam gekeurd wordende, hier zou kunnen wor- 
den geordend, overeenkomstig een Reglement tot dat einde door de Synode te bera- 
men. 2. Tot in stand brenging van zulk een Seminarium, zal men eene inschrijving 
doen geschieden. 3. Alle donatien of legaten zullen tot een fonds verstrekken, waar- 
van alleen de renten met jaarlijksche inteekeningen, en het minerval der kweekelingen 
zullen verstrekken tot onderhoud van het Seminarium. 4. Onder approbatie van 
Zijne Excellentie, stelt de Synode Curatoren aan, beroept Professoren, en ontwerpt de 
noodige wetten voor het Seminarium. 5. Het getal der Professoren zal niet meer 
zijn dan vier, en niet minder dan drie, uit Europa te beroepen, en zullen zij zich geheel 
en al moeten bepalen tot het onderwijs in het Seminarium. 6. Het onderwijs wordt 
gegeven : — 1. Door den Professor der Bespiegelende Wijsbegeerte en der Letteren, 
in: — a. De Redeneerkunde ; b. Bovennatuurkunde ; c. Romeinsche, Grieksche en Jood- 
sche Oudheden ; d. Algemeene Geschiedenis ; e. Kerkelijke Geschiedenis ; /. Wel- 
sprekendheid ; g. Grieksche, Latijnsche en Oostersche Letterkunde. 2. Door den 
Professor der Wis- en Natuurkundige Wetenschappen : — a. Elementaire Wiskunde ; 
b. Proefondervindelijke Natuurkunde ; c. Wiskundige Natuurkunde ; d. Natuurkun- 
dige Sterrekunde ; e. Beginselen der Scheikunde, Kruidkunde en Natuurlijke Historie 
der Dieren en Delfstoffen. 3. Door den Professor der Godgeleerdheid : — a. Natuur- 
lijke Godgeleerdheid ; b. Gronden der Bijbelsche Uitlegkunde ; c. Dogmatiek ; 
d. Christelijke Zedekunde ; e. Homiletiek en Pastorale Wetenschap. 7. De verdeeling 
der lessen zal door de Professoren geschieden, en in geval zij onderling niet mogten 
overeenkomen, zal de beslissing aan Curatoren zijn overgelaten. 8. Tot het bijwonen 
der lessen bij de Professoren der Bespiegelende Wijsbegeerte en Natuurkundige Weten- 
schappen, worden studenten toegelaten ook die geen voomemen hebben de Theologie 
te bestuderen. 9. De taal van welke de Professoren zich zullen bedienen, moet de 
Latijnsche zijn, kunnende echter Curatoren de noodige vrijstellingen geven. 10. Elke 
wetenschap die het onderwerp van eene afzonderhjke les uitmaakt, zal naar den regel 
in een jaar moeten afgehandeld worden. 11. Men zal ten minste twee jaren op 
het Seminarium de lessen der Professoren in de Bespiegelende Wijsbegeerte en 
Natuurkundige Wetenschappen met vmcht hebben bijgewoond, een examen liebben 
ondergaan, en een loffelijk getuigschrift van goed gedrag en vorderingen van die 
Professoren hebben ontvangen, vóór dat men de lessen van den Theologischen Pro- 
fessor zoude mogen bijwonen, en ten minste zes jaren in het geheel alle lessen hebben 
bijgewoond, en met goede getuigschriften van den Theologischen Professor en den 



24 



Senaat voorzien zijn, vóór dat men zich mag aanmelden het examen tot Kandidaat in 
de Heilige Dienst te ondergaan. 12. Eenmaal ’s jaars worden de studenten door de 
Professoren in het bijzijn der Curatoren geëxamineerd, en zulks wel bij het einde van 
elken cursus. 13. De Professoren krijgen een vast traktement, door de Synode te 
bepalen. 14. Collegiegelden wordeninhet fondsvan het Seminarium gestort. 15. Op 
de wijze en den tijd van betaling, den prijs der Collegien, en hoe lang die moeten duren, 
worden aan de onderlinge schikkingen der Curatoren overgelaten. 

Van Studenten. — 16. Niemand zal als student in het Seminarium wor- 
den toegelaten, zonder alvorens een bewijs te hebben ingeleverd van zijne vorderingen 
in de Latijnsche taal, en zal hij verpligt zijn een examen voor den Rector van het 
Seminarium af te leggen, waarin hij blijken moet geven van welgeoefend te zijn in 
de Latijnsche en beginselen der Grieksche talen, Rekenkunde, beginselen der 
Wiskunde, nieuwe en oude Aardrijkskunde, nieuwe en oude Geschiedkunde, Griek- 
sche en Latijnsche Fabelkunde. De Rector, met het examen voldaan zijnde, teekent 
hem aan op de rolle der studenten, en doet hem een bewijs desaangaande inhandigen. 
17. Personen van onreine zeden worden nimmer als studenten in het Seminarium toe- 
gelaten. 18. Ieder student betaalt voor zijne inschrijving aan het fonds van het 
Seminarium Rds. 25. 19. Bijzondere wetten worden door den Senaat, ter approbatie 

van de Synode, voor de studenten beraamd, welke zij bij hunne inschrijving door 
handteekening beloven zullen stiptelijk na te komen. 20. Hij is onvoorwaardelijke 
gehoorzaamheid verschuldigd aan de Professoren, behoudens zijn regt van beklag aan 
Curatoren, wanneer hij meenen mogt dat hem onregt is aangedaan. Weigering van 
gehoorzaamheid zal, wanneer de Senaat van oordeel is dat de Professor zijne magt 
niet heeft te buiten gegaan, naar gelang der omstandigheden, of een “ concilium 
abeundi,” of eene relegatie ten gevolge hebben. 21. Het onmiddelijk opzigt over 
het gedrag en de zeden der studenten behoort bij de Professoren. Zij zullen over 
elk verzuim tegen de Seminarische orde en ondergeschiktheid kunnen onderhouden 
worden, en bepaald ook over het verzuim van het bijwonen van het onderwijs, zoo dit 
plaats heeft. 22. Zij zullen na herhaalde vruchtelooze waarschuwing, de zaak kunnen 
brengen voor de vergadering van den Senaat. 23. Het kerk-locaal, zoogezegd bibli- 
otheca publica, zoude des noods tot het houden van collegie zeer dienstig zijn. 24. 
Eene bijzondere bibliotheek zal voor het Seminarium worden aangelegd, van de 
meest henoodigde boeken door de Professoren te bepalen. 25. Ten behoeve van het 
onderwijs in de Natuurkundige Wetenschappen, zal men trachten een kabinet van 
natuurkundige instrumenten, en voor het onderwijs in de Natuurlijke Historie een 
Museum op te rigten. 26. Men zal alsmede eene verzameling van Steensoorten en 
Mineralen trachten te maken, in betrekking tot het Geologische onderwijs. 27. Het 
bestuur hiervan zal behooren aan den Hoogleeraar in de Natuurlijke Historie. Hier- 
toe zal men behoorlijke localen trachten te vinden, of zoo zij bij het Gouvernement. 
aanwezig mogten zijn, vriendelijk verzoeken daarvan gebruik te mogen maken. 28. 
Er zal ter belooning van uitstekende verdiensten, jaarlijks in het openbaar eene uit- 
deeling van prijzen geschieden, welke uitgeloofd zullen worden op de beste in het 
Latijn geschrevene beantwoording eener prijsvraag, door de Professoren uit te schrij- 
ven. 29. Men zal deze prijsvragen bij beurtwissehng zoodanig inrigten, dat zij binnen 



25 



een bepaald aantal jaren den geheelen omvang van het onderwijs zullen omvat hebben, 
en zullen zij over het geheel zoodanig worden ingerigt, dat de beantwoording daarvan 
niet zoo zeer natuurlijke vlugheid als wel meer bijzondere vlijtige beoefening van het 
gegeven onderwijs onderstelle. 30. Wanneer eenige ingekomene verhandeling den 
prijs waardig gekeurd is, zullen de Professoren, alvorens den prijs openlijk toe te 
kennen, den schrijver, wiens verzegeld naambriefje met dezelfde spreuk van boven 
onderscheiden waarmede de verhandeling geteekend is, nu geopend wordt, uitnoodi- 
gen om zich op eenen bepaalden tijd voor hen te vervoegen, ten einde gedurende 
een half uur zijne verhandeling tegen de bedenking der Professoren te verdedigen. 
Wanneer na opening van het naambriefje blijken mogt dat de verhandeling door den 
steller zelven in schrift was gebragt, zal deze daardoor onmiddelijk het regt op denprijs 
verliezen. 31. Wanneer dit examen bewezen zal hebben dat het ingezonden stuk 
inderdaad het werk van den inzender heeft kunnen zijn, zal aan hem de medaille 
toegekend en in het openbaar door den Rector worden toegereikt. 32. De bekroonde 
stukken zullen in de jaarboeken van het Seminarium worden gedrukt. 33. Aanzoek 
zal worden gedaan bij het Educatie-fonds, tot ondersteuning van zoodanige jongelieden 
van goeden aanleg, wier omstandigheden van fortuin hun niet toelaten op eigene 
kosten de lessen van het Seininarium bij te vvonen ; zoomede zal men het Gouverne- 
ment ootmoedig verzoeken eene zekere sonnne gelds jaarlijks daartoe te willen 
bijdragen. 

Bestuur. — 34. Er zal een Collegie van Curatoren zijn, zamengesteld uit vijf 
personen, evenzeer onderscheiden door hunne zucht voor de letteren en wetenschappen, 
en belangstelling in de godsdienst, als door hunnen stand in de maatschappij, die onder 
approbatie van Zijne Excellentie door de Synode zullen worden benoemd. 35. De 
werkzaamheden en het gezag aan deze Curatoren opgedragen, zijn : — 1. De zorg en 
toezigt dat alle wetten en besluiten aangaande het Seminarium, behoorlijk door allen 
tot wie dezelve betrekking hebben, worden in acht genomen. 2. De zorg en het toe- 
zigt dat alle vakken van liet onderwijs behoorlijk bezet zijn en blijven niet alleen, maar 
ook dat de bepaling op het ondenvijs behoorlijk worde in acht genomen. 3. Het 
toevoorzigt over de rigtige administratie der fondsen aan het Seminarium behoorende, 
en der legaten of donatien welke ten nutte van het Seminarium mogten worden ge- 
geven. 4. De behartiging van alles hetwelk naar hun oordeel zouden kunnen strekken 
tot handhaving of vermeerdering van het nut en den roem van het Seminarium, waar- 
over zij het toezigt hebben. 36. Bij de openvalling van een professoralen leerstoel, 
zal de voordragt van een dubbeltal tot vervulhng door Curatoren door opgave van de 
beweegredenen hunner keuze, aan de Synode worden ingezonden, en de definitive 
aanstelling door het Gouvernement geschieden. 37. índien Curatoren van oordeel 
zijn, dat het nuttig ware een nieuwen leerstoel op te rigten, zullen zij op dit punt eene 
beredeneerde voordragt doen aan de Synode. 38. Het ligchaam van het Seminarium 
wordt vertegenwoordigd door Rector, Ordinaire Professoren en Curatoren, vergaderd 
onder voorzitting van den eersten. Deze vergadering zal den titel voeren van Senatus 
Acadenúcus. 39. Het toezigt over de tucht en studien is aan den Senaat, onder voor- 
zitting van den Rector, aanbevolen. 40. De Senaat heeft het regt tot handhaving van 
orde en tucht, al zoodanige statuten te geven als het belang van het Seminarium zal 



G 



26 



vorderen. 41. De waardigheid van Rector van het Seminarium is niet bestendig, maar 
verwisselt jaarlijks (of om de twee jaren), wordende uit de leden van den Senaat beur- 
telings gekozen, en wel op zoodanige wijze dat de Scriba het Rectoraat aanvaart, en zal 
deze keus door het Gouvernement worden gesanctioneerd. 42. Er zal bij den Senaat 
een Secretaris zijn, jaarlijks uit de Professoren of Curatoren te benoemen, die belast is, 
1, Met de bewaring van het zegel, ten dienste van het Seminarium te vervaardigen, 
de archieven, welke laatste jaarlijks bij den overgang van het Secretariaat door den 
afgaanden Secretaris aan zijnen opvolger moeten worden verantwoord. 2, Met het 
houden der notulen van alle vergaderingen des Senaats. 43. De Synode behoudt aan 
zich het regt zoodanige veranderingen, verkortingen, of verbeteringen in dit Regle- 
ment te maken, als zij het meest noodig en clienstig zal oordeelen. 

Op dit ontwerp had de Voorzitter, J. C. Berrangé, de volgende aanteekening 
gemaakt : — 

Dit rapport brengt de zaak tot die lroogte van vohnaaktheid, waarop zij moet 
zijn gevestigd, welke mij toeschijnt niet wel te zullen zijn te bereiken. Immers bij den 
eersten aanvang der instelling, op Art b,uït Europa te beroepen; die instelling zou men 
hier niet bijvoegen, waardoor niet wordt uitgesloten het geval, dat zoo wanneer hier 
iernand gevonden werd, geschikt voor een of ander van die vakken, men van hem 
gebruik zoude maken ; en als men nu achter “ beroepen” slechts liet volgen : ten 
ware er liier gevonden werd, die daartoe bevoegd en bekzvaam geoordeeld werd. — Op 
Art. 6. De taken zijn wat te zwaar welke hier aangegeven worden, vooral die van 
den eersten, kunnende de twee andere des noods zoo blijven. Ik zou er voor zijn 
om voor de Latijnsche, Grieksche en Oostersclie Letterkunde, eenen afzonderlijken man 
te nemen, en tot zijn vak nog te voegen de Oratorie ; en zoo zouden er dan, naar 
mijnen dunk, vier Professoren zijn moeten. — Op Art. 9 vraag ik, of die vrijstelling wel 
noodig, en of die wel goed zijn zou. — Op Art. 11, komt het mij voor dat de zes jaren 
van studie best dus worden verdeeld, dat de eerste twee jaren voornamelijk moesten 
gewijd zijn aan de Latijnsche, Grieksche en Oostersche Letterkunde, benevens de 
Logica in het eerste, en de Metaphijsica in het tweede jaar. De beide verdere jaren 
konden dan worden besteed, het eerste jaar bij den Professor van de Bespiegelende 
Wijsbegeerte, aan de voortzetting van de Metaphysica en de Geschiedenis, zoo pro- 
faan als kerkelijk, alsmede bij den Professor der Wis- en Natuurkunde, aan de Ele- 
mentaire Wiskunde, en tweede of vierde jaar bij denzelfden Professor in de Wis- en 
Natuurkunde, in de wetenschappen voorkomende b, c, d, e, terwijl de twee laatste 
jaren van de lessen van den Theologischen Professor zoude gebruik gemaakt worden. 
— Op Art. 18. Ik zou het op 50 in plaats van 25 stellen. — Op Art. 23, aangaande de 
bibliotheekzolder, daar is bedenking op. 



f 



DE 

HANDELINGEN 

DER 



TWEEDE VERGADERING 

VAN DE ALGEMEENE SYNODE 



DER 



NEDERDUITSCH GEHEFOHMEERDE KERK VAN ZUID-AFRIKA, 



GEHOUDEN 



IN DE K AAPSTAD, OP DINGSDAG, DEN 7den NOVEMBER, 1826, 

EN YOLGENDE DAGEN. 



EAAPSTAD : 

GEDRUKT AAN DE MACHINE DRUKKERIJ VAN G. J. PIKE. 
ST. GEORGESTRAAT. 



1857. 



* 

SYNODALE IIAXDELINGEX 

EERSTE ZITTING, 

7 November, 1826. 

Nadat in de Kaapstadsche Courant van den 3 Novemher, des jaars 1826, 
door den Eerw. Heer Borcherds, in zijne betrekking als Moderator Synodi, was 
bekend gemaakt, dat op den 7den dier maand de tweede Algemeene Kerkvergadering 
solemneel in het openbaar stond geopend te worden, zoo vergaderde op dien dag in 
de Consistorie der GerefomieeTf^ JÍÊrk in de Kaapstad, het Ministerie, zoowel als 
de door den Hoog-Eerw. fungerende Scriba, A. Faure, geconvoceerde afgevaardigden 
van de Buitendistrikten. 

Volgens de door den Prseses van het Kaapstads Ministerie ingevorderde 
Credentialen blijkt, dat van de Kaapstad verkoren en verschenen zijn in gem. Ver- 
gadering, de Eerw. Heeren J. H. von Manger, J. C. Berrangé, A. Faure, en de beide 
Ouderlingen F. Russouw en J. Jurgens. Van 

Stellenbosch, de Eerw. Heer M. Borcherds en Ouderling Frans Russouw. 

Paarl, de Eerw. Heer T. J. Herold en Ouderling Jakob de Leeuw. 

Zwartland, de Ouderling M. Smuts. 

Tulbagh, de Eerw. Heer G, Thom en Ouderling J. D. Mohr. 

Graaff-Reinet, de Eerw. Heer A. Murray en Ouderling Schalk W. Burger. 

Zwellendam, de Ouderhng J. Z. Moolman. 

Caledon, de Ouder'lingen Barend Badenhorst en J. P. Maree. 

Cradock, de Eerw. Heer J. Taylor en Ouderling N. J. Grobler. 

Somerset (Hottentots Holland), de Eerw. Heer J. Spijker en de Ouderling 
D. J. Malan. 

Worcester, de Eerw. Heer H. Sutherland en Ouderling Jac. Hugo ; ter- 
wijl van de gemeenten van George, Uitenhage, Beaufort en het Distrikt Somerset, 
geene afgevaardigden verschenen zijn. Ten opzigte van George, echter, werd een 
brief geproduceerd, vermeldende de redenen der verhindering. 

Ook verzocht de Ouderling van de Kerk van Tijgerberg, G. A. Willer, stem 
en zitting in de Vergadering, hetgeen hem werd toegestaan. 

Ingevolge Art. 47 van de Kerkorde van Commissaris Generaal De Mist, trad 
de Eerw. Heer M. Borcherds als Prasses Synodi op, terwijl de Eerw. Heer T. J. 
Herold de functie van Scriba op zich nam. 

De Vergadering dus wettig geconstitueerd zijnde verklaard, doethet Kaapsch 
Ministerie verslag van deszelfs preliminaire handelingen, en legt over 1, een copij 
adres door hen gepresenteerd aan het Gouvernement, dd. 19 Augustus, 1826, kennis 



H 



30 



gevende van de te houden Synode, en daarbij verzoekende de benoeming van Commis- 
sarissen Politiek. 2, Hetantwoord van het Gouvernement, dd. 5 Sept., e. a., inhoudende 
de aanstelling van den Hoog-Ed. Hoog-Ac^tb. Heer Sir J. A. Truter, en de Wel-Ed. 
Heer R. J. van der Riet, tot Commissarissen Pohtiek. 3, Copij eener missive, dd. 
17 Sept. 4, Brieven van de Buiten-Kerken met derzelver opgaven van Punten van 
Beschrijving voor de Synode, genoteerd naar den tijd waarop zij ontvangen zijn ge- 
worden, als a. van Worcester, dd. 23 Julij, 1826 ; b. van Stellenbosch, dd. 11 Aug. ; 
c. van Tulbagh, dd. 28 Aug. ; d. van de Paarl, dd. 25 Sept. ; e. van Uitenhage, dd. 4 
Oct. ; /. van GraaíF-Reinet, dd. 6 Oct. ; g. van Zwellendam, dd. 7 Oct. ; h. van 
Somerset (H. Holland), dd. 7 Oct. ; i. van Zwartland, dd. 1 Nov. ; welke brieven 
aan den tegenwoordigen Scriba zijn overgegeven geworden. 

Vervolgens werden de beide Heeren Moderatoren gecommitteerd om den 
Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Heer Sir J. A. Truter, Ridder, enz., enz., van de woning des 
kosters, alwaar hij zich thans bevond, af te lialen, hetwelk geschied zijnde, is Zijn 
Hoog.-Ed. met eene gepaste aanspraak en zegenwensch begroet, door den Prasses in 
naam der Synode, tevens zijn leedwezen te kennen gevende dat de Edel-Achtb. Heer 
tweede Commissaris Pohtiek R. J. van der Riet, wegens indispositie, verhinderd werd 
bij deze gelegenheid tegenwoordig te kunnen zijn ; welke aanspraak door Sir John 
mede kort en hartelijk beantwoord werd. 

Hierop nu begaven zich de vergaderde leden, terwijl een aangenaam muzijk 
zich liet hooren, naar de Kerk, en namen de voor hen bestemde plaatsen in. Ver- 
volgens werden door Heeren Moderatoren binnengeleid Zijne Edelheid Lt.-Gouverneur, 
Richard Bourke en suite, benevens de Edele Heer Eerste Secretaris dezes Gouverne- 
ments, Sir Richard Plasket, door het Ministerie der Kaapsche Kerk daartoe opzettelijk 
uitgenoodigd. 

De Hoog-Eerw. Praeses Synodi besteeg hierop den kansel, en begon de open- 
bare plegtigheid met de gemeente te verzoeken, het lste der Evangelische Gezangen 
te willen zingen. Wijders deed hij een plegtig gebed en aanspraak, naar aanleiditig van 
1 Thes. 5, v. 24, het geheel te vinden onder de Bijlagen. Deze aanspraak werd achter- 
volgd door eene zeer treffende rede van Zijne Hoog-Ed. Sir John Truter, waarmede 
zijn Hoog-Ed. de Synodale Vergadering opende (zie Bijlagen). Hierna verzocht de 
Prasses de gemeente, vers 1 en 4 uit Gezang 50 te willen zingen, en sprak, na haar 
alvorens tot eene milde gift voor het Synodale Fonds te hebben opgewekt, de gewone 
zegenbede uit. 

De gemeente zich verwijderd hebbende, zoo mede Zijne Edelheid de Lt.- 
Gouverneur en gevolg, herinnerde de Hoog-Eerw.* Prasses de leden der Vergadering 
aan het Reglement van orde, volgens hetwelk deze Vergadering zal worden bestierd. 
Zijne Hoog-Ed. Commissaris Pohtiek gaf den wensch van Zijn Hoog-Ed. den Lt.- 
Gouverneur te kennen, het genoegen te mogen hebben, nog lieden al de leden der 
Synode aan hem, aan ’s Gouvernements Huis voorgesteld te zien, waarop besloten werd, 
Zijne Edelheid hierin te wille te zijn, voor dat men tot de werkzaamheden overging. 
Dit geschied en van de opwachting aldaar hoogst voldaan teruggekeerd zijnde, verzocht 
de Hoog-Eerw. Praeses den gefungeerd hebbenden Secretaris der vorige Synode, al de 
papieren aan den tegenwoordigen Scriba te inhandigen, hetgeen geschiedde met een 



31 



schriftelijk verslag zijner verrigtingen, te vinden onder de Bijlagen, hetgeen met goed- 
keuring en dankzegging voor de genomene moeite is ontvangen geworden. 

Op verzoek van den Hoog-Eerw. Prasses is aan hem als Secundus toegevoegd 
geworden, de Wel-Eerw. Heer Berrangé, en op verzoek van den Scriba de Wel-Eerw. 
Heer A. Faure ter zijner assistentie. 

De Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Commissaris Pohtiek eenige aanmerkingen ge- 
maakt hebbende aangaande de preliminairen tot het beleg der Synode, is besloten 
deze zaak op morgen ten eerste ter tafel te brengen, waarop deze Sessie met gewone 
dankzegging besloten werd. 



TWEEDE ZITTING, 

8 November, 1826. 

A1 de leden benevens de beide Heeren Commissarissen Politiek tegenwoordig 
zijnde, werd dezelve met het gewoon gebed geopend, en de Notulen der vorige Sessie 
geresumeerd en geteekend. 

De Wel-Eerw. Heer Berrangé gaf bij die gelegenheid de Vergadering te 
kennen, dat het Ministerie van de Kaapstad, op deszelfs uitnoodiging per missive, een 
antwoord van den Wel-Ed. Heer Commissaris van Onderzoek, J. F. Bigge, had ont- 
vangen, te kennen gevende zijn leedwezen van de plegtigheid der openbare opening 
der Algemeene Kerkvergadering, uithoofde zijner tegenwoordige ligchaamsongesteld- 
heid, niet te hebben kunnen bijwonen. 

Als nu herinnerde de Hoog-Eerw. Prasses, voor en aleer hij de aandacht der 
leden der Synode wilde bepaald hebben op de Punten der Beschrijving zelve, op het- 
geen in het slot der voorgaande Sessie was genotuleerd, ten opzigte van het beleg der 
Synodale Vergadering. De Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Eerste Commissaris Politiek nam 
het woord, en remarqueerde dat hetgeen Zijn Hoog-Ed. Hoog-Achtb. te reflecteren had, 
alleen betrekking had tot het Kaapsche Ministerie, en niet zoo zeer tot de Synode, en 
hetgeen hij aanmerken wilde, blootelijk bestond in kennisgeving dat men bij de inzen- 
ding van den brief van communicatie aan het Gouvernement omtrent de te lioudene 
Algemeene Kerkvergadering, ook had behooren bij te voegen al de Punten van Be- 
schrijving, ten einde die aan de sanctie van den Lt.-Gouverneur te onderwerpen. 
Waarop gemelde Ministerie op zich nam, in het toekomende dezen vorm te volgen, en 
tevens al hunne ambtgenooten aanmaande, om ten minste drie maanden voor den tot 
het houden van Synode bepaalden tijd, hunne voorstellen en die hunner Kerkeraden 
aan gemelde Ministerie te willen inzenden, ten einde Art. 49 van de Kerkorde van 
den Heer Commissaris J. A. de Mist, als zijnde de grondwet der koloniale kerken 
alhier, vol eífect te doen sorteren. 



32 



Nu overgaande tot de Punten van Beschrijving zelve (zie Bijlagen), las de 
Hoog-Eerw. Prseses Synodi een gedeelte derzelve den leden voor, voor zoo ver dezelve 
aan de deliberatie der leden, staande deze Sessie, zouden worden onderworpen. En wel : 

Vooreerst, met betrekking tot des Zendelings Marquards verzoek, om geordend 
te worden tot de bediening der Heilige Sacramenten onder de Heidenen, door liem tot het 
Christendom toegebragt wordende. Hierop deed de Eerw. Heer Berrangé, als in de eerste 
Vergadering van den Eersten Ring gefungeerd hebbende Prseses, verslag, hetgeen 
desaangaande reeds in gemelden Ring was voorgesteld en besloten, en waarvan het 
tegenwoordig berhaald verzoek bij de Synode het gevolg was. Nadat de Eerw. Heer 
Berrangé dan al de dokumenten daartoe specterende en onder de papieren van den 
eersten Ring berustende had opgelezen, zoo verzocht zijn Eerw. zijn advies desaan- 
gaande en in liet gemeen omtrent de ordening van Zendelingen door de Synode, 
dat in geschrifte was opgesteld, der Vergadering te mogen voorlezen, hetgeen met 
graagte werd aangehoord, en hierover gedelibereerd zijnde, was het gevoelen der 
meerderheid : 1, dat de Heer Marquard, alvorens admissie tot de bediening der 
Heilige Sacramenten te vergunnen, verphgt zal worden tot het afleggen van een 
Examen, door Heeren Moderatoren in tegenwoordigheid der gezamenlijke leden der 
Synode ; 2, dat, bijaldien de Heer Marquard zich hieraan wilde onderwerpen, de 
Vergadering tot dat einde op den Zaturdag, den llden dezer, een uur vroeger zoude 
bijeenkomen, en zich daartoe verledigen ; en 3, dat er inmiddels een Commissie be- 
hoorde geslagen te worden, ter formering van een Reglement betrekkelijk de orde- 
ning van Zendelingen, conform de remarques van den Wel-Eerw. Heer Berrangé boven 
gemeld, en waartoe dan ook benoemd werden de Eerw. Heeren Predikanten Von 
Manger, Thom, Murray en Spijker, die verzocht werden gemeld Reglement zoo 
spoedig mogelijk te vervaardigen, en aan de sanctie der Synode te onderwerpen. De 
Hoog-Eerw. Prasses Synodi liet hierop den Heer Marquard binnen staan, en maakte 
hem bekend met het besluit der Synode ten opzigte van zijn verzoek, waartoe hij zich 
gewilhg verbond, en beloofde op den bepaalden tijd te zullen verschijnen. 

Ten tweede, betrekkelijk het rapporteren omtrent den staat der bijzondere 
Reglementen bij de onderscheidene Kerken al of niet bestaande, en wel betrekkelijk 
a, Kerkeraden ; b, Kosters ; c, Voorlezers ; hoe het daarmede gelegen is, waar en welke 
voorzieningen er noodzakelijk zijn ? enz., blijkens de stukken door de onderschei- 
dene Ringen bijeengezameld, volgens Synodaal besluit, 8 Nov., 1824. De Eerw. Heer 
Berrangé proponeert ter bespoediging der werkzaamheden voor deze Synode, eene 
Commissie te benoemen tot voorname einden, hetgeen werd geaccordeerd en 
opgedragen aan de Eerw. Heeren Berrangé, Von Manger, Taylor en Sutherland, 
benevens de Broeders Ouderhngen Badenhorst en Grobler, met verzoek deswegens 
rapport uit te brengen, op aanstaande Vrijdag, of uiterlijk Zaturdag. 

Ten derde, het Punt van Beschrijving onder den titel van Rapport en plans- 
inlevering omtrcnt de Kerkelijke Visitatie (de Ringsvergadering opgedragen). Terwijl 
zulks met het vorig tweede Artikel in een naauw verband staat, werd dit mede aan 
dezelfde Commissie ter onderzoek en rapportering opgedragen. 

f Ten vierde, dat gedeelte onder het hoofd van Communicatie en bijgevoegd 
voorstel, betrekkelijk Art. 43 van het Algemeene Reglement nopens de openbare 



33 



voorsteïïing van nieuw aankomende ledematen. De Hoog-Eerw. Prteses namelijk geeft 
berigt, dat al de Kerken van den Eersten Ring liebben aangenomen om aan Art. 43 van 
het Algemeene Reglement, nopens de publieke voorstelling der nieuwe ledematen, te 
voldoen ; ten gevolge waarvan aan de Synode eene propositie gedaan wordt, om dus- 
danig eene verklaring van al de leden der Synode te zien te verwerven, ten einde die 
allernuttigste zaak algemeen gepracticeerd en op een vasten voet voor altijd gebragt 
worde, en dusdoende eene uniformiteit in alle Gereformeerde Kerken hier te lande 
daar te stellen. Desaangaande verklaarcTen: _ al TÍe tedên eenstemmig de gepastheid en 
nuttigheid dezer manier van bevordering tot ledematen in te zien, en besloten, zoo- 
veel immers doenlijk is, zulks te zullen nakomen en opvolgen. 

Ten vijfde, onder het hoofd van Berigt en Voorstel omtrent de buitentijds 
tot leden aangenomen wordende personen, om daardoor het Weduwen Fonds eenparig 
te bevoordeelen, waaraan door voorm. Prasses deze opheldering werd gegeven aan 
de Synode, dat men in den Eersten Ring was overeengekomen, om de te voren pri- 
vatelijk genotene Rds. 25, voor het buitentijds aannemen van ledematen, van nu 
voortaan te cederen aan het Weduwen Fonds onder ons, en proponeert dus dat ook 
de beide andere Ringen, of te wel de leden der Synode in het algemeen, bij name de 
Predikanten alle, ofschoon ook te voren, zoo als de meesten, voor deze buitengewone 
dienst niets privatelijk genoten, of wel het geld bij die gelegenheid ontvangen, tot 
pieuse einden aangewend hebbende, van nu voortaan daartoe zullen concurreren, tot 
de heffing namelijk van Rds. 25 extra, boven en behalve de gewone betalingen aan 
kerk, armen, of kosters, van elk en een iegelijk persoon, die buiten den gewonen 
tijd tot lidmaat wordt opgenomen, ten einde alzoo in dezen maatregel, van even gelijk 
algemeen belang voor al de leden, eene uniformiteit worde daargesteld tot een gelijk- 
matige toebrenging ten voordeele van gemeld fonds. Waarop besloten werd met 
unanieme stemmen, dat zulks voortaan ten regel zal strekken aan alle kerken, bij 
dergelijke gelegenheden, met uitzondering echter in gevallen waarin personen zich 
rnogten bevinden van op den gewonen tijd der aanneming niet present te hebben 
kunnen zijn, en zij die bij gelegenheid van huisbezoekingen als anderzins, worden 
aangenomen. Zullende bovenstaande wet in het bijzonder stipt gepracticeerd worden 
ten opzigte der zulken, die zich in de nabijheid der onderscheidene respective Kerken 
ter woon bevinden. 

En ten zesde, onder het hoofd van Communicatie en Voorstel, nopens de 
Resolutie van 16 Nov. 1824, ten einde die te beter effect te doen sorteren. Waar- 
door gemelde Prasses wil verstaan hebben, een berigt ten einde de Resolutie nopens 
de jaren die de te aantenemene personen zullen moeten hebben bereikt, volgens 
Synodaal besluit van bovengemelden datum, ten volle te kunnen effectueren, men 
verpligt zal zijn om van den Koster of Voorlezer een bewijs uit het doopboek te 
lialen, en zulks gratis te verkrijgen ; voorslaande aan de Synode om dit tot een alge- 
meenen maatregel te willen adopteren. De Synode dit voorstel iji rijpe overweging 
genomen hebbende, en de moeijelijkheden in vele gevallen, vooral voor de armen, en 
van de plaats of kerk waar gedoopt ver venrijderde personen inziende, heeft besloten 
dat deze maatregel alleen in twijfelachtige gevallen zal worden bij de liand genomen, 
onder dezelfde bepalingen als voorschreven door het gratis verleenen van zoodanige 

i 



I 



34 

certificaten, welk besluit de respectieve Predikanten en verdere leden verzocht werden, 
aan de Voorlezers en Kosters hunner Kerken bekend te willen maken. 

Hiermede nam deze Sessie een einde, en de Scriba deed een dankgebed. 



DERDE ZITTING. 

9 November, 1826. 

De Heeren Commissarissen Politiek, en al de overige leden der Synode 
bijeen zijnde, zoo werd deze Sessie m. s. in gebeden geopend, de Notulen der vorige 
Sessie geresumeerd en geteekend. 

De Prasses Synodi verstaan hebbende, dat de Heeren in Commissie gesteld 
tot het formeren van een Algemeen Reglement, betrekkelijk de ordening van Zende- 
lingen door de Hervormde Synode aan de Kaap de Goede Hoop, hunne werkzaamheden 
desaangaande hadden voltooid, verzoekt de Eerw. Heer Von Manger om de Verga- 
dering daarmede bekend te willen maken. Dit geschied en met alle aandacht over- 
wogen zijnde, werd gemeld Reglement met dankbare betuigingen aan de Eerw. 
Heeren Opstellers ontvangen, en eenstemming verklaard voor een Reglement van 
Ordening der Zendelinge n der Hervormde Kerk lúer te lande, waarnaar men zich zal 
hebben te gedragen, en opgenomen onder de documenten dezer Sessie (zie Bijlagen). 

Praeses Synodi nu wederom overgaande tot de Punten van Beschrijving, be- 
paalde de aandacht der leden op Art. 7, onder het hoofd van Doleantien, en bijzonder 
tot het eerste, betreffende de Doleantien van Kerken over de beffing tot liet Synodale 
Fonds (zie Res., 3 Nov. 1824). De Wel-Eerw. Heer Berrangé, als gewezene Prseses 
van den Eersten Ring, en lid van het Kaapsch Ministerie, gaf toen te kennen de be- 
zwaren die deswegens door onderscheidene Kerken van den Eersten Ring, zoowel als 
der twee overige, waren ingebragt, en die gerefereerd waren naar de tegenwoordige 
Synode, als alleen competent de noodige verandering in deze zaak, onder reappro- 
batie van het Gouvernement, daar te stellen. 

De Hoog-Eerw. Prseses proponeert, en de Vergadering keurt Zyn Hoog- 
Eerw. propositie goed, dat namelijk alle presente leden der Synode hunne bezwaren 
elk afzonderlijk in scriptis zouden mededeelen aan den Wel-Eerw. Heer A. Faure, 
met bekendstelling der punten zelve, alsmede de wijze hoe, en welke vermindering 
der heffing voor gemeld fonds zou kunnen geschieden, waarvan de Eerw. Heer Faure 
verzocht werd in de eerstvolgende Sessie rapport uit te brengen, ten einde aan liet 
oordeel der Synode te onderwerpen. 

Betreffende de Doleantie sub No. 2, dat door de respective Magistraten als- 
nog niet algemeen voldaan wordt aan de SynodaJe Resolutie van 16 November, 1824. 
Dezelve door de Paarlsche Kerk, in de in Apríl 11. gehouden Vergadering van den 
Eersten Ring, ingediend zijnde, werd de Scriba der Synode, in zijne betrekking als 
gecommitteerde uit gemelden Kerkeraad ten dezen aanzien, explicatie gevraagd. 



35 



Deze communiceerde cle Vergaderíng, dat liij namens gemelde Kerk cesseerde van 
deze Doleantie, vermits sedert de dolering aan den Ring het ligten en inzenden van 
kerkattestatien, op een geregelden voet was geschied aan de Paarl. De Eerw. Heer 
Thom verzocht hierop het woord, en hetzelve verkregen hebbende, wilde deze Dole- 
antie beschouwd hebben als een punt van deliberatie voor de Synode, vermits diezelfde 
ongeregeldheicl waarover de Paarl geklaagd heeft, alsnog voortduurde in het distrikt 
W orcester, waaronder Tulbagh sorteert. Deze klagte dan bij de Synode overwogen 
zijnde, is haar het gepast voorgekomen, dat uit naam der Synode, eene Circulaire aan 
alle, bij de Resolutie van 16 November, 1824, bedoelde Magistraten, zouden worden 
afgezonden, waarbij zij verzocht werden om de goede oogmerken van de Synode in 
deze zaak te willen bevorderen. 

En betreffende de Doleantie sub No. 3, zeer serieuse klagten bij vernieuwing 
te doen, over steeds voortdurende en meer en meer toenemende ontheiliging van den Chris- 
telijken Rustdag. De Eerw. Heer Thom maakte de Synode bekend met een adres 
door de Kerkeraden van Tulbagh, omtrent de noodzakehjkheid der sluiting van tap- 
huizen op den Zondag, aan Zijne Edelheid den Lt.-Gouverneur toegezonden, en met 
Zijn Eds. antwoord hierop, hetwelk noodzakelijk hierin bestond, dat deze zaak 
bereids bij Zijne Ecl. in contemplatie was gekomen. De Eerw. Heer Taylor was van 
gevoelen, dat men de tegenwoordige plagen van het land aan het volk zoude voor- 
stellen, als gevolgen der Sabbatsschending, en wijdde hierover in het breede uit. Alle 
leden schenen eenparig met geestdrift bezield te zijn in het discutiëren van dit gewig- 
tig punt, en alle pogingen te willen aanwenden die zouden kunnen strekken om 
dit kwaad, waarover zoo algemeen te regt geklaagd wordt, te stuiten in zijn loop. 
Inzonderheid sprak de Eerw. Heer Berrangé in het geven van een geregeld verslag 
wat hieromtrent reeds gedaan is door de vorige Synode, zoo ten opzigte van derzelver 
querele aan het Gouvemement, als nadrukkelijke vermaningen in den Herdelijken 
Brief, en welke onbeduidende uitwerkingen deze beide maatregelen als nog hebben te 
weeg gebragt ; hoe onderscheidene leeraren bij elke gepaste gelegenheid vruchteloos 
geijverd hebben om het gebod : Gedenkt den Sabbatdag dat gij dien heiligt, in deszelfs 
nadruk, nuttigheid en noodzakelijkheid te doen kennen en opvolgen door alle volks- 
klassen. Zijn Eenv. meende echter, dat men niet vertragen moest alle gepaste mid- 
delen aan te grijpen, die nog strekken kunnen om dit kwaad, zoo al niet geheel, 
mogelijk ten minste ten deele te weren, en daartoe scheen hem in de tegenwoordige 
tijdsomstandigheden het geschiktste toe, dat vanwege de Synode een bijzonder adres 
aan Zijn Edel. den Lt.-Gouvemeur zoude worden gerigt, om zijne medewerking en 
invloed ter weering van het kwaad waarover geklaagd wordt, eerbiedig in te roepen. 
Hierop verzocht de Hoog-Eerw. Praeses Synodi aan den Hoog-Eenv. Hoog-Achtb. 
Heer Commissaris Politiek over dit allergewigtigst punt hoogst deszelfs opinie, en met 
deszelfs wijzen raad de Synode te willen bekend maken en ondersteunen. Waarop de 
Synode het genoegen had te vernemen, dat het voorstel van den Eerw. Heer Berrangé, 
Zijn Hoog-Eerw. Hoog-Achtb. zeer gepast voorkwam, en Zijn Hoog-Eerw. Hoog- 
Achtb. de Synode kan verzekeren, dat het sluiten der taphuizen op den Zondag, reeds 
de consideratie van Zijne Edel. den Lt.-Gouverneur gewekt heeft, en dat dus de in- 
volging van dit voorstel door de Synode hoogst waarschijnlijk voor een groot gedeelte 



36 



met een goeden uitslag zal worden bekroond. De Synode besloot dan eenparig, dat er 
ten eerste en wel voor den afloop dezer Synodale Vergadering, zoodanig een afzonder- 
lijk adres aan Zijne Edel. den Lt.-Gouverneur, in naam der Synode zoude worden 
afgezonden, welk adres door den Scriba zal zijn opgesteld en der Synode voorgelegd 
worden. Alsnog besloot de Synode dat de Eerw. Heer Berrangé, daartoe aangezocht 
zijnde, bij wijze van een Herdelijken Brief eene opwekking zal trachten te doen tot 
eene getrouwere eerbiediging en onderhouding van den nu maar al te zeer onder het 
volk verwaarloosden en ontheiligden Christelijken Sabbat. De Hoog-Eerw. Hoog- 
Achtb. Heer Commissaris Politiek, nam op bede der Synode op zich, om zijn devoir 
aan te wenden tot het gratis gedrukt krijgen van gemelden brief op ’s Gouvernements 
Drukkerij. De Synode besloot al verder om bijaldien er zich hinderpalen mogten 
voordoen, waardoor dit werk op ’s Gouvernements Drukkerij vóór den afloop der 
Synode niet kon worden ten uitvoer gebragt, gemelden brief ergens elders voor reke- 
ning van het Synodale Fonds en onder opzigt van den Eerw. Fleer Faure in druk te 
doen verschijnen, ten einde dien bij de openbare sluiting der Synode voor te lezen, en 
door de onderscheidene Predikanten en Ouderlingen en hunne gemeenten te ver- 
spreiden. 

Dit punt dan afgehandeld zijnde, ging de Prseses over tot het achtste Artikel 
der Punten van Beschrijving, behelzende : Communicatie en Voorstel omtrent het 29 ste 
Artikel, enz., nopens het Godsdienst-onderwijs, om dit nader te adstringeren. De Eerw. 
Heer Berrangé merkte op, uithoofde zijner voormalige betrekking als Praeses van den 
Eersten Ring, dat er bij hem een vermoeden was ontstaan, of wel gemelde Artikelen 
door alle leeraars werden geobserveeerd, en wel in het bijzonder omtrent het onderwijs 
der catechiserende jeugd in de Bijbelsche Geschiedenis, trapswijze naar derzelver 
vatbaarheden. Weshalve Zijn Eerw. het noodzakelijk oordeelde, dat er een bijzonder 
Reglement op het Onderwijs wercl ontworpen, of ten minste desaangaande eene 
punctuële aanwijzing werd gedaan van onderwijs-boeken, waarvan men zich in de 
Catechisatie in het algemeen zal hebben te bedienen. Over dit voorstel gedelibereerd 
zijnde, werd goedgevonden het opstel van een Verkort Hellenbroele aan te bevelen, en 
wel in dien vorrn als het meest nuttig kan zijn, én voor kinderen die nog zeer jong 
zijnde in de scholen onderwezen worden, én voor leerlingen die de openbare Catechi- 
satien frequenteren ; onverminderd echter de vrijheid aan de respective Predikanten 
toegestaan, om ook andere kerkelijk goedgekeurde boeken of eigene opstellen in de 
Catechisatie te gebruiken, en daarop ledematen aan te nemen. 

Eer men verder voortging, verzocht de Eerw. Heer Faure het woord, en 
stelde voor, vermits de Superintendent der Drukkerij verzocht heeft, dat alle hoofden 
van Departementen eene lijst der onderscheidene Dienaren geliefden in te zenden, ter 
plaatsing in den Staats Almanak voor het volgende jaar, of het ook niet om vele reden 
noodzakelijk ware, dat men tijdig, en wel vóór den 15den dezer, als zijnde het ulti- 
matum des bepaalden tijds, eene Lijst van alle Moderatoren en leden der Synode en 
Ringsvergaderingen zoude formeren en inzenden. Welk voorstel goedgekeurd en de 
Lijst door de Eerw. Heer Fam'e opgemaakt zijnde, derzelver inzending zijn Eerw. 
werd aanbevolen. 

De Praeses Synodi al verder overgaande tot de Punten van Beschrijving, be- 



37 



paalde de aandacht der Synode op het negende Artikel, dus luidende : Voorstel tot 
Uniformiteit in het waarnemen van vastgestelde Feestdagen en derzelver aankleven. 
Bij welke gelegenheid de Eerw. Heer Berrangé, in zijne voormalige betrekking als 
Pragses van den Eersten Ring, het voorstel doet, dat de Synode onderzoek moge doen, 
of in al die Ringen eene eenvormigheid in het waarnemen van vastgestelde Christelijke 
Feestdagen, het behandelen van stoffen daarop toepasselijk, het geregeld en gelijktijdig 
vieren van het Heilige Avondmaal onzes Heeren Jezus Christus plaats vindt, en toon- 
de de nuttigheid en noodzakelijkheid van zoodanige eenvormige handelwijze\in al de 
Hervormde Kerken binnen deze Volkplanting aan. De opvolging van dit voorstel 
werd door den Praeses der Synode en door de meerderheid der presente leden als eene 
zeer wenschelijke zaak beschouwd, doch ontmoette tegenspraak bij anderen, inzon- 
derheid bij den Eerw. Heer Thom, die ten opzigte van het vieren van het Kersfeest, 
zich hefst schikte naar de gewoonte door zijne predecessoren te Tulbagh en Caledon, 
De Vos en Kicherer, ingevoerd, als meest overeenkomstig met den wensch dier ge- 
meente, en met het voordeel dat Zijn Eerw. daarvan in het warme saisoen bij ontstel- 
tenis trekken kon, door medehulp van zijnen medebroeder van Worcester, in het 
bedienen van het Avondmaal, acht dagen later dan deze. Daar de Synode geenszins 
ten oogmerk had om desaangaande een wettig gezag uit te oefenen, door elken leeraar 
te bepalen den juisten dag waarop elk vierendeel jaars het Nachtmaal zal worden be- 
diend, maar alleen eene eenparigheid in alle kerkelijke handelingen, en in het bijzon- 
der bij de uitoefening van de openbare eeredienst in rl e Gerefovm eerflp_ Kerken hier te 
lande, vooral in de dagen waarin wij leven, van harte wenschte te zien heerschen, om 
alzoo zich naauwer aan een te sluiten, en de gemeenschap der heiligen des te meer te 
bevorderen, zoo heeft zij dit voorstel alleen gedaan in het streelend vooruitzigt, dat de 
leeraars onzer kerk, die verondersteld worden eenen God van orde te dienen, zich ook 
in dit punt zouden vereenigen. Weshalve ook besloten is door de Synode, dit voorstel 
als een dringend verzoek aan alle leeraars der Hervormde Kerk op te dragen, door 
namelijk zooveel immers mogelijk is, de uniformiteit in het waarnemen van vastgestelde 
Christelijke Feestdagen en derzelver aankleven, te willen betrachten. 

Terwijl de tijd verloopen is, staakte de Prseses der Synode de verdere deli- 
beratien aangaande de overige Punten, en gaf kennis aan de leden, dat per Missive 
van de Bijbelvereeniging aan hem was opgedragen het verzoek aan de gezamenlijke 
leden, om op aanstaanden Maandag hare Vergaderíng en Verslaggeving harer verrigtin- 
gen in het Luthersch Kerkgebouw te willen bijwonen. 

De Prseses nu de volgende punten van deliberatien voor de volgende Sessie 
opgegeven hebbende, en de Minuten dezes voorgelezen zijnde, werd de tegenwoordige 
Sessie met het gewoon dankgebed gesloten. 



K 



38 

VIERDE ZITTING, 



10 November , 1826. 

Allen tegenwoordig, behalve de tweede Commissaris Politiek, de Wel-Ed. 
Achtb. Heer R. J. van der Riet. 

Na het gebed de Notulen der vorige Sessie geresumeerd en geteekend zijnde, 
las de Hoog-Eerw. Prseses eenen brief voor, door het Bestuur der Bijbelvereeniging 
aan de Synode geschreven, waarvan Zijn Hoog-Eerw. mondeling aan het slot der 
vorige Sessie liad melding gemaakt, en tegelijk het antwoord door Zijn Hoog-Eerw. 
aan den Secretaris van het Bestuur der Bijbelvereeniging in naam der Synode toege- 
zonden. 

1. Hierop meldde de Wel-Eerw. Berrangé, dat de Commissie in de tweede 
Sessie benoemd, om rapport uit te brengen over den staat der bijzondere Reglementen 
betrekkelijk Kerkeraden, Kosters en Voorlezers, bij de onderscheidene gemeenten al 
of niet bestaande, zoomede plansinlevering omtrent de Kerkvisitatien, de Rings- 
vergaderingen opgedragen, gereed was haar rapport hierover uit te brengen, hetgeen 
door den Wel-Eerw. Berrangé geschiedde, en is de Commissie voor hare in deze 
zaak genomene moeite, door den Hoog-Eerw. Prasses in naam der Synode bedankt. 
De Praeses van den Tweeden Ring gevraagd zijnde naar eene explicatie van de 
handelwijze der Ringsvergadering in dezen gehouden, blijkens gemeld rapport, ver- 
klaarde, dat de leden dier Vergadering zich niet konden vereenigen tot het forme- 
ren van Reglementen op Kosters, enz., en zulks nu kwam te bhjken, dat het Synodaal 
Besluit daaromtrent door de Vergadering niet was begrepen, meenende dat een gelijk 
Reglement voor alle Kerken zoude dienen te worden opgesteld, doch hieromtrent nu 
anders voorgelicht zijnde, is besloten, dat dit in de volgende Ringsvergadering zoude 
geschieden. 

De Reglementen door den Praeses der Derde Ringsvergadering der Synode aan- 
geboden, werden den Praeses teruggegeven, met verklaring dat in dezen wel gedaan is. 

Het plan van Kerkvisitatie door den Eersten Ring geformeerd, de Synode 
voorgelezen zijnde, werd hetzelve voor al te omslagtig beschouwd, doch aangenomen 
tot een leiddraad voor eene Commissie daartoe benoemd, om de noodige veranderingen 
in hetzelve te maken, bestaande de Commissie uit de Eerw. Heeren Berrangé, Faure, 
Thom en Murray, en de Ouderlingen Jurgens, Frans Russouw en J. Mohr, aan wien 
dat plan inhandigd is geworden. 

2. De Eerw. Heer Faure, benoemd tot het opnemen der bezwaren door de 
kerken ingebragt omtrent de heffing tot het Synodaal Fonds, doet van zijne venig- 
tingen verslag (zie Bijlagen), en is besloten deze zaak in advies te houden, tot men 
zal komen te handelen over een tarief op de onkosten der Vergaderingen. 

3. Voorstellen aangaande het Weduwen Fonds : — 1. De Eerste Ring stelt 
voor een meerder jaarlijksch tantum, voor de eventuele Weduwen in liet toekomende, 
onder zekere billijke bepaling te mogen hebben vastgesteld, en dus Art. 16 van het 
Weduwen Fondste veranderen — welk voorstel aangenomen zijnde, heeft de Synode be- 
sloten : “ Dat de som van 500 Rds. ’s jaars, niet zal vermeerderd worden, dan voor Wedu- 



39 



wen van zoodanige Predikanten die twee jaren hebben gecontribuëerd aan het Fonds, 
en wel in deze geëvenredigde opkbmming, dat naar gelang van elk jaar contribuërens 
meer, die som van Rds. 500 zal worden vermeerderd met Rds. 50, en zoo toenemende 
tot Rds. 1000, zullende dit het maximum zijn boven hetwelk men niet komen zal. 
Weduwen wier echtgenooten meer dan twee jaren hebben gecontribuëerd, genieten 
Rds. 500, die meer dan drie jaren, Rds. 600, meer dan vier jaren, Rds. 650, meer dan 
vijf jaren, Rds. 700, meer dan zes jaren, Rds. 750, meer dan zeven jaren, Rds. 800, meer 
dan acht jaren, Rds. 850, meer dan negen jaren, Rds. 900, meer dan tien jaren, Rds. 
950, meer dan elf jaren en daarboven, Rds. 1000, onverminderd hetgeen er verder in 
gezegde Art. 16 voorkomt : “ tenzij door eene onverhoopte,” enz., enz. 2. Ook stelt 
die Ring voor om bij het afsterven van Predikantsweduwen, de door dezelve genotene 
jaarhjksche gratificatie te doen overgaan op het nablijvend kind, of de gezamenlijke 
nagelatene kinderen uit het huwelijk van dezelve met wijlen den Wel-Eerwaarden voor- 
overleden man, en zulks tot dat het kind of het jongste der kinderen 16 jaren zal heb- 
ben bereikt, of eerder tot gevestigden staat zijn gekomen ; insgelijks, wanneer eenig 
gecontribuëerd hebbend Predikant, na vooroverhjden van des Predikants vrouwe, komt 
te overlijden, onder die bepaling nogtans, dat, en in zoover de staat van het Fonds zulks 
buiten benadeeling van der Weduwen belangen zoude toelaten, en heeft de Synode dit 
voorstel goedgekeurd, met die bepaling, dat alleen de helft der door de Weduwe ge- 
notene jaarlijksche gratificatie, aan het kind of de kinderen, als in het voorstel gemeld, 
zoude worden gegeven. 3. Ook heeft de Synode het voorstel van dien Ring aange- 
nomen, om een bijzonderen Qucestor Viduarum te hebben, met wien men bepaaldelijk 
over de zaken van het Fonds konde corresponderen, welke Quasstor uit de stads- 
leeraren te benoemen, overigens communicatief met de beide andere Leeraren in voor- 
komende gevallen, gezegd Fonds aangaande, zoude raadplegen en handelen. En heeft 
de Vergadering eenparig goed gevonden, den Predikant Faure te benoemen tot Quaestor 
van het Weduwen Fonds, die provisioneel die bediening op zich heeft geheven te 
nemen. 4. Almede werd besloten Art. 11 van het Weduwen Fonds zoo te veranderen, 
dat de participanten in plaats van alle drie maanden, voortaan alle jaren, en wel vóór 
30 November van elk jaar, hunne contributien franco aan den Quaestor zullen bezor- 
gen, onverminderd de boeten in Art. 13 bepaald. 

De Broeders Ouderhngen Badenhorst, Moolman, Maree en Burger, verzocht 
hebbende om bijzonder dringende redenen naarhunne woningen te mogen terugkeeren, 
is zulks alleen om geállegeerde redenen toegestaan, en hebben zij met zegenwenschen 
en dankbetuigingen afscheid genomen. 

De Hoog-Eerw. Scriba daartoe verzocht zijnde, las eenen brief voor, door 
hem opgesteld, om aan Zijne Edelheid den Heer Luit.-Gouverneur te worden toege- 
zonden, alsmede eenen aan de HH. Magistraten, en zijn dezelve goedgekeurd en den 
Eerw. Heer Faure ter vertahng, enz., in lianden gesteld geworden; waarna de Verga- 
dering met dankzegging tot God in vrede van elkander scheidde. 



40 

VIJFDE ZITTING, 



11 November , 1826. 

Allen present, behalve de tweede Commissaris Politiek, de Wel-Ed. Achtb. 
Heer R. J. van der Riet, wegens ongesteldheid, en de PIoog-Eerw. Scriba, T. Herold, 
en de Eerw. Heer H. Sutherland, met verlof, wordende het Scribaat waargenomen 
door den Predikant Faure. 

Na het gebed werden de Notulen der vorige Vergadering geresumeerd, en 
door de tegenwoordig zijnde leden geteekend. De Hoog-Eerw. Prmses deelde de Ver- 
gadering mede, dat hij, ingevolge besluit op den 8 dezer in de tweede Sessie genomen, 
den Heer Marquard, Zendeling in dienst van het Nederlandsch Zendehng Genoot- 
schap, die verzocht had om als Zendeling geordend te mogen worden, had doen 
aanzeggen lieden alhier tegenwoordig te zijn ; die dan ook binnen gelaten zijnde, 
behoorlijk ten genoegen van cle Vergadering door Moderatoren is geëxamineerd gewor- 
den, terwijl ook door dezen en genen der leden eenige vragen aan hem werden voorge- 
steld, vrelke ten genoege beantwoord werden, en al de leden over het afgelegd examen 
ten hoogste voldaan zijnde, is het Reglement voor Zendelingen clen Heer Marquard 
voorgehouden, en deze verklaard hebbende zich daaraan gaarne te zullen willen on- 
derwerpen, Werd hem door den PIoog-Eerw. Prceses aangezegd, op Dingsdag aan- 
staande, den 14 dezer, in cle Vergadering te verschijnen, ten einde zijne Acte van 
Admissie te mogen ontvangen. 

De voorstellen omtrent de Kerkelijke hmietscheiding van de Paarl, Zwart- 
land en Tulbagh, aangehoord zijnde, is besloten dat hierover communicatief zal wor- 
den gehandeld met de Lancldrosten en Presidenten van den Eersten en Tweeden Ring, 
en deze zaak alsdan voor de Ringsvergadering zal behooren te worden gebragt, en de 
bepalingen door de Vergadering gemaakt ter approbatie aan de Synode worden onder- 
worpen. 

Op voorstel van de Paarl, dat hetgeen bij de gemeente van de Kaapstad van 
onheugelijke tijden heeft plaats gevonden, nopens cle naasting cler nalatenschappen 
van zoodanige afgestorvenen, als bij hun leven door de Diakonie zijn onderhouden 
geworden, op Synodaal gezag algemeen bij alle gemeenten mogen worden geïntrodu- 
ceerd en gepracticeerd, is men verwezen naar eene Politieke Ordonnantie hierover uit- 
gevaardigd, dd. 27 Junij 1769, doch heeft de Synode besloten, dat de Hoog-Eerw. 
Scriba, bij Circulaire, al de kerken van het bestaan dezer wet zal kennis geven. 

Betreífende de voorstellen door den Eersten Ring gedaan : 1, Tot het vast- 
stellen van een tarief op de onkosten der Ringsvergadering ; en 2, Tot het formeren 
van een plan ter minder kostbare bijwoning van de Synodale Vergadering in het toe- 
komende, is besloten zulks te stellen in handen eener Commissie, aan welke Commissie 
ook zal worden gesuppediteerd het verslag van den Predikant Faure, betrekkehjk de 
bezwaren der gemeente omtrent de heffing tot het Synodaal Fonds, en zijn tot clie 
Commissie benoemd, DD. Berrangé, Thom, Murray en Spijker, en de Ouderlingen 
M. Smuts en De Leeuw, om een behoorhjk plan en tarief ten einde voormeld met de 
eerstvolgende Vergadering in te leveren. 



41 



De Kaapstad steit voor dat de Originele Synodale Acten, met derzelver 
Bijlagen en verdere aanhoorige stukken, behoorlijk zullen worden bewaard en ingebon- 
den, en zal dit werk alzoo worden voortgezet, terwijl dan ook op deze Acten vooral 
een ruim beredeneerd Register, in eenen Alphabetischen vorm zal worden geformeerd 
en gehouden onder den naam van Repertorium Synodale. En is dit voorstel door de 
Synode goedgekeurd, en besloten dat dit het werk van den te benoemen Actuarius 
Synodi zijn zal. 

Op voordragt van den Kaapstadschen Kerkeraad is almede besloten, dat er 
een Actuarius Synodi uit de stads leeraren zal worden benoemd, die als zoodanig ageren 
zal in den tusschentijd van de ééne Synodale Vergadering op de andere, des noods 
met communicatie en overleg van den naast voorgaanden Moderateur ; zullende de 
Hoog-Eerw. Actuarius belast zijn : 

1. Met het houden van briefwisseling en aanteekeningen, de Synodale zaken 
betreffende. 

2. Met de zorg voor de Synodale papieren en boeken, benevens het Reper- 
torium Synodale. 

3. Hij zal daarbenevens al de Synodale papieren, dokiunenten, enz., als 
Archivarius onder zijn opzigt nemen, dezelve zorgvuldig bewaken en bewaren, en wel 
die allen te zamen leggende in eene daartoe aan te leggene, secuur gemaakte en wel 
geslotene kist te plaatsen, en dat tot meerdere bedekking en beveiliging in eenig wel- 
verzekerd kerklocaal. 

4. Het wordt hem vooral voorgeschreven, geene papieren, alhoewel aan des- 
bevoegden, af te geven, dan tegen renversal, en slechts voor eenen bepaalden tijd, en 
zulks onder gestipuleerde voorwaarden van het geligte voor zich te zullen houden en 
niet te divulgeren. 

5. Hij zal van al het tusschen gebeurde aan de naastvolgende Synode verslag 
doen, risie geven van boeken, papieren, enz., enz., enz., zorgen dat de benoodigde 
stukken uit de Archiven bij de hand zijn, en ter tafel leggen tijdens de Synode ; 
zullende er te dien einde eene kleine draagbare kist zijn, behalve die grootere, waarin 
de algemeene massa van al de te bewarene Synodalia zal besloten zijn, van welke 
beide de Actuarius de sleutels onder zich berustende zal hebben, en voor de bewaring 
van dezen, gelijk van al het overige, verantwoordelijk zijn. 

De Synode heeft ook besloten dat de originele Acta der Ringsvergadering 
bij de Synodale papieren zullen worden gedeponeerd, en dat de Scriba’s der Rings- 
vergaderingen verpligt zullen zijn, ten uiterste twee maanden na het houden der 
Ringsvergadering, de originele Acten (waarvan zij verwacht worden de noodige ex- 
tracten aan de belanghebbende Kerkeraden te doen geworden), aan den Actuarius 
Synodi toe te zenden. 

En is de bediening van Hoog-Eerw. Actuarius en Archivarius Synodi opge- 
dragen geworden aan den Wel-Eerw. Heer J. C. Berrangé, die dezelve gaarne op zich 
heeft gelieven te nemen, onder voorwaarde dat de noodige kosten Zijn Hoog-Eerw. 
worden betaald. 

Op eene propositie van den Kaapschen Kerkeraad is besloten, dat hetgeen bij 
Synodale Resolutie van 18 Nov. 1824, sub. n. 4, aan den Scriba der Synode is gedefe- 

K 



42 



reerd geworden, voortaan aan eenen daartoe aangestelden Qncestor Fontis SynoclaUs zal 
zijn opgedragen, en is de Predikant Faure tot Qusestor van het Synodaal Fonds be- 
noemd, die deze bediening provisioneel op zich heeft willen nemen. 

Ook werd de Eerw. Heer Spijker helast met het formeren van een Reglement 
voor den Quaestor, alsmede van de bepalingen en formulieren bij het inzenden der 
penningen en rekeningen in acht te nemen. 

Op aanbeveling mede van den Kaapschen Kerkeraad, is er besloten Rationarii 
aan te stellen, ter opneming van alle rekeningen van ontvangst en uitgaaf, de Synodale 
Fondsen betreffende, die dit zullen doen staande de Synode, doch niet onderwijl er 
Vergadering wordt gehouden, maar voor of na dezelve. Zij zullen daarover rapport 
uitbrengen in de Synode, in zoodanige Zitting, als daartoe door den Praeses zal worden 
bepaald. Zij zullen vier in getal zijn en gekozen worden bij elke Synodale Vergade- 
ring, een uit de stads afgevaardigden, en uit elk der drie Ringen almede een. Er zijn 
voor ditmaal benoemd, de Eerw. HH. Manger, Herold, Thom en Murray. 

De Synode heeft besloten, dat aan elke vacante of herderlooze gemeente 
een Predikant, onder de benaming van Consulent, zal worden toegevoegd, die zijn zal 
de leeraar uit de naburige gemeente, mits staande onder de jurisdictie van denzelfden 
Landdrost, en als het de stad raakt, een uit derzelver leeraren ter dispectie van het 
Kaapsch Ministerie, aan welken Consulent de Kerkeraad welken het betreft, zich in 
alle deelen zal houden, met communicatie en overleg in alle voorkomende gevallen, 
zullende hij denzelven dan ook van zijnen kant van raad dienen en met hulpe 
bijstaan ; en wel vooral zal liij, als hoofd des Kerkeraads, in deszelfs Vergaderingen 
praesideren, zoo dikwijls dit noodig en buiten groot bezwaar van kosten voor die 
gemeente kan geschieden. Hij zal voorts toezien, dat de kerkelijke diensten en 
administratien behoorlijk worden waargenomen ; de finantien wel worden bestierd ; 
de boeken en aanteekeningen naauwkeurig worden gehouden ; en voorts zorgen, dat 
alles in de gemeente behoorlijk toega en in orde geschiede, waken voor de gods- 
dienstige opvoeding der jeugd, en zorgen voor den geestelijken welstand zoo wel als 
uiterlijke goede verhouding der gemeente ; kortom, de belangen der gemeenten, zoo 
van binnen als naar buiten behartigen, en bijzonder haar mond zijn bij het Gouverne- 
ment in gemeenscliap met den Kerkeraad, zoo wanneer zulks vereischt wordt. 

De zaak van de Theologische Kweekschool op nieuw aan de overweging der 
Synode aanbevolen zijnde, is besloten dat door den Hoog-Eerw. Actuarius aan elken 
Ring copij zal worden gegeven van het plan in de Synodale Vergadering van November, 
1824, ingeleverd, opdat zij die zoo gewenschte en belangrijke zaak ernstig behartigen, 
en geheel bereid hun plan in de eerstvolgende Synode inbrengen, opdat als dan die 
zaak, zoo noodzakelijk ter krachtdadige bevordering en vermeerdering van godsdienst- 
kennis, in werking zou kunnen worden gebragt. 

Voorstellen omtrent de Moderatuur bij de Synode door den Kaapschen Kerke- 
raad voorgedragen : — 

1. Daar in Art. 47 de rooster gaat volgens den ouderdom der Kerken, het- 
geen ligt ten gevolge zou kunnen hebben dat een Novitius aan de beurt kwam, heeft 
de Synode besloten dat men ten minste vijf jaren dienstdoende Predikant in deze 
volkplanting moet zijn geweest, om bevoegd te zijn tot het bekleeden van de post van 



43 



Proeses of Scriba bij de Synode, ingeval van zulks niet zijnde, zal de beurt des zooda- 
nigen voorbij en op een ander overgaan, en zal die modificatie van Art. 47 aan bet 
Gouvernement worden voorgedragen. 

2. Zoo een wettig tot de Moderatuur geroepen leeraar, uithoofde van ge- 
wigtige redenen zich moge verscboonen van het waarnemen van de post welke op 
hem valt, zal bet van de Synode afhangen omtrent de wettigheid der redenen te be- 
slissen, en zal de kerk die in ouderdom op hem volgt, alsdan moeten optreden. 

3. Besloten dat de opening der Synode zal gescbieden door den Prasses der 
Vergadering, alleen met het doen van eene plegtige aanspraak van den Kansel, doch 
wat aangaat het sluiten, zoo zal de leeraar die het jongste lid is dit plegtig doen met 
het houden van eene gepaste leerrede, en bij onverhoopte verhindering tijdig zorgen 
dat zijn secundus daarvan verwittigd wordt. Zullende zoodanig lid tot zijn secundus 
hebben bij opklimming het naastvoorgaand lid, en deze bij ontsteltenis wederom het 
lid dat het naast boven hem is. Dit werk eenmaal door iemand als jongste lid zijnde 
verrigt geworden, zoo zal, bijaldien er geen ander jonger broeder is ingekomen, de 
beurt komen op den naastvoorgaanden, en zoo successivelijk, doch zal zich deze 
rooster niet verder uitstrekken dan tot den derden man van onderen af, en alzoo deze 
aldus blijven rouleren onder de drie jongste Predikanten, en bij allen rond geweest 
zijnde, in diezelfde manier en opvolging op nieuw beginnen en over de drie jongste 
broeders gaan, met dien verstande nogtans, dat die eenmaal het werk gedaan heeft, 
niet tot hetzelve wederom kan worden getrokken in een en denzelfden beurtgang, maar 
wel bij eene volgende toersvernieuwing, ad rigas, op zijne beurt wederom invallen zal. 

Niemand der leden heden iets meer voorgedragen hebbende, scheidde de Ver- 
gadering m. s. met dankzegging in liefde en vrede, en verzocht de Hoog-Eerw. Prceses 
de leden wederom tegenwoordig te willen zijn, op overmorgen den 13 November. 



ZESDE ZITTING, 

13 November, 1826. 

De beide Heeren Commissarissen Politiek, zoowel als de overige leden tegen- 
woordig zijnde, met uitzondering van de Eerw. Heeren Spijker en Sutherland, en de 
Ouderlingen Mohr en Hugo, met voorkennis en verlof van den Hoog-Eerw. Prseses, 
zoo werd deze Sessie op de gewone wijze met het gebed geopend. De Notulen der 
vorige Sessie werden geresumeerd en geteekend. 

Bij deze gelegenheid maakte de Eerw. Heer Faure, als hiertoe speciaal ver- 
zocht zijnde, den leden bekend, dat de Eerw. Heer Sutherland door het onverwacht 
berigt van het overlijden zijner schoonmoeder Mejufvrouw de Weduwe Van der Byl, 
laatst Weduwe wijlen de Wel-Eerw. Heer Aling, aan de Paarl, in de onaangename 
verpligting is geweest, zich benevens zijnen Ouderling Hugo, zonder wiens medehulp 
de afreize niet geschieden kon, van de Synodale Vergadering te verwijderen, en dat zij 



44 



hoogstwaarschijnlijk vóór de sluiting derzelve niet zullende kunnen tegenwoordig zijn, 
hun afscheid verzocht hebben. De \ ergadering deze omstandigheden met deelneming 
vernomen hebbende, berustte hierin eenparig. 

Ook maakte Zijn Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Eerste Commissaris Pohtiek 
den leden der Synode bekend, dat Zijn Hoog-Ed. Hoog-Achtb. pligtshalve in de 
noodzakelijkheid zijnde de vergadering van Gouverneur en Raden op morgen te 
moeten bijwonen, bij de twee volgende Synodale Sessien zal afwezig zijn, en vervangen 
worden door Zijn Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Ambtgenoot den Wel-Edelen Achtb. twee- 
den Commissaris Pohtiek R. J. van der Riet, en verzocht dus, bijaldien er iets door de 
Synode aan Zijn Hoog-Ed. Hoog-Achtb. was voor te stellen, hetzelve op heden te 
doen, dan wel aan zijnen ambtgenoot voormeld. Zijn Hoog-Ed. Hoog-Achtb. 
berigtte gelijktijdig aan de Synode dat de Herderlijke Opwekking, volgens verzoek, aan 
Zijn Hoog-Ed. PIoog-Achtb. in een der vorige Sessien door de Synode gedaan om 
Zijn Ed. devoir aan te wenden, ten einde gemelde Opwekking op ’s Gouvernements 
Dmkkerij gedrukt te krijgen, aldaar ter perse kan gebragt worden, waarvoor de Synode 
Zijn Hoog-Ed. Hoog-Aclitb. haren warmsten dank betuigde. 

De Eerw. Heer J. C. Berrangé te kennen gegeven hebbende dat Zijn Eerw. 
de hem opgedragene last, het opstel namelijk van genoemde Opwekking, volbragt had, 
zoo werd Zijn Eerw. door den Prmses verzocht, om dezelve den leden der Vergadering 
voor te lezen, welke niet alleen ten volle als in overeenstemming met den geest der 
Synode werd geapprobeerd, maar ook in dank ontvangen. Het afschrift hiervan werd 
in handen gesteld van den Heer Haupt, Secretaris van den Kaapschen Kerkeraad, en 
de Scriba der Vergadering geanthoriseerd zoo vele afdrukken te doen vervaardigen 
als een gewoon riem papier komt te bevatten, ten einde die volgens het oogmerk der 
Synode te distribuëren. De Heer Eerste Commissaris Politiek belooíde dezelve met 
eenen brief van geleide aan de Superintendent van ’s Gouvernements Drukkerij, te 
zullen muniëren. 

De Wel-Eerw. A. Faure bij eene vorige Sessie het ontwerp van een Regle- 
ment voor den Qncestor voor het Synodacil Fonds opgedragen, en hetzelve in gereedheid 
zijnde, w T erd lietzelve opgelezen, goedgekeurd, met dank overgenomen, en onder de 
Bijlagen geplaatst. 

Dezelfde goedkeuring en plaats onder de Bijlagen verwierf zijn Eerw. ont- 
werp omtrent de Synodale Hejfing, hetgeen mede in een besluit veranderd is. 

Zoo besloot ook de Synode op voorstel van gemelden Eenv. A. Faure, dat de 
Leeraars, of waar vacante gemeenten zijn de Kerkeraden te verpligten, zoo als zij 
verpligt werden bij deze, om op het einde van elk jaar aan den Quaestor van het 
Weduwen Fonds eene naauwkeiuige lijst in te zenden van de penningen gedurende 
dat jaar, zoo van extra trouwen als anderzins, voor het Wediuven Fonds ingezameld ; 
en dat zij uiterlijk vóór den lsten Februarij van het daarop volgende jaar, de inge- 
zamelde som aan den Quagstor franco doen toekomen. In geval van verzuim zullen 
Predikanten, of waar geen Predikant is Kerkeraden, verpligt zijn de renten van het 
kapitaal te betalen. De Eerw. Heer Bemangé verzocht den leden, in het hun opge- 
dragen adres aan Zijne Excellentie ter revisering, gew r ag te mogen maken van het 
ongepaste om op Zaturdag avond de comediespelen te doen voortduren, terwijl zulks 



45 






aanleiding gaf dat velen, óf weinig vrucht genoten van de Sabbatviering, óf dien 
heibgen dag op bunne bedstede doorbragten ; hetgeen Zijn Eerw. zoo veel te nood- 
zakelijker oordeelde, vermits de comedien een en andermaal, hoewel reeds' bepaald, 
waarschijnbjk op boog gezag, belet waren geworden op den Zaturdag vóór het Heilige 
Nacbtmaal. Dit Supplement werd zoowel door Heeren Commissarissen Pobtiek als 
door de overige leden zeer goedgekeurd, en ingevlochten in gemeld adres, waarvan 
copij onder de Bijlagen zal worden geplaatst en in bet Brievenboek. 

De Synode nu overgaande tot de Punten van Besclirijving van den Derclen 
Ring, te vinden onder de Brieven van Graaff-Reinet, door den gefungeerd bebbenden 
Eerw. Scriba A. Faure ontvangen, dd. 4 October, 1826, als bet Voorstel 1, tot Revisie 
van Art. 71 van het Algemeen Reglement nopens de Censuur, met bijgevoegde vraag 
naar uitlegging op Art. 8, alleen op het voorgaande Art. of op het geheel hoofddeel 
toepassebjk zij ? Hoewel deze Punten eerst op den 10 October daaraanvolgende, en 
dus te laat ontvangen waren om dezelve nevens de overige lemmata op ééne bjst te 
plaatsen, en aan Zijne Excelleníie den Hoofdgebieder in te zenden, oordeelde echter 
de Synode, vermits de Prseses van gemelden Ring tegenwoordig was, haar advies op 
gemeld Art. uit te brengen, verklarendê derhalve (nadat Prseses van gemelden Ring, 
desaangaande de zwarigheid in gemeld Art. volgens gevoelen en opvatting van den 
Derden Pving had aangetoond, die men vermeende daarin te resideren), dat hare opinie 
was, dat wanneer eene gecensureerde, zijn of haar kind wilde laten doopen, des vaders 
of moeders tegenwoordigheid bij die gelegenheid niet kon geweerd worden, doch dat 
het haar voorkwam niet dan overeenkomstig den geest van dit Reglement te zijn, dat 
in dusdanige gevallen twee doopgetuigen, onbesprokene leden der gemeente zijnde, 
mede tegenwoordig behoorden te zijn, van wie men kon veronderstellen de beloften in 
het Doop-Formuber vervat, te zullen nakomen. En ten opzigte van Art. 8 begreep de 
Synode, dat door erkende Gestichten verstaan moeten worden dezulke, die op eene 
legale wijze zijn opgerigt, en wel op voordragt van den leeraar der gemeente alwaar 
zulks gescliiedt, aan den Ring van zijn Ressort, en op recommendatie van dezen, aan 
en op autoriteit van het Gouvernement. Voor het overige werd de toepassing van 
liet Reglement betrekkebjk het Oefeninghouden, aanbevolen aan den Leeraar en 
Kerkeraden in diezelfde bedoebng als de geest van gezegd Reglement duidebjk komt 
te dicteren. 

Het Voorstel 2, om aan het Gouvernement voor te dragen van sanctie te 
verleenen, om eenen algemeenen biddag te mogen houden als de noodsomstandigheden 
denzelven vereischen zouden, werd door den Praeses van den Derden Ring alzoo ver- 
klaard, als bedoelende zoodanige gevallen, waarin de bijzondere omstandigheid van 
het een of ander distrikt, gemeente of Ring, zulks kwam te vorderen, en door den 
Magistraat of Magistraten min noodzakelijk mogten geoordeeld worden. De Synode 
is hieromtrent van gevoelen, dat zoodanig een voordragt alsdan behoorde te geschieden 
aan de Moderatoren van den Ring, en door deze aan het Gouvernement, in geval 
zulks in meer dan ééne gemeente noodzakelijk Ifevonden werd, en wanneer zulks 
alleen betrekking liad tot ééne gemeente, dat dan de leeraar vrijheid had zich des- 
wegens aan het Gouvernement te mogen adresseren. 



M 



46 






Omtrent het Voorstel 3, tot het in overweging nemen van de thans bestaande 
wetten, waardoor Hottentotten en andere Heidenen verhinderd worden in het huwe- 
lijk te treden, vóór dat zij gedoopt zijn, met voorslag om eene representatie te doen 
aan het Gouvernement, ter wegneming van de moeijelijkheden en het onheil daaruit 
voortvloeijende, is men, vermits door den Eerw. Praeses verklaard werd, dat deze 
zwarigheid geboren was uit het Governements Ordonnantie, No. 19, algemeen over- 
eengekomen, deze zaak te surcheren tot dat er zoodanig een aanzoek zal zijn gedaan, 
om alsdan aan het Gouvernement, “ als met ons Trouw-Formulier strijdende,” voor- 
gesteld te kunnen worden. Terwijl de Voorstellen van de Kerk van Uitenhage, dd. 
4 Oct. en tien daaraanvolgende te laat zijn ingezonden geworden naar de Redactie, om 
rondgezonden te kunnen worden, en vermits geene afgevaardigden uit gemelden Ker- 
keraad verschenen zijn, zoo heeft de Synode geoordeeld, dezelve ter zijde te moeten 
stellen, en konde derhalve geen onderwerp van deliberatie geacht worden te zijn voor 
deze tegenwoordige Vergadering. 

Weshalve overgegaan zijnde tot de Corollaria als in contemplatie te geven 
aan de Synode : 1. Het des noods beurteling houden van eene Synodus Contracta en 
Plenaria, onverminderd Art. 37, waardoor dé Eerw. Heer Berrangé verstond, of niet 
onverminderd Art. 137 van het Algemeen Synodaal Reglement, nopens het bijeenko- 
men van de Algemeene Kerkvergadering, het zoude nuttig en raadzaam zijn te bepalen, 
dat de Synode van het regt haar toegekend bij de wetten voornoemd gebruik makende, 
zich de vrijheid voorbehoudt,- van om het tweede jaar na eene gehoudene Synode, 
eene Synodus Contracta, en het tweede jaar daarop volgende, eene Synodus Plenaria 
te convoceren (immers zoo de omstandigheden zulks gedoogen en zich geene redenen 
voor het tegendeel opdoen), welke Synodus Contracta (gepractiseerd wordende), uit 
een minder getal vanleden bij wijze van afgevaardigden uit de respective Ringen naar 
evenredigheid van derzelver meerder of minder aantal leden zoude bestaan, en bekleed 
met Synodale magt en gezag, in naam van Synode handelen in gevallen die geen uit- 
stel kunnen lijden, of ook in zaken waaromtrent eene wetsbepaling bestaat, van welke 
slechts de toepassing behoeft gemaakt te worden ; zullende in alle zoodanige gevallen 
waarin zich moeijelijkheden opdoen, of in dezulke waaromtrent in de wet niet is voor- 
zien, en bijzonder in cas van appel (tenware eene vroegere afdoening finaliter bij de 
Synodus Contracta door de evidentie van het geval mogelijk is, of anderzins bij wijze 
van correspondentie kan worden bewerkstelligd), gerefereerd worden aan de eerstvol- 
gende Synodus Plenaria, aan welke dan ook bij hare eerste zitting verslag zal worden 
gedaan door de Synodus Contracta, van hare verrigtingen met gemotiveerde redenen, 
dezelve alzoo aan het oordeel van de Synodus Plenaria onderwerpende. Voorts zal 
vóór het houden van de Synodus Contracta, welke even als de Algemeene Kerkverga- 
dering door het Ministerie van de Kaapstad zal worden geconvoceerd, even zoo als 
tegen het bijeenkomen van de Algemeene Vergadering gehandeld worden, ten aanzien 
van de Punten van Beschrijving als anderzins. Deswegens is door de Synode besloten 
deze propositie aan te bevelen aan de deliberatien der onderscheidene Ringen, ter fine 
van rapport voor de eerstvolgende Synode, uit welke rapporten bij de volgende Synode 
zal moeten blijken, of het noodzakelijk zij in de vastgestelde wetten eene verandering 



47 

aan het Gouvernement desaangaande op grond van genoemde propositie voor te 
dragen. 

Ten opzigte van de Bijvoegselen of Corollaria 2, namelijk de Kerkorde van 
den Commissaris Generaal de Mist van 1804, eene kleine noodige revidering, onver- 
minderd de Synodale Resolutie van 5 November, 1824, te doen ondergaan, ter fine 
van overeenbrengingen in consensus met latere Synodale bepalingen. Welk voorstel 
aldus door den Eerw. Berrangé geëxplaneerd werd, om onverminderd de Synodale 
Resolutie, 5 Nov., 1824, omtrent voonuelde Kerkorde, een onderzoek aan te rigten, 
in hoever dezelve (buiten en behalve de modificatien welke zij reeds verkregen heeft 
door latere Synodale bepalingen en verordeningen) al verder vatbaar zoude zijn voor 
eene meerdere overeenbrenging, ten einde niet noodig te hebben van tweederlei 
Ordonnantien en Regulatien in te zien en na te slaan, en daardoor zoo niet in ver- 
warring, twijfeling en onzekerheid gebragt te worden ; althans, dat door vergelijking 
van latere Synodale Resolutien met gezegde Kerkorde werden aangewezen en bekend 
gesteld, zoodanige Artikelen van gezegde Kerkorde, als welke door latere bepalingen 
nieuwe modificatien hebben ondergaan, en door dezelve geheel vervangen zijnde 
geworden, alzoo geen verder regard meer behoeven. Hieromtrent heeft de Synode 
besloten, vermits er alsnog geene inconvenientien bhjken te resideren, dat deswegens 
ook geene revideríng alsnog noodzakelijk kan beschouwd worden, en laat zulks aan 
tijdsomstandigheden over de verdere deliberatie van dit voorstel. Doch ten einde alle 
misverstand voor te komen, heeft de Synode geoordeeld te moeten besluiten, dat het 
Kaapsch Ministerie verpligt zal zijn, vijf maanden vóór het vergaderen der Synode, de 
onderscheidene Kerkeraden aan te schrijven, en te herinneren aan de te houdene 
Synodale Vergadering, en te gelijk aan het Gouvernement te verzoeken de aanstelling 
van Heeren Commissarissen Politiek, ten einde de Punten van Deliberatien, conform 
Art. 48 van het Reglement van den Commissarís Generaal De Mist, met communicatie 
en overleg van Heeren Commissarissen Politiek, te ontwerpen en aan den Gouverneur 
in der tijd ter goedkeuring aan te bieden. 

De Eerw. Thom verzoekt dat de Synode bepalingen geliefde daar te stellen, 
ten opzigte der nominatie van Kerkeraadsleden, om daardoor voor te komen eene 
irregulariteit die te Tulbagh en elders schijnt te heerschen, daar slechts de aanblijven- 
de Kerkeraadsleden de nominatie formeren, en de familiebetrekkingen daarbij te veel 
in aanmerking werden genomen. Zoo is besloten. dit voorstel aan de consideratie en 
advies van de onderscheidene Ringen aan te bevelen, ter fine van rapport op de eerst 
te houdene Synodale Vergadering. 

De Praeses Synodi verzocht de Rationarii van den staat der rekeningen van 
den gefungeerd hebbenden Scriba Synodi, den Eerw. A. Faure, inzage te willen nemen, 
en vermits daarop eenige bedenkingen ten opzigte van de ingeleverde rekeningen 
van sommige Buiten-Kerken onder den Tweeden en Derden Ring sorterende zijn ge- 
maakt geworden, daarvan rapport uit te brengen op de naastvolgende Sessie. 

De Minuten dezes opgelezen, en daarop geene aanmerkingen gemaakt geworden 
zijnde, werd deze Sessie m. s. met dankzegging besloten. 



48 

ZEVENDE ZITTING, 



14 November, 1826. 

Behalve de Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Eerste Commissaris Politiek (zie vorige 
Sessie), waren al de leden present. Dezelve dan in gebede geopend zijnde, werden 
de Notnlen der vorige Sessie geresnmeerd en geteekend. 

Hierop deecl de Commissie verslag van hare verrigtingen opzigtelijk het 
Reglement van Kerkvisitatie, welk verslag door clen Eerw. A. Faure gedaan, cloor de 
Synode goedgekeurd, als een voorsclnift voor alle Ringen opgenomen en geplaatst 
werd onder de Bijlagen. 

De Eerw. Heer Murray, als een der gecommitteerden benoemd om een tarief 
te vormen op de onkosten der Synodale en Ringsvergaderingen, legde over een 
plan, hetwelk allezins goeclgekeurd en onder de Bijlagen geplaatst wercl, en de Synode 
besloot, dat voortaan alle rekeningen, waaronder mede begrepen die der tegenwoor- 
dige Synocle, door de onderscheidene leden, volgens gemelden tarief en vorm zullen 
worclen opgemaakt, en door den Questor Fontis Synodalis, in conformiteit met Rnsolutie 
van 18 Novemher, 1824, sub No. 4, behandelcl. 

De cloor den Eerw. Heer J. C. Berrangé geformeerde Formulier-Acte van 
admissie voor eenen Zendeling, toegelaten tot de becliening der Heilige Sacramenten, 
voorgelezen zijnde, zoo werd dezelve goedgekeurd, onder cle Bijlagen opgenomen, en 
daarvan copij geinsereerd in het nieuw aangelegd boek, betiteld : Acte van Ondertee- 
kening voor Zendelingen, enz., zoomede copij van de Acte van Onderteekening, over- 
eenkomstig besluit cler Synode van 11 November, 1824. 

De Zendeling Marquard hierop binnen staande, werd door den Scriba der 
Synode, op last van clen Hoog Eerw. Prasses, dezelve hem voorgelezen en door hem 
volgaarne onderteekend, waarna hem de Acte van Admissie s. d. clezes, oncler hand- 
teekening der Moderatoren in naam der Synode werd overgegeven, gevolgd met eene 
hártelijke en plegtige aanspraak van den Hoog-Eerw. Praeses, te vinden onder de Bij- 
lagen. De Heer Marquard verzoek gedaan hebbende om copij der stukken ter zijner 
wijziging, is het verzoek hem toegestaan, onder bepaling dat hem deze na den afloop 
der Synode eerst zullen geworden ; waarop hij den Hoog-Eerw. Prseses zoowel als de 
leden der Synode gezamenlijk beleefdelijk beclankte, voor cle door hen in deze geno- 
mene moeite, en zich in aller voorbidding te hebben aanbevolen, een zegenend af- 
scheid van de Synode nam. 

De Eerw. Heer A. Faure stelde voor ; 

a. Dat van tijd tot tijd in het openbaar de geschiedenis en cle zegeningen der 
Kerkhervorming in gedachtenis zullen worden gehouden, en vooral op dien tijd wan- 
neer cle 6de April op eenen Zondag invalt, deze gebeurtenis immers in gebeclen en 
dankzeggingen voor de gemeente Godverheerlijkend zal worden vermeld. Hierop be- 
sloot de Synode^dat op Zondag van of na clen 6 April, als zijnde de clag waarop deze 
Kolonie in het jaar 1 652is aangêlegcir en alzoo ook de Christelijke Godschenst is inge- 
voerd, de leeraars zullen worden gerecommendeerd, de gemeente ten minste in hunne 



49 



gebeden en dankzeggingen te doen herinneren aan de groote en heilzame gebeurte- 
nissen van de Kerkhervonning. 

b. Dat de Synode aanmane, dat de Leeraren ter vergrooting van den indmk 
des gebeds bij bijzondere gelegenheden, en bij het doen van kerkgebeden, de gansche 
gemeente, vrouwen zoowel als de mannen, verzoeken om met hen staande te bidden. 
De Synode besloot hieromtrent zulks over te laten aan de discretie en voorzigtigheid 
van Leeraars en Kerkeraden, om in deze vooral naar de behoeften der gemeenten te 
handelen. 



c. Om de verrigtingen bij het openen en sluiten dezer Synode afzonderlijk te 
doen dmkken, ten profijte van het Synodale Fonds. Dit voorstel elks goedkeuring 
wegdragende, werd dit werk opgedragen aan den Eerw. Heer J. C. Berrangé, in zijne 
betrekking als Actuarius Synodi. 

d. En ten vierde, om in tegenwoordige en toekomstige behoefte van onder- 
wijzers (als catechizeermeesters en zendelingen) te voorzien, de Leeraars op te wekken 
jongelingen van verwachting aan te moedigen zich daartoe te laten opleiden, en deze 
dan ook zoo veel mogelijk behulpzaam zijn, tot dat de Kweekschool zal zijn tot êtand 
gebragt. Welk voorstel door alle presente Leeraars met graagte werd overgenomen, 
als in verband staande met hunne betrekking en roeping. 

De Hoog-Eerw. Prseses stelde bij deze gelegenheid voor, de noodzakelijk- 
heid der aanstelling van lcranhen-bezoekers in elke gemeente, en of niet in dit geval 
de voorlezers daartoe voor den tijd gehouden en verpligt zijn. De Synode besloot 
desaangaande dat de respective voorlezers, zich daartoe verpligt zullen houden, waar- 
om dit dan ook als Art. in het Reglement voor voorlezers geinsereerd zal worden. 

De Eerw. J. C. Berrangé verzocht in zijne betrekking als Archivarius, bij de 
overgave der papieren, effecten, dokumenten, enz., eene Inventaris te mogen hebben, 
hetgeen zijn Eerw. werd toegezegd, doch vermits zulks staande de Synode niet in de 
Notulen kan geinsereerd worden, daar de overgave derzelve eerst na den afloop der 
Synodale ven’igtingen geschieden moet, zoo beloofde de Scriba daaraan alsdan te 
zullen voldoen. 

En in qualiteit als Actuarius stelde gemelde Eerw. Berrangé voor, om ten 
dienste der Synode, voor rekening der Synodale kas, uit Nederland te ontbieden, het 
Handboek van Van der Tuck, met de nog te vervolgene deelen te ontbieden, hetgeen 
door de Synode geaccordeerd werd. 

>*«*«> Het translaat van de Synodale missive omtrent de ontheiliging van den 
Sabbat, 'eiTZï?-'geadresseerd aan Zijne Edelheid den Lt.-Gouverneur voorgelezen (zie 
Bijlage), goedgekeurd, en door HH. Commissarissen Politiek en Moderatoren ge- 
teekend zijnde, werd dezelve ter bestelling aan den koster Keeve ter hand gesteld, 
zoomede de ter bijwoning van de solemnele sluiting der Synode op den 16 dezer, uit- 
noodigende brieven aan den Lt.-Gouverneur, aan den Heer Commissaris van Onder- 
zoek J. Bigge, en aan den Gouvemements Secretaris Sir Richard Plasket ; terwijl men 
al verder besloot, vermits de advertentie te laat op de Drukkerij verschenen is, om 
gedmkte notificatien voor het publiek te doen aanplakken. 

Nu bragten ook de Rationarii hunne rapporten uit, omtrent de gehoudene 
administratie der Synodale en Weduwen Fondsen, door den Eerw. Heer A. Faure, als 
fungerenden Scriba der vorige Synode, blijkens Bijlagen, waarop door de leden der 

N 




J 



50 



Synode geene verdere aanmerkingen gemaakt werden, maar zich integendeel verpligt 
gevoelden, aan den Eerw. Heer Faure, voor zijne bijzondere vlijt. en gegevene moeite 
in deze zoo verdrietelijke en met vele onaangenaamheden verbondene taak. 

Als Quaestor Fontis Vidualis, verzocht de Eerw. Heer A. Faure, dat hem van- 
wege de Synode een Reglement zou gegeven worden, waarnaar hij zich in deze zijne 
betrekking zoude gedragen. 

De Synode benoemde tot het formeren van een zoodanig Reglement, de 
Eerw. HH. Von Manger, Thom en Taylor, met speciaal verzoek om hetzelve bij 
resumptie dezer Notulen op morgen ter tafel te brengen. 

De Minuten dezes voorgelezen, en geene aanmerkingen op dezelve gemaakt 
zijnde, werd deze Sessie met het gewoon dankgebed gesloten. 



ACHTSTE ZITTING, 

15 November, 1826. 

De beide Heeren Commissarissen Politiek, zoowel als de overige leden tegen- 
woordig zijnde, werd deze Sessie met gebed geopend, onder het Voorzitterschap van 
den Heer J. C. Berrangé, als secundus van den Prseses, die door den Hoog-Eerw. Praeses 
Synodi Borcherds, daartoe was verzocht, als kunnende Zijn Hoog-Eerw. de Vergade- 
ring slechts voor een enkel uurtje bijwonen. Vervolgens werden de Notulen der 
vorige Sessie geresumeerd en geteekend. 

De Hoog-Eerw. Praeses Berrangé stelt voor eene revidering van het rapport 
door de Rationarii in de vorige Sessie, omtrent den staat van het Weduwen Fonds 
ingebragt, als zijnde nog ter deliberatie der leden voorgesteld, vanwege den verloop 
des tijds op gisteren. Uit gemeld rapport kwam het te blijken, dat de Predikant 
van Zwellendam volstrekt geene contributie penningen, sedert de oprigting van het 
Weduwen Fonds, in kas had gestort. De Hoog-Eerw. Voorzitter vestigde de aandacht 
der Synode, op Art. 13 van het Reglement van het Weduwen Fonds, en vroeg den 
leden welk eene applicatie van dit gemeld artikel in dit geval zal gemaakt worden ? 
Uit consideratie van de omstandigheden waarin de Eerw. Heer Mol zich bevond, en 
terwijl dit het eerste voorbeeld was, doch hetgeen de Synode vertrouwde dat geene 
navolging vinden zal, doch ook aan den anderen kant, om het Weduwen Fonds niet 
meer te benadeelen, werd besloten, dat de Quaestor Fontis Vidualis geautoriseerd 
moest worden, zoo als dan ook geschiedde, dat Zijn Eerw. den Predikant van Zwel- 
lendam zoude aanschrijven, om zijne achterstallige contributien uiterlijk vóór het einde 
van dit jaar aan te zuiveren, met referte naar Art. 13 van gemeld Reglement. Al- 
mede beschouwde de Synode de aanmerking der Rationarii als zeer gegrond, die de 
onderhandsche schuldbewijzen, als geene genoegzaame waarborgen bevonden hadden 
te zijn, en vermits volgens voorlicliting van den Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Eersten Com- 
missaris Politiek, de administratie van het Finantiewezen bij de Weeskamer op eenen 
regelmatigen voet was ingerigt, en de wensch van alle leden bleek te zijn, dat het 



51 



Weduwen Fonds aan geene de minste schade of nadeel mogt blootgesteld zijn, en 
oordeelende dat hetzelve nergens veiliger kon gedeponeerd v/orden, zoo werd besloten, 
dat de participanten die hunne inleggelden bij onderhandsche obligatien tot dus ver 
hadden geformeerd, dezelve voor contanten zullen terugnemen, uiterlijk met het einde 
van de maand January aanstaande, ten einde den Quasstor voormeld in staat te 
stellen, overeenkomstig de inrigtingen en wetten der Weeskamers geldadministratie 
by het overbrengen van gemeld Fonds te kunnen handelen ; zullende de Eerw. Heer 
Mol, mede door den Qusestor voormeld, met dit Synodaal besluit worden bekend 
gemaakt. 

De Hoog-Eerw. Praeses verzoekt nu ook, de Commissie benoemd om rapport 
uit te brengen over de bij de Synode ingekomene schriftelijke klagten van zeer vele 
Kerken over de heffing van penningen voor het Synodale Fonds, en onder de Punten 
van Beschrijving, onder het hoofd Doleantiën No. 1, voorkomende, van hare verrig- 
tingen en bevindingen verslag te willen geven, hetwelk schriftelijk geschied zijnde, 
geplaatst werd onder de Bijlagen dezer Sessie. Waarop besloten is : — 

Ten aanzien 1, van de 10 pCt. van de gewone collecten, dat dezelve provi- 
sioneel verminderd zal worden op 5 pCt., met primo Januarij aanstaande te beginnen, 
zullende echter nog dit loopend jaar op denzelfden voet hiermede gecontinueerd wor- 
den, als bepaald is bij Resolutie, dd. 3 November 1824. 

Ten aanzien van 2 en 3 zal geene verandering worden gemaakt. 

En omtrent 4, de ingebragte bezwarenissen om de Kerkhofsgeregtigheids- 
gelden in sommige Buiten-Distrikten te ontvangen, is besloten dezelve onder de aan- 
dacht van Zijne Excellentie den Luitenant Gouverneur te brengen, met verzoek dat de 
-respective Veldkorne.ts van de afgelegene distrikten mogten worden geautoriseerd, 
om bij de aangave van elk lijk in luinne wijk, ten behoeve der Kerken en Synodale 
kassen (volgens Art. 45 van de Iverkorde van Commissaris Generaal De Mist, en het 
door het Gouvernement gesanctioneerd Synodaal Besluit van 3-November, 1824), in 
ontvangst te nemen voor een lijk boven de twaalf jaren, Rds. 3 4, en beneden de 
twaalf jaren^Rds. 2 4, en dat dan de Veldkornets bij de jaarlijksche opgaaf, deze gein- 
casseerde penningen, met bekendstelling van den naam en ouderdom van al dezulken 
die in hunne wijk, gedurende de laatste opgaaf zijn komen te overlijden, aan den 
Secretaris van hun distrikt zullen ter hand stellen, ten einde die penningen gezamen- 
lijk met de lijst van alle gestorvenen in het distrikt geworden aan den Diaken Cassier 
der Kerk. 

Ten aanzien van 5 of Zitplaaisgelden, oordeelde de Synode geene verande- 
ring te moeten maken. 

De Ouderling van Tijgerbergsche Kerk leverde bij deze gelegenheid êenen 
brief van den Kerkeraad aldaar in, verzoekende om verschoond te blijven van de 
bijdrage tot het Synodale Fonds, volgens tarief tot het jaar 1830 (zie Bijlagen). De 
Synode oordeelde echter om voornoemde redenen, in dit verzoek niet te kunnen 
treden, en wel bepaaldelijk om den invloed die zulks ten gevolge zouden hebben bij de 
andere Kerken, doch declareerde, dat met de heffing tot gemeld Fonds eerst een 
aanvang kon gemaakt worden met primo Januarij aanstaande, en twaalf maanden 
later de verantwoording geschieden zal. 



52 



De Eerw. Heer Von Manger, als een der gecommitteerden, las voor een door 
de benoemde Commissie ontworpen Reglement voor den Qucestor Fontis Vidualis (zie 
Bijlagen). Hetzelve articulatim in rondvraag gebragt zijnde, werden Art. 1 — 5 geap- 
probeerd. Art. 6 dusdanig gealtereerd, namelijk, de Qusestor zal de bij hem ont- 
vangene penningen overbrengen aan het Eerw. Collegie der Weeskamer, wanneer 
dezelve tot die som geaccresseerd zijn als dezelve, volgens gebruik van gemelde kamer, 
ter belegging kan worden overgenomen.” De Weduwen vervoegen zich bij den 
Quaestor, die haar een bewijs geeft ter ontvangst der haar competerende penningen bij 
de Weeskamer voornoemd, daartoe door denzelven verzocht zijnde. Art. 7 — 12, 
werden als overbodig beschouwd en dus geroijeerd. Art. 14 echter aangenomen. 

Op voorstel van den Eerw. Heer Faure werd de Actuarius Synodi verzocht, 
een Sigillum Synodale conform de Nederlandsche Synode te doen vervaardigen, waar- 
toe de Tweede Commissaris Politiek de Wel-Ed. Achtb. Heer R. J. van der Riet, het 
noodige zilver aanbood te zullen geven, alsmede hetgeen verder daartoe mogt ver- 
eischt worden. Zulks werd met allen dank aangenomen, en de verdere effectuering 
gemelden Actuarius opgedragen, zullende gemeld Sigillum dan ook als een gedenk- 
teeken blijven van den gemelden Commissaris Politiek. 

Ter Synodale tafel werden gebragt twee brieven, als : 1, Bastiaan Tromp, 
dd. 30 October, 1826 (zie Bijlagen), welke gerenvoijeerd werdnaar de Kerkvergadering 
waartoe hij behoort, of waaronder hij zich zoude wenschen te begeven, om zijn wensch 
en oogmerk te bereiken ; en 2, Van Corn. de Haas, dd. 3 November, 1826 (zie 
Bijlagen), verzoekende om tot het leeraarsambt te worden geordend. De Synode oor- 
deelde als niet bevoegd te zijn in zijn verzoek te kunnen treden, uithoofde van de 
daarbij ontbrekende vereischte documenten. 

Eindelijk besloten de leden der Synode dat de gedmkte Herderlijke Opwek- 
king, bij de solemnele sluiting der Synode op morgen, door den Scriba der Synode van 
den kansel, na geëindigde redevoering van den Prseses Synodi, den Hoog-Eerw. Heer 
M. Borcherds, de gemeente zal worden voorgelezen. 2. Dat de leden van den Raad, 
zoomede de beide predikanten van de Luthersche en Engelsch Episcopaalsche Kerken, 
tot die plegtigheid zullen uitgenoodigd worden ; en 3. Dat al de besluiten dezer 
Synode, na bekomene sanctie van het Gouvernement, in zooverre zij de Kerken of 
hare dienaren in het gemeen raken, zullen gedrukt worden, onder het opzigt van den 
Actuarius, den Hoog-Eerw. Heer Berrangé, en wel indien mogelijk op ’s Gouverne- 
ments Drukkerij, waartoe de Hoog-Ed. Hoog-Achtb. Eerste Commissaris Politiek, 
andermaal de mond zal zijn der Synode bij het Gouvernement, en bij onmogelijkheid, 
voor rekening van het Synodale Fonds op eene der andere drukpersen. 

De Voorzitter nu na opneming der afstanden der Kerken, autoriseerde den 
Quaestor van het bovengem. Fonds om bij de scheiding der Synode na ingeleverde 
rekeningen, volgens Synodaal besluit, de uitbetaling te doen aan de onderscheidene 
leden voor transport en vacatie. 

Alle verrigtingen dan afgeloopen zijnde, werden de leden geconvoceerd om op 
morgen ter resumtie der Notulen, tegen half tien ure in de Consistoriekamer tegen- 
woordig te willen zijn, en de verdere plegtigheden bij te wonen. Deze laatste Sessie 
werd almede op de gewone wijze met een dankgebed gesloten. 



53 

POST ACTA. 



16 November, 1826. 

De gezamenlijke leden, zoowel als de beide HH. Commissarissen Politiek, op 
den bepaalden tijd en plaatse verschenen zijnde, werden de laatste Notulen geresumeerd 
en geteekend. 

Twee brieven (zie Bijlagen), kennis gevende dat Zijne Ed. de Luit. Gouverneur 
de uitnoodiging om de Openbare Sluiting der Synode bij te wonen had aangenomen, 
en dat de Heer Commissaris Bigge, zich wegens steeds voortdurende ongesteldheid 
verschoonde, opgelezen zijnde, verscheen onmiddelijk hierop Zijne Edelheid en suite, 
en werd op dezelfde wijze als bij de opening door Moderatoren binnengeleid, terzelfder 
plaatse tusschen de beide HH. Commissarissen Politiek en Moderatoren, op eene meer 
verhevene gedeelte tegenover het spreekgestoelte gezeten zijnde, terwijl vooraf de 
overige leden, de voor hen naar ouderdom der Kerken ex ordine bestemde plaatsen, 
hadden ingenomen. Het muzijkaal gezelschap van eenige vrienden nu passerende, 
verzocht de Voorlezer de gemeente, om uit de Evangelische Liederen, Gez. 189 v. 
1, 2, 3 en 6 te zingen. Intusschen betrad de Hoog-Eerw. Praeses Synodi den kansel, 
en maakte na het gezang eenen aanvang met een kort doch hartelijk gebed, en hield 
daarop eene overeenkomstig de plegtigheid toepasselijke leerrede, naar aanleiding van 
Actor. xx. 32, ad finem Capitis, met gepaste zegenwenschen en aanspraken, zoo als te 
zien is Bijlagen enz., gaf vervolgens, na het uitspreken van een treffend dankgebed, het 
1 en 2 vers van Psalm 150 op, om gezongen te worden, trad van den predikstoel, en 
plaatste zich op het presidentiaal gestoelte. 

De Scriba nu volvoerde zijne taak ingevolge besluit der laatste Sessie, las de 
HerderlijJce Opwekkmg (zie Bijlagen) de gemeente voor, hetwelk gevolgd werd met eene 
voor de Synode zeer vereerende aanspraak van den Hoog-Ed. Hoog Achtb. Heer Eersten 
Commissaris Politiek, die dan de Synodale Vergadering sloot, zoo als te zien is uit de 
Bijlagen. Daarop liet de Scriba zingen Ps. 150 vers 3, en na de gemeente totbijdragen 
voor het Synodale Fonds bij het verlaten van het tempelgebouw opgewekt te hebben, 
sprak den gewonen zegen uit. 

Zijne Excellentie en suite werden toen (even als bij derzelver komst) door 
Moderatoren begeleid tot buiten de Kerkpoort, die hem bedankten voor de deelneming 
aan de plegtigheid van dezen dag. 

Wederom in de Consistoriekamer bijeen zijnde, verzocht de Predikant van 
Tulbagh, alzoo hij meer voor transport naar de stad had moeten betalen, dan hem 
volgens tarief toekwam, om vergoeding van Rds. 71, waartoe met toestemming der 
overige leden, de Moderatoren den Eerw. Quaestor Fontis Synodalis qualificeerden. 

Als nu namen de gezamenlijke Broeders afscheid van elkander met hartelijke 
zegenbede. 



BESCHRIJVINGSPUNTEN, 



/ 

f 

Geredigeerd door het Eerwaarde Ministerie der Hervormde Kerk in de Kaapstad, voor de 
op Dingsdag, den Iden November, 1826 , en volgende dagen, ie houden Synodale 
Vergadering. 



1. Des Zendelings Marquards verzoek om te worden geordend tot de bediening der Heilige 
Sacramenten onder de Heidenen, door hem tot het Christendom verzameld vvordende. 

2. Rapporteren omtrent den staat der Bijzondere Reglementen bij de ondei-scheidene Kerken al of 
niet bestaande, en wel 1. opzigtelijk Kerkeraden, 2. Kosters, en 3. Yoorlezers, aan de Ringsvergaderingen 

opgedragen, pag. 41. 

3. Rapport en plansinlevering omtrent de Kerkenvisitatien der Ringsvergadering opgedragen. 

4. Communicatie en bijgevoegd voorstel betrekkelijk Art. 43 van het Algemeen Reglement, no- 
pens de openbare voorstelling van nieuw aankomende ledematen. 

5. Berigt en voorstel omtrent de buitentijds tot leden aangenomen wordende personen, om daardoor 
het Weduwenfonds eenparig te bevoordeelen. 

6. Communicatie en voorstel nopens de resolutie van 16 Nov. 1824 (pag. 37.), ten einde die be- 
ter etfect te doen sorteren. 

7. Declaratien : 

1. Yan Kerken over de hefiing van het Synodaal Fonds. 

2. Dat door de respective Magistraten als nog niet algemeen wordt voldaan aan de Synodale 

Resolutien van 16 Nov. 1824 (pag. 39 en 40). 

3. Zeer serieuse klagten bij vernieuwing te doen over steeds voortdurende en meer en meer 

toenemende ontheiliging van den Christelijken rustdag. 

8. Communicatie en voorstel omtrent Art. 29 enz., nopens het Godsdienst-Onderwijs, om dit na- 
der te adstringeren. 

9. Voorstel tot uniformiteit in het waarnemen van de vastgestelde Christelijke feestdagen en der- 

zelver aankleve. 

10. Voorstellen aangaande het Weduwen Fonds : 

1. Om een meerder jaarlijks tantum voor de eventuële Weduwen in futuro onder zekere bil- 

lijke bepaling vast te stellen. 

2. Om zoo mogelijk een bepaald genot daarvan ook tot Predikantskinderen in zekere gevallen 

uit te sti’ekken. 

3. Tot het aanstellen van eenen vasten Quaastor Fontis Vidualis. 

11. Voorstellen omtrent Kerkelijke Limietscheiding van : 

1. De Paarl. 

2. Zwartland. 

3. Tulbagh. 

12. Voorstel omtrent het handelen met de nalatenschappen van bij hun leven door de Diakoníe 
gealimenteerde personen, met referering desaangaande tot de Kaapstadsche Diakonie. 

13. Voorstellen: 

1. Tot het vaststellen van een tarief op de onkosten der Ringsvergaderingen. 

2. Tot het formeren van een plan ter minder kostbare bijwoning van de Synodale Vergade- 

ring in het toekomende. 

1 4. Voorstellen omtrent de Moderatuur bij de Synode. 

1. Ten aanzien van de jaren dienens tot het bekleeaen daarvan te vorderen. 



2. Omtrent de overdragt der waarneming daarvan, vau iemands tourbeurt op eenen anderen. 

3. Aangaande Emeriti in opzigt op het voormelde casu quo. 

15. Voorstellen aangaande het openen en sluiten der Synode. 

16. Voorstel tot zorgdraging en bewaring van de Synodale Boeken en Papieren (en daaronder 
tevens van de origiuele Acta der successivelijk gehoudene Ringsvergaderingen), alsmede tot het aanleggen 
van een Repertorium Synodale. 

17. Voorstellen tot eenige nieuw te creërene Synodale Posten, als, 

1. Het aanstellen van een Hoog-Eerw. Actuarius en Archivarius Synodi, agerende in den 

tusschentijd, dat er geene Synode is belast met eene en andere veiTÍgting volgens bij te 

makene bepaling. 

2. Van eenen vasten Quaestor Fontis Synodalis, submitterende voor den bij Resolutie van 

18 Nov. 1824, sub. No. 4, gementioneerden Scriba. 

3. Van Rationarii tot het afnemen van rekeningen van ontvangst en uitgaaf, en het rappor- 

teren deswegens aan de Synode. 

18. Voorstel ter voorziening in de belangen van herderlooze of vacante kerkgemeenten, door 
toevoeging van eenen Predikant Consulent, naar het voorbeeld vau onze Nederlandsche Moederkerk. 

19. Eenige vooi’geslagene middelen tot conservatie van ouze kerkleden bij de vastheid en zuiver- 
heid van onze kerkleer, in tegenoverstelling tot die der Roomsehe Kerk. 

20. Vernieuwde aanbeveling tot de zaak eener Theologische Kweekschool aan de consideratie van 
de Synode. 

COROLLARIA. 

In contemplatie te geven aan de Synode. 

1. Het des noods beurtelings houden van eene Synodus Contracta en Plenaria, onverminderd 

Art. 137. 

De Kerkenorde van Commissaris-Generaal De Mist, dd. 1804, eene kleine noodige revidering, 
onverminderd de Synodale Resolutie van 5 November 1824, te doen ondergaan, ten fine van overeenbren- 
ging en consensus met latere Synodale Bepalingen. 



DE 



HANDELINGEN 






DERDE VERGADERING 



VAN DE ALGEMEENE SYNODE 



DER 



NEDERDUITSCH GEREFORMEERDE KERK VAN ZUID-AFRIKA, 



GEHOTJDEN 



IN DE KAAPSTAD, OP DINGSDAG, DEN 3den NOVEMBER, 1829, 

EN VOLGENDE DAGEN. 



KAAPSTAD : 

GEDK.UKT BIJ VAN DE SANDT DE VILLIERS & Co., 
9, KASTEELSTRAAT. 



1858. 































* 






























J ; L [' 0/1 , V: j: J A.<> M * ^ <] 

. 





















■ 






























SÏNODALE HANDELINGEN 



De Kerkeraad der Hervorrade Gemeente van de Kaapstad en de Afgevaardigden 
tot de Synode, te negen ure, in de. Konsistorie der Hervormde Kerk aldaar, vergaderd 
zijnde, werden door den Praeses van dieu Kerkeraad de Credentiaíen ingevorderd (zie Bijl.), 
en is toen gebleken dat benoemd en verschenen waren : — 

Van wege de Kaapstad, de Wel-Eerw. Heeren J. H. von Manger en A. Faure, en 
de Ouderlingen P. Roux en G. J. Vos ; 

„ Siellenbosch, de Wel-Eerw. Heer M. Borcherds en de Ouderling F. Roos ; 

„ de Paarl, de Wel-Eerw. Heer T. J. Herold en de Ouderling P. F. le Roux ; 

„ Zwartland, de Wel-Eerw. Heer J. Spyker en de Ouderling M. Smuts ; 

„ Tulbagh , de Wel-Eerw. Heer G. Thom en de Ouderling C. J. de Clerk ; 

„ Graaff-Beinet , de Ouderling D. Naudé ; 

„ Swellendam, niemand ; 

„ Caledon, de Wel-Eerw. Heer J. Cassie en de Ouderling J. W. Wessels ; 

„ George, de Ouderling C. L. Campher ; 

„ TJitenhage, niemand, echter werd er een brief geproduceerd, meldende de 
redenen waarom niemand verschenen is ; 

„ Cradock, niemand ; 

„ Somerset {Hottentots Holland ), bovengemelde Wel-Eerw. Heer M. Borcherds 
en de Ouderling H. R. de Vos ; 

„ Beaufort, niemand ; 

„ Worcester, de Wel-Eerw. Heer H. Sutheriand en de Ouderling J. du Toit ; 

„ den Tijgerberg, de Wel-Eerw. Heer J. Edgar en de Ouderling W. H. Theunissen ; 
„ Somerset, niemand , echter werd geproduceerd een brief waarom niemand ver- 
schenen is ; 

„ den Tooverberg, niemand ; 

„ Clanwilliam, de Ouderling A. W. van Taak ; 

„ den Wijnberg verzochten en verkregen stem en zitting de Ouderlingen A. van 
Breda en R. A. M. Cloete ; 

De Praeses maakt de Vergadering nu opmerkzaam op Art. 47 van het Algemeen 
Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk,^ volgens hetwelk de Leeraar van de Paarl 
bij deze Synodale Vergadering het Prgesidiúin, en de Leeraar van Zwartland het Secretariaat 
behoort waar te nemen ; ingevolge waarvan de Hoog-Eerw. Heer T. J. Herold, als Voorzitter, 
en de Hoog-Eerw. J. Spyker, als Secretaris, zitting namen. 

Nadat de Voorzitter de Vergadering voor wettig geconstitueerd verklaard had, 
deed zijn Hoog-Eerw. eene treffende aanspraak. (Bijl.) 

A* 



58 



Vervolgens deed het Ministerie van de Kaapstad verslag van deszelfs prseliminaire 
handelingen, overleggende alle brieven en papieren daartoe behoorende, en te vinden onder 
de Bijlagen.* 

Daarop werden de Heeren Moderatoren gecommitteerd om de Hoog-Edele Acht- 
bare Heeren Commissarissen Politiek, Sir J. A. Truter, Ridder, en D. P. Berrangé, J.U.D., 
van de woning des kosters af te halen, hetwelk geschied zijnde, werden hunne Hoog-Ed. 
Achtb. door den Praeses, in naam der Synode, met eene gepaste aanspraak en zegenbede 
verwelkomd. (Bijl.) 

De Hoog-Eerw. Heer Voorzitter verzocht nu den Scriba het gebed te doen, en 
toen dit geschied was, begaven zich de Leden der Vergadering in de Kerk. 

Nadat de Vergadering gezeten was, werd door den voorlezer opgegeven en 
gezongen Gez. xviii : 1, 2, 3. Intusschen beklorn de Hoog-Eerw. Heer Praeses den 
predikstoel, deed het gebed, en liet wederom zingen Gez. xxxi : 7 ; verv.olgens deed zijn 
Hoog-Eerw. eene plegtige en voor deze gelegenheid zeer passende aanspraak. (Bijl.) Die 
aanspraak geëindigd zijnde, werd dezelve achtervolgd door eene zeer treffende aanspraak 
van den Hoog-Ed. Achtb. Heer Sir J. A. Truter, in zijn Hoog-Ed. betrekking als Commis- 
saris Politiek deze Vergadering openende. (Bijl.) 

Eindelijk werd deze plegtige en openbare opening der Synode door den Hoog- 
Eerw. Heer Prseses besloten met een gebed, en nadat de Vergadering gezongen had Gez. 
lxxviii : 9, 10, 11, met de gewone zegenbede. 



EERSTE ZITTING. 

Dingsdag , den 2>den November, 1829. 

Op verzoek van den Hoog-Eerw. Heer Prseses las de Scriba der Vergadering 
voor het Reglement van Orde, hetwelk door al de Leden werd goedgekeurd. 

Hierop werd voorgelezen eene Gouvernements missive, d.d. 17 September, 1829, 
gerigt aan de Hoog-Ed. Achtbare Heeren Commissarissen Politiek, betrekkelijk de sanctie 
van Zijne Majesteit den Koning, op de Synodale Besluiten van de jaren 1824 en 1826, en 
den last hun Hoog-Ed. Achtbaren, als Commissarissen Politiek, voor de tegenwoordige 
Synode gegeven. (Bijl.) 

Werd vervolgens gedelibereerd over de nalatigheid van sommige Kerkeraden, 
door niet te voldoen aan de verpligting om op de Synode te verschijnen, of den aanschrij- 
vingsbrief van liet Ministerie van de Kaapstad te beantwoorden, en hierop algemeen goedge- 
vonden en besloten, aan elken Kerkeraad eenen circulairen brief deswegens te zen- 
den, met vermelding van de redenen, waarom de Synode zich daartoe verpligt geacht 
heeft, en hierbij bijzondere melding te maken van zulke Kerken, die zich hierin zoo nalatig 
betoond hebben. 

Alsnu zullende overgaan tot de punten van beschrijving, verzocht de Hoog-Eerw. 
Heer Actuarius Synodi verlof om der Vergadering eene aanmerking mede te deelen, betrek- 



* Zie Bijl. A., aan het slot van de handelingen dezer Sjnode. 



59 



kelijk het als beschrijyingspunt opgegeven verzoek van den Heer Corn. de Haas, om als 
zendeling geordend te worden. Op de Ringsvergadering, gehouden te Stellenbosch, op 
den 25sten April, 1827, was dit verzoek van gemelden heer voorgedragen ; doch, vermits 
de geproduceerde documenten niet voldoende waren bevonden, was aan hem, in ant- 
woord, geschreven, dat wanneer aan al de vereischten van het reglement op de ordening 
van Zendelingen (waarvan hem extract verleend werd) voldaan wordt, de Ringsvergadering 
geene zwarigheid maken zal, om zijn verzoek gunstig voor te dragen. Gemelde heer had 
daarop in antwoord de teruggave van de ingeleverde documenten verzocht, zonder verdere 
apphcatie te maken. Het Kaapsche Ministerie met voorm. antwoord niet bekend gemaakt 
zijnde, had voor de in het jaar 1828 te houdene Synodale Vergadering, als punt van be- 
schrijviug het gemelde verzoek opgegeven. Die Yergadering tot heden uitgesteld zijnde, 
had men, hoewel bekend geworden met bovengemeld antwoord van den Heer De Haas, het 
echter om redenen goedgevonden het verzoek van den Heer C. de Haas, om als zendeling 
te worden geordend, ook heden weder op te geven. XJit deze voordragt van den Hoog- 
Eerw. Heer Actuarius Synodi, kwam het dan nu ook te blijken, dat dit punt van beschrij- 
ving heden ais zoodanig niet zoude kunnen dienen. 

Met betrekking tot het eerste punt van beschrijving, verzocht de Hoog-Eerw. 
Heer Praeses de Scribas der onderscheidene Ringen van die zaak rapport te doen. 

De Scriba des Eersten Rings rapporteert, dat men eene synodus contracta niet 
noodzakelijk oordeelt, maar wel het verlengen van den tijd tot het houden van Synodale 
Yergaderingen, en wel om de drie jaren. 

De Scriba des Tweeden Rings geeft te kennen, dat men voor als nog daartoe zijne 
stem niet geven kon, hoewel men de noodzakelijkheid daarvan gevoelde; dat men bij 
ondervinding geleerd had, met hoe veel moeijelijkheden het houden van Ringsvergaderingen 
gepaard ging ; waarom men wenschte, dat daarin eerst eenige verandering, tot het wegnemen 
der bezwaren door de Synode, gemaakt werd ; als wanneer men met het geven van zijne 
stem niet zoude achterwege blijven. 

De Scriba van den Derden Ring bengt daaromtrent : wij zijn van gevoelen, dat 
er geene reden bestaat, om eenige verandering te maken in de hieromtrent thans bestaande 
bepalingen, als alleen dat de Synodale Vergaderingen beurtelings in de Westersche en 
Oostersche Provintiën dienen gehouden te worden. 

De Hoog-Edele Achtbare Heer D. F. Berrangé, proponeert in plaats van eene 
synodus contracta, eene Synodale Commissie aan te stellen, welke met het behandelen van 
bijzondere zaken zal belast zijn, waarop zijn Hoog-Ed. Achtbare namens de Synode verzocht 
is geworden deze propositie schriftelijk in te leveren, welk verzoek toegestaan werd. 

Ingevolge Synodaal besluit van den 11 November, 1826, stelde de Hoog-Eerw. 
Heer Prseses tot Rationarii voor, den Wel-Eerw. Heer J. H. von Manger, uit de Afgevaar- 
digden van de Kaapstad, en den Heer F. Roos, Ouderling van Stellenbosch, uit den eersten 
Ring ; den Wel-Eerw. Heer H. Sutherland uit den tweeden ; en den Ouderling D. Naudé, 
uit den derden Ring, om rapport in te leveren van de handelingen van den Quaestor van 
het Synodale Fonds, tegen aanstaanden Vrijdag. 

Hiermede nam deze zitting een einde, en werd door den Scriba de dankzegging 

gedaan. 



60 



TWEEDE ZITTING. 

Woensdag, den kden November, 1839. 

A1 de leden, benevens de Hoog-Ed. Achtbare Heeren Commissarissen Politiek, 
op den bepaalden tijd tegenwoordig zijnde, werd de Vergadering door den Scriba met het 
gebed geopend. 

De aanteekeningen der vorige Vergadering gelezen en goedgekeurd zijnde, werden 

geteekend. 

De Wel-Eerw. Heer H. Sutherland produceert eenen brief van den Wel-Eerw. 
Heer Ballot, Predikant van George, opgevende de redenen waarom zijn Eerw. deze Ver- 
gadering niet heeft kunnen bijwonen. (Bijl.) 

Werd geproduceerd eene missive van den Kerkeraad van Tulbagh, verzoekende, 
dat eenige door denzelven opgegeven punten van beschrijving, niet mogen worden in aan- 
merking genomen, en wel al die punten welke in November, 1828, als zoodanige zijn op- 
gegeven, uitgezonderd No. 2, 3 en 5 (Bijl.) Dit verzoek toegestaan zijnde, werden die 
allen op de lijst der Beschrijvingspunten doorgehaald. 

De Hoog-Eerw. Heer Actuarius Synodi legt nu over een verslag van zijne hande- 
lingen in die betrekking (Bijl.), te kennen gevende, dat de tijd, tot het waarnemen dier 
Hoog-Eerw. bediening bepaald, nu geëindigd zijnde, hij gereed is, om alle onder hem 
berustende papieren, boeken, acten, enz., over te geven ; overleggende tevens een 
Repertorium Synodale, en aanmerkende, dat er geen register op de Handelingen der Rings 
Vergaderingen is kunnen worden gemaakt, omdat de originele Acta van den tweeden en 
derden Ring niet toegezonden zijn. 

Hierop werd uit naam der Vergadering, de Hoog-Eerw. Heer Actuarius Synodi 
bedankt, voor zijne, in die bediening, tot dus ver bewezene diensten, en voor den ijver en 
de naauwgezetheid waarraede hij alle daaraan verbondene pligten, zoo belangeloos, heeft 
willen volbrengen. Met algemeene toestemming werd hij nu verzocht, deze bediening nu 
weder op zich te willen nemen. Dit verzoek toegestaan zijnde, is de bediening van Hoog- 
Eerw. Actuarius en Archivarius Synodi andermaal opgedragen geworden aan den Wel-Eerw. 
Heer A. Faure. 

Werd hierbij opgemerkt, dat, bij eventueel afsterven van den Actuarius er nie- 
mand zoude zijn, die deboeken, papieren, enz., van deerven opte eischen, en hemin zijne be- 
diening zoude kunnen opvolgen ; is besloten, dat, in zulk een onverhoopt geval, de boeken, 
papieren, acten, enz., enz., door den Kerkeraad der Kaapstad zullen worden opgeëischt, 
terwijl genoemde Kerkeraad geauthoriseerd werd, om, in zulk een geval, eenen der Stad- 
predikanten tot Actuarius Synodi te benoemen en aan te stellen. 

Op de in gem. Rapport voorkomende aanmerking, dat de tweede Ring de 
originele Acta der Ringsvergaderingen niet. hebbe toegezonden, werd door den Wel- 
Eerw. Heer Dr. Thom verzekerd dat aan die verpligting door den tweeden Ring zal voldaan 
worden, en is verder besloten, den derden Ring, van wege de Synode daaraan te herin- 
neren, verzoekende om dezelve, binnen den tijd van drie maanden, zonder kosten te doen 
geworden aan den Hoog-Eerw. Heer Actuarius Synodi. 



61 



Nog werd geproduceerd, een brief van den Actuarius Synodi, te kennen gevende 
dat de Scriba van den derden Ring verzuimd heeft, het aldaar gedane verzoek van den Heer 
Van Lingen, om als Zendeling geordend te worden, als een punt van beschrijving op te 
geven, en verzoekende dat het verzuim van gem. Scriba niet ten nadeele van den Heer Yan 
Lingen moge werken ; maar dat (op grond van een geproduceerd extract der handelingen 
van de Ringsvergaderingen, gehouden te Somerset, op Maandag, den 27 April, 1829, 
waaruit blijkt dat de vereischte documenten door dien heer, op die Vergadering, ingeleverd 
zijn), zijn Eds. verzoek moge worden geaccordeerd en geplaatst onder Lemma II. der 
Beschrij vin gspunten . 

Gemeld extract, benevens de vereischte Documenten en Getuigschriften ingezien 
en goed bevonden zijnde, werd het verzoek van gem. Heer Van Lingen toegestaan, en 
besloten, om hem aanstaanden Zaturdag te examineren. Gem. Heer Van Lingen in de 
Consistorie tegenwoordig zijnde, werd binnen gelaten, en hem zulks aangezegd. Alle tot 
deze zaak behoorende Papieren en Documenten zijn te vinden onder de Bijlagen. 

Overgaande tot het punt van beschrijving over de Theologische Kweekschool, 
hetwelk aan de onderscheidene Ringen ten fine van Rapport was opgedragen geworden 
door de voorgaande Synode, werden de Rapporten der Ringen desaangaande geproduceerd 
en voorgelezen (Bijl.). 

Het Rapport van den eersten Ring, behelzende een volledig plan voor de op- 
rigting eener zoodanige School, gelezen zijnde, bragt de Hoog-Eerw. Heer Praeses in rond- 
vraag, in hoe ver men hetzelve als nuttig en uitvoerbaar beschouwde. Na vele discussien 
daaromtrent, bleek het, dat het algemeen gevoelen hierop nederkwam : — Met uitzondering 
van eenige weinige artikelen, betrekkelijk liet geven van onderwijs, en de bepalingen der ver- 
eischten in dengenen, die geëxamineerd zal worden, vond men het plan zeer goed, en de 
uitvoering en daarstelling van hetzelve, eene zeer wenschelijke zaak. Het zoude evenwel 
naar het oordeel der meesten, voor de gesteldheid van het land nuttiger en doelmatiger 
zijn, indien het zoodanig ingerigt werd, dat het geprojecteerde Seminarium tevens dienen 
kon voor de vorming van ondergeschikte onderwijzers in de Godsdienst ten platten lande, 
waardoor men dan ook voldoen zoude aan den wensch uitgedrukt in het rapport desaan- 
gaande van den tweeden Ring. 

Is daarop algemeen goedgevonden en besloten, eene Commissie te benoemen, die 
de bovengem. artikelen van het Plan modificeren, en het geheel zoodanig inrigten zoude, 
dat daardoor het Godsdienstig Onderwijs meer algemeen bevorderd zoude kunnen worden. 
De Wel-Eerw. Heer A. Faure verklaard hebbende, dat daartoe in het plan niet veel be- 
hoefde veranderd te worden, werd deze Commissie met algemeene toestemming aan zijn 
Eerw. opgedragen en dadelijk volbragt. De gemaakte veranderingen en bijvoegselen voor- 
gelezen en goedgekeurd zijnde, is dit plan als geheel aangenomen. Dit plan is te vinden 
onder de Bijlagen. 

Verder gedelibereerd zijnde over de daartoe vereischt wordende Fondsen, heeft 
men goed gedacht eene algemeene Subscriptie daarvoor te openen, en indien zulks, gevoegd 
bij hetgeen de kweekelingen contribueren zullen, niet toereikend mogt bevonden worden, 
besloten dat de onderscheidene Kerkeraden, in evenredigheid van den staat der fondsen 
hunner kerken, bijdragen daartoe zouden doen. 

Tot het volvoeren van bovengemeld plan, is het Eerwaarde Collegie van Kerke- 



62 



raden aan de Kaapstad, met algemeene stemmen benoemd geworden, terwijl de Hoog-Ed. 
Achtbare Heeren Sir J. A. Truter, en D. F. Berrangé, de goedheid hadden van alle mogelijke 
assistentie daarin toe te zeggen. 

Het Beschrijvingspunt over het Jciezen van leden des Kerkeraads, nu het onder- 
werp van discussie zullcnde worden, werden de rapporten der onderscheidene Ringen des- 
aangaande opgelezen (zie deze Rapporten onder de Bijlagen). Dit Beschrijvingspunt, voort- 
vloeijende uit eene tweeledige vraag : of namelijk de afgaande leden van den Kerkenraad, in 
het nomineren van nieuwe leden, mede kunnen stemmen; en tot welk eenen graad van 
bloedverwantschap, men zich in het nomineren bepalen kan en mag ? is algemeen goedge- 
vonden en besloten : — 

1 . Met betrekking tot het nomineren zelve, en de leden die de bevoegdheid daartoe 
hebben, dat de onderscheidene kerken zullen blijven voortgaan in de bij dezelve hieromtrent 
ingevoerde gebruiken, en 

2. Met betrekking tot’ den graad van bloedverwantschap, werd aangemerkt, dat 
men uit hoofde van de gesteldheid van dit land, en bestaande omstandigheden hieromtrent 
geene vaste bepalingen maken kan, en dat men daarom niet weltoteen ander besluit deswe- 
gens zal kunnen komen, dan de onderscheidene Kerkeraden aan te bevelen, om, in geval het 
mogte komen te blijken, dat uit eene nominatie van personen, die elkander zeer na in den 
bloede bestaan, nadeelige gevolgen voor de kerk en gemeente zouden kunnen voortvloeijen, 
gebruik te maken van de vrijheid, in Art. 24 van de Kerkeorder, van den Heer Commis- 
saris de Mist, ingewikkeld aan Kerkeraden toegekend, van namelijk zijne bezwaren bij het 
Gouvernement in te leveren, wanneer men denkt, dat de nominatie niet naar behooren is 
geschied. 

Het vervaardigen van reglementen voor kosters en voorlezers aan de onderschei- 
dene Ringen opgedragen zijnde, verzocht de Hoog-Eerw. Heer Praeses de Scribas der Rin- 
gen de stukken daartoe specterende te produceren. 

Daar er geene van den tweeden en derden Ring voorgelegd werden, las de Scriba 
die van den eersten Ring voor (Bijl.), welke algemeen goedgekeurd en aangenomen 
werden, met uitzondering alleen van het artikel der inkomsten van den Koster, welke men 
het best oordeelde, dat, bij iedere Kerk, zoude blijven continueren, volgens de daaromtrent 
bestaande bepalingen. En is alzoo deze Yergadering met dankzegging door den Scriba ge- 
sloten. 



DERDE ZITTING. 

Donderdag, den bden November , 1829. 

A1 de Leden, uitgezonderd de Wel-Eerw. Heer A. Faure, wegens indispositie, 
benevens de Hoog-Ed. Achtb. Heeren Commissarissen Politiek tegenwoordig zijnde, werd 
deze zitting door den Scriba met het gebed geopend. 

Als Afgevaardigden waren nu nog verschenen de Wel-Eerw. Heer C. Mol en de 
Heer J. Z. Moolman, Predikant en Ouderling van Swellendam. Het onverwacht en hoog 



63 



oploopen der Palmiet Rivier, had henlieden verhinderd eerder bij deze Vergadeving tegen- 
woordig te zijn. Het credentiaal (Bijl.) ingeleverd zijnde, werd hunlieden zitting ver- 
leend. 

Nu werden de aanteekeningen der vorige Vergadering gelezen en door ondertee- 
kening goedgekeurd. 

Er werd een brief geproduceerd van den Wel-Ed. Heer G. E. Overbeek, Secre- 
taris der Bijbelvereeniging aan de Kaap de Goede Hoop (Bijl.), berigtende, dat de Jaar- 
lijksche Algemeene Vergadering van Bestuurders en Leden der Bijbelvereeniging alhier ge- 
houden zal worden op aanstaauden Dingsdag Avond ; tevens uitnoodigende de Leden der 
Vergadering, om die Vergadering met hunne tegenwoordigheid te willen vereeren ; hetwelk 
voor notificatie aangenomen, en wáarop besloten is, in antwoord te kennen te geven dat van 
de uitnoodiging door de Leden der Vergadering zal worden gebruik gemaakt. 

Betrekkelijk het nu ter overweging voorgestelde punt van beschrijving : approbatie 
op de gemaakte grensscheiding voor de gemeenten van Zwartland en den Tijgerberg, werd 
door den Hoog-Eerw. Heer Prseses het volgende der Vergadering medegedeeld. Ingevolge 
Synodaal besluit van den 4den November, 1826, is de gemaakte limietscheiding tusschen 
Zwartland en den Tijgerberg, gebragt geworden voor de Ringsvergadering van ] 828, welke 
ae zaak ter onderzoeking opgedragen heeft aan eene Commissie ten fine van Rapport. Op 
de Ringsvergadering van 1829 is dit Rapport ingeleverd ; maar daarbij tevens gevoegd een 
verzoekschrift, door de bezitters van vijf plaatsen, die volgens dit Rapport van onderzoek tot 
den Tijgerberg betrokken waren, hunnen wensch te kennen gevende, om onder de Zwart- 
landsche Kerk te mogen blijven sorteren ; waarop toen de zaak weder aan eene andere 
Commissie opgedragen is, om dit geschilpunt te onderzoeken, en daarvan, gelijk nu ge. 
schiedt aan de Synode rapport te doen ; en is het dan nu gebleken dat dit geschil, op de 
volgende wijze, beslist geworden is. Drie van de voornoemde vijf plaatsen in geschil, zouden 
blijven tot de Tijgerbergsche Kerk ; de twee andere zouden weder aan de Zwartlandsche 
Kerk gevoegd worden ; zoodat, volgens dat Rapport, de grensscheiding tusschen de ge- 
noemde kerken aldus bepaald is : beginnende van de plaats van den Heer Nicolaas Mostert, 
genaamd Klipheuvel ; en voortgaande, de plaatsen Klipheuvel, van L. van Sittert ; Oorlmans- 
post, van M. van der Spuy ; de Boterberg, van N. Mosterl ; de Briefontein, van A. Gous ; de 
Iíaarmeyerskraal, vau N. van Wielingh tot aan de Buffelsrivier, van J. Kotzé; zullende deze 
plaatsen behooren tot de Tijgerbergsche Kerk, en de grensscheiding uitmaken tusschen deze 
en de Zwartlandsche Kerk. 

De Synode heeft hieraan hare goedkeuring gehecht, en het aan den Scriba opge- 
dragen, den Civielen Commissaris van het Kaapsche Distrikt met deze gemaakte grensschei- 
ding bekend te maken, en te verzoeken Zijn Ed. aanmerkingen daarop te willen mededeelen, 
ten einde die, benevens liet besluit van de Synode, voor te dragen aan het Gouvernement. 
De tot deze zaak behoorende stukken en papieren (Bijl). 

De limietscheidingen tusschen de Paarl en Zwartland, en tusschen Tulbagh en 
Worcester, niet voor de Ringen gebragt zijnde, konden dezelve aan de Synode, ter appro- 
batie, niet worden voorgelegd, waarom de Synode de Kerkeraden dezer gemeenten aanbe- 
volen heeft, om die zaak, bij de eerstkomende Ringsvergadering, voor te dragen. 

Het. verzoek om een voorschrift aan Kerkeraden in het gemeen, betrekkelijk 
hunne handelwijze met ledematen, die weigeren, zonder voldoende redenen, de kerke- 

p 



64 



dienst, waartoe zij verkozen zijn, waar te nemen, het volgende Beschrijvingspunt zijnde, 
werd nu door den Hoog-Eerw. Heer Praeses voorgedragen, gelijk ook de omstandigheid, die 
tot hetzelve aanleiding gegeven had. 

Eene zoodanige weigering was door een Lidmaat der Hervormde Kerk aan de 
Kaapstad geschied, waarop de Kerkeraad dier gemeente dien persoon onbevoegd verklaard 
heeft om in het vervolg tot kerkedienst benoemd te worden. Genoemde Kerkeraad heeft 
deze zijne handelwijze ter beoordeeling voorgedragen op de Ringsvergadering van het eerste 
Rings Ressort, gehouden aan de Paarl in het jaar 1 828, waarop het Ringsbestuur gedecla- 
reerd heeft, daarin te berusten, maar zich te zullen refereren naar de Synode, ten einde 
Kerkeraden in het gemeen een voorscln’ift bekomen mogen, waardoor zij, voor de toekomst, 
zeker weten kunnen, hoe in dergelijke gevallen te handelén. 

Is daarop aangemerkt en algemeen goedgevonden en besloten, deswegens aan het 
Gouvernement te schrijven, met verzoek, om ter voorkoming van de herhaling en navolging 
van zulk een voorbeeld, eene boete te bepalen van Rds. 150 ten behoeve van het Predikanten- 
Weduwen-Fonds, voor'zulken, die zonder gëwigtige en aan de beoordeeling van het Gou- 
vernement te submitteren redenen, weigeren de kerkedienst, waartoe zij verkozen zijn, 
waar te nemen. 

Verder is hieromtrent nog het volgende besloten : 

1. Dat, wanneer iemand driemalen tot Diaken, en zoo ook driemalen tot Ouder- 
ling benoemd zal zijn, en als zoodanig gefungeerd zal hebben, zulks, als eene voldoende 
reden van weigering zal aangemerkt worden ; gelijk ook ziekte en de ouderdom van 60 
jaren. 

2. Dat Kerkeraden altijd het regt blijven behouden om iemand, die, uit hoofde 

I van zijne weigering, de bepaalde boete betaald heeft, bij eene volgende gelegenheid weder 
te kunnen nomineren. 

Het verzoek, dat de Clanwilliamsche gemeente tot den eersten Ring mag gebragt 
worden, in het volgende Beschrijvingspunt voorkomende, en door den Prseses der Rings- 
vergadering van den eersten Ring, gehouden in 1828, voorgedragen, werd om aangevoerde 
redenen, met algemeene toestemming geaccordeerd. 

Als nu overgaande tot het volgende nommer der Beschrijvingspunten, te weten, 
de nadere bepaling van rangen in de Kerk, of wel eene geheele afschaflfing van dezelve ; 
werd het tweede gedeelte van dit voorstel eene gelieele afschajjing van plaatsen van distinctie 
in de Kerk algemeen als niet praktikabel beschouwd ; en, met betrekking tot het eerste ge- 
deelte, bevonden, dat voor de Kerk van de Kaapstad geene nadere bepaling noodig is ; 
maar wel in de buitendistrikten, waarom men besloten heeft, dat in de Kerken der buiten- 
distrikten plaatsen van distinctie blijven zullen, voor de vrouwen van fungerende Regerings- 
en Kerkeraadsledeu ; zullende zij, het regt op hunne vorige zitplaatsen blijven behouden, 
en, wanneer zij niet meer in functie zijn, van die vorige zitplaatsen alleen gebruik kunnen 
maken. 

Yerder is hieromtrent bepaald geworden, dat door Regeringspersonen verstaan 
worden, alleenlijk de Civiele Commissans, de Residerende Magistraat, de Yrederegters, en 
de Klerk van het Vredegeregt ; dat ook dit besluit niet terug, maar alleen voor de toekomst 
werken zal ; zoodat zulken, die nu zoogenoemde rangplaatsen hebben, dezelve zullen be- 
houden, zoo lang zij blijven zullen bij de Kerk, waartoe zij thans behooren. 



65 



Omtrent Lemma II, No. 4 der Beschrijvingspunten, werd algemeen toegestaan, 
dat het noodzakelijk zij eene zekere plaats in het midden der Kerken gelegen, tot het houden 
van Ringsvergaderingen te bepalen ; maar dat de bepaling zelve daarvan, gelijk ook van 
den tijd des jaars, tot het houden van Ringsvergaderingen, in het volgende nommer 6 als 
een Beschrijvingspunt voorgesteld, aan de Ringen zelven overgelaten wordt. 

Nommers 5 en 7 van Lemma II der Beschrijvingspunten gepostponeerd, als be- 
trekking hebbende op het plan, dat, tot het houden van eene synodus contracta, of iets 
dergelijks, zal gevormd en aan de Synode voorgedragen worden. 

Nommer 8 is begrepen in het plan en Reglement voor het oprigten eener Theolo- 
gische Kweekschool. 

Blijkens aanteekeningen van de eerste zitting dezer Synodale Vergadering vervalt 
ook het negende nommer van Lemma II. 

De voor deze zitting opgegevene Beschrijvingspunten afgehandeld zijnde, werd 
deze zitting door den Scriba met dankzegging tot God besloten. 



YIEKDE ZITTING. 

Vrijdag, den 6den November, 1829. 

A1 de Leden, uitgezonderd de Wel-Eerw. Heer A. Eaure (die wegens aanhou- 
dende indispositie, ook deze zitting niet konde bijwonen) op den bepaalden tijd, tegen- 
woordig zijnde, werd deze zitting door den Scriba met het gebed geopend. 

De aanteekeningen der vorige zitting geresumeerd en goedgekeurd zijnde werden 

geteekend. 

Er werd een brief geproduceerd van den Wel-Eerw. Heer Taylor, van Cradock 
(Bijl.), opgevende de redenen van non-comparatie, en is zulks voor notificatie aange- 
nomen. 

Overgaande tot het behandelen der opgegevene punten van beschrijving, en wel 
dat hetwelk voorkomt Lemma II, No. 10, te weten: middelen te beramen, ter voldoening 
aan het gevorderde in Art. 30 van de Kerkenorder van den Heer Commissaris de Mist, en 
Art. 7 van het Reglement van Onderzoek op de Ringsvergaderingen, werd door den 
Hoog-Eerw. Heer Praeses de bedoeling daarvan opgegeven, hierop nederkomende : — Men 
wenschte, namelijk, dat, ter voorkoming van moeijelijkheden en beletselen in liet voldoen 
aan de in gem. Artikel opgelegde verpligting, om huisbezoeking te doen, in plaats van de 
Landdrosten, welker betrekking opgehouden heeft te bestaan, eene andere authoriteit wierde 
aangesteld, om den Predikant, in de volvoering van dit gedeelte zijner pligten, te adsisteren — 
is daarop besloten, om het Gouvernement te verzoeken, de Civiele Commissarissen of anderen 
te authoriseren, om, in geval van misverstand of noodzakelijkheid, zulks te doen. 

Uit de deliberatie over het Beschrijvingspunt No. 11, te weten : — Niemand in 
ondertromc aan te nemen dan ledematen der Jcerk, bleek het, dat in de bestaande regulatiën 
daaromtrent, geene verandering kon worden gemaakt. 

p* 



66 



No. 12. Regerende Kerkeraadsleden verschoond te hebben van jurie-diensten. Het 
algemeen gevoelen hieromtrent was, dat de Synode daaromtrent geene stappen behoorde te 
doen. 

No. 13. Verandering in Art. 46 der Kerlcenorder van Commissaris de Mist 
letrekkelijk de jolaats tot het houden van Synodale Vergaderingen, is bij meerderheid van 
stemmen besloten, geene verandering daarin te maken. 

No. 14. Om Bijbels zonder belasting ingevoerd te krijgen. Daar de Bijbelver- 
eeniging aan de Kaap de Goede Hoop hierin reeds voorzien heeft, is het niet noodig daartoe 
eenige poging aan te wenden. 

No. 15. Verandering in de wijze van uitbetaling aan de Afgevaardigden tot de 
Bingsvergaderingen. De redenen, die tot het opgeven van dit Beschrijvingspunt aanleiding 
gegeven hebben, niet meer bestaande, is hetzelve voor vervallen verklaard. 

No. 16. Verandering in de door de Synode gemaakte bepaling, omtrent het beheer 
der penningen van het Weduwen-Fonds. Daar, sedert het inleveren van dit voorstel, een 
reglement daarvoor gemaakt is, en dit als voldoende beschouwd wordt, vervalt dit voorstel. 
Het bleek echter, dat er nog eene bepaling diende gemaakt te worden, omtrent het altijd 
mogelijke geval, van eenen opvolger van den Qusestor te moeten aanstellen. Ditzelfde werd 
ook opgemerkt omtrent den Qnsestor van het Synodale Fonds, waarom algemeen goedge- 
vonden en besloten werd, omtrent beide deze betrekkingen dezelfde bepaling aan te nemen, 
welke bij eene voorgaande zitting met betrekking tot den Actuarius Synodi geadopteerd is. 

Op de Ringsvergadering, gehouden in het jaar 1827, te Stellenbosch, had de 
Hoog-Eerw. Hr. Qusestor van het Weduwen-Fonds het aan de overweging der Vergadering 
voorgesteld, of het niet beter ware, dat het beheer der penningen van dat Fonds aan 
hemzelven werd opgedragen, dan het te deponeren bij de Weeskamer, gelijk de 
Synode bepaald had ; daar het uit eene met dat Collegie gehoudene correspondentie was 
komen te blijken, dat daarvoor ten laste van het fonds 2^ per cent. zoude moeten worden 
betaald, waardoor het fonds te veel zoude komen te lijden. De Ringsvergadering hieraan 
hare toestemmiug gevende, besloot, om het beheer van dat Fonds, provisioueel, op te 
dragen aan den Hoog-Eerw. Heer Qusestor, tot de aanstaande Synode. Deze zaak nu in 
overweging genomen zijnde, is besloten het Eerw. Collegie van Heeren Weesmeesteren te 
verzoeken, om bij het Gouvernement te willen bewerken, dat gemeld fonds, door hetzelve 
worde geadministreerd, zonder de gewone betaling van 2^ per cent.. en indien dit toege- 
staan wordt, de administratie daarvan op zich te willen nemen ; en ingeval dit niet mogt 
kunnen worden vergund, is besloten het beheer van dat fonds op te dragen aan den Kerke- 
raad van de Kaapstad. 

No. 17. Formidier van Lidmaat Attestatie. De noodzakelijkheid inziende dat 
daaromtrent uniformiteit besta, heeft de Synode het vervaardigen van zoodanig een formu- 
lier opgedragen aan den Wel-Eerw. Heer M. Borcherds. 

Nu werd een brief geproduceerd van den Wel-Eerw. A. Faure, in zijne betrek- 
king als Consulent van de nieuw gestichte gemeente aan den Wijnberg, meldende dat 
aldaar een verschil bestaat over de plaats waar het Kerkgebouw zal worden opgerigt, en over- 
zendende documenten, waaruit men zoude kunnen ontdekken, welke de motieven zijn, 
waarom beide partijen zich daaromtrent niet vereenigen kunnen ; verzoekende eindelijk, dat 



67 



het der Synode moge behagen, na rijp overleg, de plaats te bepalen, waar het Kerkgebouw 
zal worden gesticht. 

De Ouderlingen dier gemeente werden verzocht gedurende de deliberatiën des- 
wegens zich te willen absenteren, gelijk zulks dan ook geschiedde. De Hoog-Eerw. Heer 
Praeses stelde nu der Vergadering voor, dat het oogmerk met dit verzoek niet kan zijn, dat 
de Synode ýnaal beslissen, maar alleenlijk trachten zoude de verschillende partijen te be- 
vredigen ; dat althans het doel der Synode met zich daarmede in te laten, geen ander, dan 
het laatstgenoemde zijn kon ; daar zij niet weet of het Gouvernement misschien daarover 
reeds gedisponeerd heeft, of in der tijd nog zal willen disponeren. Onder die bepaling 
heeft de Synode besloten, zich deze zaak aan te trekken, en, na inzage van de gemelde 
documenten, goedgevonden, eene Commissie te benoemen, om gemelde stukken en andere 
tot deze zaak behoorende papieren te onderzoeken, en zich dan te begeven ter plaatse waar 
de verschillende partijen de kerk gesticht willen hebben, ten einde de gegrondheid der 
wederzijdsche argumenten te kunnen ontdekken ; tot welke Commissie benoemd zijn de 
Wel-Eerw. Heer M. Borcherds en de Heeren G. de Vos en W. H. Theunissen — met verzoek 
om van het een en ander uiterlijk aanstaanden Dingsdag rapport te doen. A1 de tot deze 
zaak behoorende papieren — (zie Bijl). 

Nu verzocht de Hoog-Eerw. Heer Praeses de gecommitteerde Heeren Rationarii 
rapport te willen doen, hetwelk geschied zijnde is gebleken, dat er : 

1. Met betrekking tot het Predikanten-Weduwen-Eonds, onder ultimo December 
van het voorledene jaar, ten faveure van dat Eonds een batig Saldo bevonden is van 
Rds. 15,430 2 5. 

2. Met betrekking tot het Synodale Fonds, insgelijks onder ultimo December van 
het voorledene jaar, ten faveure van dat Fonds bevonden is een batig Saldo in Contanten 
van Rds. 5,417 3 3f. 

De Commissie heeft zich gedrongen gevoeld, om bijzondere melding te maken 
van de naauwgezetheid en ijver, waarmede de Hoog-Eervv. Qusestor van beide de Eondsen 
zijne pligten waargenomen, en van de ouvermoeide zorg, waarmede hij de belangen, in- 
zonderheid van het Weduwen Fonds, behartigd heeft. Welk een en ander de Commissie, 
na naauwkeurige examinatie van al wat daarop betrekking heeft, niet hoog genoeg roemen 
kon. Vooral, daar het haar gebleken was, dat, met betrekking tot het Synodale Fonds, 
de onregelmatige administratie van daarvoor geheven penningen, bij sommige buiten- 
kerken, aanleiding heeft gegeven tot groote moeijelijkheden, en, met betrekkiug tot het 
Weduwen-Fonds, soinmige participanten zeer nalatig zijn in het geregeld overzenden van de 
bij de wet bepaalde collecten. Met oogmerk, om de Vergadering hiervan te overtuigen. 
en te bewegen tot het nemen van maatregelen waardoor de groote moeijelijkheden, in de 
administratie dier Fondsen, kunnen worden opgeheven, las de Commissie voor de onaange- 
name correspondentie, die de Hoog-Eerw. Heer Quaestor in beide betrekkingen, daarom- 
trent genoodzaakt geweest is te moeten voeren, en submitteert zij der Vergadering eene 
opgave van die kerken, welke zulk eene nalatigheid in de administratie van Synodale pen- 
ningen betoond hadden. Zie deze rapporten met derzelver bijlagen in de Bijlagen. 

De afgevaardigden van die kerken, welke in genoemde opgave, als nalatig bekend 
gesteld zijn, zochten nu hunne zaak te verdedigen. Worcester en de Tijgerberg beloofden 
binnen kort aan hare verpligting te zullen voldoen. Over de voordragt van Swellendam, 



68 



konde men niet wel oordeelen, en is daarom besloten, het verder onderzoek, en het nemen van 
maatregelen daaromtrent, uit te stellen, tot dat er gehandeld zal worden, over het punt 
van beschrijving, betreffende de klagten van den Qusestor, als wanneer men hoopte en 
wenschte dat zijn Hoog-Eerw. weder hersteld, en in de Vergadering tegenwoordig zijn zal. 

De Wel-Eerw. Heer H. Sutherland beklaagt zich, dat hij voor zijn transport, naar 
de Rings Vergadering gehouden te George, meer heeft moeten betalen dan het tarief hem 
toezegt. Op grond van zijn Eerw. declaratie, dat hem het tarief nog niet bekend was, toen 
hij den wagen gehuurd heeft, werd besloten, om zijn Eerw. het surplus uit het Synodale 
Fonds terug te geven. 

In genoemd rapport van Heeren Rationarii wordt nog bijzondere melding ge- 
maakt van eene missive van de Weeskamer alhier, van den 9 September 1.1., waarbij, om 
aangevoerde redenen, de vorige toelaag tot het Predikanten-Weduwen-Fonds ingetrokken 
wordt, en is daarop besloten bij de Synodale stukken te voegen geleibrief aan het Gouver- 
nement, van deze zaak melding te maken, en eerbiedig te verzoeken dat het Gouvernement 
gelieve indachtig te zijn aan de in den brief aan de Weeskamer gedane belofte betrekkelijk die 
toelage. 

Hierop werd deze zitting met dankzegging tot God door den Scriba besloten. 



VIJFDE ZITTING. 

Zaturdag, den Iden November. 

A1 de Leden waren bij deze Zitting tegenwoordig, behalve de Wel-Eerw. Heer 
A. Faure, wegens indispositie. De Wel-Eerw. Heeren C. Mol en J. Cassie, en de Heeren 
Ouderlingen F. Roos, H. R. de Vos, A. van Breda en R. A. M. Cloete, die met voorken- 
nis en verlof niet tegenwoordig waren. De Ouderling van Caledon, de Heer J. Wessels, 
afwezend zonder verlof. 

Deze Zitting met het gebed geopend zijnde, werden de aanteekeningen der 
vorige gelezen en door onderteekening goedgekeurd. 

De Ouderling van Caledon zonder verlof weggereden zijnde, werd gecondemneerd 
tot de bij de wet bepaalde straf, van zijne aanspraak op de voldoening van reiskosten ver- 
beurd te hebben. 

Lemma III. der Beschrijvingspunten, te weten : Rapporten door de Scribas der 
Ringen te doen, voor de behandeling aan deze Zitting bepaald, en daartoe nu overgegaan 
zijnde, werden dezelve door den Hoog-Eerw. Heér Prseses afgevraagd, maar door den 
Tweeden en Derden Ring niet geproduceerd, voorgevende niet te hebben geweten, dat zulks 
behoorde te geschieden, en belovende in het vervolg daaraan te zullen voldoen. 

Het Rapport der Eerste Ring voor het Jaar 1828 (Bijl.), voorgelezen zijnde, is 
daaruit gebleken, dat de volgende zaken eene bijzondere voorziening van de Synode 
vereischten. 

1. Eene opwekking aan de onderscheidene gemeenten in het gemeen, om gebruik 



69 



te maken van de openbare godsdienst, en zich van derzelver bijwoning, zonder gegronde 
redenen niet te onttrekken, als er over den Katechismus gepredikt wordt. 

2. De ouders en voogden aan te manen, hunne kinderen en pupillen, geregeld 
naar de katechisatie te zenden, en het christelijk onderwijs van hunne onderhoorigen en 
lijfeigenen te bevorderen. 

3. Eene bepaling te maken omtrent het Transport van den leeraar en ouderling, 
bij gelegenheid van huisbezoeking, ingeval men geen rijtuig gratis bekomen kan. 

4. In overweging te nemen, of en op welk eene wijze, een support kan geschie- 
den aan kerken, wier fondsen ontoereikende zijn om de noodige onkosten te bestrijden ter 
reparatie en constructie van kerkelijke gebouwen. 

No. 1 en 2 werden beschouwd als geschikte onderwerpen voor eene herderlijke 
opwekking ; en is het opstellen daarvan opgedragen geworden aan den Wel-Eerw. Heer Yon 
Manger. 

Omtrent No. 3 waren reeds voorzieningen gemaakt. 

De kerken welke, blijkens No. 4, klagen dat het haar aan genoegzame fondsen 
ontbreekt, om hare reeds bestaande gebouwen te onderhouden of nieuwe op te rigten, wer- 
den geadviseerd zich deswegens te adresseren aan de meer vermogende kerken. 

Uit het Rapport van den Scriba des EerstenRingsvoorhetjaar 1S29, bleek, dat de 
volgens het Reglement voor het kerkelijk onderzoek gedane vragen voldoende waren beant- 
woord ; en dat er, behalve de door den Scriba van 1828 opgegevene zaken, die de voor- 
ziening der Synode vorderden, geene zoodanige waren voorgekomen. (Bijl.) 

Nu werd er eene propositie van den Scriba voorgelezen, en aan de overweging van 
de Yergadering voorgelegd, behelzende, dat den Scribas der Ringsvergaderingen de ver- 
pligting worde opgelegd, om zoodanige zaken, welke bij de Ringsvergaderingen aan de con- 
sideratiën van de Synode worden aanbevolen, als Beschrijvingspunten aan het Kaapsche 
Ministerie op te geven. 

Als motief, tot het doen van deze propositie, werd door den Scriba daarbij aange. 
merkt, dat het hem gebleken was, dat er, ten minste van de laatstgehoudene Ringsverga- 
deringen in 1829, eene omissie had plaats gevonden van de aan de Synode voor te dragene 
zaken, en, dat zulks nu gemakkelijk geschieden kan, zoo lang het den Scribas niet als 
eene verpligting opgelegd wordt, om zulke zaken, als punten van beschrijving, op te geven. 
Om de aangevoerde reden werd bovengemelde propositie algemeen goedgekeurd en aange- 
nomen. 

Als nu zullende overgaan tot het examineren van den Heer Van Lingen, die als 
zendeling wenschte geordend te worden, werd genoemde heer binnengelaten, en door den 
Hoog-Eerw. Heer Praeses geëxamineerd. Dit examen, gelijk ook de beantwoordingen der 
vragen welke door onderscheidene leden der Vergadering aan hem gedaan werden, ten ge- 
noegen van de Synode afgeloopen zijnde, werd hem door den Scriba de Acte van ondertee- 
kening voorgelezen, en met volkomene bereidwilligheid door hem onderteekend. Vervol- 
gens werd hem door de Moderatoren uit naam der Synode de onderteekende acte van admissie 
overgegeven ; terwijl de Hoog-Eerw. Heer Praeses zulks deed vergezeld gaan van eene har- 
telijke en plegtige aanspraak. (Bijl.) 

AIzoo werd deze Zitting door den Scriba met dankzegging tot God besloten. 



70 



ZESDE ZITTING. 

Maandag, den §den November. 

A1 de Leden, benevens de Hoog-Ed. Achtbare Commissaris Politiek, tegenwoor- 
dig ; uitgezonderd, de Wel-Eerw. M. Borcherds en de Ouderlingen F. Roos en H. R. de 
Vos, met verlof ; terwijl uit eene nu geproduceerde missieve van den Wel-Eerw. J. Cassie 
(Bijl.), bleek, dat er redenen bestonden, waarom Zijn-Eerw. laatstleden Zaturdag zich naar 
zijne standplaats had moeten begeven, en bijgevolg ook op deze en de volgende zittingen niet 
tegenwoordig konde zijn. De opgegevene reden der Vergadering ter beoordeeling voorge- 
legd zijnde, werd goedgekeurd. 

De Vergadering met het gebed geopend zijnde, werden de aanteekeningen der 
vorige Zitting gelezen en geteekend. 

Voortgaande met de behandeling der Beschrijvingspunten, werd nu aan de Ver- 
gadering voorgedragen, dat hetwelk voorkomt onder Lemma IV., No. 1. 

“ Kunnen Leden der KerJc, die den Boop voor hunne kinderen bij andere, in geen 
beirekking tot de Hervormde Kerjc slajmde,_kerkgenootschappen, begeeren en ontvangen , lan- 
ger als zoodanig worden erkend ? ” 

De Hoog-Eerwaarde Heer Prseses droeg eerst voor hetgene tot dit Beschrij- 

/ vingspunt aanleiding gegeven had. Twee Leden der Hervormde Gemeente van de Kaap- 
stad hadden hunne kinderen laten doopen door den Eerwaarden Snowdal. De Kerkeraad 
der Hervormde Gemeente aldaar zulks vernomen hebbende, had deswegens geschre- 
ven, zoo aan gemelde Heer Snowdal als aan gemelde leden van hunne gemeente- 
De eerste had daarop niet geheven te antwoorden, maar van de laatsten waren in 
antwoord de redenen opgegeven, welke hen daartoe bewogen hadden. Genoemde Ker- 
keraad had de zaak voorgedragen aan de Ringsvergadering, gehouden aan de Paarl, in 
1828, en deze weder de beslissing van het daaruit voortvloeijende vraagpunt overgelaten aan 
de Synode. 

De daartoe behoorende stukken gelezen zijnde, heeft de Synode goedgevonden en 
besloten, aan de genoemde personen, die hunne kinderen door den Eerw. Snowdal hadden 
laten doopen, per missieve te doen weten, dat de Synode niet veronderstellen kan, dat de 
Eerw. Heer. Snowdal, met de voldoening aan hunne begeerte, eenige verkeerde bedoeling 
gehad heeft ; rnaar, dat zij reden meent te hebben, om te gelooven, dat zij onbekend zijn 
geweest met het besluit der Synode oratrent de toediening van den Doop door eenen 
leeraar van eene andere gemeente. Dat, eindelijk, de Synode extrakt van dat Synodaal 
besluit hun toezendt, in de verwachting dat in het vervolg daaraan zal worden voldaan. 

De vraag zelve, of men zulke leden der kerk langer als zoodanig erkennen zal ? is 
onder de bestaande omstandigheden met Ja beantwoord. 

No. 2. “ Welke maatregelen dient men te nemen met ledematen die van de open- 
bare godsdienst niet anders gebruik maken dan bij den doop hunner kinderen ?” Hierorn- 
trent heeft men tot geen ander besluit kunnen komen, dan, in dergelijk geval, dezulken 
ernstig te vermanen en aan te sporen tot het pligtmatig bijwonen van de openbare 
godsdienst. 

Lemma V., No. 1 en 2. 



71 



1. Klagten van den Quaestor van het Weduwen Fonds, over de onregelmatige 
voldoening der Participanten van hunne contributiën. 

2. Klagten van den Qusestor van het Synodale Ponds, over nalatigheid van som- 
mige kerken, in het betalen van de Synodale penningen. 

Bij eene vorige Zitting, toen het Rapport van de Heeren Rationarii aan de beoor- 
deeling van de Vergadering voorgelegd was, en deze klagten reeds voorgekomen waren, 
hadden de Afgevaardigden der Kerken van Worcester en den Tijgerberg beloofd, binnen 
kort aan hunne verpligting te zullen voldoen, en in het vervolg meer regelmatig daarin 
werkzaam te zullen zijn. De Hoog-Eerw. Heer Quaestor, nu tegenwoordig zijnde, werd 
door Zijn Hoog-Eerw. de klagte, nu meer bijzonder, gerigt tegen Swellendam. De Afge- 
vaardigden dier Kerk voegden zich nu ook bij de genoemde Kerken, belovende maatre- 
gelen te zullen nemen, waardoor den Hoog-Eerw. Heer Qusestor, zoo van het Synodale als 
Weduwen Fonds, in het vervolg, geene reden tot klagten zal worden gegeven ; dat Zijn 
Hoog-Eerw. brieven behoorlijk beantwoord zullen worden, en de achterstallige penningen 
van beide Fondsen, tegen het einde van dit jaar, zullen worden voldaan. 

De Wel-Eerw. Heer C. Mol verzoekt nu ontsiagen te mogen worden van de boete 
welke hem de bepalingen van het Weduwen Fonds opleggen. Dit verzoek konde echter 
niet worden toegestaan, omdat de wet daaromtrent zoo stellig spreekt. 

Met betrekking tot de Kerk van Beaufort is besloten den Kerkeraad aldaar eene 
ernstige aanschrijving deswege te doen ; terwijl de Hoog-Eerw. Heer Qusestor het op zich 
nam, om den Diaken van Somerset daaromtrent te schrijven, omdat liet Zijn Hoog-Eerw. 
was komen te blijken, dat de nalatigheid niet aan den Kerkenraad maar aan den Diaken 
aldaar moest worden toegeschreven. 

Yoorstellen en Vragen van bijzondere kerken. 

No. 1. Ingetrokken. 

No. 2. Vermeerderingen van het getal Ringen, gepostponeerd tot de voordragt 
wegens de Synodus contracta. 

No. 3. Begrepen in het plan voor eene Theologische Kweekschool. 

No. 4. en 5. Ingetrokken. 

No. 6. Dat het Avondmaal gelijktijdig aan alle ledematen, zonder onderscheid 
van kleur of afkomst, worde toegediend. Nadat de Hoog-Eerw. Heer Voorzitter dit voor- 
stel aan de deliberatie der Synode had voorgedragen, en de Leden onderling daaromtrent 
hunne gedachten hadden gewisseld, hebben de Hoog-Edele Achtbare Heeren Commissarissen 
Politiek, voor dat het punt ter conclusie werd gebragt, verklaard dat zij dit 6de voorstel der 
6de afdeeling oordeelen, te wezen derogatoir aan de waardigheid van den Christelijken 
godsdienst, volgens welks leer geen onderscheid of aanzien van personen bij het bedienen 
en ontvangen van het Sacrament des Heiligen Avondmaals mag worden erkend : dat de 
beslissing op zoodanig punt derhalve, een twijfel zoude veronderstellen die niet bestaan kan, 
en dat zij, Commissarissen Politiek, zelfs hunne verwondering over het doen van zoodanig 
voorstel niet konden verbergen, daar behalve de onbestaanbaarheid van eenigen twijfel daar- 
omtrent, zij, in de gemeente, waartoe zij behooren, zoodanigen twijfel nimmer hebben hooren 
opperen, en, in de bediening van het Avondmaal, nooit iets hebben ontmoet, waaruit zoo- 
danige distinctie of aanzien van persoon, als bij het gedane voorstel wordt bedoeld, zoude 
hebben kunnen worden bespeurd. 

Q 



72 



De Scriba gaf liierop te kennen, de inzender van genoemd voorstel te zijn, en het 
aan zichzelven verschuldigd te wezen, het volgende hierbij aan te merken : dat het hem 
namelijk niet bevreemdde, dat dit voorstel door de IIoog-Edele Achtbare Heeren Commis- 
sarissen Politiek, uit het voormeld oogpunt beschouwd en voorgedragen is ; maar dat ook zijn 
voorstel niet, zoo als het liier voorkomt, opgegeven is, maar onder bewoordingen, die eene 
andere bedoeling aanduiden. In den brief aan het Kaapsche Ministerie, gedagteekend, den 
25sten Julij 1829 (zie de Bijl. der Eerste Zitting, Litt. C., Afd. X., No. 9), komt het voor 
onder deze bewoordingen : “ voorstel, dat er bij alle kerken uniformiteit moge plaats heb- 
ben in de toediening van het Heilige Avondmaal aan personen van kleur (Hottentotten, 
Bastaards, vrijzwarten en slaven), die door het doen van belijdenis, en door de toediening 
van den Heiligen Doop, tot Leden der Kerk aangenomen zijn, en wel overeenkomstig 
advis van de Ringsvergadering van het Eerste Ringsressort, tegelijk met geboren Christenen 
en niet afzonderlijk, nadat laatstgemelde eerst hebben gecommuniceerd.” Het bedoelde 
advis dier Vergadering (zie derzelver acta van het jaar 1829) was, “ dat men, volgens de leer 
des Bijbels en den geest des Christendoms, verpligt is zoodanige personen tegelijk met 
geboren Christenen tot het Avondmaal toe te laten.” Zoodat hieruit kwam te blijken, aan 
den eenen kant, dat dit voorstel, misschien kortheids halve, aldus geredigeerd is, en aan den 
anderen kant, dat hetgeeu zijn Eerwaarde eigenlijk wilde doen gevoelen, zijn voorstel, zoo 
als het in gemelden brief voorkomt, niet als derogatoir aan den Christelijken godsdienst kan 
beschouwd worden ; maar eeniglijk ten doel had, van de Synode eene zoodanige uitspraak 
deswegens te bekomen, waardoor ook zulke Kerkenraden, die de ondervinding hem geleerd 
heeft, van een tegenovergesteld gevoelen te zijn, genoodzaakt werden hunne toestemming 
daaraan te geven. Hierop volgde eene eenstemmige verklaring, dat, overeenkomstig het 
door den Scriba gedane voorstel, uniformiteit daaromtrent behoort in acht genomen te wor- 
den ; terwijl men even eenstemmig betuigde, zich te vereenigen met de verklaring van de 
Hoog-Edele Achtbare Heeren Commissarissen Politiek omtrent het voorstel, zooalshet voor- 
komt in de Beschrijvingspunten j en is diensvolgens besloten te verklaren, dat men dit voor- 
stel tot geen onderwerp van deliberatie of beslissing bij de Synode behoorde te maken ; maar 
hetzelve als een onwrikbaren stelregel op het onfeilbaar Woord van God gegrond, behoort 
aan te merken : dat, bij gevolg, alle Christen gemeenten, en elk Christen in het bijzonder, 
verpligt is, overeenkomstig dezelve te denken en te handelen. 

No. 7. Dat de Piketbergen in het Kaapsche Distrikt gelegen, beschouwd mogen 
worden tot de Zwartlandsche Gemeente te bekooren. Dit verzoek is om aangevoerde rede- 
nen toegestaan. 

No. 8 tot 13. Ingetrokken. 

No. 14. Zullen Leden der Kerk tot het Avondmaal worden toegelaten, die niet 
in het huwelijk zijn bevestigd geworden, en in vleeschelijke gemeenschap met elkander 
leven ? De vraag, zoo voorgesteld, konde niet als punt van overweging worden beschouwd 
en behandeld, daar de zaak van zelve spreekt, en is besloten de beliandeling daarvan uit te 
stellen tot de volgende Zitting, als wanneer men verwachtte, dat de Afgevaardigden van 
Somerset, Hottentots Holland, en van Stellenbosch, die de propositie hebben gedaan, 
tegenwoordig zullen zijn, en nadere elucidatie zullen kunnen geven. 

De Wel-Eerw. Heer H. Sutherland verzocht, dat het door Tulbagh ingetrokken 
Punt van Besckrijving, voorkomende onder Afd. YI., No. 10, mogt overwogen worden, te 



73 



weten : Kunnen ongedoopten in het huwelijk worden bevestigd ? Na vele discussiën over 
dit vraagstuk is besloten, hetzelve in advis te houden. 

No. 15. Gaat de betahng van huishuur van eenen Predikant vóór de betaling van 
andere kosten uit het Kerken Ponds. 

Uit de voordragt van den Wel-Eerw. J. Edgar daaromtrent, bleek, dat de Ker- 
keraad van den Tijgerberg zwarigheid maakt, om, daar er geene Pastorie is, huishuur aan 
den Predikant te betalen. 

De vraag of de Kerkeraad daartoe verpligt is, werd, uithoofde van daarvan aan- 
gehaalde voorbeelden, toestemmend beantwoord, indien, namelijk, de Kerk genoegzame 
fondsen daartoe heeft. 

Het bleek echter uit het verder beloop der discussiën daaromtrent, dat er bij die 
Kerk verdeeldheden bestaan, welke de Synode bewoog, om eene Commissie te benoemen, 
die den vrede aldaar zoude trachten te bewerken ; en, indien hare pogingen daartoe vruchte- 
loos mogten bevonden worden, rapport daarvan doen zoude aan de eerstkomende Ringsver- 
gadering. Tot deze Commissie zijn benoemd geworden, de Wel-Eerwaarde Heeren M. 
Borcherds en T. J. Herold, benevens de Heeren Ouderlingen G. J. Vos en Ms. Smuts. 

Lemma VII. Vrageu van individueele Predikanten. 

De Hoog-Eerw. Heer Praeses merkte aan, dat, in het vervolg, geene proposities 
van individueelen onder de Beschrijvingspunten zullen worden aangenomen, omdat zulks 
tegen de orde strijdt. 

No. 1. Is het regelmatig godsdienstig zingen met muziekgezelschap te ondersteu- 
nen, moet zulks niet, bij afwezigheid, met voorkennis van den Predikant geschieden ? 

Daar het bleek, dat dit vraagstuk is voortgevloeid, uit de bovenbedoelde oneenig* 
heid, die in de Tijgerbergsche Gemeente ongelukkig heerschende is, werd zulks insgelijks 
aan de genoemde Commissie opgedragen ter bevrediging. 

Op verzoek van den Wel-Eerw. Dr. Thom, werd eene instructie voor den Diaken- 
Kassier ter approbatie aan de Synode overgelegd (Bijl.), welke gelezen zijnde, algemeen 
goedgekeurd en bestemd is voor de Kerken van Tulbach, Swellendam, Clanwilliam en 
Tijgerberg ; terwijl de andere kerken declareerden geene behoefte aan zoodanige instructie te 
hebben. 

Nu wordt er een voorstel van de Afgevaardigden van de Kaapsche Kerk (Bijl.) 
voorgelezen, te kennen gevende bij geruchte verstaan te hebben, dat zekere Mr. Moodie 
door den Kerkenraad van Swellendam tot Ouderling benoemd, en door het Gouvernement 
goedgekeurd is ; en te wenschen, verzekering te ontvangen, of gemelde Mr. Moodie alle tot 
dat Kerkelijk ambt vereischte hoedanigheden bezit. 

De Afgevaardigden dier Kerk gevraagd zijnde, declareerden verzekerd te zijn } 
dat gemelde Moodie tot de Schotsche Kerk behoort ; dat echter het Certificaat daarvan niet 
is geproduceerd geworden. De Wel-Eerw. Heer Mol nam het op zich om behoorlijk onder- 
zoek daarnaar te doen, voor dat de Heer Modie in zijne bediening bevestigd wordt, en, in 
geval hij geen behoorlijk kerkelijk attest kan produceeren, alsdan een ander te nomineeren 
en aan het Gouvernement ter approbatie te zenden. 

Ter voorkoming van iets dergelijks in de toekomst, is besloten om, in het vervolg, 
niemand tot lid van den Kerkenraad te benoemen, tenzij hij twee volle jaren onder zoodanige 
gemeente gewoond heeft, en als lidmaat van dezelve bekend geweest is. 

Q* 



74 



Is eindelijk gelezen het door den Wel-Eerw. Heer Borcherds geconcipieerd formu- 
lier van kerkelijk attest (Bijl.), hetwelk de goedkeuring van de Synode wegdroeg ; terwijl 
het echter iedere kerk zal vrijstaan om, of dit, of het bij de Kaapsche Kerk in gebruik zijnde, 
maar geen ander Eormulier te gebruiken. 

En is deze Vergadering door den Scriba met dankzegging tot God besloten. 



ZEYENDE ZITTING. 

Dingsdag, den 10 den November. 

Behalve den Ouderling van Stellenbosch, den Heer F. Roos, waren al de Leden’ 
gelijk ook de Hoog-Edele Achtbare Heeren Commissarissen Politiek, bij deze Zitting tegen- 
woordig. 

De Vergadering met het gebed geopend zijnde, worden de aanteekeningen der 
vorige Zitting gelezen, en door onderteekening goedgekeurd. 

De Commissie tot het onderzoeken van het geschil, in de onlangs opgerigte 
gemeente, aan den Wijnberg, ontstaan, betrekkelijk de plaats, waar het kerkgebouw zal 
worden gesticht, nu verslag van hare verrigtingen zullende doen, werden de Ouderlingen 
van den Wijnberg verzocht, zich te willen absenteeren, hetwelk geschied zijnde, werd het 
Rapport desaangaande voorgelezen (Bijl.), waaruit is komen te blijken, dat de Wijnberg 
geoordeeld werd de geschiktste plaats te zijn. Daarover nu gedelibereerd zijnde, verklaar- 
den al de Leden in deze uitspraak der Commissie, om aangevoerde redenen, volgaarne te 
berusten ; terwijl de Hoog-Eerw. Heer Prseses, uit naam der Vergadering, liaar bedankte voor 
deze hare verrigtingen. Is verder betrekkelijk die zaak besloten hiervan kennis te geven 
aan den Kerkenraad dier Gemeente. 

De Ouderlingen voornoemd, weder binnengelaten zijnde, werd hun de decisie van 
die zaak, door den Hoog-Eerw. Heer Prseses, voorgedragen, en is hun gerecommandeerd 
geworden, om zulke leden dier gemeente, die nu hun wensch verkregen hebben, ernstig 
te vermanen om zich nu daarop niet te zeer te beroemen, opdat daardoor geene aanleiding 
worde gegeven aan anderen, om zich aan de verdere medewerking te onttrekken. 

De voorstellen No. 5 en 7 van de tweede afdeeling, en No. 2 van de zesde afdee- 
ling der Beschrijvingspunten gepostponeerd geweest zijnde, werd No. 5 der tweede afdeeling, 
te weten : den tijd, tot het houden van Bingsvergaderingen verlengd te hebben, wegens het 
plan, hetwelk in plaats van het voorstel tot het houden eener Sgnodus contracta voorgedragen 
geadopteerd is, nu voor vervallen verklaard. 

No. 7 van diezelfde afdeeling, te weten : verandering in het tarief van reishosten 
voor de Ringsvergaderingen nu in overweging genomen zijnde, werd besloten die reiskosten 
te bepalen op Rds. 3 per uur. 

No. 2 der zesde afdeeling vermeerdering van het getal Ringen werd insgelijks om 
gemeld plan voor vervallen verklaard. 



75 

^Nujyerd de Herderlijke Brief der Synode aan de Gemeenten der Hervormde Kerk 
in dit land, door den Wel-Eerw. Heer Von Manger opgestetd, dër Vergadering voorgelezen, 
algemeen als zeer doelmatig beschouwd en aangenomen ; terwijl Zijn-Eerw. voor diens vervaar- 
digiug de dank der Vergadering betuigd werd. Zie dezen brief onder de Bijlagen, Litt. C. 
Is daarop besloten dat dezelve, gelijk te voren, bij gelegenheid der openbare sluiting der 
Synode door den Scriba van den kansel voorgelezen, in druk gegeven, en aan de onderschei- 
dene Kerkenraden verzonden zal worden. 

Met belrekking tot het geadopteerde plan voor de oprigting eener Theologische 
Kweekschool, werd de vraag voorgesteld, aan wien de magt toekomt, tot de aanstelling van 
eenen Theologischen Professor, en is daarop goedgevonden en besloten, dat ingeval het 
genoemd plan gesanctioneerd zal zijn, en er een Theologisch Professor moet worden aange- 
steld ; dat dan, uit iederen Ring, een Predikant zal worden gedeputeerd : welke predi- 
kauten alsdan eenen zoodanigen Professor benoemen, en aan het Gouvernement voorstellen 
zullen ; terwijl het aan de Eerstkomende Ringsvergaderingen is opgedragen geworden, om, 
ieder uit haar midden, eenen Predikant te benoemen die, in geval zulks mogt noodig zijn, 
als gedeputeerde tot die zaak zal kunnen dienen. 

Nog werd er eene vraag voorgesteld ; te weten : fFie heeft de magt om eenen 
Aanspreker aan te stellen ? waarop geantwoord is : Kerkenraden dragen eenen daartoe geko. 
zen persoon ter approbatie aan het Gouvernement voor, welke wijze, van in zoodanig geval 
te handelen, algemeen goedgevonden en aangenomen is. 

Door den Wel-Eerw. Heer A. Paure, werd het volgende voorstel aan de overwe- 
ging en beoordeeling van de Yergadering opgedragen : Daar Artikel 21, van het Algemeen 
Kerkelijk Reglement, van aankomende Predikanten vordert, dat zij hunne Testimonia zul. 
len inleveren bij den Praeses van den Eersten Ring, door wien zij aan het Gouvernement 
moeten worden aanbevolen ; en daar het aan vele moeijelijkheden onderhevig is, doordien 
het wel gebeuren kan, dat de Praeses in der tijd, ver van de stad (bij voorbeeld Zwartland) 
woonachtig is, waarheen de gelegendeid met de post schaarsch is, wordt geproponeerd, dat 
het werk voortaan verrigt worde door den Actuarius Synodi, die daarvan dan behoorlijke 
aanteekening zal moeten houden bij de Synodale papieren, of door den oudsten Leeraar in de 
Hoofdplaats. Dit voorstel in overweging genomen zijnde, is besloten dit werk op te dragen 
aan den Hoog-Eerw. Heer Actuarius Synodi ; zuUende echter bij de daardoor noodzakelijk 
gemaakte verandering van Artikel 21voormeld, het tweede gedeelte daarvan, te weten : 
“ insgelijks zullen dezelve, bij aanvaarding van hunne dienst, voor en aleer zij aan de 
Gemeenten worden voorgesteld, hunne testimonia en certificaten moeten vertoonen aan den 
Praeses van den Ring waaronder die Gemeente ressorteert,” — deszelfs volle kracht blijven 
behouden. 

De door den Eersten Ring aan de Synode voorgedragene verandering van Artikel 
27, van het Algemeene Reglement, betrekkelijk de toediening van den Heiligen Doop en het 
aannemen tot Leden der Kerk, van personen tot eene vakante gemeente behoorende, werd 
als onnoodig beschouwd, daar men algemeen begreep, dat overeenkomstig den geest van dat 
Artikel, zulks niet geschieden kan, zonder voorafgaande voorkennis en certificaat van den 
Kerkenraad van zoodanige Gemeente. 

Het voorstel van den Wel-Eerw. Heer H. Sutherland, dat het examen van zulken 
die wenschen toegelaten te worden, om godsdienstoefening te houden, op recommandatie 






76 




van Predikant en Kerkenraden der Gemeente, waartoe zoodanige persoon behoort, bij de 
respectieve Ringen afgelegd worde, is als eene zeer goede verbetering van Artikel 34, van 
het Algemeene Reglement aangenomen. 

Yervolgens gehandeld zijnde over het verzoek van Stellenbosch, om advis over de 
nieuwelings aJdaar opgerigte Directie, en het voorgevallene met den Zendeling E. Rmil. 
waarvan een copij authentiek uit het resolutieboek dier kerk, behelzende de gevoerde cor- 
respondentie en handelingen, aan de Synode was voorgelegd (Bijh), is besloten deze kerk te 
adviseren, om in geval van verdere weigering van dezen man, om aan de Synodale bepalin- 
gen te voldoen, eenvoudig te handelen naar Artikel 6, van het Reglement op het oefening 
houden, en den genoemden Zendeling te gelasten, dat hij de bewijzen zijner wettige orde- 
ning en van zijn lidmaatschap aan den Eerwaarden Kerkenraad zal hebben te vertoonen, 
binnen eene maand na de kennisgeving dezer Synodale resolutie. 

Ook werd besloten om de besluiten dezer Synodale Vergadering, wanneer zij 
zullen zijn gesanctioneerd, te laten drukken. 

Eindelijk werd de Scriba der Yergadering verzocht om de onderscheidene beamb- 
ten in deze stad te inviteeren, tegen aanstaanden Donderdag morgen, ten 10 ure, ter bij- 
woning van de openbare sluiting der Synode. 

Waarop deze Zitting met dankzegging tot God door den Scriba is besloten. 



ACHTSTE ZITTING. 

Woensdag, den Wden November . 

Alle de Leden waren bij deze Zitting tegenwoordig, gelijk ook de Hoog-Edele 
Heer Commissaris Politiek D. E. Berrangé. 

De Vergadering met het gebed geopend zijnde, werden de Aanteekeningen der 
vorige Zitting gelezen, en door onderteekening goedgekeurd. 

Werd gedaan een voorstel door den Hoog-Eerw. Heer Prseses, te weten : Daar 
het Kerkelijk Reglement geene bepaling gemaakt heeft, aangaande het aantal gedeputeerden 
uit den Kaapstadschen Kerkeraad, ter bijwoning van de Ringsvergaderingen ; wordt gepro- 
poneerd deze bepaling : dat de Kerkenraad voormeld op de Ringsvergaderingen zal wor- 
den vertegenwoordigd door slechts twee Leden, bestaande uit eenen Predikant en eenen 
Ouderling, welke propositie algemeen goedgekeurd en aangenomen is. 

Vervolgens werd voorgelezen de brief aan den Kerkenraad van den Wijnberg, 
wegens de op eéne voorgaande Zitting bepaalde plaats, tot het stichten van de kerk aldaar, 
welke brief de goedkeuring der Vergadering wegdroeg (Bijl.). 

Eindelijk werd er een brief geproduceerd van den Heer W. H. Hopley, betrekke- 
lijk eene pretensie tegen den Kerkenraad van Swellendam. Deze brief voorgelezen zijnde, 
verklaarden de Afgevaardigden dier Kerk, dat er reeds lang een order was gegeven aan den 
Diaken Kassier, ter uitbetaling van die rekening ; terwijl de Wel-Eerw. Heer Mol, Predi- 



77 



kant aldaar, declareerde bereid te zijn, om deze rekening op de eerste aanvrage, zelfs bij 
Zijn-Eerw. tegenwoordigbeid in de stad, te voldoen. In welke declaratie de Synode 
berustte, en besloot om aan gemelden Heer Hopley, in antwoord, extrakt hiervan te ver- 
leenen. 

De Wel-Eerw. Heer Dr. Thom, werd op Zijn-Eerw. verzoek, om gewigtige 
redenen, verlof verleend, om, met en benevens zijnen Ouderling, naar zijne standplaats te 
vertrekken, zonder de openbare sluiting bij te wonen. 

Alzoo werd ook deze Zitting, door den Scriba, met dankzegging tot God besloten. 



NEGENDE ZITTING. 

Donderdag, den \Zden November . 

Alle de Leden, benevens de IIoog-Edele Achtbare Heeren Commissarissen Politiek, 
tegenwoordig. 

Deze Zitting met het gebed geopend zijnde, werden de Aanteekeningen der vorige 
Zitting gelezen, en door onderteekening goedgekeurd. 

Ten 10 ure verscheen Lady Francis Cole, en Lady Cather. Bell, welke door de Modera- 
toren in de Kerk begeleid werden ; vervolgens ging ook de Vergadering, voorgestaan door 
de Hoog-Edele Achtbare Heeren Commissarissen Politiek, in de kerk, en, na zitting geno- 
men te hebben, gaf de Voorlezer op te zingen Gezang clvi. geheel ; onder het zingen van 
hetwelk, de Wel-Eerw. Heer J. Edgar den predikstoel beklom, en eene plegtige rede voerde, 
ten onderwerp hebbende, Ezech. xxxiii. 11 (Bijl.). Tusschen beide werd gezongen Gezang 
lvi. 7, 8. Nadat deze leerrede volbragt was, werd wedei gezongen Gezang clvii. 1 en 2. 

Vervolgens deed de Hoog-Eerw. Heer Praeses, eene treffende aanspraak aan de 
Hoog-Edele Achtbare Heeren Commissarissen Politiek, hunne Hoog-Achtbare bijzonder 
den dank der Vergadering betuigende, voor de bijzondere en toegenegene hulpvaardigheid 
in het bestuur dezer Vergadering. Vervolgens ook aan den Medemoderator en Scriba der 
Vergadering, en eindelijk aan de geheele Vergadering (Bijl.). Waarop de Hoog-Edele Heer 
Sir John Truter éene hartroerende aanspraak deed, opgevende het gewigt van de op onze 
tegenwoordige Vergadering behandelde onderwerpen, en de bijzondere tevredenheid over den 
vrede, de liefde en eendragt waarmede de werkzaamheden begonnen, voortgezet en volbragt 
zijn, en eindigende met eene treffende zegenbede (Bijl.). 

Na den afloop van deze aanspraak beklom de Scriba den predikstoel, las den 
Herderlijken Brief voor, besloot deze plegtigheid met gebeden en dankzeggingen, liet zin- 
gen Gezang xcvi., en sprak, na de aanbeveling van het Synodale Fonds, den gewonen zegen 
uit. 

Eindelijk werd deze laatste Zitting met dankzegging gesloten, nadat ook deze 
Aanteekeningen geresumeerd waren. 



T. J. HEROLD, h. t., Syn. Praes. 



Litt. A. 



BESCHRIJVmGSPUNTEN 

Geredigeerd door liet Eericaarde Mimstene der Hervormde Keric, in de Kaapstad, met de 
Hoog-Aclitbare Commissarissen PolitieJc, voor de op den Zden November en volgende 
dagen te houden Synodale Vergadering. 



I. — Voordragen, door de Synode, ter overweging van de Ringen overgelaten ten fine van Rapport : 

1. — Over het houden van een Synodus Contracta : 

Over plan ter oprigting van een Theologische Kweekschool : 

2. — Over kiezing van Leden des Kerkeraads. 

Eerste Ring, 1829. 

Derde Ring, 1829. 

Kaapstads Kerkeraad, 1829. 

Ten fine van Approbatie ; 

Op reglement van Voorlezers en Kosters. 

Eerste Ring, 1828. 

Tweede Ring, 1828. 

3. — Op gemaakte Grensscheiding voor de Gemeente van Zwartland en Tijgerberg. 

Eerste Ring, 1828. 

II. — Verzoeken en Vragen door de Ringsvergaderingen'voorgedragen : 

1. — Voorschrift aan Kerkeraden in het gemeen, betrekkelijk hunne handelwijze met Ledematen die 

weigeren zonder voldoende redenen de kerkedienst, waartoe zij verkozen zijn, waar te nemen. 

2. — De Clanwilliamsche Gemeente tot den Eersten Ring gebragt te hebben. 

Eerste Ring, 1828. 

3. — Nadere bepaling van Rangen in de Kerk, of wel eene geheele afschafiing van dezelve. 

Eerste Ring, 1828. 

Stellenbossche Kerkeraad, 1829. 

4. — Zekere plaats in het midden der Kerken gelegen tot het houden van Ringsvergadering te 

bepalen. 

Tweede Ring, 1828. 

Derde Ring, 1829. 

5. — Den tijd tot houden van Ringsvergaderingen verlengd te hebben. 

Tweede Ring, 1828. 

6. — Op eenen anderen tijd des jaars Ringsvergadering te houden. 

Tweede Ring, 1828. 

7. — Verandering in Tarief van Reiskosten naar Ringsvergaderingen. 

Tweede Ring, 1828 en 1829. 

Tulbagh, 1828. • 

Hottentots Holland en Stellenbosch, 1829. 

8. — Medewerking van het Gouvernement te verzoeken ter verkrijging van Onderwijzers ten platten 

lande. 

Tweede Ring, 1828. 

9. — V erzoek van den Heer C. de Haas, als Zendeling te worden geordend. 

Eerste Ring, 1827. 



79 



10. — Middelen te beramen ter, en voldoening aan bet gevorderde in Art. 30 van Kerkenorde vati 

Commissaris De Mist, en Art. 7 van íteglement voor Kingsvergadering. 

Tweede King, 1829. 

Graaff-Keinet, 1829. 

11. — Niemand in ondertrouw te doen aannemen dan Leden der Kerk. 

Tweede King, 1329. 

12. — Regerende Kerkeraadsleden verschoond te hebben van Jury diensten. 

Tweede King, 1829. 

13. — Verandering in Art. 46 der Kerkenorde van Commissaris De Mist, betrekkelijk de plaats tot 

houden van Synodale Vergadering. 

Derde Ring, 1829. 

14. — Om Bijbels zonder belasting ingevoerd te krijgen. 

Derde Ring, 1829. 

15. — Verandering in de wijze van uitbetaling aan de Afgevaardigden tot de Ringsvergaderingen. 

Derde King, 1829. 

16. — Verandering in de door de Synode gemaakte bepaling omtrent belteer van de penningen van het 

Weduwen Konds. 

Eersle King, 1827. • 

17. — Formulier van Lidmaat attesten. 

Derde King, 1829. 

III. — Rapporten door Scriba’s der Ringen te doen ; 

Eerste King, 1828 en 1829. 

Tweede Ring, 1828 en 1829. 

Derde Ring, 1828 en 1829. 

IV. — Bijzondere Vragen door de Kingen voorgesteld : 

1. — Kunnen Leden der Kerk, die den Doop voor hunne kinderen bij andere, in geene betrekking tot 

de Hervormde Kerk staande Kerkgenootschappen begeeren en ontvangen, langer als zooda- 
nig worden erkend ? 

Eerste King, 1828. 

2. — Welke maatregelen dient men te nemen met Ledematen die van de openbare godsdienst niet 

anders gebruik maken als bij het doopen hunner kinderen ? 

Tweede Ring, 1828. 

V. — Klagten : 

1. — Van den Qusestor van het Weduwen Fonds over de onregelmatige voldoening der participanten 

van hunne contributiën. 

2. — Van den Qusestor van het Synodale Eonds, over nalatigheid van sommige kerketi in het betalen 

van de Synodale penningen. 

VI. — Voorstellen en Vragen van bijzondere Kerkeraden : 

1. — Revisie en Verbeteringen van het gedrukt Keglement voor de Svnodale Vergadering. 

Tulbagh, 1828. 

2. — Vermeerdering van het getal Ringen. 

Tulbagh, 1828. 

3. — Middelen te beramen ter oprigting van een Eonds tot onderhoud van Zendelingen en Catechi- 

seermeesters. 

Tulbagh, 1828. 

4. — Het Kort Begrip in het Engelsch vertaald te krijgeu. 

5. — Copij der Synodale Handelingen eene maand na het houden derSynode aan de Scriba’s der Rin- 

gen, en door dezen aan elken Kerkeraad verzonden te hebben. 

Tulbagh, 1828. 

6. — Dat het Avondmaal gelijktijdig aan alle Leden zonder onderscheid van kleur of afkomst worde 

toegedieud. 

Zwartland, 1829. 

R 






80 



# 



VII, 



7. — Dat de Piketbergen, onder het Kaapsche district gelegen, beschouwd mogen worden tot de 

Zwartlandsche Gemeente te behooren. 

Zwartland, 1829. 

8. — Aan wien ligt de magt Kerkelijke grensscheidingen te maken ? 

Tulbagh, 1828. 

9. — Kan men iu voorkomende omstandigheden eene buitengewoue Kingsvergadering beleggen ? 

Tulbagh, J828. 

10. — Kunnen ongedoopten in het Huwelijk worden bevestigd? 

Tulbagb, 1828. 

11. — Moeten niet de Hnwelijks afkondigingen op den Zondag geschieden? VVat is daaromtrent de 

magt des Predikants ? 

Tulbagh, 1828. 

12. — Zoude het niet nuttig zijn tot behulp van den Predikant, bij Huisbezoekingen ver van de Kerk 

afwonende Ouderliugen te hebben, die nogtans geen stem in de Vergadering hebben ? 
Tulbagh, 1828. 

13. — Om weder overweging van het in de Eerste Synode gedane voorstel betrekkelijk de Kerk van 

Schotland. 

14. — Zullen Leden der Kerk tot het Avondmaal worden toegelaten, die niet in het Huwelijk zijn 

bevestigd geworden, en in vleeschelijke gemeenschap met elkanderen leven ? 

Somerset, Hotteutots Holland, 1829. 

Stellenbosch, 1829. 

15. — Gaat de betaling van Huishuur aan eenen Predikant vóór de betaling van andere kosten uit het 

Kerkenfonds ? 

Tijgerberg, 1829. 

Vragen van Individueele Predikanten : 

1. — Is het regelmatig godsdienstig zingen met muziek gezelschap te ondersteunen, moet zulks niet, 
bij afwezigheid, met voorkennis van den Predikant geschieden ? 

Predikant Edgar, 1829. 



I 



DE 



HANDELINGEN 



DER 



VIERDE VERGADERING' 

VAN DE ALGEMEENE SYNODE 



DER 

NEDERDUITSCH GEREFORMEERDE KERK VAN ZUID-AFRIKA, 



GEBOUDEN 



IN DE KAAPSTAD, OP DEN 4den NOYEMBEP, 1834, 

EN VOLGENDE DAGEN. 



KAAPSTAD : 

GEDRUKT BIJ VAN DE SANDT D E VILLIEES & Co„ 
9, KASTEELSTB.AAT. 



1858. 






- 






























. 

' 


































' 


















- 
























' 





















- 

. - ■ 

* / 












SYNODALE HATOELINGEN, 



Ingevolge aanschrijving van het Kaapsche Ministerie, verschenen op heden, ten 9 
ure, de Afgevaardigden nit de verscheidene Kerken in de Kousistoriekamer. 

De Wel-Eerw. Heer A. Eaure merkte aan, dat het hem veel leed deed de Verga- 
dering te moeten bekend maken, dat ziju waardige ambtgenoot, de Wel-Eerw. Heer Von 
Manger, door onpasselijkheid verhinderd werd deze Vergadering bij te wonen, en dat het 
Prsesidinm, pro tempore, door hem moet worden waargenomen. Zoo verzocht hij de 
broeders hunne credentialen te willen overhandigen, waaruit bleek dat benoemd en ver- 
schenen waren, te weten : — 

Van de Kerk te Kaapstad. — De Wel-Eerw. Heeren Predikanten A. Paure en 
J. Spijker, mitsgaders de Ouderlingen P. J. Pentz en G. H. Maasdorp. 

Stellenbosch. — De Wel-Eerw. Heer Predikant Herold en de Ouderling W. A. 

Krige. 

Paarl. — De Wel-Eerw. Heer Predikant G. W. A. van der Lingen en de Ouder- 
ling T. L. du Toit. 

Zwartland. — De Wel-Eerw. Heer Predikant Moorrees en de Ouderling B. Siebrits- 
Tulbagli. — De Wel-Eerw. Heer Predikaut afwezig, maar tegenwoordig de Diaken 
C. de Klerk. 

Graaff-Reinet. — De Wel-Eerw. Heer Predikant A. Murray en de Ouderling 
J. P. Naudé. 

Zwellendam. — De Wel-Eerw. Heer Predikant W. Robertson en de Ouderling 
C. Coetzee. 

Caledon. — De Wel-Eenv. Heer Predikant J. Cassie en de Ouderliug B. Badenhorst. 
George. — De Wel-Eerw. Heer Predikant Ballot en de Ouderling P. Botha. 
Uitenliage. — De Wel-Eerw. Heer Predikant Alex. Smith en de Diaken M. J. 

Potgieter. 

Cradock. — Geene Afgevaardigden verschenen. 

Somerset ( Hottentots Holland). — De Wel-Eerw. Heer Predikant Edgar en de 
Ouderling H. Hendriks. 

Beaufort. — De Wel-Eerw. Heer Predikant C. Fraser, maar geen Ouderling. 
Worcester. — De Wel-Eerw. Heer Predikant H. Sutherland, maar geen Ouderling. 
Somerset. — De Wel-Eerw. Heer Predikant G. Morgan, maar de Ouderling R. 
Hart, die benoemd was geworden als Afgevaardigde, is verliinderd te kunnen verschijnen. 

Tijgerberg. — De Wel-Eerw. Heer Predikant J. J. Beck en de Ouderling M. L. 

Neethling. 

Clanmlliam. — De Wel-Eerw. Heer Predikant De Roubaix en de Ouderling A. 
E. van Wijk. 

R 



84 



Colesberg. — Geen Afgevaardigde verschenen. 

Wijnberg. — De Wel-Eerw. Heer Predikant P. E. Paure en de Ouderling C. 

Mostert. 

Glenlynden. — Geen Afgevaardigde verschenen. 

Albany.- — • dito dito. 

Balfour. — dito dito. 

Piketberg. — De Wel-Eerw. Heer Predikant-Consulent en de Ouderling J. A. 

Basson. 

Hierop bepaalde de Wel-Eerw. Heer A. Faure de aandacht van de Vergadering 
bij het 47ste Artikel der Algemeene Wet, en besluit der Synode van 11 November 1826» 
en merkte aan dat alsnu de Leeraar van Zwartland Prseses, en die van Tulbagh Scriba der 
Synode zijn moest ; doch dat Art. 47 er uitsluitende, dat die het scribaat bij de vorige 
Vergadering waargenomen hebbende, nu het prsesidium op zich zoude hebben te nemen. 

Zoo werd met eenparige stemmen tot Prseses benoemd de Wel-Eerw. Heer J. 
Spijker, die bij de vorige Vergadering Scriba is geweest, en de Leeraar van Tulbagh, 
wegens ongesteldheid, afwezig zijnde, zoo viel de beurt aan den Wel-Eerw. Heer A. 
Murray, Predikant van Graaff-Reinet, 

De Moderatuur dus gekozen en gezeten zijnde, verklaarde de Hoog-Eerw. Prseses 
deze Vergadering voor wettig geconstitueerd, en deed eene voortreffelijke aanspraak aan de 
Vergadering (Bijl.). Waarop de Scriba de Vergadering opende met het gebed. 

De Hoog-Achtbare Heeren Commissarissen Politiek, Sir J. A. Truter en Dr. D- 
F. Berrangé, van ’s kosters woning afgehaald en der Vergadering binnengeleid zijnde, 
werden zij door den Hoog-Eerw. Prseses verwelkomd met eenen hartelijken zegenwensch 
(Bijl.). 

Vervolgens begaf men zich naar het Kerkgebouw, alwaar, onder het zingen van 
gezang 1, het predikgestoelte (nadat Zijne Excellentie Sir B. D’Urban en gevolg waren 
binnengeleid) beklommen werd door den Hoog-Eerw. Heer Prseses, die eene uitmuntende 
redevoering deed (Bijl.). 

De Hoog-Achtbare Heer Commissaris Politiek, Sir J. A. Truter, sprak op een e 
treffende wijze de Vergadering aan, gelijk blijkt uit Bijl. 

Hierop werd het gebed gedaan door den Praeses, en daarna door de gemeente 
gezongen gezang 96, en na het uitspreken van den zegen verwijderde zich de vergaderde 
menigte uit het Kerkgebouw. 



EERSTE ZITTING. 

Dingsdag, den 4>den November 1834. 

De Afgevaardigden der onderscheidene gemeenten hunne plaatsen naar den 
ouderdom der Kerken genomen hebbende, bepaalde de Hoog-Ed. Heer Sir J. Truter, 
Ridder, een der Commissarisseu Politiek, de aandacht der Vergadering bij een gedeelte van 
den last hun Hoog-Ed. bij deze gelegenheid, even als te voren, van ’s Gouvernementswege 
opgedragen, om namelijk toe te zien, dat de Vergadering zich met zaken, welke de 



85 



burgerlijke regering betreífen, niet inliet, doch zich slechts bij kerkelijke zaken bepaalde. 

De Wel-Eerw. A. Faure overhandigde nu aan den Hoog-Eerw. Praeses, namens 
het Ministerie der Kaapsche Kerk, eenige docuraenten, te weten : — 

Copij brief, aan het Gouvernement verzoekende om Commissarissen Politiek te 

benoemen. 

Antwoord van den Gouverneur. 

Copij aanschrijving aan de onderscheidene Kerkeradeu. 

Beschrijvingspunten van de onderscheidene Kerken ontvangen (Bijl.). 

Hierop werd door den Scriba het “ Reglement van Orde,” door de Synode van 
1824 ontworpen, voorgelezen, terwijl de Hoog-Eerw. Prseses de hoop te kennen gaf, dat de 
onderscheidene Leden hetzelve stiptelijk zouden nakomen. 

De Scriba gaf aan de Yergadering zijne bezwaren te kennen, dat hij, wegens den 
grooten afstand, waarop hij van de hoofdstad woonde, en de noodzakelijkheid, die hem 
opgelegd was, om zoo spoedig mogelijk na het sluiten der Vergadering te vertrekken, niet 
in staat zoude wezen om de pligten als Scriba naar behooren waar te nemen, en verzocht 
derhalve, dat een ander, in of nabij de stad woonachtig, in zijne plaats moge worden 
aangesteld; waarop voorgesteld en algemeen goedgekeurd werd, om zijn Hoog-Eerw. 
volgens Art. 25 van het “ Reglement van Orde,” een Assistent te benoemen, die ook na 
het vertrek van zijn Hoog-Eerw. de expeditien zoude kunnen doen. 

De Wel-Eerw. Heer W. Robertson, Predikant van Zwellendam, werd hierop als 
Assistent benoemd, die ook bereidwillig de pligten op zich nam. 

De Wel-Eerw. Robertson merkte hier aan, dat er hem iets ongeregelds voorkwam 
in het benoemen van den Wel-Eerw. Heer P. E. Paure, als een der afgevaardigden van de 
gemeente aan den Wijnberg, daar zijn Eerw. slechts provisioneel aangesteld en nog niet aan 
de gemeente voorgesteld is, waarop, na rijpe deliberatie, besloten werd om, aangezien de 
bijzondere omstandigheden waariu de Gemeente van den Wijnberg thans verkeert, en opdat 
dezelve, die zijn Wel-Eerw. benoemd had, in het volle vertrouwen dat hij door de Yergade- 
ring erkend en aangenomen zoude worden, niet van het voorregt van twee stemmen ver- 
stoken zoude worden, aan zijn Wel-Eenv. zitting te vergunnen. 

Door den Wel-Eerw. Heer A. Paure aangemerkt zijnde, dat de credentialen van 
eemgen der afgevaardigden alleen door den Scriba des Kerkeraads onderteekend zijn, zoo 
werd besloten, dat dezelve voortaan door alle tegenwoordige Kerkeraadsleden onderteekend 
zullen worden, en dat dit besluit medegedeeld zal worden aan de onderscheidene gemeenten 
alwaar het nog niet gebruikelijk is. 

Ook werd besloten, dat de voormalige Prseses zal blijven ageren tot dat zijn 
opvolger aangesteld zal zijn, en in die betrekking de credentialen der onderscheidene afge- 
vaardigden zal opeischen, instede van het Kaapsche Ministerie, hetwelk tot hiertoe het 
gebruik geliad heeft om zulks te doen. 

De Hoog-Eerw. Actuarius deed nu verslag van zijne verrigtingen sedert de laatst 
gehoudene Vergadering, en werd daarop door den Hoog-Eerw. Prseses, namens de Vergade- 
ring, voor zijne gedane rnoeite bedankt; zullende de onderscheidene punten, in gemeld 
verslag voorkomende, in. de zitting van morgen in overweging genomen worden. 

Verder werden benoemd en aangesteld, tot “ Rationarii” ter opneming van alle 
rekeningen van ontvangst en uitgaaf de Synodale Pondsen betreffende, volgens besluit van 

R* 



86 



11 November 1826 : uit de afgevaardigden der Kaapscbe Kerk, de Heer G. H. Maasdorp; 
uit den Eersten Ring, de Wel-Eervv. T. Herold ; uit den Tweeden Ring, de Wel-Eerw. J. J. 
S. Ballot ; en uit den Derden Ring, de Wel-Eerw. A. Smith. 

De Hoog-Eerw. Prmses gaf nu aan de Vergadering te kennen, welke punten in de 
Zitting van morgen ter tafel gebragt zullen worden. 

Waarop de Vergaderiug, na gebed door den Scriba, tot morgen, ten 10 ure. 
uitgesteld werd. 

Geresumeerd en goedgekeurd, lieden, den 5den November 1834. 



TWEEDE ZITTING, 



Woensdag, den 'hden November 1834. 



1 



Nadat de Leden allen bijeengekomen waren, alsook de Hoog-Edele Commissarissen 
Politiek, en het gebed door den Scriba gedaau was, werden de Notulen der vorige Zitting 
geresumeerd, en door onderteekening goedgekeurd. 

Hierop werd door den Hoog-Eerw. Prseses bekend gemaakt, dat drie Heeren Oud- 
Ouderlingen der Hervormde K er k zich gemeld hadden, wenschende de Vergadering te 
mogen spreken. GedelibereercTzijnde over dit verzoek, ontstond er bij velen der Leden een 
twijfel, of ketzelve wettig toegestaan zou kunnen worden ; doch de stemming genomen 
zijnde, werd door de meerderkeid besloten, dat gemelde heeren binnen gelaten zouden 
worden, die, hierop binnen gelaten zijnde, eene memorie van zekere Regerende en Oud- 
Ouderlingen en Diakenen, en andere Leden der Hervormde Gemeente, aan de Vergadering 
overleverden, verzoekende, dat de werkzaamheden der Synodale Vergadering niet met opene, 
maar als voorheen, met geslotene deuren geschieden mogten (Bijl.). 

Nu werden de onderscheidene punten, in het verslag van den Hoog-Eerw. Actua- 
rius voorkomende (Bijl.), voorgelezen en over dezelve gedelibereerd. 

Op de vraag, of de handelwijze van den Quaestor van het Predikanten-Weduwen 
Fonds, gelijk dezelve in het Rapport van den Actuarius nader beschreven is (zie No. 3,), de 
goedkeuring der Vergadering wegdraagt, werd er eenparig met Ja geantwoord. 

Gedelibereerd zijnde over de handelwijze van den Derden Ring, in het aannemen 
en toelaten van den Wel-Eerw. Heer Jokn Pears, Predikant van Glenlynden, tot de Ver- 
gadering van gemelden Ring (zie No. 4 ; zie ook Correspondentie van u den Ring, Bijl.), 
zoo werd dezelve goedgekeurd, en besloten, dat in zulke gevallen de respectieve Ringen 
handelen zullen overeenkomstig de bepalingen gemaakt in 1829, op Art. 137 van het 
Algemeen Reglement. 

De vraag in overweging genomen zijnde (zie No. 5), of de Quaestor gemagtigd is, 
van den Wel-Eerw. Heer John Pears, die, als Predikant van Glenlynden, het Reglement van 
het Weduwen Ponds heeft geteekend, doch kort daarop zijne betrekking op die gemeente 
verbroken heeft, om Professor in het Z. A. Athenseum te worden,— inleg en contributie 
iíelden te ontvangen, zoo werd er door eene meerderheid van 17 tegen 14 stemmen besloten, 
dat, wanneer zijn VVel-Eerw. zijne inleg-penningen betaald en de achterstallige contributien 
aangezuiverd heeft, en voortaan geregeld blijft contribuëren, zijne weduwe en kinderen aan 
al de voorregten van een lid deelen mogen. 



87 



Gedelibereerd zijnde over de handelwijze van den Derden Ring, in het erkennen 
van de Gemeente aan de Kat Rivier als tot gemelden Ring behoorende, zoo werd dezelve, 
even als in het geval van Glenlynden, goedgekeurd. 

Op de vraag (zie No. 11), of de Bijlagen, met de Notulen der respectieve Rings- 
vergaderingen, aan den Actuarius ter bewaring overgezonden moeten worden, werd dit 
algemeen voor noodzakelijk beschouwd, en derhalve besloten, dat zulks voortaan geschiede. 

Gelezen zijnde zekere memorie aan Zijner Majesteits Secretaris van Staat, de 
oprigting eener Theologische Kweekschool alhier op het sterkste aanbevelende, ondersteund 
door eene memorie aan Zijne Excellentie Sir Lowry Cole, als ook andere documenten 
betrekkelijk dezelfde zaak (zie No. 13), werd besloten om de Commissie door de Synode 
tot het Bestuur benoemd, voor de gedane moeite te bedanken. 

Betrekkelijk zekere klagten, door den Heer Pringle, van Glenlynden, tegen den 
Wel-Eerw. Heer Welsh, door den Actuarius ontvangen (zie No. 14), werd er eenparig 
besloten, om de zaak naar de Ringsvergadering, volgens Art. 6 van het Algemeen Reglement, 
te renvoyeren. 

Gedelibereerd zijnde over de handelwijze van den Derden Ring, in het toelaten 
van den Wel-Eerw. Heer Thomson tot Lid van gemelden Ring, op zeker document, 
inhoudende, dat hij door eene Commissie in Londen geordend was geworden, zoo werd 
bevonden, dat gemelde Ring, in dit geval, niet formeel gehandeld heeft. 

Hierop werd door den Wel-Eerw. Heer Eaure voorgesteld, dat, daar de Wel-Eerw. 
Heer Thomson de wetten onzer Hervormde Kerk reeds onderteekend heeft, en sedert eenige 
jaren als Lid der Ringsvergadering is erkend geworden, zijn Wel-Eerw. ook voor Lid der 
Synode erkend zal worden, — welk voorstel door meerderheid van stemmen goedgekeurd 
werd, met bijvoeging echter, dat dergelijke gevallen in het toekomende niet zullen mogen 
doorgaan. 

De Hoog-Edele Commissarissen Politiek gaven hierop te kennen, dat zij, volgens 
Art. 50 van de Kerkenorder van den Commissaris-Generaal De Mist, de conclusie van dit 
punt surcheerden, tot dat zij deswegens de welmeening van den Gouverneur zouden hebben 
kunnen vernemen ; te gelijk verzoekende om copy van het document betrekkelijk de orde- 
ning van gemelden Heer Thomson, zullende inmiddels de zaak blijven statu, quo. 

Bij de andere punten in gemeld verslag van den Hoog-Eerw. Actuarius voor- 
komende, viel er niets te zeggen. 

Waarop de Prseses te kennen gaf, welke punten in de Zitting van morgen behan- 
deld zouden worden, en verklaarde de Vergadering, na dankzegging door den Scriba, tot 
morgen, ten 10 ure, uitgesteld. 

Geresumeerd en goedgekeurd, heden, den 6den November, 1834 



88 



DEÍtDE ZITTING, 

Donderdag, den 6den November 1834. 

Tegenwoordig al de Leden, benevens de Wel-Edele Hoog-Achtbare Commissarissen 
Politiek, uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius en den Broeder Ouderling Maasdorp, die 
beiden wegens ongesteldkeid verkinderd waren de Vergadering bij te wonen, en de Wel- 
Eerw. Heer Herold, die, wegens de ongesteldkeid zijner ecktgenoote, verpligt was de stad te 
verlaten. 

Na ket gebed door den Scriba, werden de Notulen der vorige Zitting geresumeerd 
en onderteekend. 

Hierop stelde de Scriba voor, dat de Wel-Eerw. Heer P. E. Paure verzockt zoude 
worden om de dieust als Actuarius waar te nemen, ketgeen nem. con. werd goedgekeurd. 

De Hoog-Eerw. Voorzitter deelde nu aan de Vergadering mede, dat zijn Hoog- 
Eerw. de Punten van Besckrijving kad nagezien, en van gevoelen was, dat er sleckts twee 
waren waarvoor Commissien vereisckt werden, — dat namelijk betrekkelijk ket onderwijs 
der Heidenen, en ket ander betrekkelijk ket onderwijs der Ckristelijke Jeugd. 

Voor ket eerste werden als eene Commissie benoemd, de Wel-Eerw. Heeren 
Van der Lingen, Ballot, Morgan en Fraser ; en voor ket tweede, de Ouderling Pentz, en de 
Wel-Eerw. Smitk, Sutkerland en P. E. Faure, — met bijvoeging, dat de Rapporten Zatmdag 
zullen moeten ingeleverd worden. 

Hierop werd het voorstel van den Wel-Eerw. Heer Morgan ter tafel gebragt, te 
weten : “ Dat er een Bedestond in ket openbaar gekouden worde, om den zegen des Heeren 
over onzen arbeid en om de uitbreiding van ket Rijk van Christus in ket algemeen af te 
smeeken.” 

Dit voorstel door den Wel-Eerw. Heer Morgan met eene kartelijke aanspraak, ter 
opkeldering zijner bedoeling, opgevolgd zijnde, werd er over ketzelve gedelibereerd en 
besloten, om de zaak niet als in eene Synode te bekandelen, maar aan de broeders over te 
laten, zulks onder elkander te arrangeren, dock overeenkomstig ket gebruik van onze Kerk. 

Men gingnu over tot de Behandeling der Beschrijvingspunten (Bijl.). 

In ket eerste punt, over Ringsbestuur, betrekkelijk “ liet liouden van Rings en 
Synodale Vergaderingen met opene deuren, in overweging genomen zijnde, nadat de Hoog. 
Eerw. Praeses vooraf met de Hoog-Edele Commissarissen Politiek omtrent ket onderwerp 
gepraeadviseerd kad, gaven versckeidene der Leden kunne gevoelens over ketzelve. 
llierop werden de stemmen genomen, waaruit bleek, dat ket voorstel venvorpen was door 
eene meerderkeid van 22 tegen 8. 

Het tweede punt werd nu in overweging genomen, namelijk, omtrent “ ket 
bijwonen der Ringsvergaderingen door fungerendeen oud Kerkeraadsleden, des verkiezende, 
doch werd ook verworpen door eene meerderkeid van 24 stemmen tegen 6. 

Betrekkelijk ket derde punt, “ ket Synodale besluit omtrent gedeputeerden uit de 
Kaapstad tot de Ringsvergaderingen,” werd voorgesteld en algemeen goedgekeurd, dat, 
daar de Wel-Eerw. Heeren Faure en Herold bijzondere kennis van al de redenen kieromtrent 
droegen, de overwegino; van ketzelve uitgesteld zoude worden, tot dat gemelde Broeders 

O 7 D O O w 

tegenwoordig zouden kunnen zijn. 



89 



Het vierde voorstel, om, nameliik, “ een permanenten Scriba voor elken Ring aan 
te stellen,” werd algemeen goedgekeurd ; terwijl eene Commissie, bestaande uit den Hoog- 
Eerw. Quaestor en de Wel-Eerw. Heeren Moorrees en Cassie, benoemd werd, om een voor- 
stel te doen betrekkelijk de remuneratie van gemelde permanente Scribas. 

Het eerste punt, onder de afdeeling Kerkbestuur, aangaande “ het maken van 
bepalingen betrekkelijk de vakken van Studie, enz., enz., enz.,” werd op verzoek van den 
voorsteller en met algemeene toestemming ingetrokken. 

Het tweede punt, betrekkelijk “ampliatie, enz.,” werd uitgesteld, tot dat de voor- 
steller, de Wel-Eerw. Heer A. Faure, tegenwoordig zoude kunnen zijn. 

Op het derde punt, te weten, “ ampliatie van het Synodale besluit van 5 Novem- 
ber 1829,” werd besloten , dat de Bevestiger van eenig uitgekomen Predikant verpligt zal 
worden om een bewijs te vorderen, dat de noodige documenten ook aan den Prseses van den 
Ring vertoond zijn geworden. 

Op het vierde punt, waarin gevraagd wordt, “ of de Synode het goedkeurt, dat er 
in onze Kerk, door onze Leeraars, in het Engelsch gepredikt wordt,” werd besloten, “ dat een 
ieder vrijheid hebbe, en aangemoedigd worde, waar zulks geschieden kan en noodig is, om 
dit te doen, mits zonder nadeel aan de Hollandsche gemeente, en met voorafgegane kennis 
aan den Kerkeraad omtrent het gebruik van het kerkgebouw. 

Het vijfde punt, omtrent “ de noodzakelijkheid om in het Distrikt Clanwilliam, of 
afgelegene plaafsen, Ouderlingen aan te stellen,” werd ingetrokken, beschouwd zijnde als 
eene zaak welke het Gouvernement betreft. 

Over het zesde punt, te weten, “ Emendatie van Art. 30 van het Reglement van 
Commissaris-Goneraal De Mist, enz.,” gedelibereerd zijnde, gaven verscheidene der Leden te 
kennen, dat zij iiieromtrent moeijelijkheden hadden ondervonden, waarop besloten werd, om 
deze zaak aan het Gouvernement voor te dragen, en de Hoog-Ed. Commissarissen Politiek 
te verzoeken, dezelve bij het Gouvernement op de ernstigste wijze aan te dringen. 

Eindelijk deelde de Hoog-Eerw. Praeses de Vergadering mede, dat men morgen 
met de Besclirijvingspunten zoude voortgaan ; waarop dankzegging tot God door den Scriba 
gedaan werd, en de Vergadering tot morgen, ten 10 ure, door den Hoog-Eerw. Prreses 
uitgesteld werd. 

Geresumeerd en goedgekeurd, heden, den 7den November, 1834. 



VIERDE ZITTINQ. 

Vrijdag, den Iden November 1834. 

Tegenwoordig al de Leden, nevens den IIoog-Edelen Heer Berrangé, Commissaris 
Politiek, uitgenomen den Wel-Eerw. Heer Herold, benevens den Broeder Diaken Potgieter, 
een der afgevaardigden van Uitenhage, door ongesteldheid verhinderd, en de Hoog-Edele 
Achtbare Heer Commissaris Politiek Sir John Truter, Ridder. 

Na gebed door den Scriba, werden de Notulen der vorige Zitting geresumeerd en 
onderteekend. 

Met de resumptie, echter, werd aangemerkt, met betrekking tot No. 3, onder het 
Hoofddeel Ringsbestuur, dat, bijaldien de Hoog-Eerw. Heer Herold niet in staat mogt 



90 



wezen de Vergadering alweder bij te wonen, hetzelve niettegenstaande in den loop der 
Synode behandeld zal worden. 

De Hoog-Eerw. Praeses gaf hierop aan de Vergadering te kennen, dat het zijn 
Hoog-Eerw. gebleken was, dat de deliberatie van gemelde Art. 3, niet langer behoefde te 
worden uitgesteld. Hierop ging men over tot de overweging van hetzelve, waaruit bleek, 
dat in de laatste Synode, gehouden in 1829, een besluit genomen was, dat slechts één 
Predikant uit de Kaapstad, vergezeld van eenen Ouderling, geregtigd zal wezen om de 
Ringsvergaderingen bij te wonen, waaromtrent de Wel-Eerw. Heer Faure zich bezwaard 
gevoelde, en niet in de gelegenheid geweest zijnde om die bezwaren aan de Synode, bij het 
nemen van dit besluit, wegens zijne absentie, voor te dragen, zich geadresseerd had aau de 
Moderatoren van voormelde Synode, die, om het gewigt hetwelk zij aan gemelde bezwaren 
hechtten, zich geauthoriseerd rekenden, om het besluit der Synode aan het Gouvernement 
niet op te dragen ; dat de Moderatoren ook Leden van den Eersten Ring zijnde, aan den 
Ring hadden voorgedragen, dat wegens de gewigtige redenen door den Wel-Eerw. Heer 
Faure ingebragt, de zaak bij denzelven in suspensie gehouden worde, tot dat dezelve aan 
eene volgende Synode voorgelegd zoude worden, hetgeen ook door gemelden Ring niet 
afgekeurd is geworden. 

De Vergadering lang over deze zaak gedelibereerd hebbende, werd er eindelijk 
besloten, dat de tegenwoordige Synode het gedrag van gemelde Moderatoren als ineormeel 
beschouwt, docli niettegenstaande, om de redenen in gemelden brief van den Wel-Eerw. 
Heer Faure voorkomende, het besluit der Synode van 1829 herroept. 

Men ging nu tot het delibereren over het tweede punt, onder het Hoofddeel 
Iverkbestuur, om ampliatie verzoekende, door een beboorlijk Reglement op Artikels XIX. 
en XX., der gedrukte wetten door de Synode ontworpen in 1829 (zie pag. 9 en 10), waar- 
uit eene vraag ontstond omtrent het regt van gemeenten om hunne leeraren te beroepen. 
Ëenigen waren van gevoelen dat deze zaak aan het Gouvernement voorgedragen zoude 
wordcn, terwijl anderen meenden dat dit uitgesteld zoude worden, en de stemmen genomen 
zijnde, zoo werd er door eene meerderheid besloten, om de zaak, zoo als dezelve zich thans 
bevindt, te laten berusten. 

Hierop stelde de Wel-Eerw. Heer A. Faure voor, dat het voorstel betrekkelijk 
reeds gemelde Artikels XIX. en XX., ook uitgesteld worde, hetgeen de goedkeuring der 
Vergadering wegdroeg. 

Men ging nu over tot het zevende punt op het Kerkbestuur, waarin gevraagd 
wordt hoe gehandeld zal worden omtrent het doopen van onechte kinderen, wier ouders 
geene doopgetuigen kunnen vinden. De Wel-Eerw. Heer Robertson, door wien als Leeraar 
van Clanwilliain, deze vraag gedaan was, de noodige explicatie daaromtrent gegeven heb- 
beude, zoo werd er besloten, dat bijaldien de ouder of ouders, van Kerkelijke Censuur ont- 
heven worden, de kinderen alsdan voor dezelve gedoopt kunnen worden, doch, zoo dat niet, 
wegens de voortdurende ontucht der ouders, geschieden kan, dat zulke kinderen, ín dat 
geval, ongedoopt zuilen moeten blijven, tot dat zij in staat zullen wezen hunne belijdenis 
te doen, en alzoo tot den Doop toegelaten worden. 

Over het achtste punt gedelibereerd zijnde, bleek het, dat bij de Kaapsche Kerk 
lang het gebruik bestaan heeft om geene als kinderen boven de zeven jaren te doopen, tot 
dat zij hunne belijdenis hebben afgelegd, — waarop besloten werd, om bij het gebruik der 



91 



Kaapsche Kerk te blijven, zonder echter eenige discretie hieromtrent aan leeraren over te 
laten, gelijk hun bij het besluit des Eersten Rings, in 1833, werd toegekend. 

Over het gratis verleenen van Kerkelijke Attestatiën aan Leden van nieuw 
gestichte gemeenten (zie No. 9), werd besloten om zulks toe te staan, doch alleen ten 
opzigte van die gemeenten, van welke de nieuwe afgescheiden zijn. 

Over het verzoek om eene ampliatie te mogen hebben op het Sjnodale besluit van 
No. 16, 1824, betrekkelijk het ligten en inleveren van Kerkelijke Attestatiën, werd er na 
rijpe overweging besloten, daar het gebleken was, dat dit Reglement in vele plaatsen niet 
wordt nagekomen, om de Hoog-Edele Commissarissen Politiek te verzoeken, eerbiedig aan het 
Gouvernement voor te dragen, dat eene herinnering hieromtrent, aan de Civiele Ambtenaren, 
dien zulks aangaat, op nieuw gedaan worde. 

De tijd tot deze Zitting nu verstreken zijnde, werd de Vergadering, na dankzeg- 
ging door den Scriba, tot morgen ten 10 ure door den Hoog-Eerw. Prseses uitgesteld. 

Geresumeerd en onderteekend, den 8sten November 1834. 



VIJRDE ZITTING. 

Zaturdag , den 8 sten November, 1834. 

Tegenwoordig al de Leden, benevens de Hoog-Edele Heeren Commissarissen 
Politiek, uitgenomen den Wel-Eerw. Heer Herold, en den Broeder Ouderling H. Maasdorp. 

Nadat het gebed door den Scriba gedaan was, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. 

Men ging nu over tot de overweging van het elfde der Beschrijvingspunten, onder 
het Artikel Kerkbestuur, inhoúdende een voorstel van eene verandering der bepalingen 
omtrent het verschijnen voor Commissarissen van Huwelijkszaken. 

De Wel-Eerw. Ileer Smith, die dit voorstel had ingezonden, gaf hieromtrent de 
noodige elucidaties, en verzocht dat, ter voorkoming van veel zedeloosheid, de Synode aan 
het Gouverneraent mogt voordragen, de noodzakelijkheid om het voor menschen in de 
Buitendistricten, die op eenen verren afstand van de Dorpen wonen, gemakkelijker te 
maken, voor Commissarissen van Huwelijkszaken te verschijnen, die alsdan ten tijde van 
Huisbezoeking in het Huwelijk zouden kunnen bevestigd worden. 

Men zag het belang der zake, doch te gelijk de moeijelijkheden derzelve in, 
waarop besloten werd, om dezelve aan het Gouvernement voor te dragen, met verzoek om, 
zoo mogelijk, in dezen nood te voorzien. 

No. 12 — over het afkondigen van twee of drie Huwelijks Proclamaties op éénen 
dag, en No. 13, over de Huwelijksafkondiging dergenen die kinderen in onecht geteeld 
hebben — werden door den Voorsteller, den Wel-Eerw. Roubaix, na bekomene elucidatie, en 
met algemeene toestemming ingetrokken. 

Het 14de der Beschrijvingspunten over de Huwelijksinzegening van Slaven, 
Bastaards, en Hottentotten, die niet gedoopt zijn, werd nu in overweging genomen, en na 
s 



92 



rijpelijk over hetzelve gedelibereerd te hebben, werd er besloten, dat onchristenen op het 
vertoonen eener Trouw Ordonnantie in het huwelijk zullen worden bevestigd, doch na het 
afloopen der gewone openbare godsdienst, in de Consistoriekamer, en wel op een tot dat 
einde bijzonder vervaardigd formulier. 

Verder werd er besloten, om ten einde in eenige andere moeijelijkheden hierom- 
trent zoo veel mogelijk te voorzien, eene Commissie te benoemen ter overweging van 
dezelve, als ook ter vervaardiging van gemeld Formulier, bestaande uit de Wel-Eerw. 
Heeren Robertson, Smith, Edgar, Moorrees, Roubaix en den Ouderling Neethling, met 
bijvoeging dat het Rapport Maandag ingeleverd zal moeten worden. 

Het 15de punt werd nu in overweging genomen, en na rijpelijk over hetzelve 
gedelibereerd te hebben, werd er besloten om, ter voorkoming van eene ontheiliging van 
den Sabbat, door hetgeen bij gelegenheid van huwelijken gewoonlijk plaats vindt, aan de 
respective Kerkeraden over te laten, om een zeker uur, op eenen anderen dag in de week 
ter inzegening van huwelijken te bepalen, wanneer het aan de Leeraren zal vrijstaan om 
personen in het huwelijk te bevestigen, zonder betaling van Rds. 25. 

Men ging nu over tot het maken van bepalingen omtrent het onderhoud van 
armen, uit andere gemeenten komende, wanneer besloten werd, dat iemand ten minste één 
jaar en zes weken lidmaat in de gemeente zijn zal, voor en aleer hij aanspraak zal kunnen 
raaken op eenige ondersteuning uit het armenfonds van die gemeente ; en dat aan armen, 
tot andere gemeenten overgaande, één jaar en zes weken na hun vertrek zal mogen worden 
toegestaan, in geval van noodzakehjkheid, de vergunde alimentatiepenningen te genieten. 

Het 17de punt ernstig in overweging genomen zijnde, werd er, na rijpe delibe- 
ratie, besloten, om de volgende ampliatie op Art. V. van het Reglement, betrekkelijk het 
ordenen van Zendelingen te maken, namelijk : “ Dat zoodanige ledematen, die door den 
Zendeling gedoopt en aangenomen zullen worden, ook als volle ledematen der Kerk zullen 
worden erkend, en op vertooning van hunne Attestatiën, door den Zendeling geteekend, of 
door het overlijden van den Zendeling, bij het overleggen van het Doop- en Ledematenboek» 
als ledematen in de Hervormde Kerk geboekt. 

Hierop werd er eene emendatie op gemeld Reglement, betrekkelijk het ordenen 
van Zendelingen, door den Hoog-Eerw. Prseses voorgesteld ; ook werd er een voorstel door 
den Wel-Eerw. Heer Van der Lingen, en eene vraag door den Wel-Eerw. Heer A. Faure, 
met genoemd Reglement in verband staande, gedaan, welke punten echter tot eene andere 
Zitting uitgesteld werden. 

Er werden nu, door de onderscheidene Commissarissen daartoe benoemd, inge- 
leverd en voorgelezen, de Rapporten betrekkelijk het onderwijs van Heidenen en van de 
Christelijke Jeugd in de buitendistricten, welke Rapporten, benevens twee Bijlagen daartoe 
behoorende, met dank aangenomen werden, wanneer de punten, waarop zij betrekking 
hebben, voorkomen. 

De Hoog-Eerw. Prseses verzocht echter aan de Leden der Vergadering, om 
in den tusschentijd wel te letten op de beste wijze om Onderwijzers te bekomen. 

De Wel-Eerw. Heer A. Faure deed nu eene vraag : “ Om welke reden is het 
besluit van 1829, betrekkelijk eenen Professor voor de Theologische Kweekschool, door de 
Gedeputeerden niet ten uitvoer gebragt ?” Welke vraag men besloot naderhand in overwe- 
ging te nemen. 



93 



De tijd tot deze Zitting nu verstreken zijnde, werd dankzegging door den Scriba 
gedaan, en de Vergadering tot Maandag, ten 10 ure, door den Hoog-Eerw. Prseses uit- 
gesteld. 

Geresumeerd en geteekend, den lOden November 1834. 



ZESDE ZITTING. 

Maandag, den lOden November 1834. 

Tegenwoordig al de Leden, benevens de Hoog-Edel Achtbare Heeren Commis- 
sarissen Politiek, uitgenomen de Wel-Eerw. Heeren Herold en Beck, en de Ouderling 
Mostert. 

Nadat het gebed door den Scriba gedaan was, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. 

De Wel-Eerw. Heer A. Smith stelde hierop voor dat in de Notulen bekend zoude 
staan, dat de Bedestond, door den Wel-Eerw. Heer Morgan in eene vorige Zitting voorge- 
steld, gisteren gehouden is, en door een aanzienlijk getal der Afgevaardigden tot de Synode, 
zoowel als anderen, bijgewoond was. 

Het Rapport der Rationarii, werd nu opgeeischt, doch, daar de tegenwoordige 
Leden der Commissie te kennen gaven, dat de Wel-Eerw. Heer Herold nog niet terugge- 
keerd was, zoo werd het inleveren van het Rapport voor nog eenigen tijd uitgesteld, in de 
hoop dat zijn Wel-Eerw. nog staande de Vergadering zal tegenwoordig kunnen wezen. 

Het Rapport der Commissie benoemd ter onderzoeking der bezwaren die zich 
mogten opperen betrekkelijk het trouwen van Christene n en Heidenen, werd nu ingeleverd, 
en voorgelezen. 

De Commissie ontving, door middel van den Hoog-Eerw. Praeses, den dank der 
Vergadering, zullende de inhoud van het Rapport naderhand in overweging genomen 
worden. 

Men ging nu over tot de Beschrijvingspunten. De vraag voorkomende in No. 
18, namehjk : “ Zullen er aanspraken bij de begraving van aanzienlijken, enz., gedaan wor- 
den ? ” werd door den voorsteller, den Wel-Eerw. Heer J. Edgar, na bekomen elucidatie 
ingetrokken. 

Omtrent het betalen van Doop-, Trouw- en Dood-extrakten met eene geldsom ten 
profijte van het Predikanten Weduwen Eonds (zie No. 19), werd besloten, dat daar in 
sommige gemeenten deze posten voor den Voorlezer en in andere voor den Koster zijn, 
extrakten met geene nieuwe belasting zullen worden bezwaard. 

No. 20 in overweging genomen zijnde, werd er door den Wel-Eerw. Heer A. 
Faure ter elucidatie te kenuen gegeven, dat de Kaapsch e Kerkeraad een besluit genomen 
had, om eene som van Dertig Rijksdaalders te heffen bij gelegenheid van het doopen van 
kinderen buiten ’s tijds, uiïgezonderd in dringende gevallen, waarin de ouders behoeftig zijn. 
s* 



94 



Dit besluit aan den Eersten Ring ter approbatie voorgelegd zijnde, werd door meerderheid, 
van stemmen besloten, om het verzoek naar de Synode te verzenden. 

Deze zaak aldus voorgedragen zijnde, heeft de Syn ode b&sloten, dit besluit niet af 
te keuren. ^ 



Hierop werd er door den Wel-Eerw. Heer Robertson voorgesteld, dat de Synode, 
om in al zulke gevallen te voorzien, besluite, ora in geene dan in zeer dringende gevallen, 
buiten de openbare godsdienst te doopen/en de geldsora bij welke gelegenheden te betalen, 
aan de onderscheidene Kerkeraden over 'têTlátêïrj^welk voorstel algemeen goedgekeurd 
werd. 



Het 21stepunt werd nu in overweging genomen, “omtrent het luiden der klokken 
voor eene som van 50 Rds., enz., waarop, na rijpe deliberatie, door eene meerderheid van 
stemmen, besloten werd, dat het luiden der klokken alleen geschieden zal, wanneer zulks 
door het Gouvernement wordt aangewezen. 

No. 22, over het heffen van kerkelijke contributie, enz., werd, na behoorlijke 
elucidatie door den Wel-Eerw. Heer Morgan, met algemeene stemmen ingetrokken. 

De Wel-Eerw. Heer Van der Lingen de noodige inlichting, omtrent het voorstel 
in No. 23 voorkomende, gegeven hebbende, betrekkelijk een Reglement voor Doodgravers 
en Aansprekers in de Buitendistrikten, zoo werden, met algemeene toestemming, degenen 
die er behoefte aan hebben, verwezen naar de Reglementen door den Kaapschen Kerkeraad 
onlangs hieromtrent ontworpen. 

Over het ontwerpen van een Formulier van Insinuatie of Dagvaarding, zie No. 24, 
werd ter elucidatie aangemerkt en algemeen goedgekeurd, dat, zoo personen door den 
Koster, uit naam van den Kerkeraad, en volgens den tijd bij de wet bepaald, aangezegd 
worden, en te gelijk de tijd, plaats en oorzaak behoorlijk bekeud gesteld worden, dit 
beschouwd moet worden als eene genoegzame dagvaarding, waarop het voorstel met alge- 
meene toestemming ingetrokken werd. 

Men ging nu over tot Hoofddeel III. over Grensscheidingen, en het Eerste 
Punt hierover, betrekkelijk eene scheiding tusschen Zwartland en de Paarl in overweging 
genomen zijnde, zoo bleek het, dat de volgende bepaling reeds door eene Commissie» 
daartoe benoemd, aan den Eersten Ring was voorgelegd, en door gemelden Ring goed- 
gekeurd, te weten : — 

“ De Groote Algemeene Wagenweg, komende van de plaats Leeuwendans, bezeten 
door den Heer Nikolaas van Wieling, voortloopende langs den Paardenberg, en van daar 
naar de Burgersdrift, zullende de plaats Leeuwendans behooren tot de Zwartlandsche 
Kerk.” 



Waarop de Synode besloot, om bovengemelde bepaling met hare goedkeuring te 
bekraclitigen. 

Hierna werd er gedelibereerd over het verzoek van den Kerkeraad van den Piquet- 
berg, om eene grensscheiding voor gemelde nieuwe gemeente te maken ; waarop voorgesteld 
en algemeen goedgekeurd werd, dat eene Commissie daartoe worde benoemd, bestaande uit 
den Wel-Eerw. Heer Moorrees, den Ouderling Van Wijk, den Ouderling Basson, en den 
Diaken De Kterk, — die een behoorlijk en duidelijk verslag aan de Vergadering van den 
Eersten Ring zulleu inzenden, daar de Scriba van den Eersten Ring verpligt wordt copij van 
dat Rapport aan den Tweeden Ring in te zenden, zullende de goedkeuring van den Tweeden 



95 



Ring bekomen zijnde, de zaak door den Eersten Ring, als eene Synodale Commissie, aan 
het Gouvernement ter goedkeuring worden voorgedragen. 

Het voorstel van Somerset (Hottentots Holland) om, namelijk, eene nieuwe grens- 
scheiding te mogen hebben, in overweging genomen zijnde, en de Wel-Eerw. Heer Edgar 
over de zaak gehoord zijnde, zoo werd er voorgesteld, algemeen goedgekeurd en den 
Kerkeraad van Somerset aanbevolen : — dat, daar de scheiding, die thans bestaat, gemaakt is 
door het Gouvernement, en er nu zwarigheden bestaan, genoemde Kerkeraad aan het 
Gouvernement verzoeke, om de vrijheid te mogen hebben deze zaak aan het Kerkelijk 
Bestuur, waartoe de kwestie behoort, ter onderzoeking te onderwerpen. 

Op de vraag van den Eersten Ring komende : “ Wie de kosteu van eene Com- 
missie ter bepaling van grensschiedingen zullen betalen ? ” werd er eenstemraig geantwoord, 
dat dezelve gedragen moeten worden door de belanghebbenden ter wier behoeve de Com- 
missie benoemd werd. 

Het Rapport der Commissie, benoemd ter bepaling van de som die gegeven zal 
worden aan de Permanente Scribas, werd nu ingeleverd, voorgelezen en met dank aange- 
nomen. 

Waarop zekere vragen door den Wel-Eerw. Heer P. E. Faure, betrekkelijk het 
toelaten van andere Protestanten tot de Hervormde Kerk,' enz., enz., werden inhandigd en 
voorgelezen, zullende dezelve naderhand in overweging genomen worden. 

Dankzegging werd nu door den Scriba gedaan, en de Vergadering tot morgen ten 
H) ure door den Hoog-Eerw. Prseses uitgesteld. 

Geresumeerd en geteekend, heden den llden November 1834. 



ZEVENDE ZITTING. 



Dingsdag , den 11 den November 1834. 



Tegenwoordig al de Leden, benevens den Hoog-Edel Achtbaren Heer Sir 
John Truter, Ridder, Commissaris Politiek, uitgenomen den Wel-Eerw. Heer Herold, van 
wien de Hoog-Eerw. Prseses te kennen gaf, dat zijn Wel-Eerw. niet zoude terugkomen, en 
de Ouderling van de Paarl, J. J. du Toit, door ongesteldheid verhinderd. 

De Hoog-Eerw. Prseses zeide, dat hij met leedwezen aan de Vergadering moest 
raededeelen, dat wij den anderen Commissaris Politiek, den Hoog-Edelen Heer Berrangé, 
heden in ons midden niet zouden kunnen hebben. 

Na het gebed door den Scriba, werden de Notulen der vorige Zitting geresumeerd 
en geteekend ; waarop een voorstel werd ingeleverd door den Scriba, dat Art. 5, pag. 4, 
op de alteratie van Art. 137, enz., volgens besluit der Synode van den lOden November 
1829, in revisie mogt worden gebragt. 



96 



Ook werd er een voorstel door den Ouderling van Graaff-Reinet gedaan, omtrent 
het bedienen der Sacramenten aan Leden van andere Kerkgenootschappen, zullende beide 
voorstellen naderhand in overweging gebragt worden. 

Men ging nu tot de Besclirijvingspunten over, en wel eerst tot het eerste punt 
onder het Hoofddeel Onderwijs, zijnde over het onderwijs der Heidenen. 

De Hoog-Eerw. Praeses maakte eenige aanmerkingen omtrent het inleveren van 
twee onderscheidene Rapporten, door ééne Commissie, als strijdig zijnde met het doel, 
waartoe eene Commissie aangesteld is, zijnde eigenlijk om door onderlinge beraadslagingen 
een geheel te leveren. 

De Hoog-Eerw. Praeses merkte verder aan, dat hij getracht had beide Rapporten 
tot één te brengen, en las daarop het Rapport met de twee Bijlagen voor (zie Bijl.), en 
deelde hierna zijne gedachten aan de Vergadering ter overweging van beiden mede, verge- 
zeld van eenige Emendatiën (zie Bijl.). 

Er werd door den Wel-Eerw. Heer Morgan voorgesteld en algemeeu goedgekeurd, 
dat de warmste dank der Vergadering aan den Hoog-Eerw. Praeses voor de gedane moeite 
betuigd worde, hetgeen ook geschiedde. 

De Wel-Eerw. Heer Van der Lingen gaf eene toelichting omtrent de Emendatiën 
door den Hoog-Eerw. Heer Prseses voorgesteld, waaruit bleek, dat hij in de meeste punten 
met Zijn Hoog-Eerw. overeenstemde. 

Men ging nu over tot de overweging der Emendatiën door den Hoog-Eerw. 
Praeses op Art. 1, 2, 3, 6 en 13 van het Ontwerp, in welker plaats werden aangenomen de 
twee volgende Artikelen, te weten, tot Art. 1 : “ Om in de eerste behoeften van het Onder- 
wijs der Heidenen te voorzien,! verbinden zich al de Leeraars der Hervormde Godsdienst 
in deze Volkplanting, om hetzelve te helpen bevorderen; vooreerst : door de doelmatig inge- 
rigte Zendelings-Instituten, binnen hunne kerklimiet, met voorkennis en goedkeuring van 
den plaatselijken Kerkeraad bestaande, zoo veel mogelijk te ondersteunen, en daartoe de 
gemeenteleden tot milde bijdragen in geld op te wekken, en de Heidenen zelven tot ijverig 
gebruik maken van dezelve aan te sporen ” ; ten Tioeede : “ Door de Heidenen, waar zulks 
doenlijk is, den toegang en de bijwoning van de openbare godsdienstoefeningen der Chris- 
tenen gemakkelijk te maken; en, ten Derde, door inzonderheid ter plaatse waar geene 
Zendelings-Instituten zijn, wanneer tijd en krachten zulks niet verhinderen, en men het doen 
kan zonder nadeel van de aan de zorg der Leeraren toevertrouwde Christelijke gemeente, 
het onderwijs der Heidenen op zich te nemen, en onderwijzers voor Heidenen te vormen. 

Tot Art. II. De aldus door de Leeraars gevormde Onderwijzers of Katechiseer- 
meesters, zullen, zoodra zij in hunnen kring werkzaam zijn, eene naar den staat der geld- 
middelen en andere omstandigheden nader te bepalen som gelds, jaarlijks ontvangen. 

De andere Artikelen van het Ontwerp zijn allen goedgekeurd en aangenomen. 
Zie Ontwerp (Bijl.). 

Men ging nu over tot het ontwerpen van een Reglement betrekkelijk het oprigten 
van een Ponds voor School- en Katechiseermeesters (Bijl.). 

Art. 1, betrekkelijk het opwekken der gemeente tot milde bijdragen, werd aan- 
genomen, terwijl er aangemerkt en goedgekeurd werd, dat dit eeu zeer geschikt onderwerp 
was voor eenen Herderlijken Brief. 



97 



Art. 2 werd ook aangenomen, met deze ampliatie, dat het getal der Leden, en de 
tijd gedurende welke het Comité fungeren zal, aan de Kerkeraden overgelaten worde. 

Arts. 3, 4, 5, 6, 7 en 8 zijn allen goedgekeurd en aangenomen geworden. 

Art. 9 is ook aangenomen, met eene ampliatie en emendatie op No. 2 van hetzelve, 
te weten : — Ampliatie : Uit ieder Comité van Finantien zal de President benoemd worden 
tot werkend lid en stemgeregtigde van het genootschap, die echter een ander tot het geven 
van zijne stem kan aanstellen. Emendatie : De Direkteuren van het Genootschap zullen 
jaarlijks, bij eene te bepalen gelegenheid, eene grosse formeren tot electie van twee Direk- 
teuren jaarlijks door de werkende leden. Elk Direkteur zal daartoe twee tot tien namen 
van leden moeten opgeven. 

Er werd ook eene Emendatie op No. 5 van Art. 9 voorgesteld en goedgekeurd, 
te weten : — De Eerste Ring wordt door de Synode aangesteld, om kennis van de handelingen 
van het Genootschap als Direkteuren iu het fonds te nemen, en voor de regthebbenden, 
zulks noodig zijnde, tegen het Genootschap in regten te ageren. 

No. 6 wera ook aangenomen. Hierop stelde de Wel-Eerw. Heer A. Eaure eene 
ampliatie op het ontwerp voor, te weten : — De aanstelling van eenen Onderwijzer zal 
geschieden door het Ringsbestuur, dat te gelijk bepalen zal het getal der Onderwijzers en 
het quantum dat aan elk Onderwijzer zal worden toegelegd ; en zal bij elke Ringsvergadering 
een behoorlijk verslag door liet bestuur van Finantiën moeten worden ingeleverd, — welke 
ampliatie algemeen goedgekeurd Averd. 

Ook werd er voorgesteld en bij meerderheid van stemmen goedgekeurd, om aan 
het Gouvernement te verzoeken, dat ingevalle nu, of in der tijd, het zij door Zijner Majesteits 
Gouvernement in Engeland, het zij door het Koloniale Gouvernement, eenig fonds moge 
worden bestemd, tot bevordering van het onderwijs der Heidenen, daarvan een evenredig 
gedeelte moge worden toegewezen aan het fonds door de Synode ten dezen einde ontworpen 
in aanmerking nemende. /dat verre de meeste slaven , die in vrijdom staan te worden gesteld 
aan ledematen der Hervormde KerOóebehooren . 

Verder werd, uit hetgeen de Hoog-Eerw. Prseses ter vereeniging mededeelde, nog 
het volgende goedgekeurd en aangenomen, te weten : — Dat bij de Ringsvergaderingen een 
verslag gedaan zal worden van de werkzaamheden der Onderwijzers, en van den toestand 
van het fonds ; en dat bij gelegenheid der Synodale Vergaderingen, door de Scribas der 
Ringen, Rapport zal worden gedaan van den staat van het onderwijs der Heidenen om daar- 
uit een algemeen verslag op te maken. 

Eindelijk werd de Wel-Eerw. Heer Moorrees, in plaats van den Wel-Eerw. Heer 
Herold, bij de Rationarii gevoegd ; terwijl de Hoog-Eerw. Praeses en de Wel-Eerw. Heer 
Van der Lingen, als eene Commissie benoemd werden, om met de Directeuren van het Zuid- 
Afrikaansche Genootschap te spreken, over hetgeen betrekkehjk het gemelde genootschap in 
het ontwerp voorkomt. 

Dankzegging werd nu door den Scriba gedaan, en de Vergadering tot morgen 
ten 10 ure door den Hoog-Eerw. Praeses uitgesteld. 

Geresumeerd en geteekend, op den 12den November 1834. 



98 



ACHTSTE ZITTINGL 



Woensdag, den \2den November 1834. 

Tegenwoordig al de Leden, benevens de Hoog-Edel Achtbare Heeren Commis- 
sarissen Politiek, uitgenomen den Broeder Ouderling Coetzee, door ongesteldheid verhinderd 

Het gebed werd tnore solito door den Scriba gedaan, waarop de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend werden. 

Men ging nu over tot de Beschrijvingspunten, beginnende met No. 2 en 3 van 
het IV. Hoofddeel, van het Onderwijs der Christelijke jeugd in de Buitendistricten. 

Het Rapport der Commissie hier voor benoemd, werd alweder door den Hoog- 
Eerw. Praeses voorgelezen (Bijl.). Er werd opgemerkt dat eene der voornaamste zwarighe- 
den in het bevorderen der opvoeding bestond in het groot gebrek aan geschikte onderwijzers 
waarop de Hoog-Eerw. Praeses verzocht om een plan aan de Vergadering voor te lezen, 
waarin hij getracht had om aan te toonen hoe in dezen nood te voorzien. Dit plan (Bijl.) 
aangenomen zijnde, ontving de Hoog-Eerw. Praeses, op voorstel van den Wel-Eerw. Heer 
Sutherland, den dank der Vergadering voor de gedane moeite. Er werd hierop voorgesteld 
en algemeen goedgekeurd, dat gemeld Rapport, raet het plan van den Hoog-Eerw. Praeses 
in handen van eene nieuwe Commissie gesteld worde. De Wel-Eerw. Heeren Van der 
Lingen en Morgan werden daartoe benoemd en verzocht om hun gevoelen desaangaande bij 
wijze van Rapport morgen aan de Vergadering mede te deelen. 

Overgegaan zijnde tot het V. Hoofddeel, zijnde Klagten, werden eerst de 
Documenten voorgelezen betrekkelijk de klagte van Dr. Honey, waarop, na alles gehoord te 
hebbeUj de Vergadering eenparig van gevoelen was, dat deze als eene civiele zaak beschouwd 
moet worden, waarom dezelve door de Vergadering van de hand gewezen werd. 

De klagte van den Qusestor over den Zwellendamschen Kerkenraad in overweging 
genomen zijnde, gaf de Hoog-Eerw. Quaestor de noodige inlichting omtrent dezelve, waar- 
uit bleek, dat gemelde Kerkenraad in eenige vorige jaren verzuimd had om behoorlijke 
rekenschap te geven van de aldaar gecollecteerde penningen voor het Synodale Pondár>l De 
klagten van den Quaestor gehoord en een brief door Zijn Hoog-Eerw. aan den Kerkenraad 
van Zwellendam geschreven, geiezen zijnde, ^z oo be schouwde de Synode den Kassier- 
Diaken verpligt tot het betalen van de heffing in de genoemde jaren geschiecT^doch om bij- 
zondere redenen gegrond op rene verklaring door den Wel-Eerw. Heer Robertson voorgele- 
zen (Bijl. ), verschoont dezelve den Diaken- of Diakenen-Kassiers van het betalen dier pen- 
ningeu, door hen nimmer bezeten zijnde. Waarteg en de Commissarissen Politiek verzoch- 
ten te laten annoteren, dat zij in dit besluit niet konden concurreren, als oordeëlende dat de 
Synode niet bevoegd is, om willekeurig te disponeren over gelden door de leden der 
gemeente tot zekere einden gecollecteerd. 

Overgegaan zijnde tot het VI Hoofddeel over het Synodale Fonds, deelde de 
Hoog-Eerw. Quaestor aan de Vergadering mede, dat hij een plan gemaakt had, waarin de 
eerste vier artikelen onder gemeld Hoofdstuk allen begrepen zijn, verzoekende om gemelde 
artikelen te mogen intrekken, en gemeld plan in derzelver plaats aan de Vergadering voor 



99 



te leggen. Dit door een der Rationarii ten sterkste aanbevolen zijnde, werd gemeld plan 
met algemeene goedkeuring aangenomen (Bijl.) en volgens betzelve besloten : — 

1 . Dat elke Ring, in deszelfs eerstkomende Vergadering vaststelle, hoeveel aan 
elke Kerk onder deszelfs ressorte worde toegelegd ter vergoeding van de reiskosten harer 
afgevaardigden tot den Ring, zoo min mogelijk bovengaande het tarief van November 
1826. 

2. Dat het onderscheid van Eerste , Tiveede en Derde Ring worde vernietigd, en 
de drie Ringen onderscheiden worden in den Ring van Kaapstad, Ring van Zwellendam en 
Ring van Graaff-Reinet. 

3. Dat er een vaste Quaestor zij in elken Ring, door de Synode te benoemen, aan 
wien opgedragen zij : — 

1. De onlvangst van alle penningen welke door elke Kerk in het Ringsressorte, 

ten profijte van het Synodale Ronds worden geheven, en het naauwkeurig 
aanteekening houden van dezelve. 

2. Bij elke Ringsvergadering naauwkeurig verslag te eischen, ingevolge Synodale 

bepaling, 18 November 1824, van de gedane heffing, en aan wien elke 
Kerkeraad verpligt is dat verslag te geven. 

3. Het doen van uitbetaling aan de afgevaardigden tot den Ring, en dat wel bij 

het scheiden der Vergadering. 

4. Zal hij het surplus aan den algemeenen Qusestor van het Synodale Fonds, ten 

minste binnen de twee maanden na de uitbetaling moeten verantwoorden. 

5. Zullen zijne boeken jaarlijks, en wel op den eersten dag der Ringsvergadering, 

worden geëxamineerd, en door den Praeses en twee Leden der Vergadering 
geteekend. 

6. Zal hij een authentiek afschrift bij elke Synodale Vergadering moeten voor- 

leggen, om aan Rationarii te worden overhandigd, die belast zijn met het 
examineren der boeken van den Quaestor Synodi. 

4. Zal aan geene afgevaardigden uit eene nieuw gesticlite gemeente vergoeding 
voor reis- en verblijfkosten geschieden, voor en aleer zoodanige gemeente iets tot het fonds 
zal hebben bijgedragen. 

5. Bijaldien de onkosten in den eenen of anderen Ring de inkomsten mogen te 
boven gaan, zal, op eene schriftelijke verklaring tot dat einde, geteekend door den Praeses en 
Scriba der Vergadering, de Quaestor voor het tekortkomende kunnen trekken op den 
Algemeenen Quaestor. 

6. Worden door de Synode herroepen en vernietigd de door haar gemaakte 
bepalingen, bij besluit van 13 November 1826 (pag. 11 en 12 der gedrukte wetten), en 
zoo veel van het Reglement van den Quaestor van het Synodale Ponds, gemaakt in 1826, 
als hierdoor buiten eífect wordt gesteld (zijnde Art. IV., V. en VI.), waarin de volgende 
emendatien zullen worden gemaakt, te weten : — 

In Art. IV., in plaats van Kerkeraden, Quaestores Provinciales. 

In Art. V., in plaats van Gouvernements Bank, Spaarbank. 

In Art. VI., in plaats van Kerkeraden, Quaestores Provinciales, alsmede, het 
Synodale besluit van November 1829, pag. 16. 

T 



100 



7. In geval van overlijden des Quaestors, zorgt de Prseses van den Ring voor de 
behoorlijke bewaring van al zijne boeken, papieren, enz., op het Qusestoraat betrekking 
hebbende, en wordt bij de eerstvolgende Vergadering (het zij Rings of Synodale) zijn 
opvolger benoemd. 

De aanmerking van den Tweeden Ring komende (zie No. 5, Hoofd. VI.) wegens 
de uitbetaling door den Qusestor van het Synodale Ponds van reisonkosten, in overweging 
genomen zijnde, gaf de Hoog-Eerw. Queestor zijne bezwaren te kennen wegens de tegen 
hem gedane aanmerking, en de Vergadering daaromtrent ingelicht zijnde, zoo bleek het. 
ter volkomene voldoening van de Vergadering, dat de Quaestor de betaling gedaan had 
volgens de aan hem ingezondene documenten. 

Nu werden er opgeëischt en voorgelezen de Rapporten der Rationarii van het 
Synodale en Weduwen Ponds, waaruit bleek, dat zij de kassaboeken geëxamineerd en in 
orde bevonden hadden, als ook, dat het bedragen der penningen van het Synodale Ponds 
voor het tegenwoordige is 20,915 guldens en 3| stuivers, — en dat het totaal aan uitstaande 
kapitalen, toebehoorende tot liet Predikants Weduwen Ponds, bij het einde van het jaar 
1833, de somma bedroeg van 92,844 guldens. 

De beide Rapporten werden met dank aangenomen, terwijl de Hoog-Eerw- 
Quaestor den warmsten dank der Vergadering ontving voor al de door hem gedane moeite. 

De Hoog-Eerw. Quaestor verzocht hierop, dat daar de verantwoordelijkheid van 
bovengemelde sommen alleen berustende is op hem, zoo als de Vergadering gebleken is uit 
de correspondentie met den Kerkeraad van de stad, daaromtrent eenige bepaling gemaakt 
moge worden. 

De Hoog-Eerw. Praeses stelde voor, hetgeen algemeen goedgekeurd werd, dat de 
Overweging van dit punt uitgesteld worde. 

De Wel-Eerw. Heer Robertson, werd benoemd tot het vervaardigen van eenen 
Herderlijken Brief tegen Vrijdag. 

De Hoog-Eerw. Prseses deelde hierop aan de Vergadering mede, dat de Synode 
op Zaturdag gesloten zal worden. 

Eindelijk werd er een voorstel, betrekkelijk het stellen van alle onderwijzers in de 
Buitendistricten onder het opzigt van de plaatselijke Schoolcommissiën, door het grootste 
gedeelte der aanwezige leden geteekend, voorgelezen en aangenomen, zullende hetzelve 
naderhand in overweging komen. 

Dankzegging werd nu door den Scriba gedaan, en de Vergadering tot morgen ten 
10 ure door den Hoog-Eerw. Prseses uitgesteld. 

Geresumeerd en geteekend, op heden den 13den November 1834. 



101 



NEGENDE ZITTING. 



Bonderdag , den IZden November 1834. 



Tegenwoordig al de Leden, benevens den Hoog-Edel Acbtbaren Heer Berrangé, 
Commissaris Politiek, uitgenomen de beide Ouderlingen der Kaapsche Kerk. 

Na het gebed door den Scriba, werden de Notulen der vorige Zitting geresumeerd 
en geteekend, waarop men overging tot de Beschrijvingspunten, Hoopddeel VII., No. 
1, over het PrediJcanten Weduvoen Fonds. 

Het eerste voorstel, om namelijk eene verandering van No. VI. van het Regle- 
ment voor den Qusestor van het Weduwen Fonds te mogen hebben, in overweging 
genomen zijnde, bleek het dat dit Artikel als van zelf vervalt, daar de Weeskamer niet 
meer bestaat. 

Hierop stelde de Hoog-Eerw. Quaestor voor, dat de administratie van het Weduwen 
Fonds op dienzelfden voet blijve, tot de eerstvolgende Synode, en dat hij gevolmagtigd 
worde, om iemand, namens de Synode te benoemen, die tot de eerstvolgende Synode als zijn 
mede-administrateur blijve handelen. 

Dit voorstel werd eenparig goedgekeurd, en op aanbeveling van den Hoog-Eerw. 
Quaestor werd tot mede-administrateur benoemd, de Wel-Edele Heer Andries Brink^ 
Cornelis zoon^Diaken de r He rvormde Kerk. 

Er werd verder voorgesteld en algemeen goedgekeurd, dat in plaats van “ Wees- 
kamer,” in Art. VII. voorkomende, mede-administrateur gesteld worde. 

Men ging nu over tot Art. 2, over het verleenen van Traktement uit het Predikanten 
Weduwen Fonds, aan de Weduwe van wijlen den Eerw. Heer C. Mol, waarop eerst voorgelezen 
werd een brief van haren broeder den Heer J. N. de Villiers aan den Eersten Ring, alsook eene 
sterke aanbeveling der zake van gemelden Ring komende. Ook werd er voorgelezen een 
brief van de Weduwe Mol zelve (Bijl.), waarop, na alle omstandigheden in rijpe deliberatie 
genomen te hebben, besloten werd : — “ Dat aan het verzoek van de Weduwe Mol 
zal worden voldaan, onder voorwaarde van de geheele afbetaling van hetgeen nog moet 
worden aangezuiverd, met renten ; en dat haar het weduwe traktement onder de 
nadere bepaling in 1826 gemaakt, betrekkelijk de opklimming van het traktement, zal 
worden verleend, gerekend van den dag des overlijdens van haren man ; zullende dit echter 
nimmer kunnen of mogen worden aangemerkt als een voorbeeld om in de toekomst op te 
mogen handelen.” 

De Quaestor van het Predikanten Weduwen Fonds maakte de Vergadering bekend, 
dat hij zich bij missive aan het Gouvernement had vervoegd, verzoekende, dat de door het 
Gouvernement toegelegde geldsom, ten profijte van het Fonds (vvelke som slechts voor tvvee 
jaren was genoten geworden, waaromtrent vruchteloos door de laatste Synode aanzoek was 
gedaan), bij voortduring aan het Fonds moge worden uitgereikt, en dat hij op dat verzoek, 
namens Zijner Majesteits Gouvernement, met een gunstig antwoord was vereerd geworden, 
en dat hij de achterstallige penningen had ontvangen. 




102 



De Qusestor Viduarum voor zijne moeite bedankt zijnde, is besloten, het Gouver- 
nement eerbiedig te verzoeken, dat verlenging moge worden toegestaan van den tijd waarop 
gemelde som aan het Ponds worde uitbetaald. 

De Wel-Eerw. Heer Van der Lingen werd nu verzocht om rapport te doen van 
de onderhaudeling met het Zuid-Afrikaansch Genootschap, betrekkelijk het ontworpen plan 
der Synode ter onderwijzing der Heidenen, enz. De Wel-Eerw. Heer Van der Lingen 
maakte de Vergadering bekend, dat de Direkteuren van gemeld Genootschap met de voor- 
stellen der Synode in het algemeen instemden, doch zich bezwaard gevoelden wegens het 
voorstel : “ Dat de Direkteuren en werkende leden (tot dus verre honoraire leden genoemd) 
zullen in het vervolg moeten gekozen worden uit leden des Genootschaps, die tot de Gere- 
formeerde Kerk behooren.” Hierop las zijn Wel-Eerw. eenen brief voor van gemelde 
Direkteuren ontvangen (Bijl.), waarin dit bezwaar bekend staat, verzoekende te gelijk, dat 
de volgende verandering omtrent dit voorstel gedaan worde : “ Dat voortaan slechts een 
derde, of ten minste een vierde der Direkteuren en werkende Leden tnogen gekozen worden, 
uit Leden des Genootschaps, die tot andere Christelijke Gemeenten behooren.” Dit voorstel 
in overweging genomen zijnde, werd eenstemmig toegestaan, waarop verklaard werd, dat het 
ontwerp betrekkelijk het onderwijs der Heidenen, nu, met bovengenoemd amendement, 
geheel aangenomen is. 

De Commissie benoemd ter overweging van het Rapport over het Onderwijs der 
Christelijke Jeugd, als ook van het plan door den Hoog-Eerw. Praeses ontworpen, werd nu 
verzocht om derzelver gevoelens daaromtrent mede te deelen. Dit geschied zijnde, werd er 
besloten, dat, én rapport én plan zullen worden aangenomen ; en aangaande het plan, indien het 
den onderscheidenen Kerkeraden blijke, dat er genoegzame fondsen zijn, dat zij daarvan rapport 
zullen doen aan den Ring, welke alsdan zicli formerende tot eene Synodale Commissie, nadere 
besluiten daaromtrent nemen zal, en met de andere Ringen desaangaande communicatief 
handelen. 

Nu werd voorgedragen, als beschouwd in verband te zijn met het bovengemeld 
plan, een voorstel gisteren ingeleverd en door velen geteekend : “ Dat niemand hoegenaamd 
toegelaten zal worden om in de Buitendistrikten onderwijs te geven, tenzij hij zich aan de 
plaatselijke School-Commissie onderwerpe.” Dit voorstel werd echter voor het tegenwoor- 
dige door eene meerderheid ingetrokken. 

Het rapport der Commissie betrekkelijk het salarieren der permanente Scribas, 
werd nu in overweging genomen, waarop door den Hoog-Eerw. Qusestor werd voorge- 
steld : — 1. Dat de bediening van Qusestor van den Ring verbonden worde met die van 
den vasten Scriba van elken Ring. 2. Dat, ten gevolge van die vereeniging, de jaarlijksche 
toelage uit het Synodale Eonds verhoogd worde tot Rds. 200. Dit algemeen 
goedgekeurd zijnde, werden verder, op voorstel van den Wel-Eerw. Heer A. Faure, tot per- 
manente Scribas en Qusestors, de volgende Heeren benoemd en aangesteld, te weten : — 

Yoor den Ring van Kaapstad, de Wel-Eerw. Heer J. Spijker, 

Voor den Ring van Zwellendam, de Wel-Eerw. Heer W. Robertson, 

Voor den Ring van Graaff-Reinet, de Wel-Eerw. Heer G. Morgan, 
met bijvoeging, dat hierdoor veranderd zal worden het Synodale besluit van 15 November 
1 824, pag. 38, zullende men voortaan in het benoemen van den Prseses des Rings, de 
Scribas voorbijgaan. 






103 



Nu werd in overweging genomen het voorstel der Rationarii, betrekkelijk het 
betalen van den Hoog-Eenv. Actuarius, waarop door den Scriba werd voorgesteld, en door 
eene groote meerderheid van stemmen besloten, dat zijn Hoog-Eerwaarde, in de dubbele 
betrekking van Actuarius en Quaestor, eene jaarlijksche toelaag van Rds. 600, uit 
het Synodale Fonds genieten zal. 

Het Rapport van de Commissie betrekkelijk het trouwen van Christenen met 
Heidenen (Bijl.) werd nu overwogen, doch na hierover veel gedelibereerd te hebben, deden 
zich zoo vele moeijelijkheden op, dat men eenparig besloot om de zaak voor het tegenwoor- 
dige aan de onderscheidene Leeraren over te laten, om volgens geweten in voorkomende 
gevallen te handelen. 

De punten door den Tweeden Ring naar de Synode gerenvoveerd, werden nu voor- 
gelezen. De Hoog-Eerw. Praeses gaf vooraf te kennen, dat de tijd niet toeliet om in zaken 
te treden welke in geen verband met de Beschrijvingspunten stonden, waarop elucidatie 
omtrent zekere punten gevraagd werd, en dezelve bekomen zijnde, werden gemelde punten 
ingetrokken. 

De volgende vraag door den Wel-Eerw. Heer G. W. A. van der Lingen werd 
nu in overweging genomen, te weten : — “ De Heidenen die op eene wettige wijze 
tot het lidmaatschap aangenomen zijn door de bewerking van een Zendeling-Genootschap, 
hetwelk bestaat in de Nederduitsch-Gereformeerde Kerk, met voorkennis, toestemming en 
goedkeuring van een der kerkbesturen, zijn deze Leden der Gereformeerde kerk (bestaande 
ad interim in afzondering) of zijn zij het niet ?” 

Na eene krachtige aanspraak van den Heer Van der Lingen hierover gehoord te 
hebben, werd zijn Wel-Eerw. verzocht, om tegen morgen iets te vervaardigen en in te leve- 
ren, ter aanwijzing hoe gemelde personen tot onze Hervormde kerk toegelaten zouden 
kunnen worden. 

Eene vraag aangaande den afstand der Clanwilliamsche kerk werd door den leeraar 
dezer kerk nu ingeleverd. Dankzegging werd daarop door den Scriba gedaan, en de verga- 
dering tot morgen ten 10 ure door den Hoog-Eerw. Praeses uitgesteld. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 14 November 1834. 



TIENDE ZITTING, 

Vrijdag, den 14 den November 1834. 

Tegenwoordig al de Leden, benevens de Hoog-Edel Achtbare Heeren Commissaris- 
sen Politiek, uitgenomen den Ouderling Maasdorp en den Ouderling van Graaff Reinet. 

Nadat het gebed door den Scriba gedaan was, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. 

Het Rapport of de aanwijzing betrekkelijk het gisteren door den Wel-Eerw. Heer 
Van der Lingen gedane voorstel, aangaande het toelaten tot onze Hervormde Kerk van 



104 



degenen, die door de bewerking van Zendeling Genootschappen, in de Nederduitsch- 
Hervormde Kerk bestaande enz., tot het Lidmaatschap aangenomen zijn (zie Bijl.), werd nu 
voorgelezen, en na rijpelijk over hetzelve gedelibereerd te hebben, werd er door eene kleine 
meerderheid besloten om het plan ad interim aan te nemen, waartegen de Hoog-Eerw. Prae- 
ses en de Wel-Eerw. Heer Morgau aanteekening hunuer stemmen verzochten. 

Men ging nu over tot het overwegen van zeker verschil tusschen de kerkeraden 
van Zwellendam en die der Kaapstad, aangaande rente op zeker kapitaal, welke zaak naar 
deze Vergadering door het geëerde Gouvernement verwezen was. 

De noodige toelichting door de Wel-Eerw. Heeren Robertson en Eaure als afge- 
vaardigden der bijzondere Kerken gegeven zijnde, wer der gevraagd of dit wel eene kerkelijke 
zaak ware, en deze vraag met neen beantwoord zijnde, zoo besloot men met toestemming 
der partijen, dat deze zaak door de vergadering bij wijze van arbitratie beslist zal worden. 
De belanghebbenden zich nu verwijderd hebbende, werd het Praesidium waargenomen door 
den Scriba, die aan de Hoog-Ed. Commissarissen Politiek verzochten, om de vergadering in deze 
zaak met hunnen raad behulpzaam te zijn. Hierop deelde de Hoog-Ed. Heer Sir John 
Truter uit beider naam hun gevoelen aan de vergadering mede, dat uithoofde van de be- 
woording der originele schepenen-kennissen en andere der vergadering medegedeelde stuk- 
ken, de kerkenraad van Zwellendam niet verpligt was om rente op het kapitaal te betalen. 
Hierop nam de tijdelijke Voorzitter de stemmen der vergadering op, aangaande het gevoelen 
der Hoog-Ed. Commissarissen Politiek, toen het bevonden werd, dat de vergadering eenparig 
met hun Hoog-Eds. instemden. De belanghebbenden nu binnen geroepen zijnde, werd het 
eenparig gevoelen der vergadering hun medegedeeld, waarop zij te kennen gaven dat zij in 
hetzelve volkomen berustten, met verzoek om extractbrieven te mogen hebben. 

De volgende vraag van den Wel-Eerw. Heer A. Paure : “ Door wien moeten de 
Documenten worden geëxamineerd van Zendelingen, die alhier zich komen vestigen en zich 
nederzetten in de gevestigde gemeenten, en zich aan de daar gevestigde genootschappen, be- 
staande uit onze kerkeraadsleden, verbinden ? Heeft dekerkeraad het regt van de Zendelin- 
geu te eischen dat zij hunne documenten ter vïsie inleveren ?” — werd nu voorgelezen, doch na 
elucidatie ingetrokken, als vervat zijnde in het ontwerp heden door den Wel-Eerw. Heer Van 
der Lingen ingeleverd. 

De volgende vraag van den Wel-Eerw. Heer A. Paure werd ook voorgelezen, te 
weten : “ Om welke redenen is het Synodaal besluit. om afgevaardigden uit elken Ring te 
deputeren — eeíien Professor te kiezen, door de gedeputeerden uit den Ring niet ten uitvoer 
gebragt geworden ? En wat is door de Commissie verrigt omtrent dai onderwerp?” Na be- 
komen inlichtingen werd besloten om deze zaak voor het tegenwoordige uit te stellen. 

Op de volgende vr aa g door den Wel-Eerw. Heer Paure ingeleverd, te weten : “kun- 
uen degenen die leden der Schotsclie Kerk wáren ten tijde toen Gleulynden met de Neder- 
duitsch-Hervormde Kerk vereenigíL werd, beschouwd worden als lcden_der Hervor mde 
Kerk, zonder zicli aan de hepalingen onderioorpen te'iiehben welke gemaakt zljn voor Têt 
aannemen van leden dier Kerk” — werd er eenparig met Ja geantwoord, de bedoelde personen 
beschouwd wordendeals reeds in alle opzigten tot de IIer.vonnde Kerk behp.oxen,^ 

Het volgende voorstel van den Wel-Eerw. Heer Morgan, werd door algemeene 
goedkeuring tot een Besluit gemaakt, namelijk : “dat de door deze vergadering aangenomen 
ontwerpen, betrekkelijk de opvoeding der jeugd, en het onderwijs der Heidenen, zullen wor- 



105 



í 




/ 



den voorgedragen aan het Gouvernement, en goedgekeurd zijnde gedrukt worden, vóór de 
overige besluiten, en zoo spoedig mogelijk. 

De volgende vraag door den Ouderling van Graaff-Reinet gedaan, te weten : “ Of 
een leeraar der Hervormde Kerk verpligt is om de Sacramenten te bedienen aan leden van an- 
dere genootschappen, die echter geen gebruik der kerk maken, en die zelfs met eene zekere 
minachting over onze kerkelijke wetten en leerstellingen spreken, dan wel of dezulken bij het 
ontvangen van den doop, niet verpligt zullen zijn, doopgetuigen in derzelver plaats te stellen” — 
werd na bekomen elucidatie ingetrokken. 

Het voorstel van den Scriba, dat Art. 5, betrekkelijk alteratie van Art. 137, op pag. 
4 van de Synodale wetten voor 1829, in revisie genomen worde, werd nu in overweging ge- 
nomen. Op voorstel van den Wel-Eerw. Heer Faure, werd er na rijpe deliberatie besloten, 
dat gemeld Art. aldus zal luiden : “ In geval van moeijelijkheid of twijfel, hetzij aanvankelijk 
bij het begin eener zaak, dan wel in den loop der behandeling, zal de Ringsvergadering, die 
het aangaat, verpligt en gehouden zijn, voor dat zij met de zaak een aanvang maakt of daarin 
voortgaat, daarover met den Actuarius Synodi te corresponderen, en denzelven te consulte- 
ren ; zullende zij nogtans niet verpligt zijn zich naar de opinie van den Actuarius te gedragen, 
maar de gronden van hun verschil opgeven, opdat dezelve in de resolutien mogen opgetee- 
kend blijven.” 

De vraag aangaande den afstand der Clanwilliamsche Kerk, werd na bekomen 
elucidatie ingetrokken. 

De volgende vraag werd nu door den Wel-Eerw. Heer A. Faure, als Consulent 
der Wijnbergsche gemeente, gedaan, te weten : — “ Daar de aanstelling van den Wel-Eerw. 
Heer P. E. Faure tot predikant vau den Wijnberg, vanwege het Gouvernement dezer 
plaats, slechts provisioneel is, en daarop goed- of afkeuring van Zijne Majesteit verwacht 
wordt, zoo vraagt de Consulent dier gemeente, of de bevestiging van zijn Eerw. behoort te 
geschieden voor dat Zijner Majesteits sanctie zij verkregen, dan of zijn Eerw. de dienst slechts 
provisioneel zal aanvaarden en verrigteu, en de bevestiging zal doen plaats vinden, wanneer 
een antwoord van het Hof van St. James zal zijn ontvaugen P” 

Gemelde vraag in overweging genomen zijnde, werd eenparig geantwoord, dat 
de bevestiging kan plaats hebben, voor dat het antwoord bekomen is. 

^ Het voorstel van den Hoog-Eerw. Prseses, bevattende eene emendatie op het 
Reglement betrekkelijk liet ordenen van Zendelingen, te weten : — “ dat wanneer zoodanige 
Zendelingen zich in reeds gevestigde gemeenten stationeren, zij dan zullen aangemerkt 
worden als ondergeschikte onderwijzers, en dienvolgens de Heilige Sacramenten aan de 
Heidenen niet mogen bedienen, maar de van hen onderwezene Heidenen door den leeraar 
der gemeente, onder welke zij zich bevinden, gedoopt, en alzoo als leden zijner gemeente 
beschouwd en behandeld zullen worden, tenzij dan dat zij zich verbonden hebben aan zekere 
Hervormde Zendelinggenootschappen,” werd, na de aanmerkingen van verscheidene leden 
der Vergadering gehoord te hebben, ingetrokken. 

Ook werd door den Hoog-Eerw. Prseses voorgesteld, dat het convoceren tot bij- 
woning der Ringsvergaderingen door derzelver respectieve Scribas, zal geschieden drie maanden 
vóór het houden derzelve ; dat de respectieve Kerkeraden, in antvvoord op zoodanige convo- 
catie, ten minste twee maanden vóór het houden dier Vergadering, aan derzelver Scribas de 
voor te dragene zaken, als Punten van Beschrijving, zullen opgeven, dat dan ook de Scribas 






106 



verpligt worden deze punten te redigeren, en deze redactie ten minste eene maand voor het 
houden der Vergadering aan de respectieve Kerken te zenden, welk voorstel aangenomen is 
geworden, voor zooverre zulks doenlijk is, en zonder bezwaar geschieden kan. 

Op een voorstel van den Wel-Eerw. Heer P. E. Faure, betrekkelijk liet bekend 
staan van het getal der stemmen in de zaak van liet houden der Vergadering met opene 
deuren, in een der nieuwsbladen, werd het volgende voorstel van den Hoog-Eerw. Praeses 
aangenomen, en besloten : “ dat in het vervolg, na het lezen van het Reglement van Orde 
bij den aanvang der Synodale Vergadering, er door den Praeses eene duidelijke verklaring 
zal gegeven worden van het 19de Artikel daarvan, en dat daarop eene plegtige declaratie 
van de Leden volgen zal, omtrent de strikte nakoming daarvan.” 

De Hoog-Ed Commissaris Politiek, Sir John Truter, deelde nu aan de Vergade- 
ring mede, dat zijn geachte Mede-Commissaris en hij, de deskundigen omtrent het ordenen van 
den Wel-Eerw. Heer Thomson geraadpleegd hadden, en dat zij nu, na de bekomene 
inlichting (Bijl.), volkomen berusten in het besluit der Vergadering, om gemelden Wel-Eerw. 
Heer Thomson voor Lid der Synode te erkennen. 

De Herderlijke Brief werd nu door den Wel-Eerw. Heer Robertson voorgelezen 
en goedgekem’d, waarop zijn Wel-Eerw. den dank der Vergadering en van de Hoog-Ed. 
Heeren Commissarissen Politiek ontving (Bijl.). 

Hierop werd door den Hoog-Eerw. Prseses aan de Vergadering bekend gemaakt, 
dat de Zitting op morgen, teu 9 ure, geschieden zou, waarop de Vergadering, na dank- 
zegging door den Scriba, tot morgen werd uitgesteld. 

Geresumeerd en geteekend, op heden den 15den November 1834. 



ELEDE ZITTING. 

Zaturdag , den \oden November 1834. 

Tegenwoordig al de Leden, benevens de Hoog-Ed. Heeren Commissarissen 

Politiek. 

Ten 9 ure vergaderden zich al de Leden in de Consistoriekamer, waarop, 
nadat het gebed door den Scriba gedaan was, de Notulen der vorige Zitting geresumeerd en 
geteekend werden. 

De Praeses deelde aan de Vergadering mede, dat hij eenen brief van Zijne 
Excellentie den Gouverneur ontvangen had, zijn leedwezen te kennen gevende, dat hij 
verhinderd wordt de openbare sluiting der Synode te kunnen bijwonen (Bijl.). 

Zoodra de Leden van de Synode in het kerkgebouw zitting genomen hadden, gaf 
de voorlezer op om te zingen Gez 36: 1, 2, 4, 5. Onder het zingen waarvan de Wel- 
Eerw. Heer J. Beck het predikgestoelte beklom, en na voorafspraak en gebed, te zingen 
opgaf Gez. 156 : 1, en vervolgens eene leerrede uitsprak (Bijl.), na afloop waarvan door 






107 



zijn-Eenv. werd opgegeven Gez. 77 : 3, 4, 5., onder het zingen waarvan zijn Eerw. van 
het predikgestoelte kwam. 

Yervolgeus werd door den Hoog-Eerw- Voorzitter eene aanspraak gedaan (Bijl.). 

Daarop volgde de aanspraak van den Hoog-Ed. Achtb. Heer Commissaris 
Politiek (Biji.). 

Eindelijk ging de Hoog-Eerw. Scriba op het predikgestoelte, las den Herderlijken 
Brief, deed eene dankzegging, gaf te zingen op Gez. 77 : 1, en sprak, na het aanbevelen 
van het Synodale Fonds, den gewonen zegen uit, en werden deze Post Acta vóór het 
uiteengaan door al de Leden geteekend. 



Die 8f Anno ut supra. 



BESCHRIJVINGSPUNTEN, 

Geredigeerd door het Eerwaarde Ministerie der Hervormde Kerk in de Kaapstad, vow de, 
op den \den November 1834 , en volgende dagen, te liouden Synodale Verga- 
dering. 



I. — RINGSBESTUUR. 

1. — Het houden van Rings en Synodale Vergaderingen met opene deuren. 

Uitenhage. 

2. — Het bijwonen der Ringsvergaderingen door fungerende en oud-kerkeraadsleden, des verkiezende. 

lste Ring, 1831. 

3. — Synodaal besluit omtrent gedeputeerden uit de Kaapstad tot de Ringsvergaderingen. 

lste Ring, 1830. 

4 . — Eenen permanenten Scriba voor elken Ring aan te stellen. 

Actuarius Synodi. 

II. — KERKBESTUUR. 

] . — Het maken van bepalingen betrekkelijk de vakken van studie, eu den tijd daartoe te besteden door jon' 
gelingen die naar Europa gaan om voor onze kerken alhier geordend te worden. 

Uitenhage. 

2. — Ampliatie door een behoorlijk Reglement op Art. XIX. en XX., pag. 9 en 10 der gedrukte Wetten 

door de Synode ontworpen in 1829. 

A. Eaure, Predikant. 

3. — Ampliatie van het Synodale besluit van 5 November 1829, waardoor de bevestiger van eenig uitge- 

komen predikant verpligt zal worden, om een bewijs te vorderen, dat de noodige documenten, 
ook aan den Praeses van den Ring, vertoond zijn geworden. 

Iste Ring, 1834. 

4. — Keurt de Synode het goed dat er in onze kerken, door onze leeraars in het Engelsch gepredikt 

wordt ? 

Somerset (Hottentots Holland). 

5. — De noodzakelijkheid om in het district Clanwilliam, op verafgelegene plaatsen, ouderlingen aan te 

stellen. 

Clanwilliam. 

6. — Emendatie van Art. 30 van het Reglement van Commissaris-Generaal Mr. J. A. de Mist, zoo dat 

hetgeen door de Landdroster. aanbevolen is, aan de Civiele Commissarissen opgedragen worde. 
Worcester. 

7. — Het doopen van onechte kinderen zonder doopgetuigen. 

lste Ring. 

8. — Het doopen van kinderen boven de zeveu jaren, vóór dat zij belijdenis van hun geloof hebben gedaan. 

lste Ring. 

9. — Het gratis verleenen van Kerkelijke Attestatie aan Leden van nieuw gestichte gemeenten. 

lste Ring, 1833. 

2de Ring, 1832. 

10. — Ampliatie van de Wetsbepaling, betrekkelijk het ligten en verleenen van Kerkelijke Attestatiën. 

3de Ring, 1833. 

11. — Verandering der Bepalingeu omtrent het verschijnen voor Commissarissen vari Huwelijkszaken, voor 

het aangaan van een huwelijk in de buiten districten 
Uitenhage. 



109 




12. — Het afkondigen van twee of drie Huwelijksproclamatiën van dezelfde personen op éénen dag. 

Clanwilliam. 

13. — Van Huwelijksafkondigingen van zulken die kinderen in onecht hebben geteeld. 

Clanwilliam. 

14. — De Huwelijksinzegening van Slaven, Bastaards en Hottentotten, of van zulken die niet 

gedoopt zijn. 

Clanwilliam. 

15. — Het voorkomen van zekere ontheiliging van den Sabbat, door eenen anderen dag te bepalen, ter 

bevestiging van huwelijken zonder betaling van Bds. 25. 

Worcester. 

16. — Bepalingen omtrent het onderhoud van armen uit andere gemeenten komende. 

District Somerset. 

17. — Zullen zij, die door van de Synode alhier geordende zendelingen zijn aangenomen, als Leden der 

Hervormde Kerken, door derzelver leeraren, als leden hunner gemeenten beschouwd eu behan- 
deld worden? 

lste Bing, 1832. 

18. — Zullen er aanspraken bij de begraving van aanzienlijken alleen, of van alle leden der gemeente, of 

in het geheel niet, gehouden worden ? 

Somerset (Hottentots Holland). 

19. — Het ligten van Doop, Trouw, en Dood Extrakten, met eene geldsom ten profijte van het Predi- 

kants Weduwen Fonds te belasten. 
lste Bing, 1832. 

20. — Bds. 30 te vorderen voor bet doopen van kinderen buitenstijds, in de Kaapstad. 

lste Bing, 1833. 

21. — Het vorderen van Bds. 50 voor het luiden der klokken bij de begraving van aanzienlijken of ver. 

mogenden. 

lste Bing, 1834. 

22. — Het heffen van Kerkengeregtigheid op alle plaatsen zonder onderscheid. 

District Somerset. 

23. — Het formeren van Beglementen voor Doodgravers en Aansprekers in de buitendistricten. 

lste Bing, 1832. 

24. — Het ontwerpen van een formulier van insinuatie of dagvaarding ter requirering van beklaagden en 

getuigen. 

3de Bing, 1833. 



III. — GBENSSCHEIDINGEN . 

1. — Tusschen Zwartland en de Paarl. 

lste Bing, 1830. 

2. — Voor de nieuw gestichte kerk aan Piketberg. 

Piketberg. 

3. — Eene nieuwe voor Somerset (Hottentots Holland). 

Somerset (Hottentots Holland). 

4. — De betaling der kosten eener Commissie ter bepaling van Grensscheidingen. 

lste Bing, 1831. 



IV. — ONDEBWIJS. 



1. — Vau Heidenen. 

lste Bing, 1832 en 1833. 

3de Bing, 1833. 

2. — Van de Christelijke jeugd in de buitendistricten. 

lste Bing, 1832. 

3de Bing, 1833. 

Uitenhage en Worcester. 

3. — Van de behoeftige kinderen, gratis. 

Worcester. 



v* 



110 



V. — KLAGTEN. 

1. — Van Dr. Honey, wegens valsche beschuldiging. 

2de Ring, 1832. 

2. — Van den Qusestor over het niet voldoen des Kerkenraads van Zwellendam aan de Synodale Bepa- 

lingen. 

A. Faure, Quaestor. 

VI.— SYNODAAL FONDS. 

1. — Veraudering van het Synodaal besluit van 1824, betrekkelijk de betaling van onkosten der afgevaar- 

digden tot de Ringsvergadering. 

De Quaestor van het Synodale Fonds. 

3de King, 1833. 

2. — Het benoemen van eenen Quaestor voor elken Bing, die belast zij met het beheer der penningen van 

het fonds van het Ringsbestuur, en de betaling van de kosten der Afgevaardigden. 

Quaestor van het Synodaal Fonds. 

3. — Verandering van het Synodale besluit van 13 November 1826, waardoor den aan te stellen Quaesto r 

van elken Ring opgedragen wordt, na afloop van elke Ringsvergadering, het surplus aan den 
Algemeenen Quaestor der Synode toe te zenden, met naauwkeurige opgaaf van het ontvangene en 
uitbetaalde. 

Dezelfde. 

4. — Verandering van Art. 6 van het Reglement voor den Qaaestor van het Synodale Fonds, op pag. 16 

van de Synodale Besluiten van 1826. 

Dezelfde. 

5. — Aanmerking wegens de uitbetaling door den Quaestor van het Synodale Fonds, van Reisonkosten. 

2de Ring, 1832. 

VII.— PREDIKANTEN WEDUWEN FONDS. 

1. — Verandering van Art. 6 en 7 van het Reglement voor den Quaestor van het Weduwen Fonds. 

De Qusestor van het Weduwen Fonds. 

2. — Het verleenen van Tractement, uit het Predikants Weduwen Fonds, aan de Weduwe van wijlen den 

Eerw. Heer Mol. 

lste Ring, 1833. 



DE 



HANDELINGEN 



EENEE. 



BUITENGEWONE 



SYNODALE VERGADERING 



DER 



NEDERDUITSCH-GEREFORMEEEDE KERK VAN ZUID-AFRIKA, 



GEHOUDEN 



IN DE KAAPSTAD, OP DEN 17den OCTOBER, 1837, 

EN VOLGENDE DAGEN. 



KAAPSTAD : 

GEDRUKT BIJ V A N D E SANDT DE VILLIEBS & Co., 
9, K ASTEELSTRAAT. 


























. HOy/r.xX'J, r ÁJL 

. 

mi. {-(i v 5 ; dA(!onï8 

. 

J !.;:U* 






- 























.vi D/.a :; i'i:i!Xio7 v 










































. 












: 










, ,n.i i aaaiti.Jiy 


ii.k \.a j ; . v 






... 












SYJSODALE HANDELITOEN, 




EERSTE ZITTING. 

Dingsdag, den \lden October 1837. 

De Afgevaardigden van de onderscheidene Gemeenten in de Consistoriekamer der 
Luthersche Kerk bijeengekomen zijnde, zoo eischte de Praeses van den Kaapstadschen 
Kerkeraad de credentialen op. Daar eenige der Afgevaardigden hunne begeerte te kennen 
gaven om hierover eenige aanmerkingen te maken, zoo werd overeengekomen om de over- 
weging hiervan uit te stellen en ondertusschen tot het openen der Vergadering voort te gaan. 

De eredentialen voorgelezen zijnde, zoo bleek dat er Afgevaardigd waren, uit de 
Gemeenten van — 

Kaapstad. — De Wel-Eerw. Heeren Von Manger, Spijker en Heyns, en de 
Ouderlingen Roux en Maasdorp. 

Stellenbosch. — De Wel-Eerw. Heer T. J. Herold, en de Ouderling A. C. van 
der Bijl, en als Secundus de Heer A. Eaure, J.zoon. 

Paarl. — De Wel-Eerw. Heer G. W. A. van der Lingen en de Ouderling 

D. Hugo. 

Zwartland. — De Wel-Eerw. Heer J. C. la ï’ebre Moorrees, en de Ouderling 
M. Smuts, Sen., en als Secundus de Heer J. H. Loedolff. 

Ttdbagh. — De Wel-Eervv. Heer H. A. Moorrees, en de Ouderling D. J. de Vaal. 

Graaff-Reinet. — De Wel-Eerw. Heer A. Murray, en de Ouderling B. J. Burger. 

Zwellendam. — De Wel-Eerw. Heer W. Robertson, en de Ouderling A. A. Cilliers. 

Caledon. — De Wel-Eerw. Heer John Cassie, en de Ouderling J. Maree. 

George. — De Wel-Eerw. Heer J. J. S. Ballot, en de Ouderliug P. R. Botha. 

Uitenhage. — De Wel-Eerw. Heer A. Smith. 

Cradock. — De Wel-Eerw. Heer John Taylor. 

Somerset (Hottentols HollandJ. — De Wel-Eerw. Heer J. Edgar, en de Ouderling 
T. J. Roos, en als Secundus de Heer H. Hendriks. 

Beaufort. — De Wel-Eerw. Heer Colin Eraser, en de Ouderling J. G. Bothma. 

Worcester. — De Wel-Eerw. Heer H. Sutherland, en de Ouderling J. P. de Vos, en 
als Secundus de Heer Gabriel Hugo, Senior. 

Somerset. — De Wel-Eerw. Heer G. Morgan, en de Ouderling A. Botha. 

Tijgerberg. — De Wel-Eerw. Heer J. J. Beck, en de Ouderling M. L. Neethling. 

Clanwilliam. — De Wel-Eerw. Heer De Roubaix, en de Ouderling E. J. Lnbbe. 

Colesberg. — De Wel-Eerw. Heer Thos. Reid, en de Ouderling P. J. van der Walt. 



Wijnberg. — De Wel-Eerw. Heer P. E. Paure, en de Ouderling O. J. Truter, en 
als Secundus de Heer J. J. Cruywagen. 

Balfour . — De Wel-Eerw. Heer W. R. Thompson. 

Pilcetberg . — De Ouderling J. J. Basson. 

Glenlynden . — Geen Afgevaardigde verschenen. 

Álbany . — dito dito, 

Hierop legitimeerden zich als Praeses de Predikant van Graaff-Reinet, en als Scriba 
de Predikant van Zwellendain. De Hoog-Eerw. Prseses de Vergadering voor wettig ver- 
klaard hebbende, verwelkomde de broeders met eene hartelijke toespraak (Bijl.). Waarop, 
door den Scriba het gebed gedaan zijnde, de Moderatoren zich naar het huis van den Wel- 
Eerw. Predikant der Luthersche Gemeente begaven, om de Hoog-Ed. Achtb. Heeren 
Commissarissen Politiek, zijnde de Wel-Ed. Heeren Sir John A. Truter en Mr. D. E. 
Berrangé, af te halen. Commissarissen Politiek de Vergadering ingeleid zijnde, werden door 
den Hoog-Eerw. Prseses met eene gepaste aanspraak verwelkomd (Bijl.). 

Vervolgens begaven zich de Commissarissen Politiek met de Leden der Vergade- 
ring naar de Kerk der Luthersche Gemeente, welke voor deze plegtige opening door den 
Eerwaarden Kerkeraad dier gemeente goedgunstig was afgestaan. Terwijl de vergaderde 
menigte den 134sten Psalm zong, beklom de Hoog-Eerw. Praeses den kansel, en hield, na 
het gezang, eene plegtige redevoering, bevattende eene krachtige opwekking tot eendragt en 
liefde (Bijl.). 

De eerste Heer Commissaris Politiek sprak daarop de Hoog-Eerw. Moderatoren 
en de vergadering op eene treffende wijze aan, tot zinspreuk nemende het zoo schoon oud- 
hollandsch spreekwoord : “ Eendragt maakt magt op eene duidelijke wijze aantoonende 
hoe zeer, in de tegenwoordige tijden, deze spreuk allen voor de aandacht behoorde te zijn. 

Hierna deed de Hoog-Eerw. Prteses het gebed, liet zingen uit Gezang 69: 7 — 9, 
en besloot deze plegtige opening met den gewonen apostolischen zegen. 

De Hoog-Eerw. Moderator verklaard hebbende, dat de Vergadering hare zittingen 
zoude hebben in de C onsisto rie Ramer cïer Hervortnde Gemeente, waren aldaar ten half Eén 
uur alle leden tegenwoordig. Het gebed werd door den Scriba gedaan, en daarna door hem 
het reglement van orde voorgelezen — waarop door den eersten Heer Commissaris Politiek 
hun Eds. lastbrief van Zijne Excellentie den Heer Gouverneur werd voorgelezen (Bijl.). 

Op voordragt van den Hoog-Eerw. Praeses, werd Ds. P. E. Eaure, ingevolge Art. 
25 van het Reglement van Orde, tot Assistent Scriba benoemd. De Hoog-Eerw. Praeses 
deelde nu de Vergadering mede, dat het thans de tijd was om aanmerkingen op de creden- 
tialen te maken, waarop Ds. P. E. Eaure de vraag deed : “ Waarom, tegen het besluit van 
de vorige Synode, de credentialen opgeëischt zijn geworden door den Kaapschen Kerkeraad, 
ïi niet door 'crén Praeses der vorige Vergadering ?” ly JDe Hoog-Eerw. Scriba zeide, dat dit 
door eene omissie van de Moderatuur (waarvan zijn Iloog-Eerw. zeide de reden niet te 
kmmen begrijpen) v jriet aan de sanctie van het Gouvernement was onderworpen. \Ds. Spijker 
merkte aan, dat dit wel aan den Kerkeraad door den Scriba, in eenen brief daartoe ver- 
vaardigd, was bekend gemaakt, doch dat dezeíve door zijn Wel-Eerw. niet was afgezonden, 
omdat de besluiten dier Synodenog niet wareri gesanctioneerd. Verder deelde zijn Wel-Eerw. 
de Vergadering mede, dat zijn Wel-Eerw. eerst gemeend had, dat dit punt niet ter sanctie 
van het Gouverneinent behoorde onderworpen te worden, doch naderhand van gevoelen 



115 






veranderd was, meenende dat dit een punt was, hetwelk gedrukt moest worden. Daar deze 
zaak weder ter tafel gebragt zal worden, zoo werd dezelve statu quo gelaten. 

— De Ouderling van Tulbagh vraagde, of raeer personen in de zaak van den Heer 

Shand noodig zullen zijn ? Waarop de Hoog-Eerw. Praeses negatief antwoordde, er bij 
voegende, dat er naar zijn gevoelen veeleer minder personen noodig waren, en dat, daar er 
een Appel tegen de toelating van den Wel-Eerw. Heer Moorrees tot de Ringsvergadering 
hangende was, zijnHoog-Eerw. meende op dien grond te moeten objecteren tegen de 
admissie van Ds. H. A. Moorrees tot deze Vergadering, omdat, door de toelating van 
gemelden heer, het bedoelde appel, naar zijnHoog-Eerw. gevoelen, verworpen zoude zijn. 

Ds. Moorrees beweerde regt van zitting te hebben, op grond van zijne aanstelling 
door het Gouvernement als Provisioneel Leeraar van Tulbagh. 

Hierover gedelibereerd zijnde, ging men over tot de stemming, fradat Commiss a- 
risseijuEQ Íitiek hadden te kennen gegeven, dat zij, ingeval dat door de meerdertieicl aan Ds. 
Moorrees zitting zoude worden geweigerd, dit punt, overeenkomstig Art 50 van de Kerken- 
Orde van den Comm issaxis-Generaal De Mist, zouden moeten surcheeren, tot dat zij het 
gevoelen van Zijne Excellentie den Gouverneur zouden vernomen hebben. 

Bij het opnemen der stemmen bleek het, dat slechts twaalf voor zijnEerw. zitting 
hadden gestemd, terwijl de meerderheid van gevoelen was, dat zijnEerw. niet zitten zoude, 
tot dat de questie in appel beslist was. jbevolgelijk surcheerdeii^^Commissarissen Politiek 
dit punt. 



Ds. Morgan vraagde, ten einde te weten met welk regt Dr. . Heyns zitting had, 
om de bijzonderheden van VijnEerw. aanstelling te mogen vernemen . L Dr r ^JJe vns over- 
handigde hierop. lna eenige jumme rkingc n te hebben gemaakt, zijne brieven van aanstelling 
(Bijl.) ; waaruit bleek, dat gemelde Heer Heyns aangesteld was, om als tijdelijke Leeraar, 
gedurende de ongesteldheid van den Wel-Eerw. /Heer Abrah ani Faure, in alle Kerkelijke 
Vergaderingen zitting te nemen, zoo wel als alle andere pligten van Leeraar te verrigten. 

Ds. Van der Lingen stelde voor, dat in oravraag gebragt zoude worden, of Dr. 
Heyns al dan niet zitting zoude hebben. Vooraf verzocht de Ouderling van Wijnberg om 
inlichting van de verandering in stemregt den Kaapstadschen Kêrkeraad toegekend, volgens 
Art. 49 van DeMist. Hierop werd geantwoord, dat het niet slechts een gebruik der Synode 
was aan meer Predikanten uit de Kaapstad zitting te verleenen, maar zelfsyloor het Gouver- 
nement was gptedgekeurd ; en daar dit een Beschrijvingspunt was, dat nog béhandelomoest 
AV^rden^zdO besloot men voor het tegemvoordige daarin te berusten. 

Het voorstel van Ds. Van der Lingen in omvraag gebragt zijnde, nadat de delibe- 
ratiën hierover gehoord Avaren, was de meerderheid voor de zitting van Dr. Heyns. De 
minderheid was twaalf, waaronder Ds. Van der Lingen, die daartegen protesteerde (Bijl.). 

Ds. A. Paure vraagde hierop, of hij als Actuarius in deze Vergadering stemregt 
heeft ? Nadat versclieidene Leden hierover hun gevoelen hadden medegedeeld, en Ds. 
Morgan op eene gevoelvolle wijze de Vergadering had aangesproken, omtrent het betame- 
lijke van aan den Hoog-Eerw. Actuarius stemregt te geven, uit aanraerking van de door 
allen betreurde bezoeking, waaronder zijnHoog-Eerw. door de hand der Voorzienigheid 
lijdende is, zoo werd door de meerderheid besloten, dat zijnHoog-Eerw. onder de gemelde 
omstandigheden in deze Vergadering stemregt hebben zal, doch dat dit tot geen precedens 
genomen zal worden. In de minderheid waren negen , waaronder de Wel-Eerw. Heer Spijker, 
w 



116 



die tegen dat besluit protesteerde (Bijl.), daarbij voegende, dat hij geene genoegzame 
inlichting hieromtrent vooraf had kunnen bekomen. 

Ds. Morgan verzocht hierop de aandacht der Vergadering op Art. 61 van het 
Algemeene Reglement te mogen vestigen. 

De Hoog-Eervv. Praeses vraagde, of iemand iets had voor te dragen, waarop Ds. 
Morgan een voorstel deed omtrent een Synodaal Biduur (Bijl.). 

De Hoog-Eerw. Prseses kondigde nu aan, dat op morgen het Rapport van den 
Actuarius Synodi gelezen zoude worden, en dat alle door zijn-Hoog-Eerw. ontvangene 
Documenten ter tafel gebragt zullen worden ; alsook dat het voorstel aangaande het Biduur in 
overwegiug genomen zal worden. 

Nadat de Minuten voorgelezen waren, werd de Zitting met dankzegging door den 
Scriba gesloten. 



TWEEDE ZITTING, 



Woensdag , den 18 den October 1837. 







Present al de leden, uitgenomen den Ouderling van Colesberg door ongesteldheid 
verhinderd. Na het gebed door den Scriba werden de Notulen der eerste zitting geresu- 
meerd en geteekend. Bij de resumptie werd voorgebragt, als de motive, welke de Verga- 
dering bewogen had, om aan den Hoog-Eerw. Actuarius Synodi stemregt te verleenen, “ dat 
vermits de Hoog-Eerw. Actuarius Synodi, de Wel-Eerw. Heer A. Paure, niettegenstaande 
zijnEerw. ongesteldheid, welke het noodzakelijk heeft gemaakt dat zijnEerw. bediening als 
Leeraar door het Gouvernement provisioneel en gedurende den voortgang dier ongesteldheid 
door eenen anderen leeraar is vervuld geworden, te dien effecte, dat zijn Eerws. provisionele 
plaatsvervanger daardoor zitting in de Hoog-Ew. Synode heeft verkregen, zich niettemin 
lieeft blijven belasten met de uitoefening van gezegde zijnHoog-Ews. betrekkingen als 
Actuarius Synodi, en daardoor in de verpligting is gebragt, om voor zoo verre de uitoefening 
dier betrekkingen betreft, de Synodale Vergaderingen bij te wonen, de Synode onder liet 
bestaan dier bijzondere omstandiglieid geene zwarigheid maakt om aan den Wel-Eerw. Heer 
A. Eaure, in zijn Eerw. betrekking als Actuarius Synodi, toe te staan het regt van zijn- 
Hoog-Eerws. stem in te brengen in alle zaken, welke als onderwerpen van behandeling voor 
de Algemeene Vergadering zullen kunnen worden gebragt, en waarin zijnHoog-Eerw. niet 
personeel op de eene of andere wijze betrokken mogt zijn of worden.” 

Ds. P. E. Eaure vraagde, of hij wel als Assistent Scriba, waartoe hij bij de Eerste 
Zitting door den Hoog-Eerw. Prseses benoemd was, fungeren kon, voor dat zijne aanstelling 
door het Gouygmeiïient was goedgekeurd, waarop geantwoord werd, Vjat de s ancti e van het 
Gouvernement, in dit geval, als zijnde slechtseenejÊmpor^ aanstelling,. met noodig was. ~~ 
Het Verslag van den Hoog-Eerw. Actuarius werd nu voorgelezen. Dokivffdeïr de 
Bijlagen, daartoe behoorende, door zijnHoog-Eerw. overhandigd, en daarvan de correspon- 
dentie aangaande het Weduwen Fonds, tusschen zijnHoog-Eerw. en den Kaapschen Kerke- 



117 



raad gehouden, voorgelezen (Bijl). De Hoog-Eerw. Prseses vraagde, of er eenige aanmerkingen 
waren over het rapport van den Hoog-Eerw. Actuarius. Ds. Spijker zeide daarop, dat het 
moeijelijk was over een zoo uitgebreid Rapport, enkel op het hooren lezen, zijne aanmerkingen 
mede te deelen. De Ouderling van Tulbagh merkte op het Rapport aan, dat de testimonia 
van Ds. Shand, bij zijne aanstehing niet aan den Hoog-Eerw. Actuarius overgeleverd waren. 
Hierop antwoordde de Actuarius, dat het Document door Ds. Shand bij zijne aankomst 
ingeleverd, toen voldoende was, om zijn Eerw. te doen legitimeren, producerende zijn-Hoog 
Eerw. “ copijen der Documenten zelve.” 

Hierop stelde de Hoog-Eerw. Prseses voor, omhet gem. Rapportmetde Bijlagenin 
handen eener Commissie te stellen, welk voorstel goedgekeurd zijnde, zoo werden daartoe 
benoemd Di. J. C. leEebre Moorrees, Cassie, Smith, en de Ouderling O. J. Truter, ten einde 
op het Rapport van den Hoog-Eerw. Actuarius zoo spoedig mogelijk te rapporteren, en daar- 
uit aan te wijzen, welke stukken de bijzondere aandacht der Synode verdienen. 

Hierna werd aan bovengemelde Commissie het Rapport met gez. stukken in- 

handigd. 

De Hoog-Eerw. Prseses deelde nu aan de Yergadering mede, hoedanige stukken 
door ZijnHoog-Eerw. waren ontvangen, te weten : 

1. Brief geteekend door den Heer Neethling en 8 anderen (Bijl.). 

2. Twee documenten bevattende bezwaren van den Kaapstadschen Kerkeraad (Bijl). 

3. Memorie van Insinuatie van zekere inteekenaren tegen liet Bestuur des Eersten 

Rings. 

4. Twee memoriën van Ds. Van der Lingen, als ook een adres van gemelden Heer 

aan de Sjmode (Bijl.). 

5. Twee memoriën van Ds. P. E. Faure tegen zekere insinuatiën (Bijl.). 

6. Memorie van Ds. A. Faure met een uittreksel uit het Rapport van den Eerw. 

Kaapstadschen Kerkeraad aan de Riugsvergadering 1837 (Bijl). 

7. Memorie met Bijlagen van den Wel-Ed. ITeer As. Brink (Bijl.) 

8. Memorie van 84 personen om de Synodale en Ringsvergaderingen met opene 

deuren te doen houden. 

Nadatdeze stukken vermeld waren, verzocht de Hoog-Eerw. Praeses de bijzondere 
aandacht der Vergadering te bepalen bij Art. 49 van het Algemeene Reglement, namelijk : 
“ Kerkelijke Vergaderingen zullen in gesckillen, die ter harer kennis worden gebragt, alle po- 
gingen aanweuden om dezelve op eene minnelijke wijze uit den weg te ruimen, en de twis- 
tende partijen te bevredigen.” 

Overeenkomstig dit Art. wenschte de Hoog-Eerw. Praeses aan de Vergadering voor 
te leggen den reeds gemelden brief van den Heer Neethling en anderen, als naar zijn Hoog- 
Eerw. opinie, veel echt Christelijk gevoel in zich bevattende, en een verzoek aan de Hoog- 
Eerw. Synode behelzende, om als bemiddelaarster tusschen den Kaapstadschen Kerkeraad 
en de klagende leden der gemeente te willen optreden, opdat wederzijdsche partijen bewo- 
gen worden naar den geest en tot eer der Christelijke Godsdienst alle toegevendheid te ge- 
bruiken, en de zaken in der minne te schikken. 

Hierop deed zijnHoog-Eerw. het volgende voorstel : eene Commissie aan te stellen 
om alle verschillen tusschen den Kaapstadscken Kerkeraad of eenig individueel lid van den- 
zelven, en de klagende partij uit de Kaapstadsche gemeente, door alle pogingen te trachten 
w* 



118 



\ 




op eene zoo mogelijk aan partijen voldoende wijze, tot vereffening te brengen, en om, hetzij 
bij het slagen daarin of niet, een behoorlijk schriftelijk rapport te doen,” 

Verscheidene der leden ondersteunden dit voorstel door te verklaren dat het nie 
alleen wensclielijk maar zelfs pligtmatig was, deze zaken in der minne te schikken, en indien 
mogelijk, ailes dat voorbij was uit het geheugen te doen wisschen. De Hoog-Ed. Commis- 
sarissen Politiek waren beiden van gevoelen, dat het voorstel om eene commissie, niet tot 
onderzoek, maar ter vereffening te benoemen, zeer wenschelijk was, en dat tot deze commissie 
zouden worden' toegevoegd zulke personen onder de memorialisten als men beschouwen zou- 
de in staat te zijn veel te kunnen toebrengen tot eene minnelijke bijlegging van alle geschil- 
len ; en verder dat aan de commissie volmagt zoude worden gegeven, om alle punten in deze 
zaak betrokken, zoo mogelijk uit den weg te ruimen. 

Voordat het gemelde voorstel in stemming werd gebragt, ontstond de vraag of 
ledcn van deze vergaderiug tot den Eersten Ring behoorende, maar die in de Ringsvergade- 
ring niet hebben gezeten, toen de zaken van den Kaapstadschen Kerkeraad behandeld werden, 
in de overweging van dit voorstel zullen mogen deel nemen, waarop door alle Afgevaardig- 
den uit den Tweeden en Derden Ring, uitgezonderd den Ouderling van Tulbagh, besloten 
werd, dat de leden van den Eersten Ring, als zijnde eenigermate iu de zaak betrokken, daarin 
niet zullen deelen — De Hoog-Eerw. Prseses wenschte nu, voor dat men verder voortging, van 
de Hoog-Ed. Commissarissen Politiek te mogen vernemen, of er reeds eenig antwoord 
van Zijne Excellentie omtrent het stemreod van Ds. H. A. Moorrees bekomen was. [Com- 
inissarissen Politiek antwoorddcn negatief/ en waren van gevoelen dat gem. Ds x Moorrees 
gcen ste mregt behooide t^ebb^Jtot dat het welmeenen van Zijne Exceílentie hieromtrent 
verhomen was. [^exolgelijk werd door den Hoog-Eerw. Prseshs aan Ds.^Moorrees verklaarct 
dat liij gecn stemregt zal hebbên tot dat Commíssarissen Pottnek h'epantwoord. van""den 
Gouverneur aan de Vergadering zouden hebben beke’nd gemaakt.í / Ds. Van der Lingen ver- 
zocht hierop aanteekening, dat Ds. Moorrees tot nog toe geadviseerd en gestemd heeft. 

Toen er verder over de minnelijke schikking der geschillen gesproken werd, merk- 
te Ds. Spijker aan, dat, daar de Kaapstadsche Kerkeraad door een vonnis van den Eersten 
Ring gesuspendeerd is, en hij niet twijfelde of dit besluit was reeds aan het Gouvernement 
voorgelegd, er thans geen term voor bemiddeling meer bestaat. 

Op deze mededeeling gaf de tweede Heer Commissaris Politiek zijne opinie, dat 
liet in dit geval wenschelijk w T are, om, indien zulk eene Commissie werd aangesteld, daarvan 
aan Zijne Excellentie kennis te geven, en Zijne Excellentie te verzoeken aan het vonnis geen 
effect te geven, tot dat de uitslag van zoodanige Commissie bekend zoude zijn. 

Het voorstel van den Hoog-Eerw. Prseses nu weder voorgelezen zijnde, werd dooi' 
alle Afgevaardigden van den Tweeden en Derden Ring unaniem goedgekeurd. 

Ilierop werden door den íloog-Eerw. Praeses tot bovengemelde einden als Coru- 
missie benoemd : — Di. Ballot, Sutherland, Morgan, Eraser, en de Ouderlingen De Vos eu 
Bothrna ; en, op voorstcl van Ds. Ballot, voegde de Hoog-Eerw. Praeses zich bij dezelve. 

Aan dcze Cotnmissie werd volmagt en reg,t van toegang tot alle documenten ver- 
leend. Waarna de Hoog-Ed. Commissarissen Pohti^Jc de Vergadering mededeelden, dat zij 
van het bestaan en het doel der aangestelde Cornmissie Zijne Excellentie zouden verwittigen, 
en aan Zijne Excellentie zouden voordragen, Zijiïer Éxcellenties consideratie over het von- 
nis vau den Ring uit te stellen, tot dat de uitslag dier Commissie bekend zoude zijn. 



119 



De wijze waarop de Commissie te werk zoude gaan, werd aan haar zelve overgela 
ten, en haar de vrijheid gegeven de Hoog-Eerw. Vergadering over eenige voorkomende zwa- 
righeid te raadplegen. 

Ds. Morgan verzocht nu dat aan de Commissie ter vereffening der verschillen 
extract van het besluit harer benoeming zoude worden verleend, hetwelk toegestaan werd. 

Di. Van der Lingen en P. E. Eaure verzochten dat aangeteekend worde, dat hun 
stilzwijgen in de zaak waarin de Tweede en Derde Ringen gestemd hebben, als geen blijk 
van hunne toesteinming beschouwd moest worden, maar dat zij hun regt van protest 
behielden. 

Nu bragt de Hoog-Eerw. Praeses het Appel van Ds. Shand ter tafel, en benoemde 
Di. Herold, P. E. Eaure, Reid en Thompson, als eene commissie, om gem. zaak te onderzoe- 
ken en daarop te rapporteren ; ook aan deze comraissie werd regt van toegang tot alle Docu- 
menten verleend en aan den Scriba opgedragen, een extract van dit besluit aan dezelve te in- 
handigen. 

Het voorstel van Ds. Morgan aangaande een Synodaal Biduur, werd nu voorgedra- 
gen, te weten : “dat een biduur door de Synode afgezonderd worde om den zegen des Heeren 
af te smeeken over de gemeenten van Christus in het Algemeen, en over de verrigtingen 
dezer Algemeene Kerkvergadering in het bijzonder, en dat de Iioog-Eerw. Prseses geautho- 
riseerd worde om eenigen van de Predikanten te benoemen, om deze godsdienstoefening bij 
die gelegenheid waar te nemen. Nadat hierover breedvoerig gehandeld was werd het 
voorstel algemeen aangenomen. vTen o pzigte van de wijze waarop de godsdienstoefening 
zoude worden verrigjt, werd door de meerderheid besloten. daLj dit door t wee of meer leeraars 
zoj^de~-g£Sch ieden . \Di. Spijker. le Eehre Moorrees en Roubaix, verzochten de aáuteekeníng 
dat zij gestemd hadden dat zulks door slechts éénen leeraar zoude geschieden.f— Verder werd 
besloten dat dit Biduur op den avond van den 20sten dezer gehouden zal worden ten half 
zeven ure, en dat de Kerkeraad der Luthersche gemeente door den Scriba verzocht worde, om 
het gebruik van het kerkgebouw liunner gemeente op dien tijd daartoe te willen toestaan. 

De Hoog-Eerw. Prseses'en de Eerw. voorsteller werden benoemd om in gem. Bedestond 

V — — V. — _ --- ■'» ■ 

voortegaan. / 

De Praeses kondigde nu aan dat op morgen de punten van Beschrijving aan de 
orde van behandeling zijn zullen, alsmede dat het voorstel van den Heer H. A. Moorrees, 
hetwelk bij het begin der Vergadering was iugeleverd, alsdan in overweging zal worden ge- 
nomen. 

Nu werd een verzoek ingeleverd. VCdat genot uleerd worde, dat de H.-Eerw. Prseses 
den Broeder Van der Lingen verhinderd heeft in het midden te brengen de gronden op 
welke hij zich verschoont van het dienen in commissie, als Ambtenaar van de Zuid. Afr. JVJed^ 
Gereformeerde Synodg ^ ,,, " 

Naíat de minuten gelezen en goedgekeurd waren, werd deze Zitting met dank- 
zegging door den Scriba gesloten. 

Geresumeerd en geteekend, op heden, den 19den October 1837. 



120 



DEKDE ZITTING, 



Donderdag, den 19 den October 1837. 

Present al de leden uitgezonderd den Ouderling van Colesberg, door ongesteld- 
heid verhinderd. Het gebed werd door den Scriba gedaan, waarop de notulen der vorige 
zitting geresumeerd, en door onderteekening goedgekeurd zijn geworden. 

De Hoog-Eerw. Praeses deelde nu het voorstel van Ds. H. A. Moorrees aan de 
Vergadering mede, en merkte daaromtrent aan, dat hetzelve niet in overweging genomen kon 
worden vóór dat, het welmeenen Zijner Excellentie ingewonnen zal zijn. 

Nu ging men over tot de Beschrijvingspunten (Bijl). De Hoog-Ew. Prseses stelde de 
beide eerste punten vereenigd voor, maakte omtrent dezelve eenige aanmerkingen, zijnHoog- 
Eerws. gevoelens mededeelende, dat hij eene onbepaalde toelating van het publiek niet zoude 
goedkeuren, maar wel eene admissie van Lede n der Hervormde Ke rk onder zekere bepalin- 
gen. Daarna werd voorgelezen op deze punten betrekking hebbende, eene memorie door 84 
personen geteekend (Bijl.), verzoekende de toelating van leden der gemeente tot deze Hoog- 
Eerw. Yergadering onder uitreiking van toegangkaartjes. 

Na lang hierover te hebben geraadpleegd, en vele argumenten voor en tegen te 
hebben gehoord, en na bekomen advies en consideratien van den Hoog-Ed. Comrn. Politiek, 
stelde de Hoog-Eerw. Praeses de vraag voor : “is de Synodale wet aangaande geheimhouding 
noodig of niet ?” en de stemmen opgenomen zijnde, zoo bleelc het dat de meerderheid deze 
wet voor onnoodig verklaarde, zijnde de stemmen 22 tegen 18. 

Voor dat men nu tot het overwegen van het punt van opene deuren overging, 
verzocht de eerste Comra. Politiek aan de Yergadering voor te lezen, het antwoord van het 
Gouvernement op het punt betrekkelijk het stemregt van Ds. H. A, Moorrees, hetwelk in 
de eerste zitting door de Heeren Comm. Politiek gesurcheerd was (Biil.)Iwaa mit bleek d at het 
Z ijne_ E xcellentie behaagd he eft aan gem^Ds. H. A. Moorrees op grond van zijne aanstelling 
als dienstdoende leeraar van Tuïbagh, gedurende dc suspensie van den Wel-Eerw. R. Shand, 
zitting en stemregt in deze vergadering te verleenenj in alle zaken die niet verbonden zijn 
met het Appel van gem. Wel-Eerw. Shand tegenh^foesluit van den Tweeden Ring. 

Nu werd, daar de Predikant van Zwellendam en de Afgevaardigden van Soraerset 
en Uitenhage, door wie het eerste en tweede punt van Beschrijving waren ingeleverd, er 
mede tevreden waren, het volgende voorstel door den Hoog-Eerw. Prseses gedaan, te weten : 

“ Zul len de Sgnodalcjm^Bingsvergadermgen onder zekere bcgcdingen voor Jedjn^der 
Hervo rmde KerJc toeganJcelijJc zijn, op toeganglcaartjés door leden der SgnodaIê~ en Bingsverga- 
deringen te verleenen ” — welk voorstel na breedvoerige discussiën door de meerderheid aan- 
genomen is geworden, zijnde 21 stemmen er voor en 20 er tegen. 

Dë C ommissarissen Poltiek gaven te kermen, dat zij dit aangenomene voorstel als 
eene innovatie beschouwden, en volgens Art. 50 van de Kerkenorclê van 'de’n CommTssaris 
Generaal de Mist, de conclusie daarvan surcheerden totdat zij het welmeenen van Zijne Excel- 
lentie den Gouverneur zouden hebben ingewonnen) 

l 






121 



De Afgevaardigden van de Kaapstad verzochten aanteekening, dat zij in de minder- 
heid hadden gestemd en tegen het voorstel protesteerden. Hiermede vereenigden zich de 
Afgevaardigden van Stellenbosch, Tulbagh, Zwartland en Clanwilliam ; de afgevaardigden 
van Stellenbosch en Zwartland verklarende, dat zij zulks deden op specialen last van hunne 
Kerkeraden, die van Zwartland er bij voegende, dat het den Kerkeraad van Zwartland in het 
vervolg moeijelijk zoude zijn, wanneer zulk eene wet bestond, Afgevaardigden voor de Hoog- 
Eerw. Vergaderingen te zullen vinden. 

Hierop verzocht de Ouderling van Wijnberg, dat het welmeenen van Zijne Excel- 
lentie over dit punt zoo spoedig mogelijk mogt worden ingewonnen. 

Het 3de punt van Beschrijving, te weten : “ dat er eene commissie benoemd toorde 
om de al reeds bestaande lcerkelijke wetten te revideren, en aan de eerstvolgende Synode te 
rapporteren ,” in overweging genomen zijnde, werd algemeen goedgekeurd, terwijl de Com- 
missarissen Politiek hun gevoelen te kennen gaven, dat de Commissie daartoe aan te stellen, 
uit zoodanigen zoude bestaan, die gemakkelijk bij elkander zouden kunnen komen, en dus 
met vrucht de zaak zouden kunnen ten uitvoer brengen, en dat zij vrijheid van toegang heb- 
ben zouden tot alle Documenten, die noodzakelijk mogten worden beschouwd, met de ringen 
te corresponderen, en het gevoelen derzelve in te winnen. 

Ten opzigte van het 4de punt van Beschrijving, gaven Heeren Commissarissen 
Politiek hunne bereidwilligheid te kennen, om, alhoewel niet aan het hoofd, echter zoo veel 
mogelijk die Commissie behulpzaam te zullen zijn, waarvoor de Hoog-Eerw. Praeses Hoog- 
Ed. Heeren Comraissarissen Politiek den dank der Vergadering betuigde. 

De Hoog-Eerw. Praeses verzocht wegens het gewigt der zaak eenig uitstel voor 
de benoeming der Commissie, hetgeen algemeen goedgekeurd werd. 

Het 5de voorstel, “dat eene commissie benoemd worde om den gewonen Herderlij- 
ken Brief te vervaardigen,” door den voorsteller ingetrokken zijnde, op voorwaarde dat iemáhcl 
vroegtijdig aangesteld worde om denzelven op te stellen, zoo werd Ds. Herold, door den 
Hoog-Eerw. Praeses, uit naam der Vergadering daartoe verzocht, hetgeen zijn Eerw. goed- 
gunstig op zich genomen heeft (Bijl). 

Het Gde voorstel “c]nt. hejpGo uvernement verzocht worde, om ter voorkoming van 
de schadelijke gevolgen die^£X anders uit voortvteeíjén, voorziening te maken ter spoediger 
bekoming van sanctie op— de Be sháten cler Synodale vergadering,” voorgelezen zijnde, en de 
opinie van Commissarissen Politiek^neu'Ojn^hTVêrZnChrzÍjnde, zoo deelden zij de Vergade- 
ring mede, dat wanneet.de .Synode^ na den afloop harer verrigtingen, aanwijzing mogt doen 
van de punten welke terstond sanctie vereischten, zij daarvan in hun rapport aan het Gou- 
vernement melding zouden maken. 

De Hoog-Eerw. Actuarius merkte hierop aan, dat dit in sommige gevallen bij cle 
jongste Synode reeds is geschied, waarop echter, tot nog toe, geen antwoord is ontvangen. 
Hierop stelde Ds. Morgan voor, “ dat een Adres uit naam der Synode aan Zijne Excellentie 
worde ingezonden , Zijne Excellentie eerbiedig voordragende de bezwaren en nadeelige gevolgen , 
welke voortvloeijen uit liet niet spoedig verlcrijgen van de sanctie des Gouvernements op de be- 
sluiten der Synodale Vergaderingen, met verzoek dat Zijne Excellentie in zijne wijsheid daar- 
in voorziening make.” 

Dit voorstel werd door de Vergadering unaniem goedgekeurd ; de moderatoren wer- 
den verzocht gemelde Adres te vervaardigen ; en de Hoog-Edele Commissarissen Politiek 



122 






h 



beloofden goedgunstig hetzelve aan het Gouvernement te inhandigen en bij hetzelve te onder- 
steunen (Bijl). 

l)e Scriba deed nu het volgende voorstel : “ Dat een adres door de Synode aan 
Hare Majesteit de Koningin gepresenteerd ivorde, Hare Majesteit met liare Majesteits ver- 
hooging tot den troon geluk ivenschende . en onze Hervormde Kerk aan Ilare Majesteits 



\J(Êánklijke ^m nst aanb^y e l aide.” Dit voorstel werd'oófc 'alge'Blee’n’ aangenomen, ' en Dl 
S mith en Beck werden door den fïoog-Eerw. Prseses in commissie gesteld om gemeld Adres 
te vervaardigen (Bijl). 

Nadat de minuten voorgelezen en goedgekeurd waren, werd de vergadering more 
solito met dankzegging gesloten. 



YIEUDE ZITTING. 

Vrijdag, den 20 sten October 1837. 

Tegenwoordig al de leden, uitgezonderd den Hoog-Eerw. Actuarius en den Qu- 
derling van Colesberg, beiden door ongesteldheid verhinderd, en den Ouderling Maasdorp, 
die geene reden voor zijne afwezigheid heeft opgegeven. 

Nadat door den Scriba de Vergadering met het gebed geopend was, werden de 
notulen der vorige zitting geresumeerd, en door onderteekening goedgekeurd. 

Bij de resumptie werd door den tweeden Heer Commissaris Politiek verzocht het 
navolgende op te teekenen : “ Dat Commissarissen Politiek aan zich reserveren, om de gron- 
den die zij op de zitting van gisteren te berde hebben gebragt, met betrekking tot de beide 
eerste punten van den Beschrijvings-Brief in geschrifte op te geven, om onder de Acta 
van dien dag te verblijven (Bijl). 

* Wijders merkten de Commissarissen Politiek aan, dat voor en aleer zij zich om- 

trent het gesurcheerde punt aan Zijne Excellentie den Hoofdgebieder adresseren, zij het 
dienstig oordeelen aan de Hoog-Eerw. SjnocjeJ n consideratie te geven liet navolgend voor- 
stel : om namelijk het punt aangaande het houden van Synodale en Ringsvergaderingen met 
opene deuren, uithoofde zoo van deszelfs belangrijkheid, welke eene allezins bedaarde, lang- 
zarne er rijpe overweging vordert, als vanTiet-direkt en zoo naauw verband met de kerkelijke 
wetten en regulatiën, w stellen in handen van de benoemde Commissie van revisie dier wet- 
ten en regulatiën, ten einde, met inachtneming van de consideratiën die op dat stuk gewis- 
seld zijn, en ook op zoodanige andere als aan haar aan de hand mogten worden gegeven, daar- 
over liaar gevoelen bij het te doen rapport uit te brengeu ” (Bijl). 

De Ouderling O. J. Truter protesteerde tegen dit voorstel (Bijl). Di. Morgau, Smith, 
Robertson en P. E. Eaure vereeDÍgden zich hiermede op grond van Art. 10 van het Regl. 
van orde, “dat eens genomene conclusiën niet mogen worden betwist.” Ds. Eaure merkte 
aan, dat, door het aannemen van zulk een voorstel, het op gisteren genomen besluit weder in 
gevaar zoude worden gebragt, en verzocht verder om de motiven voor zijne stem hieromtrent 
op gisteren gegeven, in geschrift gesteld, bij de Acta te doen bewaren (Bijl). 



123 



Een brief van den Diaken Scriba der Luthersche gemeente werd nu voorgelezen, 
het gebruik hunner Kerk voor dezen avond tot het houden van een biduur aan de Synode 
afstaande (Bijl). 

Vervolgens werd liet protest van de Afgevaardigden van Tulbagh tegen de beslui- 
ten omtrent de beide eerste punten van Beschrijving aan de Vergadering medegedeeld (Bijl). 

De Scriba verzocht nu aanteekening, als mede gestemdhebbendein de groote meer- 
derheid dezer Vergadering, dat Ds. H. A. Moorrees als dienstdoende leeraar in de gemeente 
van Tulbagh, geene zitting heb^ërTzbïïHe in cfeze Vergadering, zoolang de zaak in Appel tegen 
ZijnEerw. door Ds. Shand als nog niet zoude zijn beslist, en waaromtrent de conclusie door 
de Hoog-Ed. Heeren Commissarissen Politiek is gesurcheerd, tot dat het welmeenen van Zijne 
Excellentie zal zim vernomen, en gaf te kennen, dat hij ten gevolge van den Brief van Zijne ^ 
Excellentie aan de Heeren Commissarissen Politiek over dat onderwerp geschreven, en aan de 
Vergadering voorgelezen, het volgende hieromtrent heeft voortestellen : tJ3at eene Deputatie 
aan Zijne Excellentie den Gouverneur, uit naam der Synode gezonden worde, om de bezwa. 
ren der Synode aan Zijne Excellentie voortedragen, wegens de vernietiging van een besluit 
der Synode, welke door eene groote meerderheid der Vergadering genomen was.” 

Ook werd door Ds. Morgan het volgende voorstel ingeleverd, te weten : “ Daar 
eene groote meerderheid der Synode hare stem heeft uitgebragt, dat Ds. Moorrees geene zit- 
ting of stem in de Vergadering zal hebben, zoo lang het Appel tegen hem van Ds. Shand 
nog hangende is, \ en daar ingevolge Artikel 50 der Kerkenorde van De Mist, Commis- 
sarissen Politiek het nemen der conclusie gesurcheerd hebben, tot dat hun Hoog-Ed. het 
welmeenen van den Gouverneur zouden hebben vernomen, en daar Zijne Excellentie verklaard 
heeft, dat Ds. Moorrees desniettegenstaande zitting en stem zoude hebben ; en daar de Hoog- 
Ed. Commissarissen Politiek het regt hun in meergemeld Artikel verleend, hebben gebruikt 
aangaande het besluit der Synode omtrent het houden van Synodale en Ringsvergaderingen 
met opene deuren ; en daar het bestaan van dit Wetsartikel ten allen tijde de vrije hande- 
lingen der Synode zoudekunnen stremmen — zoo wordt voorgesteld, dat aan Hare Majesteit in 
Rade, namens de Synode een verzoek gedaan worde, dat het bovengemeld Artikel vernietigd 
worde.” — Dit voorstel werd gesecondeerd door Ds. P. E. Eaure, op grond van Art,. 9, van 
het Alg. Kerkelijk Regleinent : % Hoogste Directie der Hervormde Kerk i n dez e volk - 
plaijfjng omtrent kerkelijke zak.en^ berust^bij de A lgemeene Kerkvergadering'. ' 

De tweedêT ^ffeer Commissaris Poíitiek gaf zijïï~Wënsc!TTe kennen, dat Hun-Ed. 
voorstel voor de vergadering zoude worden gebragt, doch daar de Hoog-Eervv. Praeses tot de 
Beschrijvingspunten wenschte over te gaan, zoo werd de overweging van hetzelve uitgesteld. 

Het voorstel van den Kerkeraad van Uitenhage was nu aan de orde, te weten : 
“Dat de genomene resolutien van de vergadering dadelijk in werking worden gebragt en ge- 
houden, provisioneel tot de daaraanvolgende vergadering.” 

De Hoog-Eerw. Praeses stelde voor, dat met toestemming van de Afgevaardigden 
van Uitenhage een speciaal voorstel hieromtrent bij het intezenden Adres over het voorgaande 
punt bijgevoegd mogt worden, welk voorstel algemeen goedgekeurd is geworden. 

Het 8ste punt, te weten : “mededeeling van gevoelen van den Eersten Ring, aan- 
gaande de in werking brenging van het besluit der Synode van 1834, zonder bekomeen 
sanctie, betrekkelijk de permanente Scriba’s van den Ring van Zwellendam.” 

Ds. Moorrees, als Scriba van den Eersten Ring, gaf nu te kennen, dat de gemeide 



x 



124 



Ring op aanvraag had vernomen, dat door een unaniem besluit van den Tweeden Ring, het 
besluit der Synode aangaande permanente Scribas aldaar in werking gebragt was, terwijl de 
Eerste Riug van gevoelen was, dat zulks niet behoorde te geschieden, voor dat sanctie op de 
besluiten der Synode bekomen was. 

Hierover gediscoureerd zijnde, kwam men overeen, om de zaak aan de Hoog-Ed. 
Commissarissen Politiek over te laten, die van gevoelen waren, dat, dewijl het besluit een 
Fonds aangaat, hetwelk onder sanctie van het Gouvernement gecreëerd is, het bedoelde be- 
sluit, zonder daartoe bekomene santie, niet behoorde in werking gebragt te zijn. 

Hierop stelde Ds. P. E. Paure voor : “dat tot tijd en wijl het Gouvernement het 
besluit van 1834 omtrent het salaris van Permanente Scriba’s zal hebben goedgekeurd, Per- 
manente Honoraire Scriba’s, waar zij gevonden kunnen worden voor de Ringen, zullen mo- 
gen worden aangesteld, die intusschen, zonder sanctie van het Gouvernement, a!s zoodanig 
zullen mogen ageren.” Dit voorstel werd algemeen goedgekeurd met uitzondering van den 
Predikant van Clanwilliam. 

Het 9de punt, door den Kerkeraad van Stellenbosch, aangaande de evenredig- 
lieid in het stemregt, tusschen de gemeenten ten platten lande en de Kaapstad, werd, nadat 
de afgevaardigden van Stellenbosch de raotiven van den Kerkeraad voor het gedane voorstel 
hadden medegedeeld, met algemeene goedkeuring gerenvoijeerd naar de Commissie van Re- 
visie der wetten. 

Het voorstel No. 1, onder het hoofddeel “ RingsBestuur,” te weten: “datbij ge- 
legenheid van Ringsvergaderingen in de Buitendistricten, de Ouderling der Gemeente, waarin 
de gem. vergaderingen gehouden worden, ook vacatiegelden ontvange,” werd nu in over- 
weging genomen. De Vergadering oordeelde het voorstel zeer billijk, en besloot dat elk 
Ouderling vacatie zal ontvangen, indien het fouds zulks zal toelaten, waaromtrent de opinie 
van den Hoog-Eerw. Qusestor zal worden ingewonnen. 

Hel 2de puut onder het Hoofddeel “ Ringsbestuur,” werd door den Hoog-Eerw. 
Prseses provisioneel uitgesteld. 

Het 3de punt, te weten : “ voorstel van den Eersten Ring ter afschaffing van het 
medebrengen der kerkelijke boeken naar de Ringsvergaderingen, in overweging genomen 
zijnde, was eene groote meerderheid van gevoelen, waarraede zich Commissarissen Politiek 
ook vereenigden, dat aan de letter der wet moet voldaan worden, ten minste dat al hetgeen 
na de vorige vergadering des Rings aangeteekend is, ter visie vertoond moet worden, of ge- 
authentiseerde copijen van dezelve, door den Kerkeraad onderteekend. 

Het 4de punt, te weten : “Alteratie in Art. 13, inhet Reglement van Kerkelijk on- 
derzoek, te weten : de tijdsbepaling sedert de laatste Rivgsvergadering in van primo Januarij 
tot ultimo Decembcr van het vorige jaar” werd. door de meerderheid verworpen, en besloten 
bij de gedrukte wet te blijven. Di. Van der Lingen, Roubaix en P. E. Faure waren in de 
minderheid, en verzochten hiervan aanteekening. 

De twee laatste punten onder het Hoofddeel “Ringsbestuur,” zijn met toestemming 
der stemgeregtigden provisioneel uitgesteld. 

Men ging nu over tot het eerste punt van het Hoofddeel KerkBestuur, door Com- 
missarissen Politiek, ten opzigte van een Reglement op de Kerkeraden, hetwelk op voorstel 
van Hun-Eds. gerenvoijeerd werd naar de Commissie van Revisie der wetten. 

De vraag van den Kerkeraad van Zwellendam, te weten : “ Hebben Kerkeraden 



125 



het regt orn leden hunner gemeenten wegens ontheiliging van den Sabbat, door koopen, ver- 
koopen, danzen, timmeren, metselen, onnoodig reizen enz., onder kerkelijk censuur te stellen?” 
werd nu behandeld, en na veelvuldige discussiën over dit vraagpunt, verklaarde de Synode, 
met uitzondering van den dienstdoenden Leeraar van Tulbagh Ds. H. A. Moorrees en den 
Ouderling D. J. de Vaal, “dat Kerkeraden het regt hebben, om leden hunner geraeente, 
die, door ontheiliging van den Sabbat, openbare ergernis geven, te behandelen in overeen- 
komst met het 71 Art. van het Algemeen Synodaal Reglement. 

De Hoog-Eerw. Prseses stelde nu tot Rationarii aan Di. Heijns, Roubaix, Cassie 
en Taylor ; waarop de minuten voorgelezen en goedgekeurd zijn geworden, en de Verga- 
dering more solito met dankzegging gesloten en geadjourneerd tot Maandag, den 23sten. 

Geresumeerd en geteekend op heden den 23 October 1837. 



VIJHDE ZITTING, 

Maandag den 2Ssten October 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgezonderd den Ouderling van Colesberg door onge- 
steldheid verhinderd, en den Ouderling van Stellenbosch met verlof van den Praeses. Nadat 
de Vergadering met het gebed geopend was, werden de notulen der vorige zitting geresu- 
meerd en door onderteekening goedgekeurd. 

De Ouderling Maasdorp gaf redenen op voor zijne afwezigheid op 11. Vrijdag> 
waartegen geene objectiën zijn ingebragt geworden. 

Het voorstel van den Hoog-Ed. Commissaris Politiek, omtrent het renvoijeren van 
het aangenomene voorstel, betrekkelijk het houden van Synodale en Ringsvergaderingen met 
opene deuren, naar de Commissie van Revisie der wetten, werd weder voorgelezen. Eenige 
ieden, ^en ook de Hoog-Eerw. Praeses waren van gevoelen dat dit voorstel niet kon worden 
overwogen, uithoofde van hetgeen bepaald is bij Art. 10 van het Reglement van^Oï^e^daar 
Je vergadering omtr^nt opene deuren liaar gevoelen reeds had uitgedrukt. De 2de Comrais- 
saris Politiék maakte toen eenige^anmerkingen omtrent het uitbrengen der stemmen, zoo 
als daarvan gemeld wordt in Art. 49 van de kerkenorde van De Mist ; waarop de Hoog-Eerw. 
Actuarius de vergadering mededeelde, dat gem. Art. in de Synode van 1824 inernstige over- 
weging geweest is, en dat alstoen het Reglement van Orde is opgesteld en aangenomen ge- 
worden, waarbij bepaald is (in Art. 5), dat ieder Lid hoofdelijk zal moeten stemmen, welk 
Reglement niet anders danals” eene verbeterfng in Revisie van Art. 46 tot 51 van gemelde 
kerkenorde beschouwd is geworden. Commissarissen Politiek verklaarden nu, dat zij, uit 
aanmerking van de moeijelijkheid die meu omtrent de consideratie van Hun-Eds. voorstel 
heeft bespeurd, onverminderd gemeld voorstel, het gesurcheerde punt omtrent opene deuren 
aan Zijne Excellentie den Gouverneur zoo spoedig doenlijk zullen voordragen, terwijl zij te 
gelijker tijd van de hinderpalen, die hun voorstel ontmoet heeft, aan Zijne Excellentie kennis 
zullen geven. 
x» 



126 



Nu was aan de orde het voorstel van den Scriba in de vorige zittíng voorgelezen, 
betrekkelijk het zenden van eene Deputatie naar Zijne Excellentie, om, uit naam der Synode, 
hare bezwaren voor te dragen wegens het vernietigen van een besluit van eene groote meer^ 
derheid der Synode, omtrent de zitting van Ds. H. A. Moorrees. iNa eenige discussiën híer- 
omtrent, gaven Commissarissen Politiek te kennen, 4at zij niet konden toelaten dat het regt 
van de Souvereiniteit van den Gouverneur, als Verlegenwoordiger van Hare Majesteit in twij- 
fel getrokken worde, en dat zij derhalve niet wilden toelaten dat het voorstel in omvraag ge- 
bragt worde. 

Het voorstel van Ds. Morgan, aangaande een Adres aan Hare Majesteit om vernie- 
tiging van het Art. van surcheering, ondervond van Commissarissen Politiek, op denzelfden 
grond, dezelfde tegenwerking. 

Nu werd het Adres aan den Gouverneur omtrent het spoedig bekomen van sanctie 
der Synodale Besluiten, hetwelk in de Derde Sessie aan de moderatoren is opgedragen, voor- 
gelezen en goedgekeurd, waarvoor de dank der vergadering aan gemelde Heeren betuigd 
is geworden. 

Tot de Beschrijvingspunten overgegaan zijnde, werdhet 3de punt onder het Hoofd- 
deel “Kerkbestuur,” omtrent het sluiten der kantienen in de Buitengemeenten, op Yoorberei- 
dings-, Dankzeggings- en andere feestdagen, waar zidks noodig beschouwd moge worden, in 
overweging genomen, en algemeen goedgekeurd, met uitlating van de woorden “waar zMks 
noodig bescliouwd moge worden.” 

Ds. Morgan merkte hier aan dat het voorstel van den Kerkeraad van Somerset 
anders was, dan hetgeen in het Beschrijvingspunt was uitgedrukt, te weten : “Dat aan het 
Gouvernement voorgedragen worden de onheilen, welke uit het groote aantal kantienen in de 
Buiten-Distrikten voortkomen, en een verzoek gedaan worde, dat eenige verandering in de 
wet desaangaande gemaakt worde.” Hieromtrent verklaarde de Vergadering, dat zij geene 
mogelijkheid zag om hierin verder te voorzien dan in het voorgaande Besluit begrepen is. 

Omtrent het 4de punt, Hoofddeel “Kerkbestuur,” ten opzigte van den Sabbat, 
raerkte de Vergadering aan dat daarin door de bestaande Sabbats-ordonnantie reeds voor- 
zien was. 

Op de vraag vau den Tweeden Bing (5de punt) : “Hoe moet gehandeld worden, 
wanneer ouders, diehunne kinderen verwaarloozen, weigeren om dezelve aan de getuigen afte 
staan ?” is geantwoord, dat Kerkeraden hunnen invloed bij zoodanige ouders moeten gebrui- 
ken, en door ernstige vermaningen trachten hen tot hunnen pligt te brengen ; doch, indien 
hunne herhaalde pogingen vruchteloos bevonden worden, zij dan zoodanige ouders onder 
kerkelijk censuur te stellen hebben, en zoo deze middelen nog zonder gewenscht gevolg 
zijn, de getuigen zich alsdan bij den wereldlijken regter zullen hebben te vervoegen. 

Over het voorstel van den Eersten Bing (Punt 6), “dat het aan niemand veroor- 
loofd zal zijn bij eene andere gemeente het nachtmaal te vieren, zonder vooraf daarvan kennis 
te geven aan, en toestemming bekotnen te hebben van den Leeraar dier gemeente,” werden 
nu de gevoelens van onderscheidene leden medegedeeld, en door eene meerderheid van 23 
tegen lGbesloten, om hetzelve aan te nemen met deze emendatie “van den leeraar of een der 
opzieners dier gemeente.” De Afgevaardigden van de Kaapstad, Stellenbosch, Zwartland, 
Tulbagh, George, Clanwilliam, en de Predikant van de Paarl, verzochten aanteekening dat zij 
in de minderheid waren. 



127 



Punt 7. — Het voorstel van den Kerkeraad der hoofdstad kwam nu ter tafel, te we- 
ten : “ Dat Art. 26 (Algemeen Kerkelijk Reglement), betrekkelijk het verleenen van een 
doopconsent door de volgende bepalingen geamplieerd worde. Zoodanig verlofschrift zal 
echter niet mogen worden verleend, dan met toestemming van den Kerkeraad, en in de stad 
nog daarenboven alleen door den tijdelijken Voorzitter van denzelven, — zullende geen 
verlofschrift als geldig worden beschouwd, of daarop gehandeld, tenzij het daaruit blijke, 
dat aan de gezegde voorwaarde is voldaan.” Nadat over het voorstel discussiën waren 
gehoord, werd hetzelve, met uitzondering van den Kerkeraad der hoofdstad, algemeen 
verworpen. 

Schriftelijke voorstellen werden ingezonden door de Heeren Smith en O. J. Tru- 
ter, en eene vraag van Ds. P. E. Faure, welke, na afloop der Beschrijvingspunten, zullen 
overwogen worden. 

Hierna werden de Minuten dezer Zitting gelezen en goedgekeurd, en de Verga- 
dering door den Scriba met dankzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden den 24 October 1837. 

-t 



ZESDE ZITTING. 

Dingsdag , den 24>sten October 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, met uitzondering van den Ouderhng van Colesberg, 
nog door ongesteldheid verhinderd. 

De Vergadering more solito met het gebed geopend zijnde, werden daarop de 
Notulen der vorige Zitting geresumeerd en geteekend. 

Bij de resumptie merkte de Hoog-Ed. eerste Commissaris Politiek aau, ten 
opzigte van de aanmerking van den Hoog-Eerw. Actuarius omtreut het Reglement van 
Orde, in de handelingen van de vorige Zitting genotuleerd, dat gemeld Reglement geene 
door het Gouvernement gesanctioneerde w$t is, vjn aar slechts eene overeenkomst door de 
Vergadering getroífen om de huishoudelijke orde te bevvarcn, en door Zijn Hoog-Edele 
goedgekeurd, welke dus bestaande wetten niet zou kunnen vernietigen. 

De Commissie benoemd om te rapporteren over het rapport van den Hoog-Eerw. 
Actuarius, deed verslag van hare werkzaamheden, aantoonende welke punten in het gemeld 
Rapport de aandacht der Synode vereischten. 

Ds. La Eebre Moorrees merkte aan, dat hij als lid der gez. Commissie ver- 
zuimd had, zijne aanmerkingen te maken over het voor regelmatig houden van het 
verleend extract uit de Handelingen der Synode van 1834, aan den Wel-Ed. Heer A. Brink, 
aangaande zijne aanstelling als Mede-Administrateur van hel Predikanten Weduwen-Fonds, 
waaromtrent zijnEerw. in gevoelen met de Commissie verschilde. 



128 



Ds. Spijker maakfce insgelijks eenige aanmerkingen hieromtrent, en zeide, dat hij 
zijn gevoelen over deze zaak uitstelde, tot dat dezelve onder de Beschrijvingspunten zoude 
worden ter tafel gebragt. 

Op voorstel van den Hoog-Eerw. Praeses werd dit rapport met dank aangenomen, 
behoudens het regt om eenig punt, hetzij in den Beschrijvingsbrief direct vervat, of daar- 
mede in verband staande, verder te overwegen. Yervolgens werd voorgelezen en aange- 
nomen, het rapport van de Commissie in de zaak van Ds. Shand (Bijl.). 

Het rapport en de explicatiën bij monde van Ds. P. E. Eaure, deden eenigen twijfel 
ontstaan omtrent den aard van het appel van Ds. Shand, en ten einde op eene regelmatige 
wijze te kunnen voortgaan, zoo werd besloten, den Wel-Eerw. Heer Shand uit te noodigen in 
persoon voor de Yergadering te verschijnen, om zich duidelijk aangaande zijn appel te verklaren. 

Het rapport van de Commissie aangesteld ter bemiddeling van zekere geschillen 
tusschen den Kaapstadschen Kerkeraad en eenige leden dier gemeente, werd nu voorgelezen, 
alsook de Bijlagen daaraan geannexeerd, waaruit bleek, dat zij in hunne pogingen niet 
geslaagd waren (Bijl.). 

Dit rapport werd aangenomen, en daarvoor de dank der Vergadering aan de 
Commissie betuigd. 

Hierop deed de Hoog-Edele eerste Commissaris Politiek, Sir John Truter, eene 
declaratie omtrent de hangende geschillen in de Kaapsche gemeente, met verzoek, dat 
dezelve, tot zijn Hoog-Ed. decharge in de notulen van dezen dag worde bekend gesteld. 
Dezelve luidt aldus : 

“ Hoog-Eerw. en Eerw. Heeren, niets zou mij aangenamer zijn, dan om, 
overeenkomstig de bestaande Kerken-orde, ook omtrent de hangende geschillen tusschen 
eenige leden der Kaapstadsche gemeente en den Kaapstadschen Kerkeraad, mijne conside- 
ratiën en advies pligtmatig aan deze Hoog-Eerw. Yergadering mede te deelen, zoo ik daarin 
niet door gebiedende beweegredenen wierd verhinderd. Toen ik door de nieuwspapieren, en 
ook door personeele berigten, kennis kreeg, dat onder de gemeente verdeeldheid bestond, en 
dat in die verdeeldheid zelfs begrepen was eene verdeeldheid tusschen de leeraren, gevoelde 
ik dat daaruit groot nadeel voor het belang der Nederduitsch Iiervormde Kerk en zelfs voor 
de godsdienstoefening zelvë Toudë^únlfl^lJTïtStó^^ doenlijk } 

daarvan in eene correspondentie met de leeraren mijne bemiddcling aan. Dit is, tot mijn 
leedwezen, zonder vrucht geschied, zoo als ook eene poging door mijn collega en mij 
zelven, bij eene volgende gelegenheid, mondeling bij hunEerws. aangewend, van geene de 
minste uitwerking is geweest. — Met het geschil, voor zoo verre de ledematen in het afge- 
trokkene betrof, gevoelde ik minder neiging mij te bemoeijen ; doch, zonder van mijne 
zijde daartoe aanleiding te hebben gegeven, ben ik, bij herhaling, door eenige voorname 
ledematen over de bestaande geschillen onderhouden geworden ; bij welke gelegenheden ik, 
zonder aan de mogelijkheid te denken dat die geschillen vroeg of laat ter mijner beoordeeling 
zouden kunnen komen, vrij uit heb verklaard wat ik dacht ; zoodat, toen ik naderhand met 
mijn collega tot het onderzoek der zaak werd geroepen, ik mij verpligt vond te verklaren, dat 
ik mij te ver met een der partijen had ingelaten, om van weerzijden dat vertrouwen in mijn 
onderzoek te kunnen verwachten, waartoe de overtuiging van volkomene onpartijdigheid 
volstrekt wordt vereischt. Waarom ik dan ook, ofschoon geen personeel belang in de zaak 
hebbende, en ook in mijn gemoed geene partijdigheid gevoelende, nogtans, om de welvoege- 



129 



lijkheid niet te kwetsen, op mijn verzoek, door Zijne Excellentie den Gouverneur van de 
onderzoekingstaak ben ontslagen geworden. 

“ Op deze gronden, Hoog-Eerw. en Eerw. Heeren, ben ik verpligt mij ook thans te 
verschoonen, om, ten aanzien van de geschillen in kwestie, u mijne consideratiën en advies 
raede te deelen ; aan UHoog-Eerw. overlatende, om, onder approbatie van Zijne Excellentie 
den Gouverneur, daarin zoodanig te beslissen, als iu uwe wijsheid met christelijke verdraag- 
zaamheid geoordeeld zal worden, te behooren, waarbij ik alleen behoor aan mijzelven voor te 
behouden, om, indien zulks gebiedend mogt worden gevorderd, mijne aanmerkingen aan 
Zijne Excellentie bij het Rapport mede te deelen.” 

Ds. Shand, op uitnoodiging voor de Vergadering verschenen zijnde, werd hem 
voorgelezen het punt van beschrijving omtrent zijnEerw. appel, en gevraagd of hetzelve 
juist ware. 

Hierop antwoordde hij : “ Mijn appel is enkel en alleen tegen de provisionele 
aanstelling van den Wel-Eerw. Heer Moorrees, eu vooral tegen zijne toelating tot eene plaats 
in de Ringsvergadering.” 

Gevraagd zijnde, of hij er iets op tegen had, dat zijne geheele zaak voor de 
Synode zoude gebragt worden? antwoordde hij : “ De Vergadering heeft de magt, indien 

zij zulks goedvindt, de zaak voor haar te brengen.” 

Verder gevraagd zijnde, of hij genoegen neemt om, nadat het appel zal zijn 
afgehandeld, de principale zaak door de Synode zelve te laten besluiten ? — antwoordde hij : 
“ Ik vind mij niet vrij daarop te antwoorden, want ik kan mijzelven niet anders beschou- 
wen, dan ais uit de kerk van dit land gesloten door de aanstelling van den Heer Moorrees, 
en zijne toelating tot de Ringsvergadering ; en zoo lang ik in mijne regten van gesuspen- 
deerden leeraar niet hersteld ben, kan ik mij omtrent de suspensie niet inlaten. 

De Hoog-Eerw. Actuarius gevraagd hebbende, of hij niet appelleert tegen de 
continuatie van de suspensie? antwoordde hij : “ Neen, ik blijf bij het door mij geschre- 

ven appel.” 

Verder door den Hoog-Eerw. Actuarius gevraagd zijnde : “ Wenscht gij eeuig 
redres wegens de continuatie vau de suspensie ?” antwoordde hij : “ Neen ; maar alleen 
redres tegen de aanstelling van den Heer Moorrees.” 

Nu verklaarde de Hoog-Eerw. Praeses uit naam der Vergadering aan den Heer 
Shand, dat de Synode, op grond van Art. 6, Algemeen Kerkelijk Reglement, na afloop 
van de zaak in appel, kennis nemen zal van de geheele zaak, staande deze Vergadering, en 
daarover eene regterlijke uitspraak doen zal. 

Hierop verliet de Heer Shand de Vergadering, waarna Ds. H. Moorrees, die 
gedurende de tegenwoordigheid van Ds. Shand, niet in de Vergadering was geweest, dezelve 
weder binnentrad. 

De Hoog-Eenv. Prseses stelde nu de vorige Commissie in de zaak van Ds. Shand 
op uieuw aan, met bijvoeging van Ds. Fraser, om over het appel, en daarna ook over de 
geheele zaak te rapporteren, en dit wel zoo spoedig doenlijk. 

De Hoog-Eerw. Prseses gaf vervolgens aan Commissarissen Politiek de verwach- 
ting der Synode te kennen, dat Hun Hoog-Eds. den uitslag der commissie ter vereflening 
der Kaapstadsche geschillen ter kennisse van Zijne Excellenlie den Gouverneur zouden bren- 



130 



gen, en dit wel ten opzigte van het vonnis van den Eersten Ring tegen den kerkeraad var. 
de Kaapstad. 

Verder maakte de Hoog-Eerw. Prgeses aan de Vergadering bekend, dat door zijn 
Hoog-Eerw. ook ontvangen was een Appel van zekere klagers in de Kaapstadsche gemeente, 
omtrent zeker vonnis van den Eersten Ring (Bijl.), hetwelk door zijnHoog-Eerw. reeds vroeger 
aan de Vergadering zoude zijn medegedeeld, ware het niet dat zijnHoog-Eerw. zulks on- 
dienstig geoordeeld had, zoolang de Commissie van Bemiddeling nog werkzaam was. 

De Hoog-Eerw. Praeses stelde nu Di. Ballot, Morgan en Smith in eene Commissie, 
om de ingekomene Documenten betrekkelijk de geschillen te onderzoeken, en een kort verslag 
te doen in welke orde zij voorgelezen zullen worden. 

Nadat de minuten voorgelezen en goedgekeurd waren, werd de Vergadering met 
dankzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden den 25 Qctober 1837. 



ZEYENDE ZITTING. 

Woensdag den 25sten October 1837. 

Tegenwoordig al de leden uitgenomen Ds. Edgar, en den Ouderling van Coles- 
berg, door ongesteldheid verhinderd. 

Nadat de Vergadering met het gebed geopend was, werden de notulen der vorige 
zitting geresumeerd en geteekend. 

De tweede Heer Commissaris Politiek stelde aan den eersten Heer Commissaris 
Politiek de vraag voor, of zijnHoog-Ed. zich verschoonde om zich met de Kaapsche geschil- 
len in te iaten wegens partijdigheid, dan wel wegens de zwakheid zijner ligchaamskrachten, 
en de moeijelijkheden aan de zaak verbonden ? 

Waarop de Hoog-Ed. eerste Commissaris Politiek ten antwoord gaf, dat zijnHoog. 
Eds. motiven begrepen zijn in de declaratie gisteren door zijnHoog-Ed. gedaan. 

De Hoog-Eerw. Praeses gaf hierop aan den Hoog-Ed. tweeden Commissaris Politiek 
zijne verwachting te kennen, dat zijnHoog-Ed. ook bij deze gelegenheid eenige verklaring aan- 
gaande zijnHoog-Ed. onzijdigheid omtrent de gezegde geschillen geven zou, i.dewijl zijn- 
Hoog-Ed. een lidmaat is van de gemeente waarin gezegde geschillen bestaan, en 2. dewijl 
de Vergadering in het bezit is van eene declaratie desaangaande van den eersten Commissa- 
ris Politiek. 

Hierop liet zijnHoog-Ed. volgen, dat hij gevoelig was over deze aanmerkingen, die 
strekten om zijnHoog-Ed. karakter, zoo niet te kwetsen, echter te affecteren ; daar het de 
vraag zijn moet, wanneer zijnlIoog-Ed. zulk eene verklaring niet zoude doen, welk gevoelen 
de Hoog-Eerw. Prseses dan van zijnHoog-Ed. zoude koesteren ? 

De Hoog-Eerw. Praeses antwoordde dat deze Synode niet is als de vorige, daar 
men thans partijen moet hooren, en Regterlijke zaken beslissen, zijnHoog-Eerw. voegde er 



131 



bij, dat hij geene bedenking maakte tegen het karakter van ZijnHoog-Ed., maar zeide hij : 
“ Verondersteld er komt geene verklaring, wat zoude het Publiek van ons denken ? Wij moe- 
ten ons schoon houden voor de wereld, en daarom verwachtik eene declaratie van UHoog.Ed.” 

Hierop zeide de Hoog-Ed. Heer, dat hij het niet met den Praeses eens is, om aan 
algemeen gevoelen zoo toe te geven, dat hij niet gaf om de publieke opinie, zoo lang hij 
de goedkeuring van zijn geweten en van God genoot ? 

De Hoog-Eerw. Preeses antwoordde : “ Ook ik kan mij op God beroepen, maar 
algemeen gevoelen heeft op alle regters invloed. Mijn voorname motief is, om de wereld te 
overtuigen dat wij rein handelen.” 

De Hoog-Ed. Heer zeide hierop, dat hij niet verpligt is eenige declaratie te doen, 
maar dat hij zulks nogtans doen zal, en deze is : “ Zoo lang de Souverein, die mij hier 
geplaatst heeft, mij hier van mijne zitplaats niet wegroept, zal ik blijven zitten en aan de 
werkzaamheden deelnemen. Ik heb het mij immer tot eene eere gerekend, uit aanmerking 
van de regtvaardigheid der zaak, om de Vortegenwoordigers van eene zoo aanzienlijke 
gemeente met raad behulpzaam te zijn en te ondersteunen, en zal zulks doen tot aan het 
laatste oogenblik.” 

De Scriba merkt nu aan, dat — 

Dewijl alreeds twee punten door de Heeren Commissarissen Politiek gesurcheerd 
zijn geworden, en een derzelve reeds tegen het besluit der Synode vernietigd is, en het 
andere welligt vernietigd kan worden — 

Dewijl reeds door Hoog-Ed. Commissarissen Politiek geobjecteerd is geworden 
tegen de discussie van de Synode, omtrent het zenden van eene deputatie aan Zijne 
Excellentie uit naam der Synode, om zekere bezwaren aan Zijue Excellentie bekend te 
maken, op grond dat zij niet konden toelaten dat het rcgt van den Souverein betwijfeld 
worde — 

Dewijl op dienzelfden grond door hunHoog-Ed. geobjecteerd is tegen de dis- 
cussie omtrent een adres aan Hare Majesteit deswegens — en 

Dewijl na de declaratie van den eersten Commissaris Politiek, zijn Hoog-Eds. 
redenen opgevende om van alle deelneming in de Kaapstadsche geschillen verschoond te 
blijven, de tweede Heer Commissaris Politiek verklaard heeft, dat hij het altoos, uit aan- 
merking van de regtvaardigheid der zaak, tot eene eere gerekend heeft, om de Vertegen- 
woordigers van de Kaapstadsche Gemeente met raad behulpzaam te zijn en te ondersteunen, 
en zulks doen zoude tot aan het laatste oogenblik — en men zijn Hoog-Ed. derhalve beschou- 
wen moet als reeds partijdig in “ die ” geschillen, en de Synode zich door al deze dingen 
bezwaard bevindt — 

Hij zijn vorig voorstel verzoekt voor te dragen, om eene deputatie uit naam der 
Synode aan Zijne Excellentie te zenden, met volmagt om al deze bezwaren bij Zijne 
Excellentie bekend te maken. 

Dit voorstel in omvraag gebragt zijnde, zoo werd hetzelve aangenomen door eene 
meerderheid van 24 tegen 16. De Afgevaardigden van Stellenbosch, die in de raeerderheid 
waren, verzochten dat onder die bezwaren ook mogten zijn begrepen, de bezwaren van den 
Eersten Ring wegens het besluit, om degenen, die in de Vergaderingen van gemelden Ring 
van 1837 geene zitting gehad hebben, van de discussie der Kaapstadsche geschillen uit te 
sluiten, waaromtrent er geene wet bestaat. 




Y 



132 



Het gevoelen van Comraissarissen Politiek gevraagd zijnde, zoo antwoordden hun- 
Hoog-Ed., dat zij aan de Vergadering niet betwisten kunnen de vrijheid, die zij meent te 
hebben, maar dat zij geene directe sanctie daartoe kunnen verleenen. 

De Afgevaardigden van Kaapstad, Zwartland, Tulbagh, George, Clanwilliam, 
protesteerden hiertegen, en de Afgevaardigden van de Kaapstad verzochten hiervan 
extracten. 

Ds. H. A. Moorrees verzocht aanteekening, dat hij de gegrondheid van de 
beschuldiging tegen den tweeden Heer Commissaris Politiek wegens partij digheid negeerde, 
en herinnerde aan de Hoog-Eerw. Vergadering, dat zij heden hierdoor eene bestaande 
wet verwierp, terwijl men in eene der vorige Vergaderingen geweigerd had van den 
blooten vorm af te wijken, en dat op grond hiervan, dat die grond uitdrukkelijk voorge- 
schreven was. 

Ds. P. E. Eaure wedersprak de aanmerking omtrent de beschuldiging, daar de- 
zelve door de declaratie van den Hoog-Ed. Commissaris Politiek zelven erkend is. 

Tot de Deputatie werden benoemd de moderatoren, Di. Smith en J. J. Beck en de 
Ouderling O. J. Truter. 

De Commissie op gisteren aangesteld, om de Documenten te onderzoeken, de ge- 
schillen betreífende, bragt nu rapport uit (Bijl.), hetwelk aangenomen werd met dank ; terwijl 
het bleek dat de stukken, welke de Commissie opgaf niet te kunnen vinden, door den Hoog- 
Eerw. Actuarius in de twee Sessie overgeleverd zijn. 

Ds. Morgan voegde er bij dat, naar zijn gevoelen, de notulen van den Eersten 
Ring omtrent de gez. geschillen behoorden eerst voorgebragt te worden. 

De Hoog-Eerw. Praeses stelde nu voor tot de Beschrijvingspunten overtegaan, na 
te hebben aangekondigd, dat de stukken op nieuw in handen dier Coramissie zullen worden 
gesteld, ten einde daarmede volgens Art. 133 van Algemeen Kerkreglement te handelen. 

Het 8ste punt, Hoofddeel “Kerkbestuur,” betrekkelijk het beroepen van Leeraars 
door de gemeenten, in rijpe overweging genomen zijnde, was men algemeen voor het principe, 
doch om zwarigheden in de uitvoering van hetzelve, waren er sommigen tegen het voorstel. 
Hetzelve werd nogtans aangenomen door eene meerderheid van 22 tegen 18. Ds. Beck ver- 
zocht de aanteekening dat hij in de minderheid was. 

Het maken van een Reglement hieromtrent werd overgelaten aan de commissie 
van revisie der w r etten. 

Ten opzigte van het 9de punt, Hoofddeel íC Kerkbestuur,” omtrent de verraeerde- 
ring van het getal van Leeraars voor deze kolonie, merkte de voorsteller aan, dat zijne bedoe- 
ling was om aan het Gouvernement de noodzakelijkheid voor te dragen om godsdienstig on- 
derwijs in deze kolonie, en dus het getal van Kerken en gesalarieerde Leeraars voor dezelve 
te vermeerderen. 

Dit voorstel droeg de algemeene goedkeuring weg, met uitzondering van den Ou- 
derling Maasdorp. 

Het lOde punt, Uoofddeel “ Kerkbestuur” aan de orde zijnde, stelden de Afge- 
vaardigden van Stellenbosch als eene emendatie op het Synodaal Besluit van den 5 Nov. 
1829 voor, dat eene Kerkedienst van twaalf jaren, in welke betrekking ook, hetzij als 
Ouderling dan wel als Diaken, of beide te zamen, genoegzaam beschouwd zal worden voor 
zoodanig persoon, om zich van verdere dienst te verschoonen. 



133 



Deze emendatie is door de meerderheid aangenomen. De Hoog-Eerw. Actuarius 
en de Scriba hebben gestemd voor de geheele vernietiging van dit wetsartikel. 

De Hoog-Eerw. Preeses maakte de Vergadering bekend, dat er een rapport 
omtrent de zaak van Ds. Shand is ingekomen, en dat men morgen met de Beschrijvings- 
punten zal voortgaan. 

De Minuten werden hierop voorgelezen en goedgekeurd, waarna de Vergadering 
op de gewone wijze met dankzegging gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend op heden den 26 October 1837. 



ACHTSTE ZITTING. 



Donderdaq, den 2 6sten October 1837. 

Na het gebed, alle Leden tegenwoordig zijnde, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. Nadat dit geschied was, gaf Ds. Spijker, als een der 
Afgevaardigden van de Kaapstad, te kennen, dat het extract uit de Notulen, hetwelk de 
Afgevaardigden uit de Kaapstad verzocht hadden, dat hun zoude worden medegedeeld 
voor de resumptie, dewijl het gebeuren kon, dat het besluit, waartegen zij geprotes- 
teerd hadden, voor de resumptie der notulen werde geëífectueerd, nog niet ontvangen was. 
Waarop geantwoord werd door den Seriba, dat het verzoek niet op die wijze in de Minuten 
aangeteekend was, dewijl hij het alzoo niet verstaan had, en het ook in zijne klad-notulen zoo 
niet opgeschreven had ; terwijl de Ouderling Truter eene stellige verklaring deed, dat door 
de deputatie nog volstrekt geene stappen zijn genomen. Ds. Spijker antwoordde daarop, 
dat hoewel men de Afgevaardigden van de Kaapstad iu het denkbeeld gelaten heeft, dat 
aan liun verzoek van gisteren zoud^ worden voldaan, hij na de verklaring van gemelden 
Ouderling daarop niet verder ins^eren zou, maar gaf te kennen, dat als de deputatie 
misschien staande deze Zitting mogt werkzaam zijn, het bekomen van extract dan voor de 
Kaapstadsche Afgevaardigden nutteloos zou wezen, dat zij daarvan althans het bedoelde 
gebruik niet zouden kunnen maken. De Hoog-Eerw. Moderatoren verklaarden toen, dat 
de deputatie heden aan haren last voldoen zou. Ds. Spijker verzocht daarop, dat van dit 
een en ander in de Notulen van heden aanteekening geschieden zou, hetwelk werd toege- 
staan. 

Tot de Beschrijvingspunten overgegaan zijnde, was het llde punt, Hoofddeel 
Kerkbestuur, aan de Orde. Nadat hetzelve rijpelijk overwogen was, werd door eene meer- 
derheid van 36 tegen 6 het voorstel verworpen, en bepaald, dat afwezige leden eener 
kerkelijke Vergadering, hunne gevoelens over eene te behandelen zaak, schriftelijk zullen 
mogen inzenden. 

De Afgevaardigden van de Hoofdstad verzochten aanteekening dat zij in de 
minderheid waren. 
v* 



134 



/ 

Het 12de punt werd nu ter tafel gebragt, waaromtrent de Afgevaardigden van 
Somerset voorstelden, dat het aan de respective Ringen- opgedragen worde, om, waar zulks 
noodig geoordeeld wordt, kerkelijke limietscheidingen te maken, \en dezelve aan het Gou- 
vernement ter approbatie voor te dragen, v welk voorstel unaniem werd aangenomen. 

De vraag, punt 13, “ Hoe te handelen met personen, die met attest van elders 
gekomen en daar niet gealimenteerd zijnde, dadelijk om alimentatie verzoeken?” werd in 
overweging genomen, en besloten te handelen overeenkomstig het besluit van 1834. Terwijl 
om reden van de groote bezwaren, die omtrent de alimendatie van armen ontstaan, de 
Vergadering deze geheele zaak met het advies van 1824, aan de Commissie van revisie der 
wetten opdroeg. 

De omstandigheden, die aanleiding gegeven hebben tot het voorstel van den 
Eersteu Ring, aangaande het overnemen van bekende familie- namen bij den doop, inzonder- 
heid van onechte kinderen, door den Predikant van Stellenbosch opgeklaard zijude, zoo 
declareerde de Synode geene reden te vinden, waarom predikanten weigeren zouden het 
overnemen van bekende familie-namen, die bij den doop worden opgegeven. 

Het 15de voorstel, dat door geen leeraar aan iemand in het vervolg een consent 
zal worden verleend om, door eenen leeraar van of in eene andere gemeente, tot Hdmaat 
aangenomen te worden, werd naar de Commissie vau revisie der wetten gerefereerd. 

Het 16de punt, dat iemand, geen lidmaat zijnde, niet zal worden toegelaten (in 
eene andere gemeente dan waartoe hij behoort) tot de katechisatien om als lidmaat dier 
qemeente aangenomen te worden , tenzij hij óf in die gemeente een jaar en zes weken hebbe 
gewoond, óf binnen het bedoelde jaar en zes weken, een verlofschrift hebbe vertoond van 
den Leeraar, of bij vacature van den Ouderling der gemeente, waartoe hij gerekend wordt 
wettiglijk te behooren, werd algemeen goedgekeurd en aangenomen. 

De 17de en 18de punten, Hoofddeel Kerkbestuur, werden nu overwogen, en de 
Hoog-Ed. Commissarissen Politiek hunne toestemming gegeven hebbende, dat hunHoog- 
Eds. voorstel in eene vorige Zitting aangaande deze zaak, die toen aan de commissie der 
nvisie werd opgedragen, aan eene commissie der Synode zoude worden overgegeven, opdat 
de zaak daardoor bespoedigd zoude worden, zoo werd er eene commissie benoemd, 
bestaande uit Di. Van der Lingen, Praser en P. E. Faure, en de Ouderlingen De Vos, De 
Vaal en Truter, om bepalingen te maken voor Kerkeraden, zoo met betrekking tot derzelver 
constitutie als wijze van handelen (Bijl.). 

Hierna las de Hoog-Ed. Heer eerste Commissaris Politiek eenen brief van den 
Hoog-Ed. Secretaris van het Gouveruement aan de Vergadering voor, waarin Commissarissen 
Politiek verzocht werden aan de Synode voor te stellen terstond met het Appel van Ds. Shand 
eenen aanvang te maken (Bijl.). 

Dit voorstel gedaan zijnde, zoo besloot de Vergadering overeenkomstig hetzelve 
te handelen en op morgen met gezegd Appel voort te gaan. 

Nog werd gelezen een voorstel van den Ouderling van VVijnberg. 

De minuten gelezen en goedgekeurd zijnde, werd de Vergadering more solito met 
dankzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden den 27 Ootober 1837. 



135 



NEGENDE ZITTING, 



Vrijdag den 21sten October 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgezonderd Ds. von Manger en den Ouderling van 
Somerset (H. H.), wegens indispositie, de Ouderling Maasdorp inet verlof van den Prseses, 
en Ds. H. Moorrees ingevolge Gouvernements brief aan Commissarissen Politiek op gisteren 
gelezen. 

Na het gebed door den Scriba, werden de Notulen der vorige zitting geresumeerd 
en geteekend. 

De Hoog-Eerw. Prseses maakte aan de Yergadering bekend, dat de deputatie be- 
noemd om aan Zijne Excellentie eenige bezwaren der Synode voor te leggen, aan haren last 
op gisteren had voldaan, en dat Zijne Excellentie beloofdhad, zoo spoedig als doenlijk is, een 
antwoord op de aan Zijne Excellentie voorgelegde stukken der Synode toe te zenden. 

De Hoog-Eerw. Praeses kondigde nu aan, dat het appel van Ds. Shand aan 
de orde was, waarop de Ouderling van den Wijnberg voorstelde, “dat daar de zaak van 
den Heer Shand thans geopend is, die leden van de Vergadering die reeds in de gemelde 
zaak uitspraak gedaan, of een deel in de zaak gehad hebben, de vergadering verlaten (over- 
eenkomstig art. 61 van het. Alg. Regl.). De groote meerderheid de Vergadering keurde 
dit voorstel goed. Ds. le Febre Moorrees protesteerde hiertegen. Di. Spijker, Heyns en 
Roubaix, en de Ouderling Roux hebben niet gestemd, de Afgevaardigden van George 
gevoelden zwarigheidom hunne stem hierover uit te brengen. Ds. Spijker zal zijne'redenen 
schriftelijk opgeven, waarom hij zijne stem niet beeft uitgebragt. 

Hierop verwijderden zich uit de Vergadering Di. Cassie, Ballot, Robertson, Suth- 
erland en de Ouderling Cilliers ; alsmede de Pred. van Zwartlaud, die daartoe op verzoek 
verlof had bekomen, uithoofde van de naauwe betrekking waarin zijnEerw. tot den dienst- 
doenden Leeraar van Tulbagh staat. 

Ds. Heyns deed nu de vraag, of Ds. Shand geene objectie maken kan, tegen de 
afgevaardigden uit den Kaapstadschen Kerkeraad, daar er een vonnis van Suspensie tegen 
gemelden kerkeraad is uitgesproken door den Eersten Ring. Ds. P. E. Faure antwoordde 
dat hij van gevoelen was, dat dit geen grond van objectie tegen de afgevaardigden uit, den 
Kaapstadschen Kerkeraad zijn kan, omdat op gemeld vonnis nog geene sanctie van den Heer 
Gouverneur was bekomen, en de Secretaris van het Gouvernement aau het Bestuur van den 
Eersten Ring had gemeld dat : 

“His Excellency has been duly advised to withhold that confirmation (i. e. of the 

sentence)” 

Hierop verklaarde de Vergadering dat er geene objectie tegen de Kaapstadsche 
Afgevaardigden kan gemaakt worden. 

Daar de Heer de Vaal, Ouderling van Tulbagh, niettegenstaande het goedgekeurd 
voorstel van den Ouderling van den Wijnberg nog was blijven zitten, zoo werd hem door 
den Hoog-Eerw. Praeses en den Hoog-Ed. eersten Commissaris Politiek verzocht, zich ook te 
verwijderen, als deel hebbende in de zaak van dan lleer Shaud, vvaarop de Heer de Vaal 



136 



antwoordde, “als het dan de wet is dan zal ik weggaan,” er op eene onwelvoegelijke wijze 
bijvoegende, “eer ik uit de vergadering ga, moet ik uit naam van kerkeraad en gemeente 
protesteren tegen de wederaanstelling van den Heer Shand, ingeval hij weder wordt aange- 
steld.” Daar de Hoog-Eerw. Scriba een van die leden was, dieingevolge Art. 61 zich moesten 
verwijderen, zoo werd door den Hoog-Eerw. Prseses de Ass. Scriba Ds. P. E. Paure verzocht 
zijnHoog-Ew. functie waar te nemen. 

Nu ging men over tot het lezen van het Rapport der Commissie in de zaak van 
Ds. Shand, en vervolgens van al de Documenten op de geheele zaak betrekking hebbende, 
zoo als die zijn opgegeven in gemeld Rapport (Bijl.). Nadat de minuten waren gelezen en 
goedgekeurd werd deze zitting door den fungerenden Scriba met gebed gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 28sten October 1837. 



TIENDE ZITTING, 



Zaturdag den 28 sten October 1837. 

Tegenwoordig al de Leden uitgezonderd den Hoog-Eerw. Actuarius en den Ou. 
derling van Somerset (H. H.), wegens indispositie, alsmede die leden die zichgisteren hebben 
verwijderd, uithoofde dat de zaak van den Heer Shand diende. 

Na het gebed door den fungerenden Scriba, werden de Notulen der vorige zitting 
geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

Ds. Morgau gaf uit naam van Ds. Ballot te kennen dat zijnEerw. op gisteren de 
Vergadering verlaten heeft, omdat de zaak van Ds. Shand op handen was. 

De Hoog-Eerw. Praeses berigtte nu, dat de zaak van het Appel van Ds. Shand 
zoude worden voortgezet, en bepaalde de aandacht der Vergadering op hetgeen naar zijn. 
Hoog-Eerw. gevoelen daarin wel van elkander behoorde gescheiden te worden, namelijk een 
Appel tegen de provisionele aanstelling van den Wel-Eerw. Heer H. Moorrees als Leeraar 
van Tulbagh, en een Appel tegen de toelating van gemelden Heer tot eene plaats in de Ver- 
gadering van den Tweeden Ring. 

Nadat de meesten der Leden hun gevoelen omtrent deze zaak in het breede had- 
den medegedeeld, en Commissarissen Politiek hieromtrent hunne consideratiën en advies 
hadden uitgebragt, stelde de Hoog-Eerw. Prseses de vraag voor : “is het eerste gedeelte van 
het Appel naar de Sgnode tegen de provisionele aanstelling van Ds. H. Moorrees regelmatig 
of niet.” Door de groote meerderheid werd negatief geantwoord. Er waren 5 affirmative 
stemmen, terwijl Ds. Von Manger en de Ouderling Maasdorp geene stem uitbragten, omdat, 
zij bij het lezen der stukken niet tegenwoordig waren. Ten opzigte van het tweede gedeelte 
van het Appel deed de Hoog-Eerw. Voorzitter nu deze vraag -. 

“ Heeft de Ringsvergadering te Zwellendam wel gedaan, door Ds. Moorrees tot 
eene plaats in die vergadering toe te laten, ja of neen ?” De meerderheid beantwoordde deze 



137 



vraag negatief, voor welk antwoord de Afgevaardigden van Stellenbosch en Ds. Van der Lin- 
gen hunne motiven schriftelijk hebben opgegeven (Bijl.). 

In de minderheid waren de afgevaardigden van de Kaapstad (die hunne motiven 
in geschrifte zullen stellen (Bijh), de Ouderling van Zwartland en de Predikant van Clanwil- 
liam. De Hoog-Eerw. Actuarius heeft zijn gevoelen schriftelijk ingezonden. 

Hierop ging men over tot het opmaken van de volgende uitspraaTc : 

“Na rijpe deliberatiën over de tot dit Appel behoorende Documenten, is de Synode 
tot deze uitspraak gekomen, dat wat aangaat het eerste punt van Appel tegen de provisio- 
neele aanstelhng van Ds. H. Moorrees als Predikant van Tulbagh, de Synode oordeelt, dat 
het niet regelmatig is, dat zoodanige zaak voor de Synode gebragt worde, omdat het eene 
aanstelling is, die door het Gouvernement is geschied. 

“ Wat aangaat het tweede Punt, het Appel tegen de toelating van Ds. Moorrees 
tot eene plaats in de Ringsvergadering te ZweUendam, oordeelt de Synode dat deze toelating 
niet had behooren te geschieden, op grond dat de meerderheid der Synode van oordeel is 
dat de suspensie van den Wel-Eerw. Heer Shand had opgehouden, zoodra de Ringsvergade- 
ring te Zwellendam geopend was, en dien ten gevolge de aanstelling van den Wel-Eerw. 
Moorrees op dat tijdstip ook had opgehouden van kracht te zijn. Reserverende de Synode 
voor het overige aan zich, nader uitspraak te doen aangaande de in deze zaak gevallene kos- 
ten, tot het uiteinde van de principale zaak.” 

Nu werden partijen binnen genoodigd en bovenstaande uitspraak aan hen voorge- 
lezen, waarna zij de vergadering wederom verlieten. 

Ds Shand hierop weder binnengetreden zijnde, werd nu aan zijnWel-Eerw. ge- 
vraagd of hij wenschte dat de zaak tusschen hem en de gemeente te Tulbagh onderzocht 
zoude worden ? Zijn-Eerw. maakte eenige zwarigheid, doch verzocht om copij van de aan 
hem voorgelezen uitspraak, belovende alsdan op aanstaanden Maandag hierop te zullen 
antwoorden. Dit verzoek werd Zijn-Eerw. toegestaan. 

Nadat de minuten waren gelezen en goedgekeurd werd deze zitting met dankzeg- 
ging door den fuugerenden Scriba gesloten. 

Geresumeerd en geteekend, op heden, den 30sten October 1837. 



ELEDE ZITTING. 

Maandag, den SOsten October 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgezonderd cle Hoog-Eerw. Actuanus, wegens 
indispositie, en die leden der Vergadering, die afwezig zijn moesten uithoofde dat de zaak 
van Ds. Shand onder behandeling is. 

Na het gebed door den fungerenden Scriba, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. De Afgevaardigden van de Kaapstad 
leveren hunne schriftelijke motiven in (Bijl.), volgens aankondiging in de vorige Sessie. 



138 






De Iioog-Eerw. Praeses maakt bekend, dat er door zijnHoog-Eerw. ontvangen is 
een document van “ The Christian Instruction Society,” inhoudende verzoek om den Heer 
Vogelgezang als Zendeling te ordenen. 

De zaak van Ds. Shand wordt nu voortgezet, en zijnEerw. daartoe binnengeroepen. 
Voor de Vergadering verschenen zijnde, vraagde zijnEerw. om explicatie van het eerste 
gedeelte van de uitspraak der Vergadering in de vorige Sessie ; waarop de Hoog-Eerw. 
Praeses antwoordde, dat de Synode geene magt heeft om dit punt van het appel te beslissen, 
daar het eene daad is, welke door het Gouvernement is geschied. 

Ds. Shand antwoordde : dan zijn de hinderpalen voor mij nog niet uit den weg 
geruimd, en ik ben dan nog niet hersteld in mijne regten van gesuspendeerden Leeraar. 

Hierop verzocht de Praeses zijnEerw. om zich weder te absenteren ; waarna de 
Voorzitter voorstelde, dat de Broeders Morgan en O. J. Truter den Eerw. Shand in een 
vriendschappelijk gesprek, het gevoelen van de Vergadering omtrent de uitspraak zouden 
mededeelen, en alzoo datgene uit zijn gemoed wegnemen, hetwelk hem zoo zeer schijnt te 
bezwaren om in de principale zaak te treden. 

Ds. Shand wordt hierna weder binnengeroepen. 

De Prseses zeide nu tot zijnEerw. : wij zullen dan, daar het appel afgeloopen is, 
tot de zaak zelve overgaan. Waarop de Heer Shand antwoordde: de magt van den 
Gouverneur in de provisioneele aaustelling van den Eerw. Moorrees is onregtmatig ; al erkent 
de Synode het, ik zal het nooit kunnen erkennen, zoo lang ik door Gods genade in staat zal 
zijn mij daartegen te verzetten. Ik beschouw de aanstelling van den Eerw. Moorrees voor 
onwettig, en meen te moeten zorgen, dat niets in de Tulbaghsche gemeente geschiede tegen 
den wil van den Heer Jezus ; daar de band tusschen mij en die gemeente nog niet verbroken 
is. Daar de Synode verklaart geene magt te hebben om iets uit te rigten tegen den wil van 
het Gouvernement, zoo zoude het beter voor mij zijn, geheel onder de magt van het Gouver- 
nement te zijn ; want vertrouwen moet gevestigd zijn op magt. 

Ds. Morgan merkte aan, dat, wanneer het Gouvernement iets zoude doen in 
strijd met onze wetten, wij dan wel redres zouden zoeken. 

• De Praeses voegde zijnEerw. nu toe : uw appel, voor zoo ver het kerkelijk is, 
is gunstig voor u afgeloopen. De zaak moeten wij nu zelve onderzoeken. Zegt ons vooraf, 
wat meent gij met uwe regten ? Antw'. van Ds. Shand : Niemand moest aangesteld zijn 
zonder tusschenkomst van den Ring en toestemming van den gesuspendeerden Leeraar. 

Ds. Shand vraagt nu verlof om zijne aanmerkingen op de uitspraak der Synode 
schriftelijk in te geven. Daartoe werd aan zijnEerw. een halfuur toegestaan, waarna hij 
zijne aanmerkingen heeft ingeleverd (Bijl.). Hierna verklaarde de Praeses, dat de zaak geen 
langer uitstel lijden kon, waarop zijnHoog-Eerw. tot het onderzoek der zaak overging, 
aan Ds. Shand deze vraag voorstellende : 

Zijt gij genegen om den doop te bedienen aan de kinderen van alle ledematen 
uwer gemeente, die niet onder censuur gelegd zijn ? 

Antw. Ik doe dezelfde verklaring, die ik aan den Ring gedaan heb. Dewijl de 
Synode mij niet kan of wil herstellen in mijnen stand als gesuspendeerden leeraar, zoo kan 
ik geen antwoord geven in mijne zaak met de gemeente van Tulbagb. Op nog eenige 
andere vragen gaf zijnEerw. hetzelfde antwoord. 



139 



Hierop werd Ds. Shand verzocht zich te verwijderen. Nu vraagt de Prseses aan 
de Vergadering of Ds. Shand niet tegen de instelling en ge woonte van de Hervormde Kerk 
in Zuid-Afrika gehandeld heeft, in zwarigheden te rnaken in het toedienen van de Sacra- 
menten aan ^on^cen^ureerde ledematen, volgens aant. Acta, 2de Ring, ] S36, Tulbagh ? 
Zestien Leden der Vergadering oordeelen Ja. Acht zeggen dat hij tegen de gewoonte gehan- 
deld heeft, maar niet tegen de instellingen, en hieronder was ook Ds. P. Faure (Bijl.). Twee 
hebben de vraag ontkennend beantwoord, daaronder was Ds. Van der Lingen, die hun 
gevoelen schriftelijk mededeelden (Bijl.). Zeven hebben niet gestemd en hiertegen gepro- 
testeerd, te weten : Di. Morgan, Smith, J. J. Beck, Fraser, Th. Reid, Wrn. Thomson en 
J. Taylor (Bijl.). 

Nu verklaarde de Synode dat de Wel-Eerw. Shand het Leeraars- en Herdersambt 
in geene gemeente in deze volkplanting kan waarnemen, zoo lang hij niet bereid of genegen 
zijn zal de Sacramenten te bedienen aan onbesproken of ongecensureerde ledematen, en dus 
tot dat hij overeenkomstig de Reglementen der Synode in Zuid-Afrika, en de gewoonte en 
instellingen alhier bestaande handelen zal. Twee-en-twintig stemmen deden deze verklaring. 
Ds. Van der Lingen was in de minderheid. Di. Morgan, Smith, Beck, Fraser, Reid, Thom- 
son en Taylor, protesteerden tegen deze verklaring (Bijl.). 

Men sprak nu nog over de kosten in deze zaak gevallen, en besloot, daar de tijd 
reeds verstreken was, dit onderwerp tot morgen uit te stellen. 

Nadat de Minuten waren gelezen, werd deze Zitting door den fungerenden 
Scriba gesloten. 

Geresumeerd en geteekend, op heden, den 31sten October 1837. 



TWAALFDE ZITTING. 



Bingsdag, den 3 1 sten October 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius en den Ouder- 
ling van Colesberg, door indispositie verhinderd, alsmede zij die afwezig zijn moeten omdat 
de zaak van Ds. Shana onder behandeling is. 

De Hoog-Ed. eerste Commissaris Politiek woonde deze Vergadering niet bij. 

De Vergadering met het gebed door den fungerenden Scriba geopend zijnde, wer- 
den de Notulen der vorige Zitting gelezen, goedgekeurd en geteekend. 

Het schriftelijk gevoelen van den Hoog-Eerw. Actuarius tot staving van hetgeen 
hij reeds in eene vorige zitting had medegedeeld (Bijl.), omtrent de zaak van Ds. Shand, als 
raede twee protesten van Di. Morgan, Fraser, Smith, Reid, Thorason, Beck en Taylor, wer- 
den gelezen en bij de Acta van gisteren gelegd (Bijl.). 

Overeenkomstig aankondiging van gisteren, handelde men nu over dekosten, die 
z 



140 



in de zaak van Ds. Shand gevallen waren. De Praeses stelde voor dat geene onkosten aan 
eene der partijen zouden worden toegerekend, welk voorstel bijna algemeen werd aangenomen. 

Ds. Sliand verscheen nu op uitnoodiging voor de Yergadering, waarop aan zijn- 
Eerw. de op gisteren gedane verklaring der Synode is voorgelezen, met bijvoeging dat geene 
der Partijen in deze zaak in de kosten is gecondemneerd. Nadat Ds. Shand die verklaring 
had aangehoord, antwoordde hij : Nu de Synode tot eene uitspraak gekomen is, ben ik ge- 
noodzaakt mij over dezelve uit te laten. Niemand kan mij bewijzen dat ik gehandeld heb 
tegen de instellingen der kerk. Ik heb immer getracht dezelve stiptelijk na te komen. 
Wat aangaat gewoonte, ik ken geene andere, dan die bestaat omtrent het trouwen. Zoo lang 
de Geloofsbelijdenis van kracht is, heb ik mij niet te onderwerpen aan gewoonten ; en tegeu 
die gewoonte heb ik gestreden, omdat ik dezelve als goddeloos beschouw. In Holland is 
het nergens de gewoonte op Zondag te trouwen, en vele Leeraars hebben mij hier te ken- 
nen gegeven dat trouwen op Zondag groote aanleiding geeft om den dag des Heeren te ont- 
heiligen ; en indien zij dit dus doen, zijn zij den menschen meer gehoorzaam dan Gode. Ik 
zal tegen deze uitspraak formeel protesteren, en overigens mijne geheele zaak leggen voor 
de koningin ; en verzoek daartoe copij van alle tot de zaak belioorende Documenten. 

De Heer Sliand hierop de Vergadering verlaten hebbende, werden de afwezigen 
bmnen geroepen. 

De Ouderling 0. J. Truter vraagde nu aan den Hoog-Ed. Commissaris Politiek, 
als vertegenwoordigende het Gouvernement, in welk licht men nu Ds. H. A. Moorrees moest 
beschouwen. 

De Hoog-Ed. Commissaris Politiek las nu weder voor den brief van den Secretaris 
van het Gouvernement van den 26sten October hieromtrent, en verklaarde, dat, vermits de 
zaak van den Wel-Eerw. Shand afgeloopen is, hij den Heer Moorrees als nu beschouwde zit- 
ting en stem te moeten liebben. Ds. H. Moorrees verklaarde dat hij van hier niet gaan zal, 
tot dat liij vanwege het Gouvernement van hier geroepen wordt. 

De Ouderling van Wijnberg verzocht nu, dat zijn voorstel op den 26sten October 
mgeleverd, betrekkelijk het rapport van Kerkvisitatie door de Ringen aan de Synode, als 
naar zijn oordeel van belang zijnde, in overweging genomen zoude worden. Men ging dan 
hiertoe over, en besloot voor ditmaal tevreden te zijn met het Algemeen Verslag van den 
Actuarius, maar dat, in het toekomende, een rapport door den Ring, staande deszelfs Ver- 
gadering, worde opgemaakt voor de Synode, en door denzelven aan haar worde ingeleverd, 
overeeukomstig Art. VI van het, Reglement op Kerkvisitatie. 

Nu ging men over tot de Beschrijvingspunten, en wel het laatste punt onder het 
Hoofddeel Kerkbestuur, t. w. :\dat in^het vervolg geene Huwelijken kerkelijk bevegtigd zullen 
wQrden, waartoe Partijen door den wergldlyken Regter gedioongen zijn. Hetgeen aanlei- 
ding gegeven heeft tot dit voorstel, door Ds. Spijker medegedeeld zijnde, merkte de Hoog- 
Eerw. Prseses aan dat, in alle waarschijnlijkheid, de Burgerlijke Wet welhaast hierin voor- 
zien zal, j t erwij l de Hoog-Ed. Commissaris Politjck verklaarde dat de Synode geene magt 
heeft om tot een besluit hieromtrent te komen, als zijnde eene civiele zaak, op grond waar- 
van het voorstel werd ingetrokken. 

Het Eerste en het Tioeede punt, onder het Hoofd “ Leeraarsambt ” vereenigd 
zijnde, merkte de eerste voorsteller aan, dat, naar zijn gevoelen, de bewoording van de 
thans bestaande Acte van Onderteekening van Predikanten, den weg openlaat tot zekere 



141 



reserve. Hierover werden vele discussiën gehoord. Sommigen hebben zich met kracht er 
tegen verzet ; anderen met vele redenen het voorstel ondersteund, en door Di. Yan der 
Lingen en P. E. Faure stellig verklaard, dat zoodanig reserve werkelijk bij velen in Neder- 
land gemaakt wordt, zoo zelfs, dat in de laatste tijden, in de Nederlanden, onder beroemde 
godgeleerden veel in geschriften er over is getwist. De voorstellers gaven nu te kennen, dat 
zij hun voorstel zouden intrekken, wanneer de Synode omtrent de Acte van Legitimatie 
de volgende verklaring wilde doen : — 

tc De Synode verklaart, dat de onderteekenaar van de Acte bij de legitimatie, 
door zijne onderteekening verklaart en te kennen geeft, dat hij de leer, die in de Formulieren 
van Eenigheid vervat is, gelooft overeenkomstig Gods Heilig Woord te zijn.” 

Deze verklaring werd door de meerderheid der Synode gedaan. De stemmen 
waren 21 tegen 19. 

In de meerderheid waren de Heeren Yau der Lingen, P. Faure, Reid, Morgan, 
Fraser, Beck, Truter, Thomson en Taylor. In de minderheid de Afgevaardigden van de 
Kaapstad, die ook protesteerden, de Afgevaardigden van Tulbagh, Clanwilliam, Zwartland 
en George. 

De Hoog-Ed. Cotnmissaris Politiek deelde nu aan de Vergadering mede den 
ínhoud van twee Brieven van het Gouvernement, welke zijnHoog-Ed. slechts wilde dat 
men voor gecommuniceerd zoude aannemen, te weten : Een omtrent provisionele sanctie op 
sommige besluiten van de Synode van 1834 (Bijl.), en de andere betrekkelijk het aangenomen 
voorstel omtrent opene deuren. Hierop werden twee voorstellen ingeleverd en gelezen, een 
van Ds. Faure en een van Ds. Morgan, en nadat de Minuten waren gelezen en goedge. 
keurd, werd de Vergadering met dankzegging door den Scriba gesloten. 

Geresumeerd en geteekend, op heden, den isten November 1837. 



DERTIENDE ZITTING. 



Woensdag den \sten November 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgezonderd den Hoog-Eerw. Actuarius en een 
Ouderling van Zwartland, door ongesteldheid verhinderd. 

Nadat de Vergadering met het gebed door den Scriba geopend was, werden de 
de Notulen der vorige Zitting geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

Bij de resumptie verzocht Ds. Spijker de aanteekening, dat hij in het bepalen der 
kosten in de zaak van Ds. Shand in de minderheid was, zullende hij zijne motiven daarvoor 
inleveren (Bijl.). 

Ds. Van der Lingen merkte ook aan, dat de woorden van Ds. H. A. Moorrees, die 
hij in de discussie van de vorige zitting gebruikt had, en waarvan hij aanteekening verzocht 
had, echter niet aangeteekend waren. De bedoelde woorden waren deze : t£ De Tien Gebo- 
z* 






142 

den zijn voor ons van geene verbindende kracht. De echtbreuk wordt niet gestraft op grond 
van het zevende gebod, maar op grond van derzelver verderfelijken invloed op de Maat- 
schappij.” 

Ds. II. A. Moorrees zeide, dat deze zijne woorden “ schandelijk verdraaid waren,” 
en dat men in acht moest nemen, dat hij dit gezegd had als Christen-Leeraar ; bepalende de 
Yergadering vooral bij het 4de gebod, “ hetwelk” zeide hij, “ indien men hetzelve letterlijk zou 
opvatten, ons verpligten zou, den Sabbat in plaats van onzen Zondag te vieren.” 

Ds. Morgan, die hieromtrent een voorstel ingeleverd had, zeide dat zijne begeerte 
daarmede enkel was dat Ds. Moorrees in de gelegenheid zoude gesteld worden, zich wegens 
gez. uitdrukkingen te verklaren en vooral voor te komen dat zoodanige uitdrukkingen in 
het vervolg in onze Synodale Vergadering niet gebruikt worden. 

Men ging nu over tot de Beschrijvingspunten, waarop het 3devoorstel onder het 
Hoofddeel “Leeraarsambt,” letrekkelijk het prediken in da_Engelsche taaL door den voor- 
steller werd ingetrokken, die daarbij aanmerkte, dat, hoewel ten volle overtuigd van het be- 
lang van het voorstel,|lnj de zaak aan het Gouvernement zoude overíaten. 

Het 4de punt onder het gemelde Hoofddeel werd uitgestérd, tot dat de persoon 
op wien hetzelve eenige betrekking had, tegenwoordig zoude kunnen zijn. 

Het 7de punt op deze wijze ter opheldering van hetzelve veranderd : “Is het wen- 
schelijk in geval van suspensie van eenigen Leeraar, eenen anderen, in stede van eenen Con- 
mlent tot Provisionelen Leeraar, in deszelfs plaats aan te stellen ?” werd nu door den Hoog- 
Eerw. Praeses aan de overweging der Vergadering voorgedragen. Na dit punt rijpelijk over- 
wogen te hebben, was de meerderheid van gevoelen, dat, alhoewel de wetten en bepalingen 
der Hervormde Kerk, slechts omtrent eenen Consulent in dit geval voorziening maken, het 
echter wegens de bijzondere omstandiglieden van dit land wenschelijk is, dat een Provisio- 
nele Leeraar aangesteld worde. 

De beide Heeren Moorrees hebben hieromtrent niet gestemd. Di. Van der Lin- 
gen en P. E. Faure verzochten aanteekening dat zij in de minderheid waren, en hunne rede- 
nen zullen inleveren (Bijl.). 

Ds. Herold deed nu de vraag, of de wet aangaande het consulentschap, derzelver 
kracht nog behoudt, en of iemand door den Ring tot Consulent aangesteld, verpligt is tot 
de waarneming van het ambt ? welke vraag nem. con. affirmatief beantwoord werd. 

Het 5de 6de en 8ste punt onder het Plooíddeel Leeraarsambt, betrelckelijlc het 
traktement van eenen gesuspendeerden Leeraar, vereenigd, als met elkander in verband staan- 
de, voorgedragen zijnde, werd er aangemerkt, dat hieromtrent deze navolgende wet in de 
Ned. Herv. Kerk in Nederland bestaat, t. w. : 

“ Provisionele opschorting van dienst, of ook die voor een bepaalden tijd bij een 
eind-vonnis is opgelegd, strekt zich niet uit tot gemis van traktement of emolumenten ; doch 
zullen gesuspendeerde Leeraars gehouden zijn, de Predikanten van den Ring, die op last van 
het Klassikaal Bestuur de dienst inmiddels vervullen, te defroijeren, op gelijke wijze als voor 
de consulenten bepaald is in het Reglement, op de beroepingen. Eene geheele afzetting van 
de dienst heeft, behalve in geval van Appel, dadelijk ten gevolge, het inhouden van het 
traktement en van alle emolumenten.” 

De Hoog-Ed. Commissarissen Politiek werden verzocht, om de aanneming dezer 
wet, in zooverre dezelve op dit land toepasselijk is, aan het Gouvernement aan te bevelen, 






143 



hetgeen zij goedgunstig beloofden, waarmede de Vergadering voldaan was ; deze aanmerking 
bij gevoegd zijude, dat het defroijeren door den gesuspendeerden Leeraar alleen geschieden 
zal ten opzigte van een Consulent, maar niet van eenen provisioneelen Leeraar. 

De overweging van het 9de punt werd om dezelfde reden als het 4de uitgesteld. 

Tot het Hoofddeel “ Godsdienstonderwijs” nu overgaande, werd het punt betrek- 
kelijk het goedkeuren van de “ Shorter Catechism” door den voorsteller ingetrokken, die in 
plaats daarvan voorstelde, dat de Heidelbergsche Catechisnrus, en het Korte Begrip door den 
druk verkrijgbaar worden gemaakt in het Engelsch, daar hij zijn eerste voorstel vooral ge- 
daan had om degenen te gemoet te komen, die geene genoegzame keunis van het Neder- 
duitsch hadden. 

De Vergadering was algemeen van gevoelen, met uitzondering van Ds. H. A. 
Moorrees, dat het noodzakelijk was om niet alleen den Catechismus maar ook de Formulieren 
te vertalen, of de reeds gedane vertaling na te zien en te laten drukken. De Scriba en de 
Afgevaardigden van Wijnberg werden tofc dit einde in eene Commissie gesteld, terwijl Dr. 
Heyns op zich nam om het opzigt over het drukken te hebben. 

De Hoog-Ed. Commissarissen Politiek, beloofden ook om bij het Gouvernement 
uit naam der Synode aanzoek te doen, dat gemelde Catechismus en Pormulieren ter Gou- 
vernements Drukkerij gratis gedrukt mogten worden. 

Het punt onder het Hoofddeel “Zendelingswezen,” namelijk “ rapport ter appro- 
batie van het besluit aangaaude de ordening voor den Zendeling J. Verhaag,” kwam nu 
ter tafel. 

Uit de handelingen van den Eersten Ring hieromtrent door den Scriba des Rings 
voorgelezen, en ook uit het Rapport van Di. Van der Lingen en P. E. Paure, die door den 
Ring ter ordening van den Heer Verhaag in Commissie gesteld waren, bleek het, dat gemelde 
Heer Verhaag, door de gemelde Commissie tot Zendeling in de Fransche Hoek op den 27sten 
Aug. 11. was geordend geworden, overeenkomstig een besluit van de meerderheid van den 
Eersten Ring, men gaf ook te kennen dat de omstandigheden zoodanig waren, dat de Rings- 
vergadering zich geregtigd beschouwde, overeenkomstig het 3de Art. van het Besluit van 
den lOden November 1829, als eene Synodale Commissie in deze zaak te handelen. 

Er werd aangemerkt dat, volgens Art. IV van het Reglement betrekkelijk het or- 
denen van Zendelingen, men den Heer Verhaag vóór zijne ordening geexamineerd moest 
hebben, hetgeen niet bleek te zijn geschied. 

Hierop antwoordde men dat de Heer Verhaag een Diploina had als Proponent der 
Heilige Dienst voor de Christenen uit de Heidenen, van de Commissie voor de kerken van 
Oost- en West-Indiën in Nederland, en dat men het derhalve niet noodig beschouwde hem 
aan eenig examen verder te onderwerpen. 

De Hoog-Eerw. Praeses deed nu aan de Vergadering, met uitzondering van degenen 
tot den Eersten Ring behoorende, die bij de behandeling van deze zaak in de Ringsver- 
gadering gezeten hadden, deze vraag : “Heeft de Eerste Ring, onder de bestaande omstan- 
digheden goed gehandeld in het ordenen van den Heer J. Verhaag?” — hetgeen door de meer- 
derheid ajfirmatief beantwoord werd. Di. Spijker en Roubaix verzochten aanteekening dat 
zij als leden van den Eersten Ring niet toegelaten zijn om mede te stemmen, maar dat zij 
tegen het Besluit van den Ring geprotesteerd hebben, gelijk blijkt uit de Acta van den Ring 
(Bijl.). 



144 



Er werd nu weder voorgelezen de brief van den Gouvernements Secretaris, be- 

I trekkelijk het toegankelijk maken van de Synodale en Ringsvergaderingenjvoor leden der 
Hervormde Kerkonder zekere Bepalingen (Bijl.), waarin Zijne Excellentie de Gouverneur aan 
de Vergadering recommandeert, om alsnog het voorstel van Commissarissen Politiek desaan- 
gaande in overweging te nemen, om namelijk dit punt aan de Commissie van Rivisie der 
Wetten te refereren. 

Commissarissen Politiek stelden nu voor de vraag : “ Of de Hoog-Eerw. Synode 
al dan niet treedt in de aanbeveling van Zijne Excellentie, om het toelaten vanfchijjedema- 
/ ten der Nederduitsch Hervormde Kerk onder zekere bepalingen tot de Synodale en Rings- 
I vergaderingen, alsnog te refereren naar de Commissie ter Rivisie der Synodale Wetten en 
Reglementen ?” 

Nadat omtrent deze vraag vele bezwaren waren in het midden gebragt, terwijl 
vele Leden te kennen gaven, dat zij, behoudeus allen eerbied voor Zijne Excellentie, ver- 
meenden goede gronden te hebben, waarom zij niet van hunne eerst uitgebragte stem konden 
terugkomen, werd op de vraag van Commissaiïssen Politiek door 20 affirmatief en 20 nega- 
tief geantwoord. De Praeses in zijne kwaliteit besliste, overeenkomstig Art. 6 van het 
Reglement van Orde, dat in het voorstel niet kon worden getreden. Waarop de Hoog-Ed. 
Commissarissen Politiek copij van deze uitspraak verzochten. In de minderheid waren de 
Afgevaardigden van Kaapstad, Tulbagh, George, Clanwilliam, en de Predikant van Zwartland. 

De Hoog-Eerw. Prseses meldde, dat aan Zijne Exeellentie de motiven van het besluit 
waartoe de Vergadering gekomen is, eerbiedig zullen worden gesubmitteerd ; terwijl Com- 
missarissen Politiek verzochten daarvan eene copij te mogen hebben (Bijl.). 

De Presses deelde der Vergadering mede, dat het Rapport van de Commissie tot 
ontwerpen van een Regïement op Kerkeraden was ingekomen ; alsmede een verzoekschrift 
van zekere appellanten, welke op morgen voorgelezen zullen worden. 

Ook werd voorgelezen een brief van den Secretaris des Gouvernements, provisio- 
nele goedkeuring gevende aan de Acta van de Synodale Vergadering van 1834 (BijL). 

Nadat de Minuten voorgelezen en goedgekeurd waren, werd de Vergadering met 
dankzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend, op heden, den 2den November 1837. 



VEEETIENDE ZITTING. 

Bonderdag , den '2de)i November 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius. 

De Hoog-Ed. eerste Commissaris Politiek was ook door ongesteldheid verhinderd 
deze Vergadering te kunnen bijwonen. 

Nadat de Vergadering op de gewone wijze met het gebed geopend was, werden 
de Notulen der vorige Zitting gelezen, goedgekeurd en geteekend. 



145 



Nu werd er voorgelezen (op verzoek der Commissie aangesteld om de ingekomene 
documenten betrekkelijk de Kaapstadsche geschillen te examineren, en daarop te rapporte- 
ren) eene memorie van zekere klagers en appellanten, ingeleverd bij het openen der Synode 
(Bijl.), alsook eene memorie, gedateerd den 30sten October 1837, en gisteren door den 
Hoog-Eerw. Prseses ontvangen, met de eerstgenoemde in verband staande (Bijl.). 

Ue Kaapstadsche Afgevaardigden gaven te kennen, dat voor dat eenige discussie 
omtrent gemelde memoriën plaats hadden, zij wenschten dat zekere memorie, door hunEerw. 
aan de Vergadering ingezonden, ook voorgelezen zoude worden. 

Dit werd billijk geoordeeld ; docli daar het gebleken is, dat gemelde memorie 
onder de documenten, in handen der Cominissie gesteld, niet te vinden is, en daar de Hoog- 
Eerw. Praeses verklaarde, nooit, met zijn weten, zoodanige memorie ontvangen te hebben, 
zoo werd de verdere overweging der gemelde documenten tot morgen uitgesteld. 

Er werd nu voorgelezen en met dank aangenomen, het rapport der Comtnissie 
aangesteld om ct Bepalingen te maken voor Kerkeraden,” (Bijl.), en daarbij besloten, om ge- 
meld Reglement, wegens deszelfs uitgebreidheid en belangrijkheid, en de moeijelijkheid om er 
anders naar behooren over te oordeelen, zoo spoedig mogelijk te doen drukken, en exem- 
plaren daarvan aan de leden mede te deelen, wanneer de zaak op aanstaanden Woensdag 
behandeld zal worden. 

Door Ds. Spijker melding gemaakt zijnde van het Reglement bestaande voor den 
Kaapstadschen Kerkeraad, werd door den Hoog-Eerw. Praeses aan de Kaapstadsche Afgevaar- 
digden verzocht, hetzelve aan de Vergadering te willen mededeelen ; hetgeen men beloofde, 
indien hetzelve voorhanden mogt zijn, te zullen doen. 

Men ging nu over tot de Punten van Beschrijving, en wel tot hetgeen voorkomt 
omtrent het punt “ Onderwijs der Heidenen.” Ds. -Spijker las daarop voor eene corres- 
pondentie, tusschen den Eungerenden Scriba der Synode van 1834 en de Direkteuren van 
het Zuid-Afrikaansch Zendelingsgenootschap, welke laatsten door gemelde Synode verzocht 
waren als Finantiële Comité volgens een door de Synode ter onderwijzing der Heidenen 
ontworpen plan, te willen handelen, doch die na het opbreken der Synode geweigerd hadden, 
op grond van eenige Artikelen in het gemelde plan, welke zij beschouwden als strijdig met 
hunne Grondwetten, dezen aan hen opgedragen last op zich te willen nemen (Bijl.) . 

Ook las Ds. Spijker voor een gedeelte uit de Handelingen van den Kaapstadschen 
Kerkeraad, eene buitengewone bijeenkomst houdende, op den 3den December 1834, waaruit 
bleek, dat zijnEerwaarde, in zijne betrekking als eerste Moderator van de Synode van 1834, 
aan den gemelden Kerkeraad verzocht had, om inmiddels, mogt het plan door de Synode 
ontworpen door het Gouvernement goedgekeurd worden, in plaats van gemelde Direkteuren 
te willen treden, welk voorstel gemelde Kerkeraad bereidvvillig heeft aangenomen. 

Ook werd aan de Vergadering voorgelezen hetgeen hieromtrent in de Handelingen 
van den Eersten Ring voor 1835 voorkomt. 

De Synode dit alles aangehoord hebbende, keurde de handelingen van den eersten 
Moderator der jongste Synode, den Hoog-Eervv. Spijker, met betrekking tot die zaak, vol- 
komen goed. 

De vraag werd nu gedaan, of de Synode berust in de weigering van de Directeu- 
ren van het Z. A. Zendelinggenootschap ? — hetgeen door allen afïirmatief beantwoord werd. 

Er werd nu veel gesproken met opzigt tot het onderwijs der Heidenen, doch geen 



146 



bijzonder plan hieromtrent aan de Vergadering voorgelegd ; waarop door den Prseses voor- 
gesteld en algemeen goedgekeurd werd, eene Commissie te benoemen om de reeds aan de 
Synode van 1834 voorgelegde ontwerpen, betrekkelijk deze belangrijke zaak te revideren en 
aan de Vergadering te rapporteren (Bijl.). Tot deze Commissie werden benoemd Di. Van 
der Lingen, W. R. Thomson en de Hoog-Eerw. Scriba. 

Tot het hoofddeel, Reglement van Orde voor de Kerkvergaderingen en Kerkeradem 
overgegaan zijnde, en wel tot het eerste punt onder gemeld hoofddeel, namelijk de vraag : 
“ Of een Lid der Vergadering meer dan ééne stem hebben mag ?” zoo bleek het uit de 
handelingen van den Ring van Kaapstad, dat dit punt ontstaan was uit de vraag, of de 
Predikant-Consulent ook de gemeente, waarvan hij Consulent is, vertegenwoordigen kan en 
als zoodanig stemregt hebben ? Op deze vraag werd zonder tegenspraak geantwoord, dat 
eene vacante of herderlooze gemeente regt heeft om twee Afgevaardigden naar de Synodale 
en Ringsvergaderingen te zenden, maar dat een Lid der Vergadering in geen geval meer dan 
ééne stem hebben zal. 

Met betrekking tot het tweede punt, ouder gemeld hoofddeel, werd door de 
Vergadering, met uitzonderiug van de Predikanten van Uitenhage en Clanwilliam, bepaald, 
“ dat meu in Kerkelijke Vergaderingen wel regt van stemmen hebben zal in de verdere be- 
handeling eener zaak, omtrent welke men zijn protest heeft laten aanteekenen.” 

Het voorstel van den Ring van Kaapstad, om eene nadere bepaling op Art. 61 
van het Algemeen Reglement te maken, werd nu ter tafel gebragt, en de noodzakelijkheid van 
eene verandering, wegens de bijzondere omstandigheden dezes lands, vooral met opzigt tot 
de bepaling omtrent bloedverwantschap of zwagerscliap aangetoond zijnde, zoo werd voorge- 
steld en goedgekeurd, om dit punt tot de Commissie der Revisie te refereren. 

Het Rapport van de Rationarii werd nu voorgelezen en met dank aangenomen 
(Bijl.). Betrekkelijk hetgeen daarin voorkomt aangaande Ds. Welsh, van Glenlynden, werd 
besloten den Hoog-Eerw. Quaestor te verzoeken, gemelden heer te herinneren aan zijnen 
pligt, gelijk dezelve voorgesteld wordt in het eerste artikel van het Reglement voor het 
Predikanten Weduwen Eonds. 

Een voorstel van Ds. Van der Lingen werd nu voorgesteld, en zal in nadere 
overweging genomen worden. 

De Hoog-Eerwaarde Praeses maakte nu aan de Vergadering bekend, dat hij 
lioopte tegen Maandag de Beschrijvingspunten zoo ver afgehandeld te hebben, dat men dan 
tot de klagten zoude kunnen overgaan. 

De Minuten werden nu voorgelezen en goedgekeurd, waarop de Vergadering met 
dankzegging gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 3den November 1837. 



147 



VIJFTIENDE ZITTING. 



Vrijdag , den Zden November 1837. 

Tegenwoordig al de leden, uitgenomen den Ouderling Maasdorp, die de redenen 
zijner afwezigheid aan den Hoog-Eerw. Prseses heeft bekend gemaakt. 

De Hoog-Edcle eerste Commissaris Politiek heeft, wegens ongesteldheid, ook deze 
Vergadering niet kunnen bijwonen. 

Nadat de Vergadering op de gewone wijze inet het gebed geopend was, werden 
de Notulen der vorige Zitting gelezen en geteekend. 

Bij de resumptie merkte Ds. Spijker aan, dat hij zich niet herinneren kon het 
woord Reglement, zoo als in de aanteekening der vorige zitting staat uitgedrukt, gebezigd 
te hebben ; dat hij, in allen gevalle, niet met voordacht daarvan melding heeft kunnen 
maken, omdat hij declareren moet niet te weten dat er zoodanig een Reglement bij den 
Kaapstadschen Kerkeraad bestaat, als men daarmede schijnt te bedoelen ; maar dat hij weet 
gesproken te hebben van vaste regulatiën en bepalingen bij dien Kerkeraad, die jaren lang 
eene goede werking gedaan hebben. Ook wenschten de Kaapsche Afgevaardigden, dat 
aangeteekend worde, dat zij geene stellige belofte daaromtrent gedaan hebben. 

V Hierop deelde de Hoog-Edele tweede Commissaris Politiek het volgende aan de 
Vergadering mede, en verzocht een officieel extract er van uit de Notulen te rnogen hebben 
(Bijl.) : — “Ten einde voor te komen de opmerking van de Vergadering omtrent de wijze 
waarop ik voortaan in mijne betrekking als Mede-Commissaris Politiek de zittingen zal 
bijwonen, acht ik het noodig de Hoog-Eerw. Synode bekend te maken met raijne deter- 
minatie, om mij in het vervolg stipt te houden aan de Instructiën door het Gouvernement 
aan Commissarissen Politiek verleend, en geenen stap verder te gaan. 

“ Gezegde Instructiën brengen mede, dat Commissarissen Politiek zullen hebben te 
zorgen voor de handhaving der bestaande wetten en regulatiën, en dat niets plaats hebbe, 
waardoor de regten vau het Gouvernement en de civile regten van Zijner Majesteits onder- 
danen iu het minst worden geafifecteerd. 

“ Van het regt aan Commissarissen Politiek bij de kerkenorde toegekend, om hunne 
consideratiën en advies aan de Vergadering mede te deelen, zal ik, zqo dikwijls ik het 
noodig zal oordeelen, geen gebruik maken, om reden niet alleen, dat ik bij onderscheidene 
gelegenheden ondervonden heb de onnuttigheid daarvan, maar ook en wel bijzonder, 
uithoofde van de wijze waarop de consideratiën en voorstellen van Commissarissen Politiek 
ineestal oppositie hebben ontmoet, en de belemrnering dikmaals in hetgeen zij ten goede 
hebben getracht voor te brengen.” ^ 

De Scriba stelde nu voor, daar hij den IIoog-Eerw. Actuarius en Quaesfcor heden 
met genoegen in de Vergadering zag, dat de dank der Synode aan zijnHoog-Eervv., wegens 
zijne zorgvuldige en getrouwe waarneming van zijne arnbten, als Actuarius en Quaestor, 
betuigd worde. Dit werd algemeen goedgekeurd ; waarop de Hoog-Eerw. Prseses aan den 
Hoog-Eerw. A. Faure den hartelijken dank der Synode betuigde. De Heer Faure 
antwoordde hierop, inter alia, dat zijnHoog-Eerw. veel van den dank, welke heni betuigd 
a2 



148 



is geworden, raoet toeschrijven aan den belangloozen ijver van zijnen Mede-Administrateur, 
den Wel-Ed. Heer A. Brink, verzoekende dat dit aangeteekend mogt worden. Men besloot 
hierop, den dank der Vergadering aan den Wel-Ed. Heer A. Brink, wegens zijne genomene 
moeite en belangloozen ijver, te betuigen. De Kaapstadsche Afgevaardigden verzochten 
de aanteekening, dat zij er niets tegen hebben, dat de dank aan den Heer Brink betuigd 
worde, maar dat zij uogtans aan zidi reserveren het regt, om aangaande de aanstelling van 
den Heer Brink nog aanmerkingen te maken, wanneer het Beschrijvingspunt hieromtrent 
voorkomt. 

De Hoog-Eerw. Praeses vraagde nu aan de Commissie, benoemd om een adres aan 
Hare Majesteit de Koningin te vervaardigen, of het adres al gereed ware. Men antwoordde, 
dat veelvuldige bezigheden de Commissie tot nog toe belet hebben, van aan hetgeen haar 
opgedragen werd te kunnen voldoen, rnaar dat zij nu hoopt het adres welhaast in gereedheid 
te hebben. 

De Hoog-Eerw. Praeses deelde nu aan de Vergadering mede, dat hij heden eene 
memorie van den Kaapstadschen Kerkeraacl ontvangen heeft, met eene declaratie van Ds. 
Spijker hieromtrent (Bijl.), welke declaratie zijnHoog-Eerw. beschouwde, voor zoo ver zijn- 
Hoog-Eerw. aanging, voldoencle te zijn. 

Men ging nu over om gezegde memorie, met de op gisteren ingekomene en voor- 
gelezene memoriën in overweging te nemen, waarop de Kaapstadsche Afgevaardigden, met 
de leden van clen Eersten Ring in de geschillen betrokken, verzochten zich te mogen ver- 
wijderen. 

Dit geschied zijnde, deed Ds. Ii. A. Moorrees de vraag, of de andere leden des 
Eersteu Rings, die in gemelde Vergadering niet gezeten hadden, toen de Kaapstadsche ge- 
schillen behandeld werden, nu zullen blijven zitten ; doelende op het besluit in de tweede 
zitting, toen het voorstel orn eene Commissie ter vereffening aan te stellen, ter tafel gebragt 
werd, van dezen inhoucl : 

“ Voor dat het gemelde voorstel in stemming werd gebragt, ontstond de vraag of 
leden van deze Vergadering tot den Eersten Ring behoorende, maar die in de Vergadering 
niet hebben gezeten, toen de zaken van den Kaapstadschen kerkeraad behandeld werden, in 
de overweging van dit voorstel zullen mogen deel nemen ; waarop door alle Afgevaardigden 
uit den Tweeden en Derden Ring, uitgezonderd den Ouderling van Tulbagh, besloten werd, 
dat de leden van den Eersten Ring, als zijnde eenigermate in de zaak betrokken, daarin niet 
zullen deelen. 

Men merkte aan dat gemeld besluit op een speciaal voorstel, namelijk ter vereffe- 
ning en bemidcleling doelde, waar dit in d.e zaak van Ds. Shand, toeu men regterlijk han- 
delde, degenen die in de zaak geene uitspraak gedaan hadden, zitting en stemregt hadden. 

Aan den anderen kaut werd door Ds. H. A. Moorrees aangemerkt, dat uit den 
grond, waarop gemeld besluit of gemeld voorstel ter vereffening genomen was, het bleek dat 
diegenen, welke ter eerster instantie niet gezeten hadden, beschouwd werden als zijnde 
eenigermate in de zaak betrokken, en dat uit dien hoofde het regt van zitting huu gewei- 
gerd was. 

Hierop deed de Hoog-Eerw Prrnses de volgende vraag : “ Zijn de leden van den 
Eersten Ring die ter eerster instantie niet hebben gezeten, bevoegd om in deze zaak te zit- 
ten, ja of neen ?” 



149 



Deze vraag werd door eene meerderheid van 16 tegen 5 affirmatief beantwoord ; 

7 van hun stemregt vrijwillig afstand gedaan hebbende. 

De Afgevaardigden van Tulbagh en George, verzochten de aanteekening dat zij in 
de minderheid waren, terwijl de eerstgenoemden protesteerden. 

Ds. H. A. Moorrees vraagde nu als hoedanig men hem dan beschouwt. De iïoog- 
Eerw. Praeses antwoordde, dat hij geloofde dat deze vraag gedaan was, wegens de naauwe 
betrekking waarin zijnEerw. stond tot den Predikant van Zwartland, maar dat zijniïoog- 
Eerw. gisteren in de Vergadering bespeurd had, dat men bijna algemeen van gevoelen was, 
dat hetgeen in Art. 61 van het Algemeen Kerkelijk Reglement voorkomt, betrekkelijk 
bloedverwantschap en zwagerscliap in dit land, wegens deszelfs bijzondere omstandigheden 
niet toepasselijk gemaakt kan worden ; beho\idens echter het regt van Partijen om iemand 
te recuseren. Hetzelfde antwoord werd aan de Ouderlingen Roos en Van der Bijl gegeven, 
die in naauwe betrekking tot eenigen der Partijen staan. 

Met opzigt tot de reeds bedoelde memorien, werd door de Synode besloten om 
dezelve allen aan de Commissie over te geven ; en met opzigt tot de verzoeken voorkomende 
in eene derzelve, gedateerd den BOsten October, heeft de Synode, zonder op de memorie 
zelve te beslissen, als een algemeenen maatregel besloten, aan de Commissie volmagt te 
verleenen om alle Documenten of copijen derzelve, die zij noodig beschouwt tot eene behoor- 
lijke afdoening dezer zaak, uit naam der Synode, naar de omstandigheden te verzoeken of op 
te eischen, en aan de belanghebbenden naar hare discretie vriiheid van inzage te verleenen. 

Di. H. A. Moorrees en Ballot verzochten alweder de aanteekening, dat zij in de minderheid 
waren, de eerstegenoemde protesteerde, om redenen die hij naderhand zal inleveren (Bijl.). 

De reeds gemelde memoriën werden nu aan de Commissie inhandigd, waarop de 
leden die zich gedurende deze discussie verwijderd hadden, weder binnen geroepen werden. I e ^ 

Dr. Heyns merkte nu aan, dat hij bespeurd had dat de Ouderling Loedolf de Vergadering VoeAo'í 
verlaten had, terwijl anderen tot den Eersten Ring helioorende waren blijven zitten. De Ou- / 
derling Loedolf zeide hierop, dat hij de Vergadering verlaten heeft op grond van het reed s / (_ 
in de tweede Zitting genomen besluit aangaande leden van den Eersten Ring. 

Men ging nu over tot de Beschrijvingspunten, en wel tot het 4de onder het Hoofd- 
deel Leeraarsambt, t. w. “dat de Synode beslisse of Art. 28, Algemeen Kerkelijk Reglement. 
ook niet behoort te worden geobserveerd door eenen Leeraar, die wegens ziekte of andere 
omstandigheden verlof van afwezigheid van het Gouvernement vraagt en bekomt. 

De omstandigheden welke aanleiding tot dit voorstel gegeven hadden, aan de Ver- 
gadering raedegedeeld zijnde, hebben velen hunne opinie hieromtrent geuit, waarna door 
Ds. Spijker voorgesteld werd, dat dit. punt aan de Commissie van Revisie opgedragen worde. 

Dit voorstel is door eene meerderheid van 22 tegen 16 verworpen. 

Door Ds. A. Faure werd nu voorgesteld, dat met opzigt tot Art. 28, ziekte en 
en verlof van afwezigheid wegens ziekte, op gem. Art. geen betrekking hebben, en dat in 
zu!k geval, de kerkeraad handelen moet overeenkomstig Art. 22, Algemeen Kerkelijk Reg- 
lement. Dit voorstel is door eene meerderheid van 22 tegen 16 aangenomen. De 
Afgevaardigden van de Kaapstad verzochten de aanteekening dat zij in deminderheid waren. 

Betrekkelijk het laatste punt onder het Hoofddeel “ Leeraarsambt,” hetwelk nu in 
overwcging genomen werd, is door eene meerderheid van 30 tegen 5, drie niet gestemd 
hebbende, nadat hetgeen hieromtrent in de handelingen van den Eersten Ring aangeteekend 
a2 



150 * 



s, door den Scriba des Rings aan de Vergadering was medegedeeld, en de zaak rijpelijk 
overwogen was, bepaald: “Dat een Predikant verlof van afwezigbeid (leave of absence) be- 
komen hebbende, zich wel bemoeijen mag met zaken zijn ambt betreffende.” De Kaapstad- 
sche Afgevaardigden verzochten de aanteekening dat zij in de minderheid waren. 

De Hoog-Eerw. Prseses gaf nu te kennen dat de Vergadering morgen met de Be- 
schrijvingspunten zal voortgaan, waarop de minuten voorgelezen en goedgekeurd zijn ge- 
worden, en deze zitting met dankzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend, op heden den 4den Noveraber, 1837. 



ZESTIENDE ZITTING. 

Zaturdag den \den November 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen Ds. Herold, die met verlof van den Hoog- 
Eerw. Praeses afwezig was, den Ouderling van Colesberg en den Hoog-Eerw. Actuarius door 
indispositie verhinderd. 

Nadat de Vergadering met het gebed geopend was, werden de notulen der vorige 
zitting geresumeerd en geteekend. 

Bij de resumptie merkte de Hoog-Ed. tweede Commissaris Politiek aan, dat met 
opzigt tot het besluit, waarbij aan de Leden van den Eersten Ring, die geen aandeel hebben 
genomen in de behandeling der klagten, zitting en stem worden geleend, zijnHoog- 
Ed. stilzwijgen niet zal worden aangemerkt als eene goedkeuring, maar dát hij aan zijnHoog- 
Ed. voorbehoudt, om zich daaromtrent ter zijner tijd te verklaren. 

Met bëtrekking tot de besluiten gisteren in hunne afwezigheid genomen, t. w.: 
1 . tot het zitting verleenen aan zulken van den Eersten Ring, die geen deel hebben gehad 
aan het onderzoek der klagten, in het aanstaande onderzoek, strijdig met een vroeger besluit 
daaromtrent. 2. Tot het verleenen van qualificatie aan de aangestelde commissie, wegens op- 
eisching van Documenten en het geven van inzage daarvan — wenschten de Afgevaardigden 
van de Kaapstad dat aangeteekend worde, dat gezegde besluiten bij hunne absentie genomen 
zijn, en dat zij aan zich gereserveerd houden, om, voor zoo ver hunne zaak daardoor mogt 
worden geprejudiceerd, op zijnen tijd objectie daartegen makcn zullen. 

Men ging nu over tot de Beschrijvingspunten, en wel eerst tot het Hoofddeel “Be- 
trekking van Actuarius, Archivarius en Qusestor Synodi,” onder hetwelk een voorstel 
van den Eersten Ring voorkomt, om bepalingeu te maken voor de opvolging inde betrekking 
van Actuarius etc., ingeval van ziekte of leave of absence. 

Hieromtrent is het volgende voorstel gedaan, en door eene meerderheid van 22 
tegen 9 aangenomen : Dat om te voorzien iu het mogelijke geval waarin de Actuarius, Ar- 
chivarius Synodi en Qusestor van het Synodale fonds door ziekte of leave of absence wordt 
verhinderd die betrekkiugen zelve waar te nemen, een Assistent ter zijner eigene verantwoor- 



151 









delijkheid door zijnHoog-Eerw. worde benoemd, onderworpen aan de goedkeuring der Sy- 
node. De Afgevaardigden van de Kaapstad, de Predikanten van Worcester en Clanwilliam» 
en de Ouderling van Tijgerberg, hebben hierin niet gestemd. Ds. H. A. Moorrees verzocht 
de aanteekening, dat hij in de minderheid was. 

Betrekkelijk het “ Reglement voor den Scriba van den Ring,” is door den Hoog- 
Eerw. Praeses de vraag gedaan, “of de Scriba van Kerkelijke Vergaderingen vrijheid heeft, 
of verpligt is, volledige extracten der Notulen betrekkelijk eene zaak aan belanghebbenden 
te verleenen?” Deze vraag werd algemeen affirmatief beantwoord, doch daarbij wel te 
verstaan, dat de Scriba voor zoodanige extracten betaling genieten zal. 

Aangaande het verzoek van den Eersten Ring, “ om nadere Bepalingen te maken 
voor de Moderatuur van den Ring,” werd dit punt met algemeene goedkeuring naar de / 
Commissie van Revisie gerefereerd. A 

Tot het Hoofddeel “ Synodale Ponds” overgaande, merkte de voorsteller van 
het eerste punt aan, dat hij hieromtrent tevreden was, wanneer uit naam der Synode eene 
recommendatie aan Kerkeraden gescbieden zou, ter stipte observantie van de daaromtrent 
bestaande regulatiën. Dit werd algemeen goedgekeurd. 

Het tweede voorstel werd ingetrokken, als zijnde reeds in de Synode van 1834 
hieromtrent voorzien. Het verzoek van den Kerkeraad van Wijnberg, “ om van de jaar. 
lijksche contributie aan het Synodale Ponds uit de zitplaatsgelden te mogen worden 
verschoond, zoo lang de gemeente zal aanhouden haren Leeraar zelve te bekostigen, met 
bijvoeging : dat, gedurende zoodanige excusatie, niets ten laste van het Synodaal Eonds zal 
worden gebragt voor de onkosten aan deszelfs Afgevaardigden tot de Hoog-Eerw. Synode 
en Ringsvergaderingen,” is door eene meerderheid van 19 tegen 17 van de hand gewezen. 

Het laatste punt, te weten, “ kennisgeving dat men de beslissing der vraag 
aangaande het dragen der kosten van de Buitengewone Synode aan dezelve overlaat,” is 
voor notificatíe aangenomen. 

Het punt voorkomende onder “ Kerkfondsen,” is ingetrokken door de Afgevaar- 
digden van Worcester, die in deszelfs plaats voorstelde n. dat, dewijl de collecten, bepaald 
bij Art 45 van de Kerkenorde van De Mist, ouvoldoende zijn om alle kosten, die met het 



'"j repareren der gebouwen, het onderhoud der armen, en andere noodzakelijke uitgaven^^^^^ 



*yj: 



gepaard gaan, te bestrijden, aan het Gouvernement, wegens de Synode, verzoek gedaan 
worde, om door eene Ordonnantie, zoo mogelijk, op alle gemeenten toepasselijk, in deze 
behoefte te voorzien. 

Hierop werd door den Hoog-Eerw. Praeses voorgesteld en algemeen goedgekeurd, 
om deze zaak aan de bijzondere Kerkeraden over te laten, ten einde daaromtrent naar hunne 
respectieve behoeften, door t usschenkomst van den Civilen Commissaris, bij het Gouverne- 
ment aanzoek te doen. 

Het eerste punt onder het Hoofddeel “ Predikanten Weduwen Fonds,” is opeene 
aanmerking van Ds. Van der Lingen, en het tweede wegens de afwezigheid van den 
Quaestor, uitgesteld tot nadere overweging. 

Het eerste punt onder de Bijzondere Voorstellen en Vragen is ingetrokken, op 
grond van de Huwelijks Ordonnantie, thans voor den Wetgevenden Raad, welke in de 
behoefte voorzien zal. 

Betrekkelijk het tweede punt merkten de Afgevaardigden van Tulbagh aan, dat 



c? 



152 



de vraag daarin voorkomende reeds beantwoord is, in hetgeen betrekkelijk het 6de punt 
onder het hoofd “ Synodaal Bestuur,” is besloten geworden. 

Het 3de punt is door de A fgevaardigden van Zwellendam ingetrokken, doch op 
grond van het 3de Art. van het Algemeen Kerkelijk Reglement, inlichting gevraagd op 
3 punten (Bijl.). 

Hierna verlieten de Afgevaardigden van Zwellendam de vergadering, de Assistent 
Scriba de plaats van den Scriba nemende. 

Hierop werd door Ds. Spyker voorgesteld, “ of de vraagpunten door Ds. Robert- 
son opgegeven, al dan niet aan de overweging en beslissing van de vergadering zullen worden 
voorgedragen.” 

De meerderheid beantwoordde deze vraag toestemmend. In de minderheid waren 
de Afgevaardigden van de Kaapstad, die hunne redenen (Bijl.) schr iftelij k zullen opgeven, de 
afgevaardigden van Zwartland, Tulbagh, George en de ouderlingen van Caledon, Tijgerberg 
en Piquetberg. Die in de minderheid waren, hebben geen deel genomen in de overweging 
der vraagpunten. 

Omtrent het eerste punt oordeelde de vergadering, dat aan ieder predikant en 
ouderling worde overgelaten, de wijze waarop zij dit zedelijk kwaad wettig willen 
tegengaan. 

^ De gewoonte waarvan in het tweede punt gesproken wordt, keurde de Vergadering 

niet goed. Uit hoofde van den aard van het voorstel, kon men op het 3 de punt niet ant- 
woorden. De Heeren Morgan en Truter hebben hieromtrent hunne stem niet uitgebragt, 
omdat het eene vraag is omtrent eene daadzaak, die niet anders dan bij wijze van klagte of 
appel door de Synode behoorde beantwoord te worden. 

Het vierde punt is naar de commissie van revisie gerefereerd, ten einde te onder- 
aoeken of het noodig zij aan de kerkelijke wetten dezer kolonie eenige meer verbindende 
kracht te geven, en zoo ja, om daartoe de beste middelen te toonen. 

De Prseses maakte nu bekend, dat er door Zijn Hoog-Eerw. ontvangen is een Docu- 
ment inhoudende een Protest van Ds. Shand, hetwelk in de volgende zitting gelezen 
zal worden (Bijl.). 

De Hoog-Ed. eerste Commissaris Politiek maakte de Vergadering bekend, dat bij 
aan Zijne Excellentie den Gouverneur geschreven had, zich verschoonende van zitting als 
Commissaris Politiek gedurende het dienen van de Kaapstadsche geschillen. 

Nadat de Minuten gelezen en goedgekeurd waren, werd de Vergadering met dank. 
zegging door den Scriba gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 6den November, 1837. 



153 



ZEYENTIENDE ZITTING. 



Maandag, den ftden November, 1837. 

Tegenwoordig al de leden 3 uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius en den ouder- 
ling van Somerset (H. H.), wegens indispositie verhinderd. Nadat de Yergadering met het 
gebed geopend was, werden de Notulen der vorige Zitting geresumeerd en geteekend. 

De Praeses bragt nu ter tafel het appel van Ds. Shand, hetwelk gelezen en voor 
notificatie aangenomen werd (Bijl.). 

Ook werd voorgelezen een verzoek van den Heer Martinus Casparus Vogelgezang ; 
om als zendeling geordend te worden,^bij welk verzoek gevoegd was bewijs van lidmaatschap 
der Hei^orinde Kexk, en zijne acte van admissie om als zendeling van het “ Chnstian 
Instruction Society ” te ageren (Bijl.). 

Op voorstel van den Hoog-Eerw. Praeses werd gemelde heer aangeschreven, ten 
2 ure voor de Vergadering te verschijnen. 

Men ging nu over tot de klagte van Ds. H. A. Moorrees (gemeld in de 
Beschrijvingspunten), tegen den Tweeden Ring ; waaromtrent de Notulen van den 
gemelden Ring werden voorgelezen, en waaruit gebleken is, dat gemelde Ring aan het 
Gouvernement gerecommandeerd heeft, bij deszelfs zitting te Zwellendam, in de zaak 
van den Heer Shand, om aan Ds. H. Moorrees, indien het Zijne Excellentie mogte 
behagen zijnEerw. in de betrekkiug van dienstdoenden leeraar te Tulbagh te doen 
continueren, de helft van het traktement aan het leeraarsambt verbonden, toe te kennen, 
en de andere helft aan Ds. Shand, tot dat de Hoog-Eerw. Synode daaromtreut nadere 
bepalingen maken zou. 

De Hoog-Eerw. Prseses vraagde nu, of de klagte van Ds. Moorrees tegen gemelden 
Ring gegrond of ongegrond is? Waarop door eene meerderheid van 20 tegen 7 geantwoord 
werd, dat dit eene zaak is, welke het Gouvernement betreft, en dat derhalve de klagte 
tegen den Ring als zoodanig ongegrond is. 

De ouderling van Caledon, de Afgevaardigden van George, de Predikanten van 
Cradock en AVijnberg, en de ouderling van Piquetberg hebben niet gestemd. De Afgevaar- 
digden van de Kaapstad waren in de minderheid. Ds. Moorrees verzocht om een extract 
hiervan, hetwelk hem toegestaan werd. 

De tweede klagte van Ds. Moorrees in de Besckrijvingspunten is vervallen, door 
hetgeen hieromtrent in eene vroegere zitting besloten is. 

Men ging nu over tot het tweede punt, onder Hoofddeel “ Predikanten Weduwen 
Eonds,” te weten, “ voordragt van de zaak der administratie van het Predikanten Weduweu 
Eonds, in zoo ver de Kaapstadsche Kerkeraad daarmede meent betrokken te zijn.” 

Alhoewel de Hoog-Eerw. Quaestor afwezig was, zoo werd nogtans, op zijn eigen 
verzoek, de zaak niet langer uitgesteld. 

Er werd nu voorgelezen eene memorie, met Bijlage, van den Wel-Ed. Heer A. 
Brink, C.z. (Bijl.), meldende de weigering van den Kaapstadschen Kerkeraad, om aan zijn- 
Edele als mede-administratem‘ van het Predikanten Weduwen Eonds, de penningen voor het 



154 



gemelde fonds gecollecteerd uit te betalen ; alsmede de aanstelling van den diaken, den Heer 
Abraham de Smidt, in zijne plaats, door den gemelden Kerkeraad ; en verzoekende, uithoofde 
van deze redenen, en ter vermijding van verdere onnoodige tegenkanting van den Kaapstad- 
schen Kerkeraad, om zijnEds. ontslag, als mede-administrateur van het fonds, hetwelk zijn 
Ed., op verzoek der Synode, gratis had geadministreerd. 

Us. Spijker, als afgevaardigde van den Kaapstadschen Kerkeraad, gaf te kennen, 
dat gemelde Kerkeraad dit Beschrijvingspunt had opgegeven met geeu ander doel dan om de 
Hoog-Eerw. Synode te overtuigen, dat dezelve in 1830, op verzoek van den Hoog-Eerw. 
Actuarius, namens de Synode de administratie van dat fonds werkelijk op zich genomen 
heeft, enom te verzoeken dat dezelve op grond van het in 1834 genomen en dadelijk in wer- 
king gebragte besluit, behoorlijk ontslagen moge worden van die admiuistratie, door de ken- 
nisgeving van de Synode, dat zij overtuigd is dat de Kerkeraad administrerende geweest is, 
en dat dezelve nu verschoond wordt van alle verantwoordelijkheid — -verzoekende daarbij iu 
het bezit te worden gesteld van het bewijs in 1830 aan den Hoog-Eerw. Qusestor verleend, 
en van den anderen sleutel der muurkast in de Consistorie. Hierbij werd overgelegd en 
voorgelezení extract uit de Nokulen van de Nedfirduitsch Hervorjnde Gemeente in de Kaap- 
stad, ten bewijze dat de gemelde ICerkeraad in 1830 de administratie op zich genomen heeft. 

(Bijl.) . ' 

Daar het uit de memorie van den Heer Brink, en vooral uit eene correspondentie 
tusschen den Hoog-Ew. Quaestor en den Kaapstadschen Kerkeraad reeds bij eene vroegere zit- 
ting gelezen, gebleken is, dat er een misverstand tusschen den Kaapstadschen Kerkeraad en 
den Hoog-Ew. Qusestor is ontstaan, omdat de besluiten derSynodevan 1834 nog niet waren 
gesanctioneerd, en daar gemelde besluiten nu provisioneel gesanctioneerd zijn, zoo besloot 
men in gevolge besluit van 1834 den Kaapstadschen Kerkeraad van alle verantwoordelijkheid 
te ontslaao, en den Wel-Ed. Heer Brink te verzoeken in zijn ambt als mede-administrateur 
met den Hoog-Eerw. Queestor te willen continueren ; en verder werd er eene commissie be- 
noemd, bestaande uit de Predikanten van Stellenbosch, Wijnberg en Somerset (H.H.), om, 
in geval van overlijden van den Quaestor, in plaats van den Kaapstadschen Kerkeraad te han- 
delen, zoo als bepaald is omtrent het Weduwen Fonds, bij besluit van den 6den November 
1829. De Kaapstadsche Afgevaardigden hebben in deze zaak niet gestemd. 

Betrekkelijk het eerste Punt “ Predikanten Weduwen Eonds,” merkten de Afgevaar- 
digden van de Paarl aan, dat zij hetzelve als verworpen beschouwdeu. 

De Heer M. Vogelgezang kwam nu, ingevolge aanschrijving, voor de vergade- 
ring, en las eenige vragen aan dezelve voor (Bijl.), er eenige aanmerkingen ter elucidatie 
bijvoegende. 

Hierop verkreeg hij ten antwoord van de Synode, dat hij op geene andere wijze, en 
onder geene andere bepalingen geordend kon worden, dan zoo als uitgedrukt is in de Beslui- 
ten van 1826, betrekkelijk het ordenen van zendelingen ; en hem werd tot Donderdag aan- 
staande de tijd vergund, oni zich hieromtrent nader te verklaren. 

Een concept adres aan Hare Majesteit, de Koningin, werd nu, door de daartoe iri 
eene vroegere sessie benoemde Coramissie vervaardigd, voorgelezen, goedgekeurd, en daar- 
voor de dank der vergadering aan gemelde Commissie betuigd (Bijl.). 

De Hoog-Ew. Praeses kondigde nu aan, dat indien er op morgen geen antwoord vari 
Zijne Excellentie zal zijn bekomen, omtrent hetgeen de Synode te doen staat bij de verklaring 



155 



van den Hoog-Ed. eersten Commissaris Politiek, dat Zijn-Ed. als zoodanig geene zitting 
nemen zal bij de behandeling der Kaapsche gescbillen, men dan met de voorstellen en het 
Reglement op Kerkeraden zal voortgaan. 

Nadat de minuten gelezen en goedgekeurd waren, werd de Vergadering op de 
gewone wijze met dankzegging door den Scriba gesloten. 

Geresumeerd en geteekend, op heden, den 7den November, 1837. 



ACHTTIENDE ZITTING. 

Bingsdag, den Iden November , 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Ouderling van Somerset (H. H.), 
door indispositie verhinderd. 

Nadat de Vergadering more solito met het gebed geopend was, werden de Notulen 
der vorige Zitting geresumeerd en geteekend. 

Bij de resumptie verzochten de Afgevaardigden van de Kaapstad extract uit de 
Notulen van gisteren, van hetgeen besloten is betrekkelijk het Predikanten Weduwen Fonds, 
hetwelk hun toegestaan werd. 

De Hoog-Eerw. Actuarius merkte ook aan, dat de correspondentie tusschen zijn- 
Hoog-Eerw. en den Kaapstadschen Kerkeraad, in 1830, betrekkelijk het Predikanten Wedu- 
wen Fonds, waarvan melding gemaakt is in de Notulen, door zijnHoog-Eerwaarde, in zijn 
verslag als Actuarius van de Synode van 1834 is medegedeeld geworden, en dat de 
deliberatiën daarover gehouden, aangeteekend zijn in de 7de en 8ste Sessien van die 
Vergadering. Verder bij de resumptie verklaarde Ds. J. H. von Manger, uit naam 
van den Kerkeraad der Kaapstad, dat dezelve, vernomen hebbende welk eene belee- 
digende verklaring de Afgevaardigden van den Paarlschen Kerkeraad aangaande denzel- 
ven gisteren in deze Hoog-Eerwaarde Vergadering hebben afgelegd, verlangt dat die 
verklaring thans plegtig herroepen worde, of zoo de gemelde Afgevaardigden zulks niet 
mogen, kunnen of verkiezen te doen, dat dan de gedane verklaring, woordelijk herhaald, in 
de Notulen geinsereerd worde, in welk geval de Afgevaardigden van de Kaapstad extract 
daarvan verzoeken, ten einde, des verkiezende, het noodige gebruik daarvan te kunnen 
maken. Deze zaak werd door den Hoog-Eerw. Praeses uitgesteld, om met de andere 
“ voorstellen ” in overweging te worden genomen 

Nu werden er aan de Vergadering voorgelezen tweebrieven door het geëerbiedigd 
Gouvernement aan de Hoog-Ed. Commissarissen Politiek gerigt, gedateerd den 6den dezer : 
de eene sanctie gevende aan het besluit der Synode,! betrekkdijk het toelaten van ledeji der 
Nederduitsch-Hervormde KejJí tot de Synodaleen Ringsvergaderingen onder zekere bepalin- 
genXBijl.) ; de andere hunEds. mededeelende, dat, in antwoord op verscheidene coinmunicatíën 
b2 



156 



van de Synode, en van hunEds. ontvangen, betrekkelijk hunEds. zitten als Commissarissen 
Politiek, gedurende de overweging en beslissing der Kaapstadsche geschillen, Zijne Excel- 
lentie besloten had, om hieromtrent geene voorziening te maken, het Gouvernement niet 
kunnende berooven van hunEds. bekwame diensten en rijpe ondervinding, noch het voor- 
beeld sanctioneren van de Representanten des Gouvernements, op zoodanige als de op- 
gegevene gronden terug te roepen ; Zijner Excellenties vertrouwen echter te kennen geven- 
de, dat hunEds. zich onthouden zullen van eenig advies of gevoelen te geven, gedurende de 
discussie van de bedoelde zaken, maar dat zij zicli bepalen zullen tot de waarneming van de 
meer algemeene pligten hunner aanstelling (Bijl.). 

Er werd ook verder aan de Vergadering voorgelezen een brief van den Hoog-Eerw. 
Actuarius aan den Prseses gerigt, verzoekende dat zijnHoog-Eerw. verslag methet daarop in- 
geleverd Rapport, ingevolge besluit, in aanmerking worde genomen, vooral met betrekking 
tot de daarin voorkomende voorstellen, welke, naar zijnHoog-Eerw. oordeel, eene vroege 
overweging verdienden, ten einde zijnHoog-Eerw. daarna te kunnen regelen. 

De Hoog-Eerw. Praeses stelde nu voor de volgende voorstellen van den Hoog- 
Eerw. Actuarius, te weten : 

1. De Actuarius zal verschoond zijn van de waarneming der moderatuur zoo bij 
de Synode als Ringsvergadering. 

2. De Actuarius zal gedurende de zitting der Synode, na de resumptie van elk 
besluit dat door den druk moet worden bekend gemaakt, hetzelve in forma gereed ma- 
ken, opdat die besluiten op den dag der sluiting en voor het opbreken der Synode aan de 
Vergadering voorgelezen en door de Hoog-Eerw. Heeren Moderatoren en Commissarissen 
Politiek geteekend kunnen worden. 

3. Aan den Actuarius zullen ten minste binuen den tijd van drie maanden na het 
opbreken der Synode, de Acta Synodi en Synodale Besluiten door den Hoog-Eerw. 
Scriba, met copijen van alle door hem gedane expeditiën worden bezorgd, blijvende de Ac- 
tuarius belast met het uitvoeren van hetgeen hij mogte vermeenen verzuimd te zijn ; alle 
welke voorstellen uuaniem zijn aangenomen. 

Het voorstel van den Hoog-Eerw. Actuarius omtrent het terstondin werkingbren- 
gen der Synodale Besluiten — zie rapport van den Actuarius No. 36 — alsmede het punt No. 
37, werden gerefereerd naar de Commissie van revisie der wetten. 

Hierna las men voor eene memorie door den Hoog-Eerw. Questor van het Predi- 
kanten Weduwen Eonds, ingezonden aan den Wetgeveuden Raad, betrekkelijk de Huwelijks- 
Ordonnantie (zie rapport van den Hoog-Eerw. Actuarius). De Vergadering betuigde deswe- 
gens haren hartelijken dank aan zijnlioog-Eerw. voor zijne genomene moeite en betoonde 
zorg voor gemeld Eonds. 

Nadat eenige aanmerkingen waren medegedeeld, omtrent hetnemen van maatrege- 
len bij de geprojecteerde verandering in de voltrekkiug der huwelijken, werd door Ds. P. E. 
Eaure, op verzoek van den Actuarius voorgelezen, eene “ Circulaire van de Hoog-Eerw. Sy- 
node in Nederland, omtreut de kerkelijke inzegening der huwelijken.” — Op voorstel van 
den Hoog-Eerw. Prseses, werd er eene commissie aangesteld, bestaande uit den Hoog-Eerw. 
Actuarius, Di. Reid, Eraser, Van der Lingen en den Ouderling O. J. Truter, om eene me- 
juorie te vervaardigen aan den Wetgevenden Raad, ten einde de bezwaren der Synode om- 
trent de thans voor dien Raad liggende huwelijks-ordonnantie uit te drukken (Bijl.). Aar 



157 

deze Commissie werden inhandigd twee voorstellen van de Heeren Morgan en Truter, op 
deze zaak betrekking hebbende. 

Men sprak nu over de bepalingen, die noodzakelijk waren ten opzigte van de toe- 
lating van Leden der gemeente tot deze Vergadering , waarop door Ds. P. E. Faure voorge- 
steld werd : “ elk lid der Synode zal de viijheid hebben een toegangskaartje met zijne naam- 
teekening voorzien a§iL_een lid der Hervormde Kerk te geven, waarop aan hem op afgaat' 
van het kaartje aaa den koster, toegang zal worden verleend tot de Vergadering. Het lid 
der Synode is verantwoordelijk voor het gedrag van den door hem geadmitteerde. Het toe- 
gangskaartje moet ook voorzien zijn van den datum en is maar geldend voor dien éénen dag. 
De Prseses heeft het regt zulks noodig oordeelende geadmitteerden te doen uitgaan (Bijl.).” 
Dit voorstel werd aangenomen door allen die gestemd hebben voor den raaatregel van ad- 
mitteren van Leden. 

Hierna besloot men tot de Kaapstadsche geschillen over te gaan, waarop al de 
leden van den Eersten Ring die reeds in deze zaak uitspraak gedaan hadden, de Vergade- 
ring verlieten, alsmede de Afgevaardigden van de Kaapstad. 

Het Rapport van de Commissie in gez. geschillen werd nu voorgelezen, en met 
dank aangenomen, alsmede eenige der Bijlagen en Documenten door de Commissie aange- 
wezen (Bijl.). De'Prseses kondigde nu aan, dat men op morgen zoude voortgaan, terwijl zijn- 
Hoog.Eerw. te kennen gaf, dat gedurende de lezing dezer stukken niemand tot de Vergade- 
ring geadmitteerd zoude worden. 

De Minuten werden nu voorgelezen en goedgekeurd, waarna de Vergadering met 
dankzegging gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 8den November, 1857. 



NEGENTIENDE ZITTING. 

% 

JFoensdag, den 8 sten November, 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius en deu 
Ouderling van Somerset (H. H.), door indispositie verhinderd. 

Nadat de Vergadering met het gebed geopend was, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. 

Bij de resumptie verzocht Ds. Spijker de aanteekening, dat hij de aanmerkingen 
van den Hoog-Eerw. Actuarius, betrekkelijk de tusschen zijnlloog-Eerw. en den Kaapstad- 
schen Kerkeraad, aangaande het Predikanten Weduwen Fonds gevoerde correspondentie.. 
niet gehoord had ; waarop de Scriba ten antwoord gaf, dat gemelde aanmerkingen desniet- 
tegenstaande aan de Vergadering werkelijk zijn medegedeeld, en dat hij het laatste gedeelte 
letterlijk heeft overgenomen. Verder verzocht Ds. Spijker, dat de verklaring van Ds. Van 
b2* 



158 



der Lingen, omtrent het voorstel van Ds. Von Manger, aangeteekend worde, te weten : 
“ Wat meent de Kaapstadsche Kerkeraad ? dat ik ben een dergenen, die heden zeggen : 
f dat hebben wij en het heeft honderd jaren lang kracht gehad/ en morgen zeggen : ‘ wij 
hebben het niet ? ’ die heden zeggen : ‘ wij hebben dat gedaan/ en morgen zeggen : ‘ wij 
hebben het niet gedaan ? ’ Hetgeen ik gezegd heb is niet alleen mijne stem, maar de stem 
van den Paarlschen Kerkeraad. Geen jota of tittel daarvan zal weggedaan worden.” 

Ds. Heyns wenschte dat aangeteekend worde, dat hij, bij het verlaten der 
Vergadering op gisteren, de Hoog-Eerwaarde Vergadering indachtig gemaakt had op het 
besluit in de tweede zitting genomen, omtrent het niet deelen in de Kaapstadsche zaak, 
door die leden van den Eersten Ring, die geene uitspraak in gemelde zaak gedaan hadden ; 
terwijl de Kaapstadsche Afgevaardigden er bijvoegden, dat zij alsnog blijven protesteren 
tegen de zitting van gemelde leden. 

Ds. P. E. Eaure liet hierop volgen, dat hij in de vorige zitting, op de aanmerking 
van Ds. Heyns, geantwoord had, dat het bedoeld besluit niet door de Synode was geuomen, 
maar slechts door de Afgevaardigden uit de Tweede en Derde Ringen, toen er gesproken 
werd omtrent de aanstelling eener Commissie ten einde partijen te bevredigen — met welke 
zaak de geheele Eerste Ring zich niet heeft ingelaten — dat hij tevens de Vergadering 
herinnerde aan haar besluit en liandelwijze in de zaak van Ds. Shand, toen leden van den 
Tweeden Ring, die geene uitspraak gedaan hadden in gemelde zaak, volgens dat besluit, zijn 
blijven zitten en stemmen ; terwijl hij de Vergadering bepaalde bij hetgeen de wet hier- 
oratrent zegt, Art. 61, Alg. Regl. Hierop werd een brief gelezen van den Wel-Ed. Heer 
Andries Brink, Cornelis zoon, gedateerd den Ssten dezer, zijne gevoeligheid uitdrukkende 
over de satisfactoire wijze waarop de Hoog-Eerw. Synode hare goedkeuring aan zijne mede- 
administratie van het Weduwen Eonds heeft te kennen gegeven, en op grond daarvan zich 
bereidwillig verklarende aan het verzoek der Synode te voldoen, om dat Fonds met den 
Hoog-Eerw. Quaestor bij continuatie te administreren (Bijl.). 

Hierna stelde de Ouderling van Wijnberg voor, dat geen der partijen of belang- 
hebbenden, wanneer toegang aan anderen verleend wordt, zal worden uitgesloten, mits van 
een toegangkaartje voorzien zijnde. Dit voorstel werd door eene meerderheid van 22 tegen 
18 aangenomen. In de minderheid waren de Afgevaardigden van de Kaapstad, Zwartland, 
Tulbagh, George, Clanwilliam, en de Ouderlingen van Caledon erf Tijgerberg. 

Voor dat de Leden der Vergadering, die in de hangende questie geene zitting 
hebben, hunne plaatsen verlieten, werd het door de Commissie vervaardigde adres aan Hare 
Majesteit de Koningin geteekend door alle aanwezenden. 

Hierna ging men voort met het lezen der documenten omtrent de geschillen, door 
de Synodale Commissie van Onderzoek aangewezen in haar Rapport, onder No. II, het 
laatste punt ; alsmede het aangewezene onder No. III en IV, en van het laatste alleen tot 
Art. 2, zijnde Insinuatie en Memorie van klagten door eenige Ledematen, enz. Toen men 
met het lezen gevorderd was tot No. IV in het rapport van gemelde Commissie, 
merkte de Hoog-Eerw. Praeses aan, dat, daar men thans tot de principale zaak gekomen 
was, hij meende dat, vooral na het aangenomene voorstel van den Ouderling van Wijnberg, 
de tijd nu geboren was, om leden der Hervormde Kerk tot de Vergacfering te admitteren, [ 
ten gevolge waarvan de laatstgenoemde stukken in het bijwezen van een aantal op toegang- 
kaartjes geadmitteerden, gelezen zijn. 



159 



De Hoog-Eerw. Prseses kondigde nu aan, dat men morgen met het lezen der 
stukken zoude voortgaan. De Minuten werden hierop gelezen en goedgekeurd, waarna de 
Vergadering met dankzegging door den Scriba gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 9den November ] 837. 



TWINTIGSTE ZITTING. 



Donderdag , den 9den November, 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Ouderling van Stellenbosch en den 
Ouderling van Somerset (H. H.), door ongesteldheid verhinderd, en degenen die gedu- 
rende de behandelingen der Kaapstadsche geschillen geene zitting hebben. 

Nadat het gebed door den Scriba gedaan was, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. 

De Scriba ging nu voort met het voorlezen der stukken door de Synodale 
Commissie in haar rapport aangewezen, te weten, eene memorie van Ds. P. E. Faure en 
ééne van Ds. Van der Lingen, in antwoord op zekere insinuatie en klagten (Bijl.). 

Ook is er voorgelezen eene memorie van den Kaapstadschen Kerkeraad, gedag- 
teekend den 12den October 1837, in antwoord op eene insinuatie van den Eersten Ring, 
waarvan eene copij geannexeerd is, gemerkt No. 1 (Bijl.), alsook copij van eenen brief van 
den Hoog-Ed. Secretaris van het Gouvernement, aan de Wel-Eerw. Heeren Von Manger en 
Spijker, gedagteekend den 6den Januarij 1837, gemerkt No. 2. Ds. Ballot merkte nu aan, 
dat, daar de Kaapstadsche Kerkeraad, in deszelfs memorie van den 12den October, in 
antwoord op zeker “ Goed-achten ” zich beroepen heeft op de handelingen van de Rings 
Commissie van 1837, het van belang ware gemelde handelingen aan de Synode voor 
te lezen. 

Dit voorstel door den Hoog-Eerw. Praeses goedgekeurd zijnde, zoo zijn de Acta 
van gemelde Commissie met derzelver Bijlagen tot aan “ het Rapport van de Commissie ” 
aan de Vergadering voorgelezen. 

De Praeses kondigde nu aan, dat men morgen met het rapport der Commissie, en 
eenige daarmede in verband staande stukken, zoude voortgaan ; alsook met het verder 
voorlezen van de stukken door de Synodale Commissie aangewezen, en van eene memorie 
van den Wel-Eerw. A. Faure. 

De minuten werden nu voorgelezen en goedgekeurd, waarna de Vergadering 
met dankzegging gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den lOden November, 1837. 



160 



EEN EN TWINTIGSTE ZITTING. 



Vrijdag , den \0den November, 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Ouderling van Stellenbosch, en den 
Ouderling van Somerset (H. H.), door ongesteldheid verhinderd, en degenen die gedurende 
de behandeling der geschillen geene zitting hebben. De Hoog-Ed. eerste Commissaris 
Politiek heeft wegens ongesteldheid deze Zitting niet bijgewoond. 

Nadat het gebed door den Scriba gedaan was, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. 

Men ging nu voort met het lezen der Documenteu in verband staande raet de 
Kaapstadsche geschillen, en wel eerst het rapport van de Commissie van den Eersten Ring, 
daarna eene memorie van den Kaapstadschen Kerkeraad, betrekking hebbende op gemeld 
rapport, en vervolgens repliek van gezegde Commissie op gezegde memorie van den Kerke- 
raad (Zie Acta van de Rings Commissie). 

Hierop werden aan de Vergadering voorgelezen de twee klagtschriften aan den 
Eersten Ring, ingezonden tegen den Eerwaarden Kaapstadschen Kerkeraad (zie bovenge- 
meld Acta), vervolgens de verdere handelingen van den Eersten Ring, nadat het bovenge- 
melde repliek aan gemelden Ring was medegedeeld (zie Ilandelingen des Rings), en ver- 
volgens de orde gevolgd, aangewezen in het rapport van de Synodale Commissie, te weten, 
Acta van de Commissie van den Eersten Ring, met de aangewezene Bijlagen en het ant- 
woord van het Gouvernement op het gevelde vonnis van suspensie (Bijl.) ; daarna eene 
memorie van den Kaaptsadschen Kerkeraad, gedateerd 2den November 1837 (Bijl.), twee 
memoriën van de appellanten uit de Kaapstadsche gemeente, gedateerd 18den October 11. 
en 30sten October 11. (Bijl.), en eindelijk een brief van de Wel-Eerw. Heeren Von Manger 
en Spijker aan het Gouvernement, gedateerd 24sten December 1836, met deszelfs Bijlagen 
(Bijl ), en eene memorie van den Wel-Eerw. Heer A. Paure, gedateerd 17den October 
1 837 (Bijl.). Op voorstel van Ds. Ballot is besloten, copij te doen vervaardigen van boven- 
gemelden brief door de Wel-Eerw. Heeren Von Manger en Spijker aan het Gouvernement 
geschreven, met deszelfs Bijlagen, daar het origineel aan het Gouvernement moet worden 
teruggezonden, en is zulks opgedragen aan Ds. Ballot, die dit ook goedgunstig op zich 
genomen heeft. 

De Hoog-Eerw. Praeses kondigde nu aan, dat men met de overige stukken op 
rnorgen zou voortgaan. 

De Minuten werden nu voorgelezen en goedgekeurd, waarna de Vergadering met. 
dankzegging door den Scriba gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend, op heden, den llden November, 1837. 



161 



TWEE EN TWINTIG8TE ZITTING. 



Zaturdag, den 11 den November, 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Ouderling van Stellenbosch en den 
Ouderling van Somerset (H. H.), door ongesteldheid verhinderd, en degenen, die gedurende 
de behandeling der Kaapstadsche geschillen geene zitting hebben. De Hoog-Ed. eerste 
Commissaris Politiek heeft wegens ongesteldheid deze Zitting niet bijgewoond. 

Nadat het gebed door den Scriba gedaan was, werden de Notulen der vorige 
Zit'ing geresumeerd en geteekend. 

Men ging nu voort met het lezen der documenten door de Synodale Commissie 
aangewezen, en wel eerst van eenen geleibrief van den reeds gemelden brief van de Wel- 
Eerw. Heeren Von Manger en Spijker, door den Hoog-Ed. Secretaris des Gouvernements 
aan de Commissie toegezonden, gedateerd 6 November 1837 (Bijl.). Vervolgens een 
brief vau denzelfden datum, betrekkelijk de correspondentie gehouden tusschen den Kaap- 
stadscheu Kerkeraad en het Gouvernement, omtrent de afbraak der oude kerk (Bijl.). 
Ook werd er voorgelezen een brief vau den Kaapstadschen Kerkeraad, gedateerd 6den 
November 1837, bezwaren opgevende waarom zij hunne resolutieboek aan de Commissie niet 
heeft kunnen ter hand stellen (Bijl.). Eindelijk werd voorgelezen een brief van Ds. A. 
Faure, mededeelende, dat aan zijnEerw. was berigt, dat er eene missive van de Wel- 
Eerw. Heeren Von Manger en Spijker, gedateerd 24sten December 1836, aan het Gou- 
vernement gerigt, aan de Vergadering was voorgelezen, “ waarin uitdrukkingen voorkomen, 
welke zijnen naam en karakter een blaam aanwrijven,” en inzage van dat stuk verzoe- 
kende, “ ten einde zich te kunnen verantwoorden op de tegen hem ingebragte en voor hem 
verborgen gehouden beschuldiging ” (Bijl.). In dezen brief was ingesloten eene plegtige 
verklaring van zijnEerw., betrekkelijk hetgeen door den Wel-Eerw. Von Manger in eene 
noot op zijnEerw. brief aan zijnen ambtgenoot, Ds. Spijker, gedateerd llden September 
1835, is aangemerkt geworden. 

De Hoog-Eerw. Praeses bepaalde nu in het bijzonder de aandacht der Vergadering 
0 p art. 134 van het Alg. Kerk. Regl., na herinnerd te hebben dat men vruchteloos op art. 49 
had gehandeld ; vervolgens op art. 48, 6, 7 en 10, en verklaarde dat het zijn gevoelen was, dat 
vele der aan de Vergadering voorgelegde zaken niet in aanmerking zouden kunnen komen, 
maar dat de Vergadering voornamelijk zich zoude hebben te bepalen bij de klagte omtrent 
gebrek aan voorziening in de behoefte aan godsdienstig onderwijs, vragende het gevoelen 
der Synode of de voorgelezene Documenten hieromtrent genoeg waren om tot eene uitspraak 
over te gaan, dan of men de Partijen zoude moeten hooren ? het desniettemin noodig oor- 
deelende dat aan de Vergadering behoorlijke tijd zoude worden verleend tot consideratie, eer 
men tot eene uitspraak zelve overging. 

De Ver£*\dering oordeelde dat de Partijen niet zullen gehoord worden. Ds. J. 
Taylor was in de minderheid en zal zijne motiven schriftelijk indienen (Bijl.). 

De Praeses stelde nu voor dat de Vergadering, na den Gouverneiuentsbrief dd. 
6 Nov. 1837, betrekkelijk de afbraak der oude kerk te hebben gehoord, zich niet met die 






162 

zaak zoude inlaten. Dit voorstel werd aangenoraen ; de Heeren Truter en Robertson zullen 
hunne motiven voor dit voorstel schriftelijk inleveren (Bijl.). Ds. Fraser heeft hieromtrent 
niet mede gestemd. 

Betrekkelijk de zaak van de nieuwe kerk stelde Ds. Morgan voor, dat de beslissing 
van de vraag, of de Synode zich zal inlaten met de klagte betrekkelijk het staken van den op- 
bouw der nieuwe kerk, tot Maandag uitgesteld worde, en dat dan andere bepalingeu om- 
trent de behandeling der klagte gemaakt worden. Dit voorstel werd aangenomen. De Afge- 
vaardigden van Tulbagh en George waren in de minderheid. 

Yervolgens stelde de Ouderling van Wijnberg voor, dat gelijk het bovenstaande, 
zoo ook de behandeling van alle daarmede in betrekking staande zaken worde uitgesteld tot op 
Maandag, om de leden dezer vergadering in de gelegenheid te stellen dezelve rijpelijk te over- 
wegen, en dat men thans tot de gewone werkzaamheden overga. Dit voorstel is ook aange- 
nomen geworden. 

Nu gelastte de Praeses den koster om de afwezige leden te verzoeken de Vergadering 
weder bij te wonen, en nadat dezen op die uitnoodiging waren verschenen, werd de Vergade- 
ring bekend gemaakt met eenige Documenten van den Wel-Eerw. Robert Shand (Bijl.), waarin 
zijnEerw., met een gerust gemoed en zuiver geweten, zich bereid en genegen verJclaarde de 
Sacramenten te bedienen aan onbesproken of ongecensureerde Ledematen en dus overeenkomstig 
de reglementen der Sgnode in Zuid Afrika, en de gewoonte en instellingen alhier bestaande te 
handelen .” 

De Praeses verklaarde nu, dat op deze declaratie van Ds. Shand, hij volgens de uit- 
spraak der Synode weder een Leeraar derLHervorjnde Kerk was. A 

De tweede Commissaris Pohtiek merkte aan, dat het naar zijnHoog-Ed. gevoelen 
noodig was dat Ds. Shand zijn appel zou intrekken, waarop Di. P. Paure en Reid repli- 
ceerden dat aan Ds. Shand door de Hoog-Eerw. Vergadering gezegd was, dat hij ook na in 
zijnen stand hersteld te zijn, zijn appel kon voortzetten indien hij verkoos. Di. Spijker en 
Von Manger merkten aan, dat hij zich nog niet verklaard had omtrent het inzegenen van hu- 
welijken op den Zondag, waarop de Praeses antwoordde dat zijnEerw. ingewilligd had alles 
hetwelk van hem voor de uitspraak der Synode gevorderd was. 

Daar nu van de geheele zaak van Ds. Shand nog niets aan het Gouvernement 
was medegedeeld, stelde dus Ds. P. E. Faure voor, dat Ds. Shand op zijne gedane declaratie 
verklaard worde als Leeraar van Tulbagh hersteld te zijn, welk voorstel aangenomen werd. 
De Ouderling De Vaal protesteerde hiertegen uit naam van Kerkeraad en gemeente (Bijl.). 
Ds. H. A. Moorrees heeft hieromtrent gevoelen noch stem uitgebragt. Dr. Heyns verzocht 
aanteekening, dat hij, nadat dit punt tot conclusie is gebragt, eerst in de vergadering is 
verschenen. 

In de minderheid waren de Predikant van Clanwilliam, Di. Von Manger en Spij- 
ker, de Ouderlingen van Zvvartland, Tulbagh en Tijgerberg (Bijl.). Ds. Van der Lingen 
leverde zijne schriftelijke motiven voor het voorstel in (Bijl.). De Hoog-Eerw. Praeses gelastte 
hierop den Scriba het Gouvernement van dit alles kennis te geven. 

De Praeses bragt nu ter tafel een voorstel van Ds. P. E. Faure, te weten : “ Dat 
de Synode aanmerkingen make over de handelwijze van den Ouderling, den Heer De Vaal, 
in het verleenen van een doopconsent, terwijl de Leeraar nog niet was gesuspendeerd, 
alsmede over de handelwijze van de Rings Commissie te Worcester, de vrijheid verleenende 



163 



aan de Ouderlingen te Tulbagli tot het uitreiken van zoodanige consenten, en dus het regt 
van den Leeraar benadeelende, zonder dat zijnEerw. onder eenig vonnis was.” 

Zoo wel de HeerDe Vaal als de Rings Commissie van Worcester gaven te kennen, 
dat zij gevoelden gedwaald te hebben. 

Ds. Herold verzocht, dat hiervan kennis gegeven worde aan den Kerkeraad van 
Tulbagh, opdat zoo iets in het vervolg niet weder geschiede. 

Hierna verzocht Ds. Herold, dat voorgelezen zoude worden eeu gedeelte van 
zekere memorie van den Kaapstadschen Kerkeraad, waarin voorkomt (zoo als hij had 
vernomen), dat hij, Prseses van de RingsCommissie, geconsuleerd zoude liebben met den 
Heer Advokaat Brand. Dit geschiedde ; waarop zijnEerw. zich daaromtrent verklaarde, 
belovende deze declaratie schriftelijk te zullen inleveren (Bijl.). De Kaapsche Afgevaardig- 
den verzochten copij van die declaratie, wanneer dezelve zal zijn ingezonden. 

Nu brengt de Praeses ter tafel het Reglement op de zamenstelling en werkzaam- 
heden der Kerkeraden (Bijl.). Ds. Spijker proponeerde, dat het Reglement niet in overwe- 
ging zoude worde genomen, omdat hij ontwaard had, dat in de bestaande behoefte niet voor- 
zien is, omdat de zaak zoo belangrijk is, en eene rijpere overweging verdient. De Prseses 
antwoordde, dat het eerste Art. van het Reglement vóór dit voorstel gaat, en Ds. Morgan 
voegde er bij, dat het voorstel van Ds. Spijker in strijd is met eene eens genomene conclusie. 
Het lste Art. werd aangenomen. 

Art. 2 werd aangenomen. Ds. H. Moorrees merkte aan, dat het eenigzins strijdt 
inet Art. 18. 

Art. 8 aangenomen. Ds. Herold wilde liever dat het zijn zoude : “ zoo wei 
predikanten als ouderlingen.” 

Art. 4 en 5 aangenomen. De Kaapsche Afgevaardigden waren in de minderheid. 

Tot een 6de Artikel werd door Ds. Morgan voorgesteld en door de Vergadering 
aangenomen, “ aan elke vergaderplaats zal eene afzonderlijke wijk verbonden rvorden, voor 
zoo ver het herderlijk werk betreft.” De Kaapstadsche Afgevaardigden waren in de 
minderbeid. 

De Praeses kondigde nu aan, dat men op Maandag met de Kaapstadsche geschillen 
zou voortgaan ; waarop de minuten voorgelezen en goedgekeurd zijn geworden, en de 
Vergadering met dankzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 13den November, 1837. 



c2 



164 



DKEE EN TWINTIGSTE ZITTING. 

Maandag , den 13 den November, 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen degenen, die in de Kaapstadsche zaken 
niet zitten mogen, den Ouderling De Vaal, die wegens liuiselijke omstandigheden verlof van 
den Praeses heeft om naar huis te keeren (Bijl.), en den Ouderling De Vos, door ongesteld- 
heid verhinderd. 

Het gebed werd door den Scriba gedaan, waarop de Notulen der vorige Zitting, 
geresumeerd en geteekend werden. Bij de resumptie verzocht Ds. Spijker dat aangeteekend 
worde, dat het hem belet is aanmerkingen te maken op hetgeen in zijne afwezigheid is 
besloten. Na de resumptie verKeten Di. Spijker en P. E. Eaure de Vergadering. 

Betrekkelijk het staken van den opbouw der tweede kerk in de Kaapstad, deed 
nu Ds. Morgan het volgende voorstel : “ Dat de Eerw. Kei Ler aad der Hervormde Gemeente 
in de Kaapstad gelast worde, de origineele acta des Kerkeraads, betrekkeli^TcTen opbouw~ván 
een tweede kerkgebouw in de Kaapstad, met al de daarmede in verband staande stukken, 
zonder verzuim aan den Hoog-Eerw. Scriba dezer Synodale Vergadering in handen te stellem 
ten einde de Hoog-Eenv. Synode in overweging moge nemen, welke maatregelen daarom- 
trent behooren genomen te worden.” Dit voorstel in overweging genomen zijnde, en velen 
hun gevoelen hieromtrent medegedeeld hebbende, werd in omvraag gebragt, aangenomen, en 
dadelijk door den Scriba ten uitvoer gebragt (Zie Brieven). Ds. H. A. Moorrees was in 
de minderheid en heeft zijne redenen schriftelijk ingeleverd, waarmede zich vereenigd 
hebben de Ouderlingen Loedolff en Maree (Bijl.). De Afgevaardigden van George waren 
ook in de minderheid, alsmede de Ouderling van Wijnberg, die zijne redenen schriftelijk zal 
inleveren (Bijl.). 

De Praeses stelde hierop voor, dat de Vergadering nu voortga om de zaak in appel, 
betrekkelijk het niet genoegzaam voorzien van godsdienstig onderwijs in de gemeente van de 
Kaapstad, in overweging te nemen. 

Ds. H. A. Moorrees vraagde, of dit voorstel uit de originele klagten was voort- 
gesproten, en werd door den Praeses affirmatief beantwoord. Verder vraagde hij, of het 
Gouvernement niet hieromtrent reeds beslist had ? Waarop werd voorgelezen het antwoord 
van het Gouvernement op den brief van Di. Von Manger en Spijker, waaruit blijkt, dat 
Zijne Excellentie geen gevoelen omtrent de zaak in kwestie heeft uitgedrukt, maar dezelve 
verwezen naar de Rings en Synodale Vergadering. 

Nadat vele leden der Vergadering hun gevoelen hieromtrent hadden te kennen 
gegeven, werd het volgende voorstel door Ds. Morgan gedaan : f het duidelijk bewezen is, 
dat er een groot gebrek aan openbare godsdienst i^de Heryí)rmde Gemeente in de K aapsta d 
bestaat, en dat deze Synodale Vergadering zulke maatregelen zal nemen, als dezelve goed- 
vinden en zich daartoe bevoegd oordeelen zal, om in ’t vervolg hierin te voorzien.” Dit 
voorstel in omvraag gebragt zijnde, is door eene meerderheid van 20 tegen 7 aangenomeu. 
Ds. H. A. Moorrees, de Afgevaardigden van George, de Ouderlingen van Zwartland en 
Caledon, verzochten de aanteekening, dat zij in de minderheid waren, terwijl de Ouderling van 
Wijnberg aanteekening verzocht dat hij in de meerderheid gestemd had. 



165 



Het volgende voorstel werd nu door den Ouderling van Wijnberg gedaan, te 
weten : “ dat de beklaagden het in hunne magt hebben gehad om in dit gebrek gedeeltelijk 
te voorzien, en zulks hadden behooren te doen.” Dit voorstel is door eene meerderheid van 
21 tegen 6 aangenotnen. Ds. II. A. Moorrees en de Afgevaardigden van George waren in 
de minderheid. 

Hierop werd door deu Ouderling van Wijnberg voorgesteld : “dat ten gevolge van 
de contumacie van de beklaagden, voor den Eersten Ring, dat gedeelte van deszelfs vonnis, 
waarbij de beklaagden in de kosten zijn gecondemneerd, worde geconfirmeerd.” 

Nadat velen hieromtrent hun gevoelen hadden medegedeeld, werd eerst door den 
Prseses de vraag gedaan : “ hebben de beklaagden voor de Vergadering en de Commissiën 
van den Eersten Ring gecontumaceerd ? ” Deze vraag is door eene meerderheid van 18 
tegen 7 affirmatief beantwoord. Ds. Thomson en de Ouderling Roos hebben geene stem 
uitgebragt. Ds. H. A. Moorrees en de Afgevaardigden van George waren in de minder 
heid. 

Nu werd het laatste gedeelte van het voorstel in omvraag gebragt, te weten : “ dat 
dat gedeelte van het vonnis van den Ring, waarbij de beklaagden in de kosten zijn gecon- 
demneerd, worde geconfirmeerd.” Dit gedeelte van het voorstel, is echter door eene meerder- 
heid van 13 tegen 12 verworpen. De Ouderling Roos heeft niet gestemd, dewijl hij bij het 
lezen der stukken niet tegenwoordig was. De Ouderling van Colesberg was gedurende 
deze stemining wegens ongesteldheid afwezig. Di. Morgan en Smith, die met de meerder- 
heid gestemd hebben, zullen hunne redenen schriftelijk inleveren (Bijl.). Di. Robertson 
en Taylor zullen hunne redenen inleveren, waarom zij met de minderheid gestemd hebben 
(Bijl.). Zie ook redenen van den Ouderling van Wijnberg (Bijl.). 

De Prseses merkte hier aan, dat dat gedeelte van het vonnis van den Ring, m 
deszelfs “ goedackten ” uitgedrukt, betrekkelijk het schorsen van de door het Gouverne- 
ment gesalariëerden des Kaapstadsclien Kerkeraads, reeds door Zijne Excellentie was afge- 
keurd, en dat, daar de tijd tot deze zitting bepaald verloopen was, hij de verdere overweging 
dezer zaken tot morgen uitstelde. Yerder maakte de Prseses bekend, dat hij het repliek 
vau Ds. Iierold en eene communicatie van Ds. A. Faure ontvangen had. De Scriba las aan 
de Vergadering voor een brief van den Eerw. Praeses van den Kaapstadschen Kerke- 
raad, waarin zijnEerw. berigt, dat hij zich niet geregtigd gevoelt zonder voorkennis en toe. 
stemming van den Kerkeraad, het Notulen-Boek des Kerkenraads, volgens aanschrijving 
aan de Hoog-Eerw. Synode in te zenden, en dat zijnEerw. niet in staat zal zijn, het gevoe- 
len des Kerkeraads daaromtrent voor heden avond te vernemen. 

Hierop werden de minuten voorgelezen en goedgekeurd, waarna de Vergadering 
met dankzegging gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 14den November, 1837. 



c2* 



166 



YIEU EN TWINTIGSTE ZITTING. 



Bingsdag , den Wden November, 1837. 

Tegenwoordig al cle Leden, uitgenomen den Ouderling van Worcester door onge- 
steldheid verhinderd, en degenen die in de behandeling der Kaapstadsche zaken geene zitting 
hebben. Nadat het gebed door den Scriba gedaan was, werden de notulen der vorige zit- 
ting geresumeerd en geteekend. 

Vervolgens werd er eene memorie voorgelezen geteekend door achttien personen, 
gich no^mende Leden der ílollandsch Ger eform eerde Kerkji) de Kaapstad (Bijl.), de Hoog- 
Eerw. Vergadcring mededeelende, dat zij eenigen tijd geleden zekere geschriften hebben getee- 
kend, die zij naderhand tot. hun leedwezen vernomen hebben klagten tegen den Kerkeraad huu- 
ner Kerk te behelzen, verklarende verder dat hunne meening nooit geweest is om zoodanige 
klagten in te zenden wegens eenig gebrek aan godsdienst, noch eenig verzoek om de Eerw. 
Predikanten te noodzaken in het Gesticht te prediken, wijl de gaanderij van de Luthersche 
Kerk gewoonlijk onder het houden der Hollandsch Gereformeerde Godsdienst onbezet was, 
verder dat zij misleid zijn geworden, en verzoeken derhalve, dat geene de minste regard op 
hunne naamteekening Avorde geslagen (Bijl.). 

Tot de Kaapstadsche geschillen alweder overgaande, stelde Ds. Morgan voor, “ dat 
dat gedeelte van het vonnis van den Eersten Ring, waarbij de Kerkeraad gesuspendeerd is, 
wegens contumacie, bevestigd worde, en dat de suspensie zal voortduren tot dat de Kerke- 
raad zich genegen zal verklaren om zich te onderwerpen aan de Hoogere Kerkelijke Bestu- 
ren, volgens Art. 4 van het Algemeen Kerkelijk Reglement.” Ds. Morgan adstrueerde zijn 
voorstel met eenige aanmerkingen, doch verklaarde zich ook genegen, indien zulks blijken 
mogt de wensch van de vergadering te zijn hetzelve in te trekken. Ds. Ballot verzocht dat 
een gedeelte van de memorie van clen Kaapstadschen Kerkeraad, in antwoord op het “ goed- 
achten w r eder voorgelezen mogt worden, ter verlichting der Vergadering omtrent cle bedoe- 
ling en de bezwaren des Kerkeraads, hetwelk geschied is. 

Over het voorstel van Ds. Morgan werden nu door velen der Leden aanmerkiimen 
gemaakt, en daar het scheen dat de vergadering zich er niet mede vereenigde, zoo werd het- 
zelve door den voorsteller ingetrokken. 

De Scriba stelde nu voor het navolgende: “De Synode verklaart dat de Eerste 
Ring, wegens de contumacie van den thans fungerenden Kaapstadschen Kerkeraad verpligt 
was om eenig duidelijk teeken van afkeuring te geven, doch onder de bestaande omstandig- 
heden, vooral daar, door gebrek aan Leeraars, cle openbare Godsdienst nog meer zoude ko- 
men te lijden, zoo wijzigt de Synode het vonnis van suspensie door hare afkeuring te ver- 
klaren van het geclrag der Beklaagden jegens den Ring en deszelfs Commissiën, en dezelve 
bij dezen te boek te stellen — door den gemelden Kerkeraad hiervan schriftelijke kennis te geven, 
en denzelven te gelasten, in het vervolg nieer eerbied voor hoogere kerkelijke besturen te betoo- 
ncn.” Dit voorstel is door eene groote meerderheid (18 tegen 6) der Vergadering aangeno- 
men. Ds. H. A. Moorrees en de Ouderling van Zwartland en Caledon, als ook de Afge- 
vaardigden van George, waren in de minderheid en zullen hunne redenen schriftelijk inleve- 



167 



ren (Bijl.). De Ouderlingen van der Bijl en Roos verzochten van het uitbrengen hunner stem 
verschoond te zijn. — De Ouderling van Wijnberg verzocht ook geëxcuseerd te worden. 

De Hoog-Eerw. Praeses stelde nu voor : “ dat in de behoefte van de Kaapstadsche 
Gemeente aan godsdienstig onderwijs alléén kan worden voorzien, door op eene tweede 
plaats des Zondags openbare Godsdienst voor dezelve te houden, en dat de Kaapstadsche 
Kerkeraad, op grond van Art. 22 van het Algemeen Kerkelijk Reglement, mits dezen wor- 
de gelast, daarin onmiddelijke voorziening te maken ” — welk voorstel, nadat men hetzelve 
rijpelijk overwogen had, door eene meerderheid van 20 tegen 0, de Ouderling A. Roos al- 
weder niet gestemd hebbende, is aangenomen geworden. Ds. H. A. Moorrees, de Ouder- 
ling van Caledon, en de Afgevaardigden van George waren in de minderheid en zullen huune 
motiven schriftelijk inleveren (Bijl.). De Ouderling van Wijnberg vraagde nu, als in verband 
met het eerste en het laatste der aangenomene voorstellen betrekkelijk deze zaak : “ kan dit 
geschieden zonder additioneel bezwaar voor het Gouvernement, door het getal van Leeraars 
te moeten vermeerderen ?” Met betrekking tot deze vraag was de Synode met eene meer_ 
derheid van 20 tegen 7 van gevoelen dat zulks wel kon geschieden zonder additioneel be. 
zwaar voor het Gouvernement ofeene vermeerdering vau het getal van Leeraars, wanneer elk 
der drie Leeraars slechts eens des Zondags op onderscheidene uren openbare Godsdienst houdt. 
De Ouderling Roos heeft met de meerderheid gestemd. Ds. H. A. Moorrees merkte hier 
aan, dat, op grond van zijne bezwaren tegen de twee voorgaande voorstellen, hij zich met dit 
voorstel ook niet kon vereenigen (Bijl.). 

De Prseses benoemde hierop Ds. Ballot en den Scriba, ora voorstellen te vervaardi- 
gen op het 2de, het 5de en het 6de punt voorkomende onder het Hoofddeel Ringsbestuur, 
alsmede op de eerste en tweede klagte van den Kaapstadschen Kerkeraad tegen den Eersten 
Ring. 

Er werd nu voorgelezen een brief van den Kaapstadschen Kerkeraad, verdere bezwa- 
ren opgevende, waarom dezelve aan de opeiscliing van deszelfs Resolutie-Boeken, niet heeft 
voldaan, maar de Synode mededeeleude, dat men de zaak onder de overweging van Zijne , 
Excellentie d en H eer Gouverneur had gebra gt/ met verzoek om te mogen weten of men al 
dan niet vrijheid heeft aan de vordering der Synode te voldoen (Bijl.). 

Verder werd er voorgelezen eene communicatie van Ds. A. Eaure, behelzende een 
verhaal door zijn-Eerw. vervaardigd, betrekkelijk het prediken in het Gesticht, en op zijn- 
Eerw. verzoek aan de Synode medegedeeld, als wetende, gelijk zijnEerw. zich uitdrukt, van 
geene betere gelegenheid om zich te verdedigen tegen aanmerkingen in den brief van de 
Wel-Eerw. Iieeren Von Manger en Spijker, welke, gelijk hij van de toehoorders vernomen 
had, die deszelfs lezing in de Synode hebben aangehoord, zijn karakter aandoen (Bijl). 

Ook is aan de Vergadering voorgelezen geworden het repliek van Ds. Herold op 
de aanmerkingen betrekkelijk zijnEerw., voorkomende in eene raemorie van den Kaapstad- 
schen Kerkeraad, dd. 12 October 1837 (Bijl.) . 

De Hoog-Eerw. Prceses maakte nu aan de Vergadering bekend, dat de Vergade- 
ring op morgen met de overbliivende Beschrijvingspunten zou voortgaan. waarna de miuu- 
ten voorgelezen en goedgekeurd zijn geworden, en de Vergadering met dankzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteckend op heden, den 15den November, 1837. 



168 



VIJE EN TWINTIGSTE ZITTING. 



Woensdag , den \ ’zden November, 1837. 

Tegenvvoordig al de Leden, uitgenomen degenen tot den Eersten Ring behoorende 
die in de zaken betrokken zijn, en derhalve niet zitten mogen. 

Nadat de Vergadering op de gewone vvijze met het gebed geopend was, vverden 
de notulen der vorige zitting geresumeerd en geteekend. 

Bij de resumptie stelde de Hoog-Eervv. Prseses voor, “ dat het verzoek van de 18 
personen, die verzocht hebben, dat geen regard op hunne naamteekening geslagen vvorde, 
volkomenlijk toegestaan worde, dewijl zij getoond hebben, dat hunne naamteekening geen 
regard verdient.” Met dit voorstel van den Praeses vereenigde zich bijna de geheele verga- 
dering. 

De Synode ging nu voort om de voorstellen te overwegen, vvelke door de connnis- 
sie gisteren aangesteld vervaardigd waren, op de nog overblijvende Beschrijvings punten ; en 
vvel eerst betrekkelijk den wenscli van den Eersten Ring 1837, om het gevoelen der Synode 
te mogen hebben aangaande den schijn, dien de Kerkeraad der Kaapstad in het Rapport 
opgeeft, omtrent de handelingen van den Ring 1836. Ilieromtrent, na hetgeen hierop betrek- 
king heeft weder voorgelezen isgevvorden, zijn twee voorstellen ingeleverd, het eerste door Ds. 
Ballot van dezen inhoud : “ de Synode kan niet anders dan de zinsnede omtrent den schijn, 
voorkomende in een Rapport van den Kaapstadschen Kerkeraad, ingeleverd in den Eersten 
Ring 1837, beschouvven als behelzende eene wel niet aangename reflectie voor een ligchaam 
als dat van den Eersten Ring, doch tegelijktijdig lettende op de omstandigheden zelve, ís 
van gevoelen, Kerkeraden in vervolg van tijd te recommenderen, meer bescheidenheid ten op. 
zigte van de Ringsbesturen, onder welke zij sorteren, te betoonen ; en de Ringsbesturen 
ten sterkste aantebevelen, om, in vervolg van tijd zich te wachten in het geven van zelfs de 
minste redenen tot het maken van dergelijke reflectiën” — en het tweede door den Scriba, lui- 
dende aldus : “ De Synode kan niet anders dan’de zinsnede omtrent den schijn, voorkomende 
in een Rapport van den Kaapstadschen Kerkeraad, ingeleverd in den Eersten Ring, 1837, 
afkeuren, als behelzende eene reflectie op het gedrag van den Ring, een ligchaam over den 
Kerkeraad gesteld, omtrent hetwelk men meer bescheidenheid moest betoonen.” 

Deze voorstellen in omvraag gebragt zijnde, zoo is het tweede door eene meerder- 
heid van 20 tegen 6 aangenomen. Ds. Edgar en de Ouderling van Clanwilliam, die in den 
Ring van 1836 gezeten hebben, hebben hierin niet gestemd. 

Aangaande het 5de punt, onder het Hoofddeel “ Ringsbestuur,” t. w. : “ Voor- 
dragt van den drang der omstandigheden, waarin de Vergadering van den Eersten Ring van 
1837 zich bevonden heeft enz.,” is het volgende voorstel door de Commissie ingeleverd : “ Het 
bedroeft de Synode de onaangenaamheden te vernemen, die in de Vergadering van den 
Eersten Ring hebben plaats gevonden, en daar dit meest schijnt ontstaan te zijn uit ge- 
brek aan een reglement van orde voor den Ring, zoo wordt voorgesteld dat de Synode be- 
pale, dat het Reglement van orde bij de Algemeene Kerkvergadering in gebruik, ook bij de 
Ringsvergadering van kracht zijn zal, tot dat er bepalingen voor de moderatuur van den 



169 



Ring zullen zijn gemaakt, vvanneer men vertrouwt dat dit genoegzaam zijn zal, om derge- 
lijke dingen voor de toekomst voor te komen.” De overweging van dit voorstel werd uitge- 
steld tot dat er eene volle vergadering zijn zal. 

Aangaande het volgende punt, Hoofddeel “ Ringsbestuur,” t. w. : “ Dat de 
Hoog-Eerw. Synode onderzoek doe naar de ambtsverrigtingen der Voorzitters van den Eer- 
sten Ring, gedurende 1830 en 1837,” was de Commissie van gevoelen, dat dit punt niet in 
overweging genomen kon worden als te algemeen zijnde. Men stelde echter ook dit punt uit, 
tot dat er eene volle vergadering zijn zal. 

Betrekkelijk de eerste klagte van den Kerkeraad der Hoofdstad, tegen het Hoog- 
Eerw. Bestuur van den Eersten Ring 1837, wegens het onregt en de beleediging deszelfs Afge- 
vaardigden tot de Hoog-Ew. Vergadering van den Eersten Ring, 1837, aangedaan, door den 
Wel-Ed. Hr. G. H. Maasdorp Ouderling, benoemd om bij indispositie van den welEerw. Hr. 
] J redikant A. Eaure, deszelfs plaats te vervangen, te verwerpen enz — werd door Ds. Ballot 
voorgesteld, nadat de stukken hiermede in betrekking staande weder aan de Vergadering 
medegedeeld zijn geworden, “ dat de Kaapstadsche Kerkeraad, door de benoeming van den 
Ouderling G. H. Maasdorp, om, uithoofde indispositie van den Wel-Eerw. Heer Predikant 
A. Faure deszelfs plaats te vervangen, goed gehandeld heeft, en dat het Ringsbestuur in het 
verwerpen van hem, als zoodanig, kw'alijk heeft gehandeld ;” welk voorstel door eene groote 
meerderheid verworpen is. 

Ilierop stelde de Scriba het volgende voor : “ Daar het gebleken is, dat de Verga- 
dering van den Eersten Ring geconvoceerd is geworden in den naam van Ds A. Eaure, en 
het niet is bewezen dat Ds. A. Faure aan den Kerkeraad vau de Kaapstad kennis heeft ge- 
geven, dat hij zelf in die Vergadering niet tegenwoordig zijn zoude, en daar dus de benoe- 
ming van den Ouderling Maasdorp tot plaatsvervanger van Ds. A. Faure is geschied, zonder 
voorkennis van laatstgemelden, zoo verklaart de Synode, dat de Kerkeraad om bovengemelde 
redenen kwalijk heeft gehandeld, om den Ouderling Maasdorp in die betrekking te benoe- 
men, en keurt dezelve de handelwijze goed van het Ringsbestuur, door den Ouderling Maas- 
dorp, om evengemelde redenen, in deszelfs Vergadering sessie te w r eigeren.” Dit voorstel is 
door eene groote meerderheid aangenomen. In de minderheid waren Ds. H. A. Moorrees, 
de Afgevaardigden van George, en de Ouderlingen van Caledon en Zwartland. — D. Edgar 
en de Ouderlingen van Worcester en Colesberg hebben niet gestemd. 

Betrekkelijk het tvveede punt van klagte, t. w. : “ Die Vergadering in afwezigheid 
van de geadmitteerden te sluiten enz.”, vverd door de Commissie voorgesteld, dat, “ daar in 
gemelde Ringsvergadering niet anders behandeld is dan de zaak van de Kaapstadsche gemeen- 
te en Kerkeraad, en er verklaard is dat er geene intentie tot beleediging bestaan heeft, zoo 
oordeelt de Synode deze redenen als voldoende. Ten opzigte van de uitdrukking der ver- 
wachting om als Leden van het Ringsbestuur weder te zullen wrnrden toegelaten, is de 
Synode van gevoelen, dat, daar eenige Leden van gemeld Ringsbestuur verklaard hebben, 
dit niet aldus te begrijpen, er een misverstand heeft plaats gehad en men geheel ter goeder- 
trouw heeft gehandeld.” Dit voorstel is algemeen aangenomen met uitzondering van den 
Ouderling van Wijnberg, die zijne redenen zal inleveren (Bijl.). Ds. Morgan heeft niet 
gestemd en zal ook schriftelijk zijne motiven inzenden (Bijl.). 

Er werd nu voorgelezen een brief van den Kaapstadschen Kerkeraad van heden 
(Bijl.), vermeldende dat er bij den Kerkeraad een antwoord van het Gouvernement ontvan 



170 



gen is, betrekkelijk het opeischen door de Synode van deszelfs Resolutie-boeken, waaromtrent 
Kerkeraad heden avond eene vergadering zal houden, en op raorgen deszelfs decisie aan de 
Synode zal mededeelen. 

De Hoog-Eerw. Praeses wenschte nu van den Ouderling van Wijnberg te weten, 
of hij genegen zoude zijn de genomene decisiën in de Kaapstadsche geschillen te vereenigen 
en daaruit eene uitspraak op te maken. 

Gemelde Ouderling antwoordde hierop, dat hij aan dezen moeijelijken pligt voldoen 
zou, indien daartoe door den Praeses aangesteld, doch verzocht vooraf of het hem nog ver- 
oorloofd zijn zoude een voorstel te doen, om zelfs nu nog pogingen aantewenden, ten einde 
den vrede te herstellen tusschen de Partijen. 

Bijna alle leden deelden hieromtrent hun gevoelen mede, en bijna algemeen was 
men er voor, kon zulks op eene voldoende wijze geschieden. 

Er werd ook aangemerkt, dat, daar men nu niet regterlijk handelde, men dus ook 
het gevoelen van Commissarissen Politiek hieromtrent zoude kunnen inwinnen. Hierop zeide 
de eerste Commissaris Politiek, dat hij zich met het voorstel hartelijk vereenigde, en dat, ge- 
lijk hij bij de opening der Synode gezegd had, het nageslacht haar zegenen zoude, indien 
zij thans een einde aan al de oneenigheden maken zoude. De tweede Commissaris Politiek 
stemde hiermede volkomen in. 

De Prseses benoemde hierop den Ouderling van Wijnberg en Ds. Ballot, om met 
eenigen der wederzijdsche Partijen, thans als toehoorders tegenwoordig, over eene bevrediging 
te spreken, en het gevoelen derzelven aan de Synode mede te deelen. 

De Commissarissen Politiek hebben zich ook bij dit onderhoud gevoegd. 

Nadat gemelde Heeren zich voor eenigen tijd hadden verwijderd, berigtte de Ou- 
derling van Wijnberg, dat hij de hoop koesterde dat eene vereeniging nog mogelijk was ; 
dat zij overeengekomen waren op morgen ten 12 ure te confereren tot gez. einde ; tot welke 
conferentie ook genoodigd worden de beide Moderatoren en beide Heeren Commissarissen 
Politiek. Hij stelde daarom voor, dat de verdere behandeling dezer zaken zoude worden 
uitgesteld tot na afloop dier conferentie ; hetwelk aangenomen is geworden. 

De Hoog-Eerw. Praeses gelastte hierop den Scriba, om ook aan den Eersten Ring 
hiervau kennis te geven, en denzelven te verzoeken twee uit hun midden te committeren, 
om denzelven in gemelde conferentie te vertegenwoordigen. 

Ook werd verder aan den Scriba opgedragen, om de uit den Eersten Ring afwezi- 
ge leden tot de vergadering van morgen te convoceren, wanneer men het rapport van de 
Commissie, aangesteld om eene memorie aan den wetgevenden Raad betrekkelijk de Huwe- 
lijks Ordonnantie te vervaardigen, in overweging nemen zal ; en den Heer M. C. Vogelge- 
zang aan te schrijven, om op morgen in de Vergadering te verschijnen. 

De minuten werden nu voorgelezen en goedgekeurd, en de Vergadering met dank- 
zegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 16den November, 1837. 



171 



ZES EN TWINTIGSTE ZITTING. 



Donderdag, den \6den November , 1837. 

Tegenwoorclig al de leden, uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius, de Afgevaar- 
digden van de Kaapstad, den Predikant van de Paarl en dien van Tijgerberg. Nadat het 
gebed door den Scriba gedaan was, werden de notulen der vorige zitting geresumeerd en 
geteekend. 

De door de Commissie vervaardigde memorie, betrekkelijk de Huwelijks Ordonnan- 
tie thans voor den Wetgevenden Raad, w r erd nu voorgelezen. 

De Ouderling van Zwartland merkte aan, dat in de memorie niet gelet is op de 
schade, welke door het passeren van deze ordonnatie de kosters en voorlezers zullen komen 
te lijden. 

Ds. Morgan stelde voor, dat het goed ware wanneer in gemelde Ordonnantie een 
clausule gemaakt werd, aan elk kerkgenootschap overlatende, om verdere bepalingen aan- 
gaande het inzegenen der huwelijken van deszelfs ledematen te maken. 

Ds. Smith en anderen maakten ook eenige aanmerkingen op gemelde memorie, 
waarop besloten werd otn dezelve weder in handen te stellen van de Commissie, met bijvoe- 
ging van Di. Smith en Morgan, en met verzoek om dezelve op morgen te willen inleveren. 

De Scriba leverde nu in hetgeen door de Commissie vervaardigd was, betrekkelijk 
de zaak der Heidenen. De Commissie was van gevoelen, dat in de tegenwoordige tijden, 
het in werking brengen van het Reglement door de Synode van 1834 ontworpen, hierom- 
trent (cvaarop echter geene zelfs provisioneele sanctie alsnog bekomen is) weinige gewenschte 
vruchten zou opleveren, en stelde derhalve voor, dat eene opwekkingsrede hieromtrent, door 
de Commissie daartoe vervaardigd, in de otiderscheidene kerken op drie Zondagen voorgele- 
zen zoude worden, als zijnde het. eenigste, dat de Commissie thans in staat was aan te 
bevelen (Bijl.). 

Di. Herold en H. A. Moorrees gaven te kennen, dat zij gaarne zien zouden, dat 
scholen opgerigt werden ter opleiding van jongelingen als onderwijzers,/niet allcen voor de 
Heidenen, maar ook voor de kinderen der landbouwers en anderen, die op eenen verren 
afstand van de dorpen wotten. 

Di. Ballot en Smith vereenigden zich hiermede. 

Ds. Fraser vond de opwekkingsrede, door de Commissie vervaardigd, goed, en 
was van gevoelen, dat het vooriezen derzelve, niet alleen in de kerken, maar ook bij gelegen- 
heid van openbare godsdienst in de afgelegene gedeelten der gemeenten, met een goed 
gevolg zoude gepaard gaan. 

Ds. P. E. Faure herinuerde de Vergadering aan de recommendatie door de Synode 
van 1834 aau de leeraars gedaan, om geschikte jongelingen als ondervvijzers gratis op te 
leiden 

Ds. Thomson steldc voor, dat een of twee uit elken Ring als eene vaste Com- 
missie aangesteld zouden vvonien, om onderling te corresponderen, en plannen te beramen 
ter betere onderwijzing van de Ckristelijke jeugd en van de Heidenen. 
d2 



172 



De Synode besloot intusschen om de commissie voor hetgeen zij vervaardigd had, 
derzelver dank te betuigen, doch voor dat eenig besïuit hieromtrent genomen werd, van 
het Gouvernement door iniddel van de Commissarissen Politiek te verneraen, wat geworden 
was van de ontworpene plannen hieromtrent aan het Gouvernement in 1834 voorgelegd. 

De Praeses maakte nu aan de vergadering bekend, dat de Heer Vogelgezang ver- 
hínderd was door ziekte heden tegenwoordig te zijn, doch hoopte op morgen daartoe in staat 
te wezen (Bijl.). 

Eene vraag voor eenigen tijd door Ds. P. E. Faure ingezonden, werd nu door den 
Prseses aan de vergadering voorgedragen, te weten : “ Zal men niet, om wanorde voor te 
komen, de Lidmaats-Attestatien aan vertrekkenaen gratis verleenen, en om den voorlezer 
of koster te vergoeden, in deszelfs inkomsten, bij de aanneming een bewijs van lidmaatschap 
aan ieder aangenomenen door den voorlezer of koster doen uitreiken, onder betaling van 
twee shillings en sixpence?” Na eenige discussie hieromtrent, werd de vraag ingetrokken. 

Het nu 12 uur zijnde, zoo verwijderden zich de Moderatoren, de Commissarissen 
Politiek raet de commissie der Synode, Ds. Ballot en de Ouderling Truter, ten einde, 
volgens besluit van gisteren, zelfs nu nog pogingen aan te wenden, de partijen in de 
Kaapstadsche geschillen betrokken, op eene voldoende wijze te bevredigen. 

Bij het wederkeeren gaf de Praeses aan de Synode tc kennen, dat de belangrijk- 
lieid van de zaak oorzaak was geweest van een langer oponthoud dan hij wel gedacht had, 
maar dat het hem aangenaam was de vergadering te kunnen mededeelen, dat alhoewel de 
zaak niet alsnog geschikt was, men echter nog het vooruitzigt had, op eene minzame afdoe- 
ning der geschillen. 

Met betrekking tot de vraag van Ds. P. E. Faure, stelde nu de ouderling van 
Wijnberg het volgende voor : “ Eenig lidmaat, die een jaar en zes weken in eene gemeente 
zal hebben gewoond, zonder ziju attestaat bij die gemeente te hebben ingeleverd, zal totdat 
zoodanige attestaat zal zijn ingeleverd, niet tot de sacramenten worden toegelaten.” 

De Scriba stelde voor, dat deze zaak naar de onderscheidene Ringen gerenvoijeerd 
worde, en dit voorstel in omvraag gebragt zijnde, is door de meerderheid aangenomen ge- 
worden. 

Er werd nu voorgelezen eene communicatie van den Hoog-Eerw. Quaestor van het 
Synodale Fonds (Bijl.), de vergadering raededeelende, dat de penningen tlians inhet Synodale 
Fonds voorhanden, toereikende zouden zijn geweest, ter bestrijking der onkosten dezer buiten- 
gewone Synodale Vergadering, indien dezelve met vijftien zittingen ware besloten, doch 
dit het het geval niet zijnde, verzoekende vroegtijdig dat hem aanwijzing mogt geschieden, 
van Fondsen ter betaling der rekeningen der afgevaardigden, enz. 

Deze wenk is met dank aangenomen, en besloten om hieromtrent bepalingen te 
rnaken vóór de sluiting der vergadering. 

De Hoog-Eervv. Praeses gaf nu aan de vergadering te kennen, dat hij hoopte deze 
Buitengewone Synodale Vergadering op aanstaanden Dingsdag te kunnen sluiten. 

De minuten werden hierop voorgelezen en goedgekeurd, en de Vergadering met 
dnnkzegging gesloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 17den November, 1837. 



173 



ZEVEN EN TWINTIGSTE ZITTING. 



Vrijdag, den \lden November, 1837. 

Tegenwoordig al de leden, uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius, den Ouder- 
ling van Worcester door ongesteldheid verhinderd, de Kaapsladsche Afgevaardigden, en de 
Wel-Eerw. Heeren Beck en Van der Lingen. 

I)e Vergadering werd met het gebed door den Scriba geopend, waarna de notulen 
der vorige zitting geresumeerd en geteekend zijn geworden. 

Ue Commissie aangesteld tot het vervaardigen van eene memorie aan den Wet- 
gevenderi Kaad, betrekkelijk de Huwelijks Ordonnantie, las nu gemelde memorie geëmen- 
deerd voor, welke algemeen goedgekeurd en met dank aangenomen w r erd (Bijl.). 

De Ouderling van Wijnberg, als een der Coramissie aangesteld ter bevrediging 
van partijen in de Kaapstadsche geschillen, maakte bekend, dat wegens de kortheid des 
tijrls, de Commissie het geluk niet had van te kunnen berigten, dat de partijen met elkan- 
der juist geheel bevredigd waren, en dat, wat de Commissie aanging, zij hare taak voor 
vruchteloos afgedaan rnoest houden ; partijen waren echter nabij elkander gekomen, en 
voor hemzelven had hij als nog het vooruitzigt op eene minnelijke schikking. 

Men ging nu over tot de verdere overweging van het outworpen Reglement op 
Kerkeraden, hetwelk met de gemaakte veranderingen, bijvoegsels en uitlatingen (zoo als te 
zien is m de Bijl.), door de meerderbeid is aangenomen. 

De Ouderling van Wijnberg stelde nu voor, dat hetgeen in den gelei-brief van 
de Commissie gerecominendeerd wordt, in een besluit der Synode moge worden veranderd. 
Waarop door de mecrderheid werd besloten, dat aan de Moderatoren worde opgedragen, 
om te zorgen dat dit Reglement, zoo spoedig als mogelijk, kracht van wet verkrijge. 

Vervolgens stelden de Heeren Morgan en Truter het volgende voor : “ De Synodc 
verwacht van de ledematen der Nederduitsch Hervormde Kerk, dat zij als voorheen zullen 
voortgaan met hunne huwelijken, als van goddelijke instelling zijnde, kerkelijk te laten 
inzegenen, niettegenstaande eenige wetsvoorzieningen, waardoor het voltrekken van 
huwelijken, zonder zoodanige inzegening, voor voldoende verklaard wordt ; oordeelende de 
Synode zoodanige inzegening noodig, om aan gehuwden onder de gemeenten al hunne 
kerkelijke voorregten te verzekeren.” Dit voorstel is door de meerderheid der Vergadering 
verworpen. 

Er werd nu voorgelezen een brief van den Kaapstadschen Kerkeraad, gedateerd 
16 Novciuber, betrekkelijk de opgecischte Resolutie-Boeken, met eenen geannexeerden brief 
desaangaande vanhct Gouvernement (Bijl.). De Kerkeraad schrijft onder anderen het volgende : 
“ Het blijkt, dat tusschen de Hoog-Eerw. Synode en den Kerkeraad, omtrent het regt van 
opeisching, een verschil van opinie bestaat. Dit verschil in eene zaak van consequentie, 
dient op de eene of andere wijze beslist te w r orden, en de Kerkeraad neemt de vrijheid aan 
de overweging van de Hoog-Eerw r . Synode te submitteren, op wat vvijze zulks het best zal 
kunnen geschieden, met verzock om met he gevoelen der Hoog-Eerw. Synode daaromtrent 
bekend gemaakt te worden.” 
d2* 



174 



Toen men overging om den brief van den Kaapschen Kerkeraad in overweging 
te 'nemen, hebben de leden van den Eersten Ring, in de geschillen betrokken, zich ver- 
wijderd. 

De Synode hierop acht geslagen hebbende, verklaarde dat het buiten twijfel was, 
of de beslissing van dit verschil behoorde tot hare competentie, en dat de Kerkeraad als een 
minder bestuur verpligt is aan de aanschrijving van hoogere besturen te voldoen. 

Daarop stelde de Prseses voor “ dat de Eerw. Kerkeraad der Kaapstad door den 
Scriba uit naam der Synode gelast worde, deszelfs Resolutie-Boeken, met alle daartoe be- 
boorende Bijlagen betrekkelijk het staken van den opbouvv der nieuwe of tweede Kerk te 
steilen in handen van den Scriba, morgen ochtend bij het openen der Synodale Yergadering.” 
Dit voorstel is aangenomen door 20 tegen 5 (Zie Brievenboek). Ds. H. A. Moorrees, de 
Ouderlingen van Caledon en Zwartland, en de Afgevaardigden van George in de minderheid. 

De Prseses maakte aan de Yergadering bekend, dat de Heer Yogelgezang nogdoor 
ziekte verhinderd vvas van in de Vergadering te kunnen verschijnen. 

Verder deelde de Praeses aan de Vergadering mede dat men op morgen eenige 
voorstellen die voor dc volle Vergadering gebragt moeten worden, in overweging zal uemen, 
en daarna met de verdere beslissing der Kaapstadsche Geschillen zal voortgaan. 

De minuten werden hierop voorgelezen en goedgekeurd, en nadat dankzegging 
door den Scriba geschied was, werd de Vergadering tot morgen geadjourneerd. 

Geresumeerd en geteekend op lieden, den 18dcn November, 1837. 



ACHT m TWINTIGSTE ZITTING. 

Zaturdag, den 18 den N ovember, 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, uitgenomen den Hoog-Eerw. Actuarius en de Kaap- 
stadsche Afgevaardigden, behalve den Ouderling P. Roux. 

De Hoog-Ed. eerste Commissaris Politiek heeft deze Zitting niet bijgewoond. Na- 
daí het gebed door den Scriba was gedaan, werdcn de Notulen der vorige Zitting geresu- 
meerd en geteekend. 

Bij de resumptie merkte Ds. P. E. Eaure aan, dat er in het Reglement op Kerkera- 
den geene voorziening gemaakt is, omtrent het getal die jaarlijks aftreden, en stelde tot dat 
einde het volgende voor : “ De diensttijd van elken Ouderling en Diaken is bepaald op twee 
achtereenvolgende jaren, vvaarna hij zal moeten aftreden, tenzij zij herkozen worde.’ Drt 
voorstel is algemeen aangenomen. 

Nu werd voorgelezen een brief van den Praeses des Kaapstadschen Kerkeraads, te 
kennen gevende dat zijnEerw. eene Vergadering des Kerkeraads tegeu half twaalf uur belegd 
had, om over den brief van den Scriba der Synode te delibereren, en dat hij in den loop van 
dezen dag het antwoord zoude inzenden (Bijl.). 



175 



Het voorstel reeds gedaan in de 25ste Zitting, omtrent den drang der omstandig- 
heden waarin de Yergadering van den Eersten Ring van 1837 zich bevonden heeft, enz., 
doch welk voorstel, tot dat er eene volle Yergadering zijn zou, uitgesteld werd, is nu in 
overweging genomen en algemeen goedgekeurd, behalve door de Afgevaardigden van de Paarl 
en den Ouderling van Zwartland, die daarvan aanteekening verzocht. Het laatste punt, onder 
het hoofddeel Ringsbestuur, betrekkelijk de ambtsverrigtingen van de Voorzitters van dcn 
Eersten Ring in 1836 en 1837, werd alweder ter tafel gebragt, en daarop besloten, op 
gemelde voorstel niet te ageren, omdat door het besluit omtrent het voorgaande punt 
desaangaande voorziening is gemaakt. De Afgevaardigden van de Paarl waren tegen dit 
besluit. 

Nu werd weder voorgelezen eene memorie van den Wel-Eerw. A. Paure, inhou- 
dende verzoek om zijn gedrag ten opzigte van het prediken in het Gesticht van het Zuid- 
Afrikaansch Zendeling Genootschap, onderzocht te hebben (Bijl.), en daardoor de opinie der 
Synode te mogen hebben, dewijl hij wegens gemeld prediken bij de Ringsvergadering is 
aangeklaagd, en gemelde klagte aldaar voor notificatie is aangenomen. 

De vraag werd gedaan, of er liieromtrent eene klagte bij de Synode gedaan was ? 
waarop geantwoord werd, niet direct, maar indirect door den brief aan het Gouvernement, 
door Di. Von Manger en Spijker ingezonden, behelzende beschuldigingen tegen Ds. A. 
Faure, welke voor hem verborgen waren gehouden, terwijl Ds. Faure, op het vernemen van 
het bestaan van dien brief, eene verdediging van zichzelven aan de Synode had inge- 
zonden. 

Ds. H. A. Moorrees merkte aan, dat, daar de memorie van den Kaapstadschen 
Kerkeraad, vragende hoe te moeten handelen in hunne zaak voor de Synode, niet beantwoord 
is geworden, deze memorie ook in geene aanmerking moest komen ; dat hij tegen deze wijze 
van behandeling was, en geene verdere aanmerkingen daarover wilde mededeelen. De 
Prseses antwoordde hierop, dat niet alleen de memorie van den Kaapstadschen Kerkeraad, 
maar ook die van de Appellanten, dezelfde vraag voorsteliende, onbeantwoord is gebleven, 
omdat men zulk eene vraag meende niet te moeten beantwoorden. 

Vele leden deelden liun gevoelen omtrent de handelwijze van Ds. Faure mede, 
waarna het volgende voorstel omtrent de zaak gedaan werd : “ T)e Synode verklaart, dat de 
Wel-Eeno. Heer A. Faure, door liet predilcen in het Z. A. Z. Gesticht, in voldoening aan den 
wensch van vele Leden zijner Gemeente, onder de hestaande omstandiyheden, allezins loffelij/c 
en overeenlcomstig de uitspraken der H. Schrift als een geirouwe Evangeliedienaar gehan- 
deld heeft. 

Dit voorstel werd tegen eene minderheid van 5 aangenomen. I)e Afgevaardigden 
van George, Ds. H. A. Moorrees, en de Ouderling van Zvvartland en Caledon maakten deze 
minderheid uit, en verzochten hiervan aanteekening. 

Die leden van den Eersten Ring, voor wie de zaak als klagte gebragt vfëis, hebben 
niet raede gestemd. Het voorstel van de Afgevaardigden van de Paarl, was nu aan de orde, 
t. w. : “ De Hoog-Eerw. Synode gelieve den Kerkeraden te veroorloven terug te houden, ten 
profijte van het Armenfonds, in elke gemeente, twee-vijfde deelen van bet geld dat geheven 
wordt van de Buitengewone Huwelijks-Inzegeningen en Ledemaatsbevestigingen, daar dat 
geld oorspronkelijk der gemeente eigendom is ” — hetwelk door allen, uitgenomen de voorstel- 
lers en den Predikant van Caledon, is verworpen geworden. 



176 



Hierop volgde het voorstel van Ds. A. Smith, namelijk : “ Dat een adres vanwege 
de Synode aan Zijne Excellentie den Gouverneur in Rade gepresenteerd worde, deu 
dank der Vergadering betuigende voor de onlangs gepasseerde ordonnantie aangaande de 
heiliging van den Christelijken Sabbat, met uitdrukking der hoop, dat deze ordonnantie door 
Hare Majesteit de Koningin in Rade moge gesanctioneerd worden.” Ds. Smith onder- 
steunde zijn voorstel met eenige aanmerkingen, en nadat het gevoelen der vergadering hier- 
omtrent ingewonuen was, is het voorstel door eene meerderheid van 1 8 tegen 1 1 aangeno- 
inen ; waarop Ds. Smit.h door den Praeces benoerad werd, om gemeld Adres te vervaardigen 
(Bijl.). De Heeren Morgan en Truter hebben niet gestemd en zullen hunne redenen inleve- 
ren (Bijl.). 

Nu werd ontvangen eeu brief van den Praeses des Kaapstadschen Kerkeraads, in 
antvvoord op dien van den Scriba van gisteren (Bijl.), meldende dat de Kaapstadsche Kerke- 
raad wenschte dat de Hoog-Eerw. Synode het verschil van opinie tusschen haar en den Kerke- 
raad, door eenen derde zoude laten beslissen enz. 

Nadat eenige leden hun gevoelen omtrent het gedrag van den Kerkeraad hadden 
inedegedeeld, vraagde de Prseses : “ Heeft de Kaapstadsche Kerkeraad door het niet voldoen 
aan de opeisching der Synode van dezelfs Resolutie-Boeken en andere Documenten, betrek- 
kelijk het staken van den opbouw der tweede of nieuwe kerk, zich aan contumacie schuldig 
gemaakt, Ja of Neen ?” Deze vraag werd aihrmatief beantwoord. De Ouderlingen van Caledon 
en Somerset, en de Predikant van Worcester hebben niet gestemd. De Afgevaardigden van 
George, Ds. H. A. Moorrees eu de Ouderling van Zvvartland waren in de minderheid. De 
Ieden van den Eersten Ring meergemeld, hebben noch gevoelen noch stem in deze zaak 
uitgebragt. • 

Ds. Smith stelde nu voor en werd door den Scriba gesecondeerd, dat eene com- 
missie benoemd worde, om vóór het doen van eenige uitspraak hieromtrent met den Kerke- 
raad te spreken en daaromtrent op Maandag morgen te rapporteren. Dit voorstel werd niet 
aangenomen. 

Nu stelde Ds. Morgan voor, “ dat de Kaapstadsche Kerkeraad gelast worde, zich 
Maandag ochtend, om half elf ure, voor de Synode te sisteren, om, wegens deszelfs con- 
tumacie door den Hoog-Eerw. Praeses onderhouden te worden, zullende alsdan, zoo het noo- 
dig geoordeeld wordt, verdere stappen genomen worden naar bevind van zaken.” Dit voor- 
stel werd aangenomen. In de minderheid waren de Afgevaardigden van George en Ds. H. 
A. Moorrees. De Ouderlingen van Zwartland en Caledon, en de Predikant van Worcester 
hebben niet gestemd. 

De Praeses bragt nu ter tafel het volgende voorstel van Ds. Von Manger van den 
(iden November t. w. : “ De Wel-Eerw. Heer J. H. von Manger verklaart uit naarn van den 
Kerkeraad der Kaapstad, dat dezelve vernomen hebbende welk eene beleedigende verklaring 
de Afgevaardigden van den Paarlschen Kerkeraad aangaanden denzelven gisteren in deze 
Hoog-Eerw. Vergadering hebben afgelegd, verlangt dat die verklaring thans plegtig herroepen 
worde, of zoo de gemelde Afgevaardigden zulks niet mogten kunnen of verkiezen te doen, 
dat dan de op gisteren gedane verklaring nu woordelijk herhaald en in de notulen geinsereerd 
worde, in welk geval de Afgevaardigden van de Kaapstad extract daarvan verzoeken, ten 
einde daarvan desverkiezende het noodige gebruik te kunnen maken.” 

De Prrnses vraagde of dit verzoek van den Kaapstadschen Kerkeraad zoude wor- 



177 



den toegestaan, dan of dit voorstel zoude worden uitgesteld ? Acht antwoorden negatief, 
tien affirmatief, tien waren voor het uitstellen totdat de Kaapstadsche Kerkeraad onderwer- 
ping aan de Synode zoude betoonen. De Praeses besliste voor het laatste. Drie leden heb- 
ben niet gestemd. 

De Ouderling van Wijnberg deed een voorstel omtrent de communicatie van ge- 
vaílen van afsnijding van een Lidraaat der Kerk aan overige Kerkeraden, hetwelk met te- 
genstemming van 4 niet werd aangenomen. 

De Hoog-Ed. tweede Commissaris Politiek deelde nu aan de Vergadering mede, 
twee bricven van het Gouvernement, betrekkelijk de zaak van Ds. Shand (Bijl.). Waarop de 
Synode verklaarde, “ dat de bedoeling van de Synode geene andere is geweest dan te verkla- 
ren, dat de redenen vansuspensie opgeheven zijnde, de Wel-Ew. Shand geregtigd was tot zijn 
vorigen status en plaats, en dat hetlaatste gedeelte van deze verklaring zelfs door de Synode 
niet is geschied, voor dat zij zich verzekerd had, dat orntrent deze zaak nog geene commu- 
nicatie aan het Gouvernement gedaan was, en dus over de situatie van Predikant van Tul- 
bagh nog geene dispositie gemaakt was ; dat zij nimmer het denkbeeld heeft gekoesterd, om 
in het minste zich het gezag van het Gouvernement aan te matigen, waarvan de submissie 
van dat besluit aan de sanctie van het Gouvernement, ten duidelijkste getuigt, als ook het 
niet toelaten van Ds. Shand als Lid der Synode voor zoodanige sanctie.” Hieromtrent heb- 
ben niet gestemd Ds. H. A. Moorrees, de Ouderlingen van Caledon en Zwartland, en de Af- 
gevaardigden van George. 

Ook werd er besloten om extract hiervan aan de Commissarissen Politiek te verlee- 
nen, raet verzoek om hetzelve aan het Gouvernement toe te zenden — alsmede werd op voor- 
stel van Ds. Herold besloten, extract hiervan aau de Moderatoren te verleenen, ten einde, 
indien noodig, allen twijfel bij het Gouvernement omtrent de handelwijze van de Synode weg 
te nemen. 

Aangaande het protest van den Ouderling van Tulbagh werd aangemerkt, dat, 
alhoewel hij in de gelegenheid was, hij geene motiven van zijn protest heeft opgegeven, en 
ook geen document heeft geproduceerd waaruit bleek dat hij uit naam der gemeente protes- 
teerde ; dat de Synode, daar de Heer de Vaal, kort na den afloop van de zaak van den 
Heer Shand vertrokken is, wegens huiselijke omstandigheden, nu in de onmogelijkheid is 
gemelde motiven van hem te vernemen. De Scriba werd nogtans gelast om gemelden heer 
het verzoek van het Gouvernement mede te deelen. 

De Minuten werden nu voorgelezen en goedgekeurd, waarna de Vergadering met. 
dankzegging gesloten werd. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 20sten November, 1837. 

m. II ■11 



178 



NEGEN EN TWIGTIGSTE ZITTING. 






■ 



l/ 



Maandag, den 20 sten November, 1837. 

Tegenwoordig al de Leden, nitgenomen de Afgevaardigden vau de Kaapstad, met 
kennisgeving, en den Onderling van Worcester, wegens ongesteldheid. 

Nadat de Vergadering met het gebed was geopend, werden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd en geteekend. 

De memorie van den Wetgevenden Raad, betrekkelijk de Zondags Ordonnantie, 
werd nu voorgelezen en met dank aangenomen (Bijl.). 

Hierna werd Ds. Ilerold verzocht den Herd erlijken Brief door zijnEerw. vervaar- 
digd, aan de Vergadering voor te lezen. Na eenige aanmerkingen hierover te hebben ge- 
hoord, verklaarden de Predikant van de Paarl en Ds. H. A. Moorrees, dat zij over het ge- 
heel zich met den Brief niet konden vereenigen, desniettegenstaande werd dezelve door de 
groote meerderheid goedgekeurd en met dank aangenomen. 

Nu kwam ter tafelhet voorstel van eenige Ouderlingen, betrekkelijk de uitgedrukte 
gevoelens van Ds. H. A. Moorrees, aangaande den Christeliiken Sabbat en de Tien Geboden. 

Tot geruststelling der Ouderlingen, deed de Praeses aan de Vergadering voorlezen 
het gezegde van den Heiland aangaande de wet, Matth. 5 : 17, enz., waarna Ds. Moorrees de 
volgende verklaring deed : “ Dat daar eenige leden der Synodale Vergadering, uit zekere 
woorden door mij met betrekking tot de Tien Geboden gebezigd, vermoedens koesteren, alsof 
ik een of ander dier geboden zoude willen omverwerpen, ik mij gedrongen gevoel te ver- 
klaren, dat zulks alleen aan misverstand of misvatting toe te schrijven is, aangezien wij al 
die geboden in het Evangelie terugvinden, met uitzondering alleen van het vierde gebod, 
doch omtrent hetwelk het voorbeeld van Jezus en de apostolische vermaning ons tot genoeg- 
zaam bewijs strekt, dat wij gehouden zijn een der zeven dagen van de week te heiligen.” 

De Ouderlingen verklaarden zich hiermede te vreden. Ds. Van der Lingen echter 
beschouwde dit nog als onvoldoende. 

De Voorzitter maakte de Vergadering vervolgens bekend, dat de Hr. M. C. Vogelge- 
zang nog door ziekte verhinderd is in de Vergaderingteverschijnen : waarop door Ds. Herold 
voorgesteld werd, dat, “ daar de Hr. Vogelgezang zich bij den Eersten Ring vervoegd heeft 
in 183(5, en daar lietgebleken is dat zijne papieren als toen uietin orde waren bevonden, en 
hij nu niet in de vergadering kan verschijnen^ de Hr. Vogelgezang verwezen worde naar ge- 
melden Ring, opdat die als Synodale Commissie in de zaak werkzaam zij.” Dit voorstel werd 
goedgekeurd, en besloten uittreksei hiervan aan den Eersten Ring en aan den Heer Vogelge- 
zaDg toe te zendeu. 

Nu werd voorgelezen een brief van den Kaapstadschen Kerkeraad van dezen da- 
tum (Bijl.). Zoodra dit voorgelezen was, verzochten de Leden van den Eersten Ring, die in 
ds Kaapstadsche zaken uitspraak gedaan hadden, zich te verwijderen. De Ouderling van den 
Wijnberg vraagde nu “of de kwestie betrekkelijk het staken van den opbouw der tweede of 
nieuwe Kerk tot de competentie vandeSynode behoort?” De groote meerderheid der Verga- 
dering beantwoordde deze vraag affirmatief; de Ouderling van Caledon antwoordde negatief 

(Bijl.). 



179 



Na over de zaak van de Nieuwe Kerk te hebben gedelibereerd, werd voorgesteld, 
dat, daar de opbouw van deze kerk, met goedvinding van het Gouvernement is begonnen, en 
het niet aan de Synode is gebleken dat het bouwen daarvan om voldoende reden en op wet- 
tig gezag is gestaakt, de Synode den Kerkeraad gelaste om dadelijk eeu aanvang te maken 
met het inzamelen van de ingeschrevene Contributien, en zoodra daartoe genoegzame fond- 
sen zullen voorhanden zijn, onverwijld met den verderen opbouw te doen voortgaan, ten 
einde ook hierdoor in de bestaande behoefte aan openbare godsdienstoefening te voorzien.” 
Dit voorstel werd aangenomen ; de Ouderlingen van Stellenbosch en Hottentots Holland 
hebben niet gestemd. In de minderheid waren de Afgevaardigden van George, de Ouder- 
lingen van Caledon en Zwartland, en Ds. H. A. Moorrees, die zich verklaarden tegen de ge- 
heele zaak. 

Verder werd voorgesteld, dat daar de Kaapstadsche Kerkeraad het van zich heeft 
kunnen verkrijgen, om hunne handelingen omtrent het staken van den verderen opbouw r der 
Nieuwe Kerk, in weerwil van den uitdrukkelijken last der Synode, en vauhunnen uitdrukke- 
lijken pligt, voorgeschreven in Art. 3 van het in 1824 door het Gouvernement gesanctioneerd 
Algemeen Reglement, halstarrig aan hare kennis te onthouden, en zich daardoor aan openlij- 
ke versmading van het wettig gezag van het hoogste Kerkbestuur in deze volkplanting heeft 
schuldig gemaakt, de Synode den Kerkeraad condemneer in alle de in deze zaak voor de 
Synode gevallen kosten.” Dit voorstel werd door de meerderheid aangenomen. De Predi- 
kanten van Worcester, Somerset en Colesberg, en de Ouderlingen van Stellenbosch en Hot- 
tentots Holland hebben niet gestemd. 

Nadat vooraf aan den Kaapstadschen Kerkeraad kennis was gegeven, dat ten drie 
uren uitspraak in hunne zaak zoude worden gedaan, werd vervolgens, nadat uit de onderschei- 
dene geconcludeerde punten een vonnis was opgemaakt en door de vergadering goedgekeurd, 
gemeld vonnis in forma ten 3 uren door den Scriba gepronuncieerd (Bijh). 

Hierna werd besloten, op het Rapport van den Hoog-Ew. Qusestor, “ dat de fondsen 
voor de kosten dezer Vergadering niet toereikend zijn,” zijnHoog-Ew. te authorizeren, daar- 
toe de noodige gelden op te nemen, mits overeenkomstig Art. 39 van de Kerkenorde van De 
Mist, verklarende de Commissarissen Politiek, dat, indien de sanctie van Zijne Excellentie niet 
in tijds zoude zijn bekomen, in dit geval dit besluit ook zonder dezelve zoude kunnen ten 
uitvoer gebragt worden. 

Ingevolge vroeger genomen besluit om eene commissie ter rivisie der wetten aan te 
stellen, zoo benoemde de Hoog-Eerw. Praeses daartoe den Hoog-Eerw. Actuarius, Di. Herold 
en Van der Lingen, en als derzelver correspondenten in de beide andere Ringen, Di. Ro- 
bertson en Morgan ; terwijl alle Ringen en Kerkeraden gelast werden om deze commissie in 
de uitvoering van derzelver last behulpzaam te zijn, en aan derzelver aanschrijvingen te 
voldoen. 

De Qusestor werd ook geauthoriseerd de door deze Commissie noodzakelijk te ina- 
ken kosten uit het Synodaal fonds te betale i. 

Ds. Van der Lingen verzocht hiervan verschoond te zijn, zijnEerws. verzoek echter 
werd niet toegestaan. 

De Prseses gaf vervolgens te kennen, dat hij nu voor 2 Ích had de insinuatie en . 
memorie welke ingeleverd waren, door 31 zich nocmendeJLsden van de Nede rd u itsch-Hei 
vormde^Gemeente in de Kaapstad, en ook naderhand door meer anderen als zoodanig onder 
f.2 



180 



teekend, inhoudende beleedigende uitdrukkingen ten opzigte van het Hoog-Ew. Bestuur van 
den Eersten Ring. ZijnHoog-Ew. verklaarde dat hij het voornemen had om zich in sterke 
bewoordingen hieromtrent uittedrukken, doch dat hij dit niet zoude doen, uit aanmerking 
dat eenige van derzelver onderteekenaren pogingen hadden in het werk gesteld, om de zaak 
in der minne te schikken ; hij was echter stellig van gevoelen dat gemelde insinuatie en me- 
morie geheel informeel waren, als zijnde de onderteekenaren geen partij. Daarom stelde 
zijn Hoog-Eerw. voor, dat deze documenten aan den eersten onderteekenaar worden terugge- 
zonden zonder dezelve in aanmerkïng te nemen. Dit voorstel vverd aangenomen, en de Scriba 
met de uitvoering daarvan belast. Ds. H. A. Moorrees, de Afgevaardigden van George en 
de Ouderlingen van Zwartland en Caledon waren in de minderheid. 

Op verzoek werd besloten extracl van bovenstaande te verleenen aan Di. Van der 
Lingen, P. E. Eaure en J. J. Beck, die hunne belangen bij memorie op de insinuatie hadden 
ingediend. 

Commissarissen Politiek deelden vervolgens mede eenen brief van den Hoog-Ed. 
Secretaris van het Gouvernement, Zijner Excellenties goedkeuring mededeelende op de plan- 
nen voor het onderwijs der jeugd en Heidenen in 1834 geformeerd (Bijl.) ; ookeen briefaan- 
gaande de zaak van den Heer Shand (Bijl.). 

Nu werd door Ds. P. E. Eaure voorgesteld, dat de Synode besluite den Quaestor 
te authoriseren de gemaakte kosten van de Commissie van den Eersten Ring en deszelfs ge- 
adjourneerde Vergadering in September te betalen. Dit voorstel werd algemeen aangeno- 
men, met uitzondering van den Ouderling van Wijnberg, op grond vau de reeds door hem 
hieromtrent ingeleverde redenen. 

De Praeses liet nu voorlezen een document van “ The Christian Instruction 
Society ” (Bijl.). 

Gemeld document werd met dank aangenomen, en aan de Moderatoren opgedra- 
gen de ontvangst daarvan te erkennen, en dezelve te beantwoorden. 

Ds. Herold vraagde nu of er, daar deze eene Buitengewone Synode is, over twee 
jaren weder eene Synodale Vergadering zoude gehouden worden, hetwelk zijnEerw. uithoofde 
van de werkzaamheden van de Commissie van Revisie voor zijnEerw., als lid van die Com- 
missie, noodzakelijk beschouwde vooraf te weten. De Commissarissen Politiek merkten aan, 
dat bij de overzending van de stukken aan het Gouvernement, het gevoelen van de Synode 
kon worden uitgedrukt dat, daar er zoo vele zaken in deze Vergaderiug waren afgehandeld, 
die op de Kerk in het algemeen betrekking hebben, deze Vergadering als eene gewone kon 
worden beschouwd. De Vergadering vereenigde zich met dit gevoelen. Eindelijk sprak 
de Hoog-Eerw. Praeses bij het einde dezer zitting de Vergadering op de navolgende wijze 
aan : 

“ Hooggeachte Broeders ! Onze werkzaamheden zijn thans bijkans afgedaan. Ik 
hoop en vertrouw dat gij in gezondheid tot uwe gemeenten moogt terugkeeren en dezelve in 
vrede en geestelijken welstand moogt aantreffen. Ik kan niet nalaten, ja ik voel mij gedron- 
gen u toe te wenschen, dat hetgeen thans in de Kaapstadsche Geraeente plaats vindt, toch 
nooit bij u raag plaats vinden. Billijk hadden wij verwacht, dat de Kaapstadsche Kerkeraad, 
door deszelfs gedrag en handelvvijze, een voorbeeld aan andere Kerkeraden zoude hebben 
gegeven, ínaar in plaats hiervan hebben wij, tot onze droefheid, oneenigheid in de 
gemeente en de grootste ongehoorzaamheid tegen hoogere Kerkbesturen in den Ker- 



181 



keraad gevonden. Indien zulk een verdervend voorbeeld nagevolgd wordt, welke 
oneenigheid zoude dan in de gemeente en buisgezinuen, ja, welk eene verwarring 
zoude in de maatscliappij niet te weeg gebragt worden ? Ik boop en vertrouw 
dan, dat gij waken zult, zoo veel in u is, dat in uwe gemeenten, nimmer zulk een 
verdervend iets plaats bebbe, dat uwe Kerkeraden het voorbeeld van den Kaapstadschen 
Kerkeraad niet zullen navolgen, dat gij hen zult vermanen tot voortdurende gehoorzaamheid 
en ondergeschiktheid aan hoogere Kerkbesturen, en dat gij altoos rust en vrede moogt 
genieten en den zegen des Allerhoogsten in uw werk moogt ondervinden ; en dat gij dezen 
mijnen wensch aan uwe gemeenten zult bekend maken.” 

Hierop leverde Ds. van der Lingen eene schriftelijke vraag in, dat hem in ge- 
schrifte mogt worden gegeven, hetgeen door den Hoog-Eerw. Prseses thans gesproken is, 
ten einde te kunnen voldoen, indien mogelijk, aan eenige verzoeken door den Hoog-Eerw. 
Prseses in zijne toespraak gedaan. De Preeses werd nu verzocht zijn gezegde in geschrifte 
op te geven, opdat het aan de onderscheidene Afgevaardigden mogt worden ter hand ge- 
steld, om daarmede te handelen, overeenkomstig zijnHoog-Eerws. verzoek ; hetwelk door 
zijnHoog-Eerw. gereedelijk werd toegestemd. De Prseses kondigde vervolgens aan dat de 
Vergadering op morgen ten 9 ure, zal bijeenkomen in de Consistorie-kamer, en dat dezelve 
openlijk zal worden gesloten ten elf ure, a.m., in de Luthersche Kerk (Bijl.). 

Nadat de Minuten waren gelezen en goedgekeurd werd de Vergadering more 
solito met dankzegging door den Scriba gesloten, en geadjourneerd tot morgen, ten 9 ure, 
a.m. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 21sten November, 1837. 



DEBTIGSTK ZITTING. 

Dingsdag, den 21 sten November, 1837. 

Tegenwoordig al de leden, uitgezonderd den Ouderling van Worcester wegens 
indispositie, en den Hoog-Eerw. Actuarius. 

Nadat de Vergadering met het gebed was geopend, w erden de Notulen der vorige 
Zitting geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

De Scriba gaf te kennen, dat een Document door den Kaapstadschen Kerkeraad 
gisteren ingezonden, door hem vergeten was aan de Vergaderiag voor te leggen, doch dat 
hij zulks nu deed, nadat hij daarvan aan den Wel Eeiw. Herold visie had verleend, die in 
dat stuk betrokken is (Bijl.). Ds. Ilerold vraagt liierop of men hem eenige explicatie wilde 
geven ten opzigte van het laatste gedeelte van dat document ? 

Ds. Spijker antwoordt, dat de Kaapstadsche Kerkeraad die explicatie geven zal, als 
het gevraagd wordt. Ds. Plerold vraagt nu of de Heer Advokaat Brand, die tegenwoordig 
is, mogt worden verzocht daaromtrent vóór de vergadering, overeenkomstig Art. 62 van het 
e2* 



182 



Algemeen Reglement, eene declaratie te doen. Dit verzoek werd toegestaan, en gemelde Heer 
voor de vergadering gekomen zijnde, werd hem Art. 62 voormeld voorgelezen, waarop hij de- 
clareerde dat de Heer Herold hem niet had geconsuleerd, dat hij Ds. Herold niet an- 
ders ontmoet had dan in de Rings Commissie, behalve eens te Stellenbosch ten huize van den 
Heer Adv. Faure, alwaar zijnEerw. hem te kennen gaf dat het hem speet dat er door de kla- 
gende partij twee advokaten in de commissie ter bemiddeling der geschillen waren be- 
noeiud. Overigens zijn alle ontmoetingen en gesprekken met Ds. Herold altijd in de Rings 
Commissie geschied. Ds. Herold verzocht nu dat eene copij van deze verklaring aan den 
Kaapstadschen Kerkeraad mogt worden gezonden. Waarop niemand iets tegen had. Yer- 
volgens vraagde zijnEerw. : “ Is de Synode nu overtuigd van mijne onpartijdigheid, en dat ik 
den Heer Brand niet geconsuleerd heb ? ” De Hoog-Eerw. Prseses verklaarde dat hij dit als 
voldoende beschouwt voor de Vergadering. 

De Afgevaardigden van de Kaapstad leverden een schriftelijk verzoek in (Bijh), 
inhoudende verzoek om copijen van onderscheidene documenten en de aanteekening van hun 
voornemen om te appelleren of redres te verzoeken. 

Het verzoek omtrent copijen is toegestaan ; omtrent het appel echter heeft de Sy- 
node zich niet ingelaten. 

De Scriba las vervolgens de Besluiten dezer Synodale Vergadering voor, welke 
overeenkomstig een besluit in deze Synode genomen, door den Hoog-Eerw. Actuarius zijn 
geëxtraheerd om gedrukt te kunnen worden, na door de Moderatoren en Hoog-Ed. Heeren 
Commissarissen Politiek te zijn geteekend en door het Gouvernement te zijn goedgekeurd. 

Ds. Van der Lingen stelt aan de Synode de vraag voor : waar de Vergaderina: 
van den Eersten Ring voortaan zitting zal moeten liebben ? De Prseses antwoordde daarop 
dat de Ring dit zelf dient te weten. 

Ds. Spijker verzocht nu te weten wat er geworden is van het verzoek van den 
Kaapstadschen Kerkeraad met betrekking tot de aanmerkiugen door de Afgevaardigden van 
de Paarl op den Kaapstadschen Kerkeraad gemaakt. Het besluit van de Vergadering hierom- 
trent werd medegedeeld en daarvan door Kaapstadsche Afgevaardigden extract verzocht, 
hetwelk toegestaan is. 

Uithoofde van het. besluit omtrent de opeisching der Credentialen, verzocht Ds. 
Spijker uit naam van den Kaapstadschen Kerkeraad, wanneer dit besluit in werking gebragt 
wordt, om dan ook verschoond te zijn van al hetgeen omtrent het preparatoir der Synode 
volgens de wet op hen rust ; Kerkenorde van De Mist, Art. 49. 

Nadat de Minuten waren gelezen, geresumeerd en goedgekeurd, werden zij ter 
onderteekening aangeboaen aan de Vergadering op heden, den 21sten November 1837. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 21 November 1837. 



POST ACTA. 



DEBTIGSTE ZITTING. 



Dingsdag, den 21 sten November , 1837. 

Nadat de ieden zich van de Konsistoriekamer der Nederduitsch-Hervormde Kerk 
naar het Kerkgebouw der Luthersche Gemeente begeven hadden, hield Ds. Reid, van Coles- 
berg, eene leerrede, tot grondslag derzelve nemende Joh. 3 : 19 (Bijl.). 

\ Hierna werd de Herderlijke B rief door den Scriba voorgelezen (Bijl.) ; vervolgens 
een aanspraak gedaan door den Hoog-Ed. eersteiTCommissaris Politiek (Bijl.) ; en eindelijk, 
nadat door den Scriba het gebed gedaan was, en het 4de vers van het 77ste der Evangelische 
Gezangen door de vergaderde menigte gezongen, werd deze buitengewone Vergadering door 
het uitspreken van den zegenwensch gesloten. 

De Heere achtervolge al derzelver werkzaamheden met zijnen onmisbaren zegen ! 
Hij herstelle den vrede van ons Zion, en doe de ware Godsdienst onder ons bloeijen ! Hij 
doe allen gedenken dat het geschieden zal niet door kracht, noch door geweld, maar door 
den Geest des Heeren ! Hij storte in rijke mate, van dien Geest uit, over Leeraars en Ge- 
meenten ! Zoo wenscht van harte 

WILLIAM ROBERTSON V. D. M. 
h. t. Syn. Scriba. 



BESCHRIJVINGSPUNTEN, 

Geredigeerd door het Eerwaarde Ministerie der Nederduitsch-Hervormde Kerk in de Kaap- 
stad, voor de op den 17 October 1837, en volgende dagen te houdene Extra- 
ordinaire Sgnodale Vergadering. 



1. — SYNODAAL BESTUUR. 

Dat de Synodale Wet, aangaande geheimhouding, onnoodig is, en dat de Synodale en Kingsvergaderingen 
met opene deuren gehouden worden. Predikant van Swellendam. 

Dat de Synodale en Ringsvergaderingen met opene deuren gehouden worden. 

Kerkenraad van Somerset en Uitenhage. 

Voorstel : dat eene Commissie benoemd worde, om de alreeds bestaande Kerkelijke Wetten te revideren, 
en aan de eerstvolgende Synode te rapporteren. Predikant van Swellendam. 

Voorts, dat de beide Heeren Commissarissen Politiek zullen worden uitgenoodigd zich aan derzelver hoofd 
te piaatsen. Predikant van SLellenbosch. 

Voorstel : dat eene Commissie benoemd worde om den gewonen Synodalen Herderlijken Brief te ver- 
vaardigen. Predilcant van Swellendam. 

Voorstel : dat het Gouvernement verzocht worde om, ter voorkoming van de schadelijke gevolgen die er 
auders uit voortvloeijen, voorziening te maken, ter spoediger bekoming van sanctie op de Besluiten der Synodale 
Vergadering. Kerkeraad van Somerset. 

Voorstel : dat de genomene Besolutie van de Vergadering dadelijk in werking worde gebragt en gehou- 
den, provisioneel, tot de daaraanvolgende Vergadering. Kerkeraad van Uitenhage. 

Mededeeling van gevoelen aangaande de in werkiug brenging van het Besluit der Synode van 1834, zonder 
bekomene sanctie, betrekkelijk de permaneute Scribas voor den Ring van Swellendam. 1 ste Ring, 1837. 

Daar de Grond-wet (Art. 50) het regt aan den Kerkeraad der Hoofdplaats toekent om in de Algemeene 
Kerkvergadering twee stemmen te hebben, tegen ééne van dien ten platten lande : en daar, volgens het Reglement 
vatr Orde voor de Algemeene Kerkvergadering (Art. 5), ieder Lid der Vergadering hoofdelijk zijne stem moet uit- 
brengen, en deze Wet ook bij de Riugsvergadering geobserveerd wordt : zoo verlangt de Kerkeraad van Stellen- 
bosch, dat door de Synode ook eene nadere bepaling gemaakt worde ten opzigte van het getal der Gecommitteerden 
uit den Kaapstadschen Kerkeraad en dien ten platten lande tot de Svnode en Ringsvergaderingen, waardoor de 
eveuredigheid van het stemregt bewaard blijve. Kerkeraad van Stellenbosch. 

II. — RIN GSB ESTUUK. 

Voorstel : dat, bij gelegenheid van Ringsvergaderingen in de Buiten Distrikten, de Ouderling der Ge- 
meente, waarin de gemelde Vergaderingen gehouden wordeu, ook Vacatiegelden ontvangen. 

Kerkeraad van Swellendam. 

De Ring wenscht het gevoelen van de Synode, aangaande den schijn, dien de Kerkeraad der Kaapstad iu 
het Rapport opgeeft, omtrcnt de handelingen van den Ring 1836. 1 ste Ring 1837. 

Voorstel, ter afscliaffing vau het medebrengen der Kerkelijke Boeken naar de Ringsvergaderingen. 

\stle Ring, 1837. 



185 



Alteratie in Artikel 13, vau het Eeglement van Kerkelijk onderzoek, te weten, de tijdsbepaling sedert de 
laatste Ringsvergadering, van primo Januarij tot ultimo December van het vorige Jaar. 

1 ste Ring, 1835. 

Voordragt van den drang der omstandigheden waarin de Kingsvergadering van 1837 zich bevonden heeft, 
door de handeling van den toenmaligen Praeses, den Wel-Eerw. Heer G. W. A. van der Lingen, in tegenstelling 
van zijn Wel-Eerw. Protest. 1 ste Ring. 1837. 

Dat de Hoog-Eerw. Synode onderzoek doe naar de Ambtsverrigtingen der Voorzitters (als zoodanige) 
van den Eersten King, gedurende 1836 en 1837. Kerkeraad van de Paarl. 

III.— KERKBESTUUR. 

Daar bij het 17 Art. van het Synod. Keglement het aan de Algemeene Kerkvergadering is opgedragen ge- 
worden, om voorzieningen te maken, ten einde plaatselijke Kerkeraden, op de voor de zaak van de Godsdienst en 
de belangen van de Gemeenten meest voordeelige wijze in te rigten : 

En bij het- 20 Artikel van datzelfde Keglemeut, om al de betrekkingen en pligten van de Kerkeraads 
Leden bij een Keglement op de Kerkeraden te bepalen : 

En daar de Algemeene Kerkvergadering, bij een bijzonder besluit van den 8 November 1824, het formeren 
van Keglementen op Kerkeraden aan de respective Kingen heeft opgedragen : 

En Commissarissen Politiek het bestaan en de wijze van bestaan van zoodanige Reglementen van het 
uiterste belang oordeelen voor de orde en het bestuur der Kerk iu de onderscheidene Gemeenten, achten zij het van 
hunnen pligt de Hoog-Eerwaarde Algemeene Vergadering te noodigen hen te informeren o/en hoedanig aan de ver- 
melde Artikels in het mede-vermeld Synodaal Beslrtít is voldaau gewordeu. Commissarissen Politiek. 

Hebben Kerkenradcn het regt om Leden hunner Gemeenten, wegens ontheiliging van den Sabbat, door 
koopen, verkoopen, dansen, timmeren, metselen, onnoodig reizen, enz., onder Kerkelijk censuur te stellen? 

Kerkeraad van Sioellendam. 

Voorstel : dat het Gouvernement verzocht worde, ten minste in zulke Buiten-gemeenten, waar zulks noo- 
dig beschouwd moge worden, de Kantienen op dagen van Voorbereiding voor, en Dankzegging na, het H. Avond- 
maal, als ook op andere Feestdagen, te doen sluiten. Kerkeraad van Swellendam en Somerset. 

De Synode voor te dragen, welke middelen het best geschikt zijn, of beraamd kuunen worden, om te be- 
letten het schenden van den H. Sabbatdag, door bouwen van huizen, enz. enz., en in het bijzonder teu opzigte van 
Malmesbury. Kerkeraad van Worcester, en 1 ste Ring, 1837. 

Hoe moet gehandeld vvorden, wanneer Ouders, die hunne Kinderen verwaarloozen, weigeren om dezelve 
aan de Getuigen af te staan? 2 de Ring 1835. 

Voorstel : dat het aan niemand veroorloofd zal zijn bij eene andere Gemeente het Nachtmaal te vieren, 
zonder vooraf daarvan kennis te geven aan, en toestemming bekomen te hebben van, den Leeraar dier Gemeente. 

1 ste Ring 1836. 

Dat Art. 26, (Algemeen Kerkelijk Keglement,) betrekkelijk het verleenen van een Doop-Consent, door 
de volgende bepalingen geámplieerd worde : zoodanig Verlofschrift zal echter niet mogen w r orden verleend dan met 
toestemming van den Kerkenraad, en in de stad nog daarenboven alleen door den tijdelijken Voorzitter vau den- 
zelven, — zullende geen Verlofschrift als geldig wordeti beschouwd, of daarop gehandeld, tenzij het daaruit blijke 
dat san de gezegde voorwaarde is voldaan. Kerkeraad der Hoofdstad. 

Dat doordien van w'ege de cessie van deze Kolonie door het Hollandsch aan het Engelsch Gouvernement, 
Art. 21 van de Grondwet der Kerk, van Commissaris Generaal, den Heer J. A. de Mist, geheel vervallen is, en een 
aantal Inboorlingen van deze Volkplanting alhier ten lande te gemoet gezien wordt, die zich tot het Leeraarsambt 
voor onze Kerk bekwaatn gemaakt hebben, of nog bekwaam maken, er reeds drie jonge Leeraars zich alhier zonder 
vaste standplaats bevinden, en het derhalve de Ledematen der Hervormde Kerk in deze Kolonie niet langer ntoeije- 
lijk valt hunne eigene Leeraren zelve te kunnen kiezen, ook van nu af aan elke Gemeente het regt zal mogen hebben, 
hare eigene Leeraren, met appobatie van den Heer Gouverneur, te kunnen beroepen, en dat er een Reglement door 
de Syuode worde vervaardigd, naar hetwelk zoodanig eene beroeping behoort te geschieden. 

Kerkeraad van Stellenbosck . 



186 



Voorstel: om aan het Gouvernement voor te dragen de noodzakelijkheid om eene vermeerdering van het 
getal van Leeraars voor deze Kolonie. Predikant van Swellendam. 

Daar, volgens Synodaal Besluit van den 5 November 1829 genoraen, omtrent Personen die weigeren de 
Kerkdienst waar te nemen, het bepaald is (Art. 1) : “"Wanneer iemand drie malen tot Diaken, er. zoo ook drie malen 
tot Ouderling benoemd zal zijn, en als zoodanig zal gefungeerd hebben, zulks als eene voldoende weigering zal wor- 
den aangemerkt en daar het ligt gebeuren kan dat iemand slechts eenmaal, of in het geheel niet, of tot Ouderling 
of tot Diaken verkozen was, en evenwel het vereischte aantal jaren in Kerkedienst gesleten heeft, dat hem op het- 
zelfde regt aanspraak geeft, zoo wenscht de Kerkeraad van Stellenbosch eene amendatie op voormeld Besluit, door 
eene juistere bepaling van de dienstjaren in het algemeen. Kerkeraid van Stellenbosch. 

De bepaling dat de Leden van Kerkelijke Vergaderingen, om een of andere reden de Vergadering niet bij- 
wonende, hunne gevoelens over eene te behandelen zaak niet scJiriftelijk zullen mogen inzenden. 

Kerkeraad der Hoofdstad. 

Dat eenige stellige bepalingen gemaakt worden omtrent het maken van nieuwe Kerkelijke Limietscheidin- 
gen . Kerkeraad van Somerset. 

De vraag, hoe te hanaelen met Personen die met attest van elders gekoraen, en daar niet gealimenteerd 
zijnde, dadelijk om alimentatie verzoeken ? Iste Ring, 1837. 

Voorstel van Stellenbosch aangaande het overnemen van bekende Familie-namen, bij den Doop, inzonder- 
heid van onechte Kinderen. lsfe Ring, 1837. 

Voorstel : dat door geen Leeraar aan iemand in het vervolg een Consent zal worden verleend, en door 
eenen Leeraar van of in eene andere Gemeente tot Lidmaat aangenomen te worden. 1 steRing, 1835. 

Dat iemand, geen Lidmaat zijnde, niet zal toegelaten worden (in eene andere Gemeente dan waartoe hij 
behoort) tot de Katechisatien, tenzij hij of in die Gemeente ten minste een jaar en zes weken hebbe gewoond, of 
binnen het bedoelde jaar en zes weken een Verlofschrift liebbe vertoond van den Leeraar, of, bij vacature, van den 
Ouderling der Gemeente waartoe hij gerekend wordt wettiglijk te behooren. 1 ste Ring, 1835. 

Verzoek, om een Beglement op Kerkeraden. 1 ste Ring, 1837. 

V oorstel : om een ïteglement op KerkeradeD, volgens Art. 20 van het Algemeen Beglement te vervaar- 
digen Predïkant van Swellendam. 

Dat in het vervolg geene Huwelijken kerkelijk bevestigd zullen worden, waartoe de partijen door den we- 
reldlijken Regter gedwongen zijn. Kerkeraad der Hoofdstad. 



IV. — LEERAARSAMBT. 

Voorstel: dat de volgeDde woorden in de Acte van Onderteekening van Predikanten, als ook in de Ver- 
klaring van ondergeschikte Onderwijzers en Zendelingen der Hervormde Kerk in deze Kolonie, te weten : dat ik 

“ de Leer, welke overeenJcomstig Gods Heilig Woord , in de aangenomene Formulieren van Eenigheid der Hervormde 
“ Kerk is vervat, ter goeder trouw aanneme en hartelijk geloof,” enz./ op deze wijze veranderd worde, “ dat ik de 
“'Leer, welke in de aangenomene Formulieren van Eenigheid der Hervormde Kerk is vervat, hartelijk geloof over- 
“ eenkomstig Gods Heilig Woord te zijn, en ter goeder trouw aanneem, euz.” Predikant van Swellendam . 

Dat een Formuher van Geloofs-belijdenis of Verklaring en Belofte door de Synode vervaardigd worde, 
welke de voor deze Kolonie uitkomende Predikanten zullen moeten onderteekenen, wanneer zij zich bij den Actuari- 
us Synodi legitimeren. Kerkeraad van Somerset. 

Dat eene genoegzame kennis der Engelsche Taal in alle nieuw aankomende Leeraars voortaan als een 
noodzakelijke vereischte beschouwd worde, en dat, waar een bepaald getal Engelsche inwoners en geen Engelsche 
Leeraar zich bevindt, de Leeraar der Nederduitsch-Hervormde Kerk verphgt zal zijn ook in het Engelsch te pre- 
diken Predikant van Swellendam. 

Dat de Svnode beslisse of Art. 28 (Algemeen Kerkelijk Reglement) ook niet behoort te worden geobser- 
veerd door eenen Leeraar, die wegens ziekte of aDdere omstandigheden verlof van afwezigheid van het Gouverne- 
ment vraagt en bekomt ? Kerkeraad der Hoofdstad. 



187 



Dat overeenkomstig metde Wet van de Hervormde Kerk in Holland, betrekkelijk de suspensie van ?redi 
kanten, eene bepaling gemaakt worde, dat provisioneele opschorting van dienst, of ook die voor eenen bepaalden 
tijd bij een eind-vonnis is opgelegd, zich niet uitstrekken zal tot het gemis van Tractement, doch dat gesuspendeerde 
Leeraars gehouden zullen zijn, de Predikanten van den King, of Predikant Consulent, die op last van den Ring de 
dienst inmiddels vervullen, te defroijeren. Kerkeraad van Somerset. 

Een Leeraar van zijn ambl wordende gesuspendeerd, hij alsdau eeu gedeelte van zijn Salaris moge genie- 
ten tot tijd en wijle de tegen hem bestaande zaak zal zijn beslist. Kerkeraad van Uitenhage. 

Is het wenschelijk, ingeval van suspensie van eenigen Leeraar, eenen dienstdoende in deszelfs plaats aan 
te stellen ? 2 de Ring, 1836. 

Voorstel : om aan het Gouvernement voor te dragen eenige vaste bepalingen omtrent het Tractement van 
eenigen gesuspendeerden Leeraar. 2 de Ring, 1836. 

Verzoek om te mogen weten of een Predikant, leave of absence bekomen hebbende, zich niet onthouden 
moet van alle bemoeijenissen met zakeu zijn ambt betreffende. 1 ste Ring, 1887 



GODSDIENST ONDERWIJS. 

Dat de Synode den korten inhoud der Christelijke Lecr, of verkorten Katechismus van de Kerk van Schot- 
land (Shorter Catecliism) onlangs in het Nederduitsch overgezet, goedkeure, om door des verkiezenden in het doen 
van belijdenis gebruikt te worden. Predikant van Swellendam 



ZENDELINGS WEZEN. 

Rapport ter approbatie van het Besluit aangaande de ordening van deu Zendeling J. Verhaag. 

lste Ring, 1837. 



ONDERWIJS DER HEIDENEN. 

Voordragt van de weigering van de Directeuren van het Zuid Afrikaansch Zendelings Genootschap 
om aan de eenmaal aangenomene bepalingen betrekkelijk het Algemeen Bestuur van Finantie voor de hijdra - 
gen tot het Onderwijs der Heidenen te voldoen, en van hetgeen omtrent deze zaak gedaan is ; benevens kennis- 
geving dat de Eerw. Kerkeraad der Nederduitsch-Hervormde Gemeente in de Kaapstad, provisioneel tot dat 
de Synode daaromtrent nadere schikkingen zal hebhen gemaakt voor de Directeuren van het Zuid Afrikaansch 
Zendelings Genootschap gesubintreerd is. 1 ste Ring , 1835, 



REGLEMENT VAN ORDE YOOR KERKYERGADERINGEN EN KERKERADEN. 

De vraag of een Lid der Vergadering meer dan een Stem hebben mag ? 

1 ste Ring, 1837. 

De bepaliug, dat men in Kerkelijke Vergaderingen geen regt van stemmen hebbeu zal in de verdere 
behandelíng eener zaak, ointrent welke men zijn protest heeft laten aanteekenen. 

Kerheraad der Hoofdstad. 

Nadere bepaiing op Art. 61, Algemeen Reglement. 1 ste Ring , 1837. 



BETREKKING VAN ACTUARIUS, ARCHIVARIUS EN QUJESTOR SYNODI. 

Voorstel tot het maken van bepalingen voor de opvolging in de betrekking van Actuarius, Archivarius 
Synodi, en van Quasstor van het Syuodale en Predikanten Weduwen Fonds, in geval van ziekte of leave of 
absence. Lte Ring, 1837. 

f2 



188 



REGLEMENT VOOR DEN SCRIBA VAN DEN RINO. 

De vraag, of de Scriba van den Ring vrijheid heeft, of verpligt is, volledige Extracten der Notulen 
betrekkelijk eene zaak te verleenen aan des begeerenden ? 1 ste Bing, 1837. 

MODERATUUR VAN DEN RING. 

Verzoek om nadere bepalingen voor de tusschen-handelingen van de Moderatuur van eeoe vorige 
Ringsvergadering. 1 ste Ring, 1837. 

SYNODAAL FONDS. 

Voorstel aangaande eene meer geregelde verantwoording der Synodale gelden in de onderscheidene 
Gemeenten. Qucestor van den Swellendamschen Ring. 

Voorstel : om eene alteratie te rnaken van de Synodale Resolutie van den 13den Nov. 1826, aangaande 
de Synodale heífing. Qucestor van den Swellendamschen Ring. 

Verzoek van den Kerkeraad van den Wijnberg, om van de Jaarlijksche Contributie aan het Synodale 
Fonds uit de Zitplaatsgelden te mogen worden verschoond, zoo lang de Gemeente zal blijven aanliouden haren 
Leeraar zelve te bekostigen, met bijvoeging : dat gedurende zoodanige excusatie, niets ten laste van het Synodale 
Fonds zal worden gebragt voor de onkosten aan deszelfs Afgevaardigden tot de Hoog-Eerwaarde Synode en 
Ringsvergaderiugen. 1 ste Ring, 1836. 

Kennisgeving dat men de beslissing der vraag aangaande het dragen der kosten van de buitengewone 
Synode aan dezelve overlaat. 1 ste Ring, 1837. 

KERK FONDSEN. 

Dat de Jaarlijksche Belastingen op Plaatsen, Erven, enz., op eene betere en geregelder voet mogte 
gebragt worden, echter te verblijven onder het bestier van den Civielen Commissaris. 

Kerkeraad van Worcester. 

PREDIKANTEN WEDUWEN FONDS. 

*. * \ ' j .' T. . ’ 

Dat het Reglement betrekkelijk een Synodaal Weduwen Fonds (gearresteerd Nov. 1824), worde afge- 
schaft, of anderzins, dat de Synodale Resolutie omtrent het benoemen van eene Commissie tot het ontvangen 
enz. voor het Predikanten Weduwen Fonds (Kaapstad, 9 Nov. 1824), worde veranderd. 

Kerkeraad van de Paarl. 

Voordragt van de zaak der administratie van het Predikanten Weduwen Fonds, in zoo ver de Kaapstad- 
sche Kerkeraad daarin meent betrokken te zijn. Kerkeraad der Hoofdstad. 

3. BIJZONDERE YOORSTELLEN EN VRAGEN. 

Voorstel, dat het Gouvernement aangezocht worde de hinderpalen uit den weg te ruimen, welke het ver- 
schijuen van Onchristenen voor het Hof van Huwelijks-zaken beletten. 

Kerkenraad van Stellenbosch. 

De Kerkeraad van Tulbagh wenscht gaarne te weten wat of er geworden is van de Besluiten der jongste 
Synodale Vergadering, daar tot op dit oogenblik bij gemelden Kerkeraad niets daarvan ontvangen is. 

Kerkeraad van Tulbagk. 

Vraag, welke daden en handelingen worden bedoeld door ergernissen, zware misdrijven, enz., Art. 46, 
50 , 71, 74, 75, van het Algemeen Regelement ? Kerkeraad van Swellendam. 

Hebben de door de Syuode gemaakte Wetlen, nadat zij door het Gouvernement zijn goedgekeurd, 
dezelfde kracht met eenige door het Gouvernement gepubliceerde Ordonnantie ? 

Kerkeraad van Swellendam, 



189 



APPEL NAAR DE HOOG-EERWAARDE SYNODE. 



De zaak tusschen den Kerkeraad en Gemeente van Tulbagh en den Wel-Eerw. Hr. Shand, welke 
laatste geprotesteerd heeft : 

1. Tegen de provisioneele aanstelling van den Wel-Eerw. Hr. Moorrees, als dienstdoende Leeraar 
van Tulbagh. 

2. Vooral tegen het toelaten van gem. Wel-Eerw. Hr. Moorrees tot eene plaats in de Ringsvergadering, 
en die zich deswege en in de geheele zaak op de Synode beroepen heeft. 



2 de Ring, 1836. 



1. KLAGTEN. 

De Leeraar aangesteld gedurende de suspensie van den Wel-Eerw. Heer Shand, klaagt over het Besluit 
van den Swellendamschen Ring, waardoor aan hem de helft vau zijn traktement is ontnomen geworden. 

Predikant van Tulbagh. 

Protesteert gez. Leeraar tegen het Besluit van straks genoemden Ring, waardoor toegestaan wordt Lede- 
maten onder een censuur te stellen, uit hoofde van volharding en Sabbatschending. 

Predikant van Tulbagh. 



KLAGTE 

Van den Kerkeraad der Nederduitsch-Hervormde Gemeentc aan de Kaapstad, tegen het Hoog-Eerw. 
Bestuur van den Eersten Ring, 1837, 

1. Wegens het onregt en de beleediging deszelfs Afgevaardigden tot de Hoog-Eerw. Vergadering van 
den Eersten Ring, 1837, aangedaan, door 

a. Den Wel-Ed. Heer. G. H. Maasdorp, ouderling, benoemd om bij indispositie van den Wel-Eerw. 
Heer Predikant A. Paure, deszelfs plaats te vervangen, te verwerpen, en desniettegenstaande den Wel-Ed. Heer M. 
Theunissen, Diaken der Gemeente te Hottentots Holland, benoemd om bij indispositie van den Wel-Eerw. Heer 
J. Edgar, deszelfs plaats te vervangen, te admitteren. 

b. Die Vergadering in afwezigheid van den Geadmitteerden te sluicen, hebber.de zij die Vergadering ter 
harer elfde zitting, op den 5den Sept. 11. (toen het rapport der Commissie van Onderzoek de klagten tegen, en de 
memorie desaangaande, van den Kerkeraad aan de Vergadering ter beoordeeling en beslissing zoude worden voor- 
gedragen), verlaten met voorkennis en goedkeuring derzelve, en met uitdrukking der verwachting van als leden 
van het Hoog-Eerw. Ringsbestuur weder te zullen worden toegelaten, zoodra die zaak afgehandeld en beslist 
zou zijn, 

2. Wegens de door het voormelde Hoog-Eerw. Ringsbestuur, bij missive van den 11 dezer, aan den 
Kerkeraad toegezonden goedachten, condemnatie en insinuatie van dezelfde dagteekening, en wel op grond dat de 
Kerkeraad van nederig begrip is, dat het Hoog-Eerw. Ringsbestuur door gezegde handeling en uitspraak, zich eene 
regterlijke autoviteit en jurisdictie over den Kerkeraad heeft aangematigd, welke de Kerkeraad veronderstelt aan dat 
Hoog-Eerw. Bestuur bij de Synodale Wetten niet te zijn toegekend. 

Kerkeraad der Hoofdstad. 



f2 


























' 

1 

, 
































DE 



ÏÏANDELINGEN 



DER 



ZESDE YEEGADERING 



VAN DE ALGEMEENE SYNODE 



DER 



NEDERDUITSCH GEREEORMEERDE KERK VAN ZUID-AFRIKA, 

GEHOUDEN 

IN DE KAAPSTAD, OP DEN Isten NOVEMBEE, 1842, 

EN VOLGENDE DAGEN. 



KAAPSTAD : 

GEDRUKT BIJ VAN D E SANDT DE VILLIEBS & Co., 
9, K ASTEELSTRAAT. 



1858. 






■ 










mvííjIúmj '..i: ' ■ 















. 






























. & . • ' 

































u 











SYNODALE HANDELINGEN, 



EEHSTE ZITTING. 

Dingsdag, den \slen November, 1842. 

Ten half tien ure kwamen de Afgevaardigden der verschillende Gemeenten in de 
Consistoriekamer der Nederduitsch-Hervormde Gemeente bijeen, waarop de Wel-Eerw. 
Heer Murray, Praeses der jongste Synode, voorstelde, dat de Voorzitter van den Kaapstad- 
schen Kerkeraad de geloofsbrieven zoude opeischen. 

Dit geschied zijnde, zoo bleek het dat er Afgevaardigden waren, van — 

Kaapstad. — De Wel-Eerw. Heeren A. Faure, J. Spijker en S. P. Heyns, en de 
Ouderlingen J. A. Smuts en J. J. le Sueur. 

Stellenbosch. — De Wel-Eenv. Heer T. J. Herold en de Ouderling W. A. Joubert. 
Paarl. — De Wel-Eerw. Heer G. W. A. van der Lingen en de Ouderling 
W. P. Retief. 

Zwartland. — De Wel-Eerw. Heer J. C. la Febre Moorrees en de Ouderling 
G. J. Booyse. 

Tulbagh. — De Wel-Eerw. Heer R. Shand en de Ouderling P. P. du Plessis. 
Graaff-Reinet. — De Wel-Eerw. Heer A. Murray en de Ouderling S. J. Naudé. 
Zwellendam. — De Wel-Eerw. Heer W. Robertson en als Ouderling F. W. Reitz. 
Caledon. — De Wel-Eervv. Ileer P. B. Borcherds en de Ouderling A. P. Keyter. 
Uitenhage. — De Wel-Eerw. Heer A. Smith. 

Cradock. — De Wel-Eerw. Heer J. Taylor en de Ouderling J. Meyburg. 

Beaufort. — De Wel-Eerw. Heer C. Fraser en de Ouderling G. L. Botma. 

Somerset '. H.J. — De Wel-Eerw. Heer J. Edgar en de Ouderling J. .T. Roos. 
Worcester. — De Wel-Eerw. Heer H. Sutherland en als Ouderling B. J. G. de Labat. 
Clanwilliam. — De Wel-Eerw. Heer E. H. F. de Roubaix en de Ouderling 
A. J. van Zijl. 

Wijnberg . — De Wel-Eerw. Heer P. E. Faure en de Ouderling D. G. Eksteen. 
Piketberg. — De Wel-Eerw. Heer J. W. L. Scholtz en de Ouderling S. W. 
van der Merwe. 

Riversdale. — De Wel-Eerw. Heer H. A. Moorrees en de Ouderling J. Malherbe. 
Bredasdorp. — De Wel-Eerw. Heer J. J. Brink en de Ouderling N. J. Swart. 
Wellington. — De Wel-Eerw. Heer A. F. du Toit en de Ouderling J. H. Rossouw. 

(Bijh). 



194 



Van George wnren er geene Afgevaardigden tegenwoordig, doch brieven van den 
Leeraar en den Afgevaardigde, bevattende de redenen hunner afwezigheid, zijn voorgelezen 

(Bijl.). 

Van TJitenhage was de afgevaardigde Ouderling ook niet tegenwoordig. 

Van Somerset fOostJ, D'Urban , Colesberg, Glenlynden, BaJfour en Albany is 
ook niemand verschencn. 

De Wel-Eerw. Heer Robertson, Predikant van Zwellendatn, aanvaardde nu, bij 
regt van opvolging, den stoel, en de Wel-Eerw. Ileer Smith, Predikant van Uitenhage, werd, 
wegens afwezigheid van de Wel-Eerw. Heertn J. Cassie en Ballot, tot Scriba benoemd. 

I)e IIoog-Eerw. Heer Praeses bij het aanvaarden van den stoel deed eene aan- 
spraak (Bijl.), waarop liet gebed door den IIoog-Eerw r . Scriba gedaan werd. 

Daarna vverden de Hoog-Edele Heeren Commissarissen Politiek D. F. Berrangé 
en D. Denyssen door de Hoog-Eerw. Moderatoren afgehaald, binnengeleid en door den 
Praeses verwelkomd in een aanspraak (Bijl.). 

De leden der Vergadering naraen vervolgens zitting, naar ouderdom der geraeenten, 
in het kerkgebouw waarin reeds Zijne Excellentie de Gouverneur als ook andere leden van 
hooger bestuur aanwezig waren. Onder het zingen van Ps. 134, beklom de Praeses den 
kansel cn deed eene plegtige aanspraak “ over de verantwoordelijkheid aan het leeraarsambt 
verbonden” (Bijl.). 

Psalm 133 v. 1 en 3 werd nu gezongen, waarna door den Hoog-Ed. Heer 
Commissaris Politiek D. F. Berrangé eene aanspraak over den pligt der verdraagzaamheid, 
zachtmoedigheid en liefde gedaan werd (Bijl.). Waarop zijnlIoog-Ed. uit naam van Zijne 
Excellentie de Vergadering voor geopend verklaarde. 

De IIoog-Eerw. Praeses deed nu een gebed, en na het zingen van Gez. 156: 1,3 
door de vergaderde gemeente, besloot zijnlIoog-Eerw. de plegtigheid met het uitspreken van 
den zegen. 

Nadat het ceremonieel was afgeloopen, is aan den Hoog-Eerw. Scriba, overeen- 
komstig Art. 25 van het reglement van orde, de Wel-Eerw. Ds. Borcherds tot assistent toe- 
gevoegd. 

Het rapport van het Eerw. Ministerie van de Hervormde Kerk vau de Kaapstad 
werd nu door den Hoog-Eerw. Praeses opgeëischt en door den Wel-Eerw. Heer A. Faure 
voorgelezen (Bijl.). 

Ook leverde het gezegde Ministerie der Vergadering over zekere memorie van 
Tulbagh en ontving daarop door middel van den Praeses den dank der Vergadering voor de 
gedane moeite. 

Daar er onder gezegde Bijl. een brief van Glenlynden zich bevindt, inhoudende 
een voorstel, dat echter te laat is ingekomen, zoo werd gevraagd of dit punt nog als een 
beschrijvingspuut zal kuunen aangenomen w r orden. Hierop werd geantwoord, daar de be- 
schr ij v in gspun ten reeds het Gouvernement voorgelegd waren, dat het niet zoude kunnen ge- 
schieden, doch dat het gezegde punt bij wijze van voorstel door den Afgevaardigde van 
die o-emeente welken men nog hoopt m ons midden te zien, zoude kunnen voorge- 
dragen w r orden. 

Ds. H. A. Moorrees vraagde waarom onder de Geredigeerde Beschrijvingspunten 
met is opgebragt geworden, het voorstel door de meerderheid van den Zwellendamschen Ring 



195 



genomen, om den Wel-Eerw. Heer Shand te verplaatsen. Het Kaapsche Ministerie merkte 
aan, dat dit punt niet onder de voorstellen van den Ring aan hen overhandigd, begrepen 
was. 

De Scriba van den Zwellendamschen Ring merkte hier aan, dat daar, ter beslissing 
van dat voorstel, men om eene speciale Synode verzocht heeft, hij copij van zijnen brief daar- 
omtrent aan de Scribas der andere Ringen, gerigt aan den Hoog-Eerw. Actuarius, verzonden 
had, en dat hij het gemelde voorstel onder de andere Beschrijvingspunten voor de Synode, 
om die reden niet heeft opgegeven, veronderstellende dat het voorstel misschien zoude door- 
gaan om eene Speciale Synode te houden. 

De Hoog-Eerw. Actuarius merkte ook aan, dat dit punt in zijn verslag voorkomende, 
alsdan niettemin in overweging kon worden genomen, waarin Ds. Moorrees berustte. 

De Praeses vraagt, of er aanmerkingen op de Credentialen te maken zijn, waarop 
ontkennend geantwoord werd ; doch de Actuarius merkt op, dat men aanmerking behoorde 
te maken, dat er van sommige kerken geene afgevaardigden waren. De verschooningen 
door die van George gemaakt, worden voor voldoende aangenomen. Van Albany, Balfour, 
Glenlynden en Somerset wordt gezegd, dat die afgevaardigden zich hadden begeven naar 
Port Elizabeth, om van daar te scheep de reis te aanvaarden, doch zijn nog niet aange- 
komen. 

Aangaande Tijgerberg, D’Urban, werd eene memorie van den Leeraar ingezonden, 
waarvan een gedeelte werd voorgelezen, die echter werd bijgelegd totdat de Beschrijvings- 
punten, daarmede in verband staande, nader behandeld zullen worden. Van den Ouderling 
H. C. van Niekerk werd een voorgelezen, waarin hij zich verschoont wegens indispositie, 
met een ingesloten certificaat van Dr. Biccard, welke wordt goedgekeurd. 

De Prrnses meende dat het nu de tijd was om het voorstel van den Kerkeraad 
van Riversdale te overwegen, “ dat de Synodale Vergadering voortaan onafgebroken zal 
gehouden worden,” waarop men besluit door de meerderheid, dat dit met eene korte tusschen- 
poozing zal geschieden. 

^ De Praeses bepaalt de aandacht der Vergadering bij het besluit der Synode, 1837, 
betrekkelijk de herziening der Kerkelijke Wetten, en de Commissie van Revisie werd om 
het Rapport verzocht, hetwelk door den Actuarius Synodi werd voorgelezen, en aan de 
Synode overgegeven (Bijl.). Het werd met dankbetuiging der Vergadering, vooral aan den 
Hoog-Eerw. Actuarius en den Eerw. Heer Herold, die het werk volvoerd hebben, aange- 
nomen. DePrseses vraagde nu of het voorstel van gez. Commissie van Revisie, om namelijk 
nu tot het in overweging nemen der gerevideerde wetten voort te gaan, zoude aangeuomen 
worden, dan of men het Rapport van den Hoog-Eerw. Actuarius zoude hooren P Het voor- 
stel der Commissie is door de meerderheid aangenomen, en men besloot om raorgen met 
de gerevideerde wetten voort te gaan. 

De Prseses leest een voorstel van den Eerw. Heer H. Moorrees voor, nam. : 
“ Dat geene Redactie voor Synodale of Ringsvergaderingen het regt hebbe, om eenige ver- 
anderingen te maken in ingezondene Beschrijvingspunten,” welk voorstel men tot uadere 
overweging uitstelde, als ook een voorstel van den Eerw. Heer P. E. Faure, Cí dat ieder 
lid der Synode het regt hebbe, dagelijks aan twee toehoorders toegangkaartjes te ver- 
leenen tot het bijwonen der Vergadering.” Welk voorstel door de meerderheid werd toe- 
gestaan. 

g2 



196 



v 



Volgens Synodaal besluit van 11 November, 1826, heeft de Praeses tot Pationarii 
over het Synodale Ponds benoemd Di. Heyns, J. C. la Febre Moorrees, J. J. Brink, A. 
Murray, die het rapport op Vrijdag aanstaande moeten inleveren. 

De Iloog-Eerw. Praeses gaf nu aan de Vergadering te kennen, welke punten in 
de zitting van morgen ter tafel gebragt zullen worden. 

Waarop de Vergadering, na gebed door den Scriba, tot morgcn ten tien ure uitge- 
steld werd. 

Geresumeerd en goedgekeurd keden, 2den November, 1S42. 



TWEEDE ZITTINGr. 



Wocnsdag , dcn 2den November, 1842. 

Alle leden tegenwoordig zijnde, benevens de IIoog-Edele Commissarissen Poli- 
tiek, zoo werd de Vergadering met gebed geopend. 

De Notulen der vorige Vergadering w'erden geresumeerd en onderteekend. 

Er werd voorgelezen een brief door den Prseses, die sedert de laatste zitting ont- 
vangen is, van den Ileer A. J. Louw, Ouderling en afgevaardigde van D’Urban, bevat- 
tende zijne verschooning wegens het niet verschijnen op de Vergadering. Welken brief tnen 
besloot bij de memorie van den Predikant van D’Urban, in de handen van eene Commissie 
te stellen, die daarop rapport zal inleveren op Dingsdag aanstaande. 

De Commisie benoemd te bestaan uit de Eerw. Heeren A. Murray, H. Suther- 
land, C. Fraser, en den Heer Ouderling Labat. 

Ook werd een brief ter tafel gebragt van zekere personen te Tulbagh, met eene 
memorie, verzoekende de verplaatsing van den Wel-Eerw. Heer R. Shand, welke gedeeltehjk 
is voorgelezen, doch vverd bijgelegd tot de Actuarius verslag zal doen van zijne verrigtingen 
daarmede in verband staande. 

Eene memorie van den Kerkeraad van Piketberg die voorgelezen werd, verzoe- 
kende de Vergadering om ondersteuningin het voordragen harer belangen aan het Gouverne- 
ment om hunnen leeraar te salarieren. Die werd in de handen van eene Commissie gesteld, 
die eene memorie zal vervaardigen namens de Synode. De Commissie daartoe gekozen, zal 
bestaan uit den Wel-Eerw. T. J. Herold en den Ouderling Reitz, die hun memorie morgen 
zullen inleveren, welke memorie door de IIoog-Ed. Commissarissen Politiek zal gesuppox- 
teerd worden. 

Volgens besluit der vorige Vergadering, ging men over tot de overweging van de 
gcrevideerde wetten. 

Vooraf gaf de Actuarius zijne verwondering te keunen, dat er geene sanctie op 
de fcesluiten der Synode, gehouden in de jaren 1829, 1834 en 1837 is van Engeland 



197 



ontvangcn. Tot nog toe heeft men provisionele sanctie van den Gouverneur vcrkrcgen, 
waarop de Actuarius het volgende voorstel deed : “ Dat gevraagd worde aan Zijnc Excel- V 
lentie, of de Acta Synodi van 1829, 1834 en 1837, naar huis zijn gezonden, en de Iloog-kd. 
Commissarissen Politiek verzocht dit te gelieven voor te dragen.” Op een voorstel 
van Ds. T. J. Herold, waarvan de inhoud was, “ dat men met het voorstel van den Actua* 
rius zal wachten tot dat de overweging der gei’evideerde wetten zal zijn afgeloopen, en dan 
op sanctie aan te dringen op de aangenomene wetten,” welk voorstel cloor de mcerderheid 
werd aangenomen. 

Over het rapport van de Commissie van Revisie werd door den Wel-Eerw. J. 
Spijker gevraagd : “ of de Kerkorde van De Alist, naar het gevoelen van de Commissie van 
Revisie, door de nieuwe voorgestelde wetten vernietigd werd,” waarop de commissie uit haar 
rapport voorlas, wat zij aangaande diewet gezegd heeft. 

X De Commissarissen Politiek gaven hun oordeeJ omtrent hunne verpligting, als 
representanten van Ilare Majesteit (Bijl.), te kennen, en maakten eene aanmerking, dat zij 
niet vroegtijdig genoeg eene copij der gerevideerde wetten ontvangcn hadden, en dus niet in 
stant zijn hun oordeel over dezelve te kunnen geven. Dat op den 23sten II. een copij hun 
eerst was ter hand gesteld. -f- 

Waarop de Commissie van Revisie te kennen geeft, dat de reden daarvan is, dat zij 
niet ecrder geweten hebben wie tot Commissarissen Politiek aangesteld waren, daar dit te 
voren altijd in de Gouverncmenls Guzelle werd gepubliceerd, hetgeen bij deze gelogenlieid 
volstrekt niet is gedaan, dat zij daarom tot op den laatsten dag hebben gewacht, waarop de 
Gazelle uitkwam, doch vruchteloos, waarin de Commissarissen Politiek berusten. 

Er werden door Commissarisen Politiek eenige stukken voorgelezen, waarop een 
voorstel gedaan werd door den Wel-Eerw. Heer Van der Lingen, te weten : “ dat het stuk 
van den Ileer Commissaris Politiek Berrangé, betreífende de lezing en overweging van de 
revisie der wctten, gedrukt en verspreid worde,” welk voorstel door de meerderheid niet is 
aangenomcn. 

Hierop volgde een tweede voorstel door den Actuarius : “ Dat van de door Heeren 
Commissarissen Politiek voorgelegde documenten, eene vertaling worde gemaakt, en te zamen 
met het extract van ’s Gouvernements brief, terstor.d aan het Gouverneraent gesuppedi- 
teerd, om te weten hoe men in deze omstandigheden hebbe te handelen.” Dit voorstel 
werd op een amendement van den Wel-Eerw. lleer Van der Lingen, “ dat het voorstel bijge- 
legd zal worden tot nader order,” ingetrokken. De Wel-Eervv. Heer H. Moorrees en de Ou- 
derling Labat echter verzochteu dat het voorstel der Vergadering zal voorgelegd worden. 

De Commissaris Politiek stelde voor, “ dat de Synode, alvorens ovcr te gaan tot de 
deliberatien en discussien der gerevideerde wetten, zoo als die door de Commissie aan hanr 
zijn voorgesteld, verklaart, dat alle besluiten, welke zullen worden genotnen, die 
de palen van haar kerkelijk wetgevend gezag mogten overschreden, aangemerkt zuilen 
moeten worden enkel en alleen als voorstellen en voordragten van aanbeveling, ten 
einde daaromtrent door eene te bekoraene sanctie eene wetsbepaling van de Souve- 
rein te erlangen.” Welk voorstei door algemeene stemmen werd aangenomen. 

Nu ging men over tot de overweging der gerevideerde wetten. 

Art. 1. Door den Wel-Eerw. H. Moorrees werd voorgesteld, dat men in plaats van 
Art. 1 te lezen zoo als gedrukt is, leze “ tot het Nederduitsch Gereformeerd Kerkgeuoot- 
g2* 



198 



schap behooren allen die op belijdenis des geloofs tot lidmaten zijn aangenomen ; dezulken die 
in Nederduitsch Gereformeerde Kerken gedoopt zijn, en degenen die in andere landen als 
tot het Hervormde Kerkgenootschap behoorende erkend, zich hier te lande ter neder zetten, 
mits door behoorlijke bevvijzen of attestatiën van hunnen doop of lidmaatschap buitenslands 
hebben doen blijken.” Hetwelk door de meerderheid is aangenomen. — Daar de Wel-Eervv. 
A. Faure en J. J. Brink verzochten aan te teekenen dat zij in de minderheid hebben 
gestemd, en van oordeel zijn dat het Art. gelijk het daar is behoort te blijven, om den weg 
zooveel mogelijk open te laten tot leden van andere Protestantsche genootschappen, eene 
andere taal sprekende, om, met attestatiën komende, als leden onzer kerk aangenomen te 
worden. 

Art. 2. Met dezelfde verandering als de voorgaande aangenomen. 

Omtrent Art. 3 werd een voorstel aan den Hoog-Ed. Commissaris Politiek gedaan, 
om de deliberatien over Art. 3 uit te stellen tot dat de onderscheidene bepalingen, rakende 
de besturen in Art. 3 vermeld, tot besluiten zijn gebragt, welk voorstel is aangenomen. 

Ook een protest tegen Art. 3 en alle die met hetzelve in verband staan, door den 
Wel-Eerw. Heer G. W. A. van der Lingen, na gehoord te hebben de verklaring, gegeven 
door den Wel-Eerw. Heer T. J. Herold, van het woord Bestuur. 

De Prseses de werkzaamheden der volgende Vergaderingen opgegeven hebbende, 
zoo werd de Vergadering met een gebed besloten. 

Geresumeerd en geteekend op heden, den 3den November, 1842. 



DEKDE ZITTING. 



Donderdag , den 'Men November , 1842. 

Alle tegenwoordig, benevens de Wel-Ed. Hoogachtbare Heeren Commissarissen 

Politiek. 

Na de resumptie der Notulen, merkte Ds. P. E. Faure aan, dat men in de Ver- 
gadering op gisteren niet in orde hebbe gehandeld, toen zijnEerw. een voorstel secundeerde 
door Heeren Commissarissen Politiek gedaan, en dat wel met betrekking tot zaken, welke 
onder de onmiddelijke overweging toen waren van de Vergadering, bij deze zijne aanmer- 
king de aandacht der Vergadering bepalende bij de gedrukte wetten van 1824, pag. 53, 
Art. 50. 

Commissarissen Politiek repliceerden hierop, onder anderen aanmerkende, dat 
“ de gerevideerde wetten geene Punten van Beschrijving voor deze Algemeene Iverkverga- 
dering uitmaken.” VVaarop door Ds. P. E. Faure geantwoord werd : “ dat deze gerevi- 
deerde wetten, hoe ook Commissarissen Politiek daarover mogen denken, door deze 
Vergadering wezenlijk als Punten van Beschrijving worden beschouwd, bepalende zijn- 
Wel-Eerw. de aandacht der Vergadering bij het Synodaal besluit van 1837, waarbij deze 



199 



Commissie van Revisie is benoemd geworden, en welk besluit, zoowel als de benoeming der 
Leden der Commissie, door Zijne Excellentie is gesanctioneerd geworden.” 

De besluiten geresumeerd en geteekend zijnde, werd gelezen een brief van den 
afgevaardigden Ouderling van Tulbagh, verzoekende, dat het door hem thans ingezonden 
document ook in aanmerking moge worden genomen, wanneer gehandeld zal worden over 
de memorie door eenigen ingezonden, verzoekende om de verplaatsing van den Wel-Eerw. 
Heer Shand, welk verzoek is toegestaan. 

De eerste Commissaris Politiek het woord verzocht hebbende, wijdde uit over het 
verslag en de werkzaamheden van de Commissie van Revisie, en merkte bijzonder aan, “ dat 
die Commissie niet hebbe gehandeld overeenkomstig het Synodaal Besluit van 1837, zoodanig 
als clat besluit door Moderatoren van die Synode in hun rapport aan het Gouvernement is 
bekend gesteld geworden.” 

De Actuarius Synodi produceerde hierop de Acta Synodi, 1837, zoowel als de 
Bijlagen van het Rapport, door Moderatoren en Heeren Commissarissen Politiek geteekend, 
te zamen met eene vertaling in het Engelsch van die Bijlagen, zoo als hij dezelve van Heeren 
Commissarissen Politiek had ontvangen, ten einde de Hoog-Eerw. Vergadering overtuigd 
moge worden, met welke naauwkeurigheid de besluiten, zoo als zij in de handelingen dier 
Synode voorkomen, zijn overgenomen, en overeenkomstig dezelve in druk verschenen. 

De Vergadering de zigtbaarste blijken van haar ongenoegen over deze aanspraak 
en aanmerkingen van den eersten Commissaris Politiek te kennen gegeven hebbende, ver- 
klaardezijnWel-Ed.dat het hem leed deed, dat zijne aanmerkingen, gansch buiten zijne 
bedoehng, daartoe aanleiding zouden gegeven hebben, en verzekerde de Vergadering van 
zijnWel-Eds. voornemen, zich voortaan van alle aanmerkingen te zullen onthouden. 

Als nu overgaande tot de overweging der gerevideerde wetten, werden Arts. 4, 5 en 
6 aangenomen, Art. 7 met die verandering : “ Geene zaken voor de hoogere Besturen 
mogen worden gebragt, welke eerst in de mindere Bestuursvergaderingen hadden behooren te 
worden afgedaan, ten ware er inmiddels geene mindere Bestuursvergadering was gehouden, 
enz. enz.” Alles onverminderd de bevoegdheid der hoogere Besturen, enz. enz 
J Art. 8 aangenomen en hervorm de veranderd in gereformeerde. f 

Art. 9 en 10 aangenomen. 

Art. 10: No. 1 aldus veranderd — ' ' alle Rings- en hoogere Kerkvergaderingen.” 

Di. Herold en P. E. Faure, en Ouderling Joubert wenschten aanteekening, dat zii 
in de minderheid hebben gestemd, willende dat het Artikel, zoo als door de Commissie voor- 
gesteld, worde aangenomen. 

No. 2 dus veranderd — achter Scriba, de woordeu ingelascht “ uitgezonderd in 
Kerkeraadsvergaderingen . ” 

No. 3 dus veranderd — “ zal op een te bepalen uur beginnen,” en het overige ge- 
deelte weggelaten. 

No. 4, 5, 6, 7, aangenomen. 

No. 8, achter blijven te voegen — “ dan om geioigtige redenen door de Vergadering 
te beoordeelenf het overige weggelaten. 

No. 9 en 10 aangenomen. 

Di. H. Moorrees en Brink zijn van gevoelen dat de Prseses in geen geval beslisse. 

No. 11. 12, 13, aangenomen. 



200 



No. J4— mct inlassching tusschen zullen enandcrs— in Ringcn cn hoogere Kerke- 

lijhe Verfjailcrivgen. 

No. 15, 1G, 17, jS, 19, aangenomen. 

No. 20, achter geresumeerd gevoegd — gdeeJcend. 

No. 21, 22, 23, aangenomen. 

No. 24, in plaats van Synode en algemeene, gesteld — “ hoogcre Kerkvergade- 

ringen.” 

Na eene korte pauze te hebben genomen, verzocht de Fraeses aan de Commissie 
op gisteren benoemd, tot het vervaardigen van eene memorie, betrekkelijk de belangen 
van de Piketbergsche gemeente, om rapport van hare verrigtingen. l)s. Ilerold en de 
Oudeiling Reitz leverden hierop in een concept memorie (Bijl ), hetwelk door den Iloog- 
Eenv. Praeses voorgelezen en door de Yergadering aangenomen zijnde, stannde de Yergade- 
ring door Moderatoren is geteekend en aan lleeren Cominissarissen Politiek is overhandigd 
gevvorden, met verzoek dezelve aan Zijne Excellentie te willen voorleggen, hetgeen Ileeren 
Commissarissen Politiek op zich hebben gelieven te nernen, terwijl de Commissie voor hare 
verrigtingen is bedankt geworden. 

I)e Hoog-Eerw. Prmses meldde, dat hij het voornemen heeft gehad, om reeds op 
den eersten dag der Vergadering het voorstel te doen tot een Synodaal Biduur, doch dit 
zijnlIoog-Eerw. ontgaan zijnde, hij dat voorstel nu aan de Yergadering deed, hopende dat 
hetzelve door al de leden zal kunnen worden bijgewoond. 

Dit voorstcl werd door de Vergadering algemeen gocdgekeurd en aangenomen, 
en tevens besloten dat hetzelve op Maandag avond, den 7den dezer, zal worden gehouden, 
en tot dat einde het gebruik van het Kerkgebouw der Luthersche Gemeente zal worden 
verzocht. Tevens werdcn tot de verrigting der dienst op dien tijd benoemd Di. Murray en 

P. E, Paure. ‘ ) 

Als nu voortgaande met de overweging der gerevideerde Wetten, voorkomende 

onder de 

TWEEDii AEDEELINO, 



werd Art. II aangcnomen. 

Vele zwariglieden thans geopperd zijnde, omtrent een vicrderlei soort van Kerke- 
lijke Geregtshoven, deed de Iloog-Eerw. Preeses de vraag, of men nu niet zoude dienen over 
ts gaan tot de overweging van Art. 3, Eerste Afdeeling ? Deze vraag werd door de 
meerderheid bevestigend beantwoord. 

De Leden, die in de minderheid waren, waaronder de Afgevaardigden van de 
Kaapstad, beschouwende dit strijdig met het in de laatste Zitting genomen besluit, dat dit 
Artikel dan eerst in overweging zoude worden geuomen, wanneer zekere afdeelingen waren 
afgehandeld. 

Tot de overweging dan van dit derde Artikel overgegaan zijnde, werd, na eene 
lange discussie, besloten, het woord Sgnodaal, daarin voorkomende, uit te doen. 

Vervolgens werd door de meerderheid aangenomen Art. 12. 

Eenige Leden, in de minderheid, waren van gevoelen, dat de Algemeene Kerk- 
vergaderiag belioorde zamengesteld te zijn uit Afgevaardigden van de Ringen. 



201 



Ook werd besloten dat bij dit Artikel zal worden gevoegd, “ met uitzondering 
van de Kaapstad, die twee Ouderlingen kan afvaardigen.” 

Art. 13 werd aangeriomen nret uitlating der woorden en in de Synode door eenen. 

Afgevaardigden van de Kaapstad verzocbteu aanteekening, dat zij in de miuder- 
heid waren in het aannemen van dit Artikel. 

De tweede Hecr Commissaris Politiek aangemerkt hebbende, dat door dit Artikel 
de pligten van de vertegenwoordigers van het Gouvernement te naauw beperkt worden — 
werd door den Actuarius Synodi het volgende voorstel gedaan : — “ Dat de Vergadering, 
geboord hebbende de aanmerkingen van den Heer Comniissaris Politiek, en daarbij in aan- 
merking nemende den brief van Zijne Excellentie aan Moderatoren gerigt, dato den 17den 
Januarij 1 840. gemeld Artikel terstond, in het Engelsch vertaald, aan Zijne Excellentie ter 
sanctie doe voordragen.” 

Ds. P. E. Faure stelde het volgende Amendement voor : — “ Dat op grond van de 
ingediende stnkken van beide de Heeren Commissarissen Politiek op gistereD, en op groud 
van den brief van Zijne Excellentie van den 17den Januarij 1840, dit Artikel terstond ter 
fine van sanctie aan Zijne Excellentie worde gesubmitteerd.” 

Dit Amendement werd door de meerderheid aangenomen, en tevens besloten, dat 
eene deputatie worde benoemd om de stukken, na door eenen gezworen translateur te zijn 
vertaald, aan Zijne Excellentie voor te leggeu ; — tot welke deputatie benoemd werden de 
beide Heeren Moderatoren, Ds. P. E. Faure en de Afgevaardigde Ouderling van Zwel- 
lendam. 

Ds. P. E. Faure verzocht dat aan die deputatie ook mogte worden uitgereikt 
extrakt van de op gisteren genomen prcecautionaire Besolutie, toen men met de overweging 
der gerevideerde wetten eenen aanvang zoude nemen. 

Ds. Spijker verzoekt aanteekening dat hij in de minderheid heeft gestemd. 

Vóór het scheiden der Vergadering, las de Prmses eenen brief van den Wel-Eerw. 
Heer Ballot (gedateerd 28 October) voor, heden door den Actuarius ontvangen, meldende 
dat de Afgevaardigde van George door een val van zijn paard verhinderd is geworden zijne 
reis te vervolgen. Het deed de Vergadering leed van dien ramp te moeten vernemen. 

Ook werd voorgeíezen een brief van den Heer J. Malan, van Vier-en-twintig 
Rivieren, gedateerd den 26sten October (Bijl.), welks inhoud nader in overweging zal 
worden genomen. 

De Minuten geresumeerd zijnde, scheidde de Vergadering, nadat het gebed door 
den Sci’iba was gedaan, die et anno ut supra. 



202 



VIEKDE ZITTING. 



Zaturdag , den bden 'November, 1842 . 

Allen tegenwonrdig. 

De Vergadering door den Scriba met gebed geopend zijnde, werden op zijnHoog- 
Eerw. verzoek de Notulen door den Actuarius voorgelezen. 

Nadat dezelve geresumeerd en geteekend waren, leverden Rationarii hun rapport 
in omtrent het Synodale Eonds (Bijl.). 

Dit rapport werd aangenomen en Rationarii zoo wel als de Qusestor van het Syno- 
dale Fonds door de Vergadering bedankt. Terwijl zij almede verzocht werd om ook de 
boeken, enz. van het Predikanten Weduwen Eonds te onderzoeken, en daarover Rapport uit te 
te brengen op de Vergadering van Donderdag den 10 dezer. 

Tot de overweging der wetten overgaande, werd Art. 14 aangenomen, met uitla- 
tmg van “ zoo wel als Synode ” en “ Hervormde ” veranderd in “ Gereformeerde.” A 

Op grond der in Art. 3 gemaakte verandering, stelde omtrent Art. 15 de Actuarius 
de navolgende verandering voor, welke door de Vergadering werd aangenomen : “ de uit- 
spraken der Algetneene Kerkvergadering, in het laatste ressort, omtrent zaken door mindere 
Kerkbesturen behandeld, en in geval van beroep, voor dezelve gebragt, zijn beslissend.” 

Voor dat men overging tot de overweging van Art. 16, stelde de Actuarius voor, 
gesecondeerd door den Onderling Le Sueur — “ dat deze Vergadering met dank aanneme het 
gevoelen van Zijne Excellentie, vervat in het slot van lioogstdeszelfs brief van 17 Januarij 
1840 (waarvan gewag wordt gemaakt in het rapport van de Commissie van Revisie), en dat 
gevoelen voor het hare overneme.” 

Dit voorstel werd door eene groote meerderheid aaugenomen. 

In de minderheid waren Di. Spijker, Heyns, Scholtz, H. Moorrees, en de Ouder- 
ling Smuts. 

Terwijl men bezig was over Art. 16 te delibereren, staakte de IIoog-Eerw. Praeses 
de verdere discussien, daar de tijd toen was verstreken door Zijne Excellentie bepaald, om de 
deputatie op gisteren benoemd, te ontvangen. 

De deputatie, na een lang tijdsverloop, van liare opwachting bij Zijne Excellentie 
teruggekeerd zijnde, deelde de IIoog-Eerw. Prseses aan de Vergadering mede dat Heeren 
Commissarissen Politiek ook aldaar waren genoodigd geworden, en dat omtrent het een 
en ander een schriftelijk antwoord aan de Vergadering zou worden toegezonden. Uit 
naam der deputatie beloofde de Hoog-Eerw. Praeses, ecn schriftelijk Rapport te zullen over- 
leveren. (Bijl.). 

De deputatie de dank der Vergadering toegebragt zijnde, werden de werkzaam- 
heden voortgezet, en omtrent Art. I 6 een voorstel gedaan door Ds. P. E. Faure, waar, in 
dat Artikel, achter geteelcend met roijering van het daaropvolgende, in de plaats worde 
gesteld : “ van den predikstoel afgekondigd, en door den druk verkrijgbaar gemaakt worden. 
Elke wetsbepaling, echter, die in verband staat met de regten van den burgerstaat, zal aan 
het Gouvernement gesubmitteerd worden ten fine van sanctie.” 



203 



Ds. Van der Lingen stelde hierop het volgende amendement voor : “ Dat de 
Nederduitsche Kerk in Zuid-Afrika geene wetten heeft, die kracht hebben bij de wereld- 
lijke geregtshoven ; dat de Vergaderiug nu vergaderd is en in het vervolg zal vergaderen, 
in den regel, als een privaat collegie, hebbende dezelfde regten als andere private collegëen, 
dus ook orn wetten te maken, die als onderlinge overeenkomst kracht hebben bij de 
wereldlijke geregtshoven ; raaar, bij uitzondering, als een publiek collegie, hetwelk als 
zoodanig het geëerbiedigde Gouvernement verzoekt, eenen of twee Commissarissen Politiek 
in deszelfs midden te laten, wier eenige pligt en regt in de Vergadering daarin zal bestaan, 
dat zij de Vergadering opmerkzaain maken op zoodanige derzelver besluiten, als in aan- 
raking komen met de regten des Souvereins en burgers, welke besluiten na die inlichting 
door de Vergadering bij het Gouvernement voorgedragen worden, om al die vormen door 
te gaan, die noodig zijn om dezelve te doen inlijven in het burgerlijke regt van dit land.” 

Dit amendement niet aangenomen zijnde, stelde, voor en aleer het voorstel werd 
voorgedragen van Ds. Faure, de Actuarius het navolgende voor : “ T)e Algemeene Vergadering 
ontwerpt, verandert, vermeerdert en verbeiert kerJcelijke wetten en verordeningen, welke door 
Moderatoren geteekend en door den druk verkrijgbaar gemaakt worden. Elke wetsbepaling 
echter, die in verband staat met de regten van den burgerstaat, zal door de Vergadering bij 
het Gouvernement voorgedragen worden, om alle vormen door te gaan, die noodig zijn om 
dezelve te doen inlijven in het burgerlijke regt van dit land.” 

Dit voorstel werd aangenomen, doch daartegen is gestemd gewordeu door Di. 
Spijker, Heyns, H. Moorrees en Ouderlingen Smuts en Le Sueur. 

Het geheele Art. 17 aldus veranderd — “ De Algemeene Kerkvergadering komt 
bijeen om het vijfde jaar in de Kaapstad, op den tweeden Dingsdag van de maand October,” 
achter “ Scriba ” gevoegd — “aan de respective kerken,” en.al het overige geroijeerd. 

In Art. 18 de woorden “ Synode als ” geroijeerd. Litt. a) aangenomen. 

Dr. Heyns bepaalde de aandacht der Vergadering bij de wijze waarop te voren de 
opeisching der credentialen geschiedde — en merkte aan, dat op grond van deze verandering 
of nieuwe bepaling, het Ministerie zich voortaan verschoonde van de redactie der Beschrij- 
vingspunten. 

La. bj Hieromtrent werd door Ds. Van der Lingen voorgesteld — “ dat de Leden 
zitten, waar zij verkiezen.” Dit niet aangenomen zijnde, proponeerde Ds. P. Faure — “ dat 
de Predikanten zitten naar hun ouderdoin in de dienst der kerk.” Ook dit niet aangenomen 
zijnde, werd L a . bj, zoo als het voorkomt in de wetten, aangenomen. Protesterende daarte- 
gen Ds. Van der Lingen. 

L a . cj aangenomen. 

Ds. H. Moorrees stelde voor — “ dat vóór het sluiten der Algemeene Kerkvergade- 
nng, door besloten bilielten dc Voorzitter en een Secundus voor de volgende Vergadering 
worden gekozen.” Dit voorstei werd niet aangenomen. 

La. dj verworpen. 

L a . ej aangenomeu. 

L a . f) aangenomen. 

Dit afgehandeld zijnde las de Hoog-Eenv. Prseses eenige voorstellen aan de Verga- 
dering voor, welke schriftelijk bij zijnHoog-Eerw. waren ingediend door Ds. H. Moorrees, 
zullende deze naderhand worden overwogen. 
h3 



204 



Commissarissen Politiek overhandigden aan den Hoog-Eerw. Praeses een bij hun 
Hoog-Ed.-Achtb. thans ontvangeu raemorandum van den fungerenden Secretaris des Gouverne- 
ments, welk memorandum door den Hoog-Eerw. Praeses aan de Vergadering werd voorgele- 
zen. — De Vergadering besloot eenparig dit ter griffie te leggen en op verzoek van Heeren 
Commissarissen Politiek aan hun Hoog-Ed. Achtb. copij uit te reiken (Bijl.). 

De minuten voorgelezen zijnde scheidde de Vergadering, na dankzegging door den 
Scriba, die et anno ut supra. 



YIJEDE ZITTING. 

Zaturdag , den 5 November, 1842. 

Allen tegenwoordig, demptis Ds. Scholtz en de Ouderling van Graaff-Reinet, met 

verlof. 

De Notulen geresumeerd en geteekend zijnde, las de Hoog-Eerw. Praeses eenen 
brief voor van den Wel-Eerw. Kerkeraad der Luthersche gemeente, vergunnende het gebruik 
van het Kerkgebouw tot het houden van het Synodaal Biduur op aanstaanden Maandag 
avond (Bijl.). 

Overgaande tot de overweging der gerevideerde wetteu, Art. 18 g), werd zulks aan- 
genomen raet die verandering, dat voor “ de afgevaardigden,” worde gesteld “ benoemden .” 
Tusschen “ zitting ” eu “ genoemd,” gesteld “ die Algemeene Kerkvergadering ,” en voor “wier 
afgevaardigden,” gesteld “ die” 

h) aangenomen. 

Alsnu overgaande tot de overweging van de op gisteren door Ds. H. Moorrees 
ingeleverde voorstellen, behoorende tot het Reglement van orde, te weten : — 

“ In de behandeling van eenige zaak voor kerkelijke vergaderingen, zal aan ieder 
lid der vergadering gelegenheid worden gegeven, zijne gevoelens over zoodanige zaak mede 
te deelen.” 

“ Elk lid der Vergadering zalinhet spreken zich naar den Voorzitter rigten, en bij 
het zinspelen op hetgeen door een of ander lid is voorgebragt, zullen geene namen worden 
genoemd.” 

“ Indien twee of meer Leden der Vergadering te gelijk opstaan om te spreken, zal 
de Voorzitter moeten beslissen, wie eerst dient gehoord te worden 

Werden dezelve aangenomen, en werd besloten ze in dat Reglement in te lasschen 
tusschen No. 10 en 11. 

Op voorstel van Ds. Spijker werd de overvveging van Art. 1 9 uitgesteld tot dat 
men het gevoelen der Vergadering omtrent het volgende, Art. 20, zoude hebben ingewonnen. 

ln gemeld Art. 20 werd in het eerste gedeelte, voor “ Algemeene Synodale Com- 
missie,” gesteld “ Commissie der Algemeene Kerkvergadering der Gereformeerde Kerk 
enz.,” en voor “ is vergaderd,” gesteld “bij een is.” 

No. 1 werd aangenomen. 



205 



Orutrent No. 2, werd de volgende emendatie van Ds. Spijker, dat in plaats ‘ c van 
tijdsomstandigheden” gesteld worde, “ gevallen het Gereformeerd Kerkgenootschap betref- 
fende,” niet aangenomen ; maar wel de emendatie van Ds. P. Paure, dat in dat artikel ge- 
roijeerd worden de woorden “ met toestemming van het Gouvernement.” 

Tegen deze laatste emendatie hebben gestemd de Afgevaardigden van Kaapstad, 
Malmesbury en Riversdale. 

No. 3 aangenomen. 

No. 4 aangenomen, met de verandering van “ Synode ” in “ Algemeene Kerkver- 

gadering.” 

No. 5 op voorstel van den Hoog-Eerw. Scriba aldus veranderd aangenomen : 
“ Deze Commissie der Algemeene Kerkvergadering zal bestaan uit den Voorzitter der laatste 
Algemeene Kerkvergadering of diens Secundus, den Scriba en eenig Afgevaardigde uit 
elken Ring, jaarlijks bij elke Ringsvergadering te verkiezen. 

Nos. 6, 7 en 8 werden aangenomen, doch No. 9 vverd geroijeerd. 

Art. 19 werd provisioneel aangenomen, en het woord “ Synode ” veranderd in 
“ Algemeene Kerkvergadering.” 

No. 1 aangenomeu, met uitlating van de woorden “ en zich naar haar gevoelen te 
aredraojen.” 

Nos. 2 en 3 aangenomen, met de verandering van cí Algemeene Kerkvergadering’’ 
voor “ Synode.” 

Art. 21 werd aangenomen, doch daarin veranderd het woord cc Synode,” in 
C£ Algemeene Kerkvergadering ” zoo mede uitgelaten cc korte opgaaf van,” en in plaats van 
<c aan de Scribas, enz.” tot aan het slot, alleen die woorden gesteld, “ aan elken Kerkeraad te 
doen toekoraen,” en voorts er bij te voegen cc geene redactie zal de vrijheid hebben in de 
ingezonden voorstellen iets meer te veranderen, dan alleen in taal en stijl.” 

In Art. 22 het woord “stads” geroijeerd, en voor “laatst voorgaande Modera- 
tuur ” te stellen, cc Voorzitter der laatste Algemeene Kerkvergadering.” 

De overweging van a) uitgesteld. 

b), e), d) en é) aangenomen. 

De Vergadering door den Afgevaardigden Ouderling van de Kaapstad herinnerd 
geworden zijnde aan de noodzakelijkheid, dat het. kerklokaal in orde gebragt vvorde voor de 
verrigtingen van den op handen zijnden Sabbat, stelde de verdere overweging der wetten 
uit tot Maandag aanstaande. 

De Prseses las hierop een voorstel van Dr. Heyns, en de Actuarius, de aandacht 
der Vergadering bepaald hebbende bij de zoo menigvuldige bezigheden, welke hij te verrig- 
ten heeft, daar al de nu gerevideerde wetten en verordeningen op den laatsten dag der tegen- 
woordige Vergadering door moderatoren moeten worden geteekend, ingevolge bepaling der 
Synode van 1837, pag. 5, werden tot adsistenten hem toegevoegd voor het Hollandsch Ds. 
J. Brink, en voor het Engelsch de Ouderling Reitz — waarop de minuten werden gelezen, en 
de Vergadering, na het gewoon dankgebed, scheidde, die et anno ut supra. 



h2* 



206 



ZESDE ZITTING. 



Maandag , den Iden November, 3 842. 

Allen tegenwoordig. 

Na het gebed en de resumptie en teekening der Notulen, verzoclit de eerste 
Heer Commissaris Politiek aan de Vergadering te mogen voorlezen het antwoord bij hun* 
Ed.-Achtb. van Zijne Excellentie ontvangen, op de memorie aan Zijne Hoog-Ed. inge- 
zonden omtrent het salarieren van den leeraar der Piketbergsche gemeente. 

Gezegd antwoord door zijnEd.-Achtb. voorgelezen zijnde, werd door hunEd.-Achtb. 
afschrift van hetzelve uitgereikt aan den Hoog-Eerw. Praeses, die hetzelve (Bijl.) in het Ne- 
derduitsch aan de Vergadering voorlas, terwijl voor het tegenwoordige, alsnog geene nadere 
voordragt geschiedde, en zulks voor notificatie werd aaugenomen, en Heeren Commissarissen 
voor die mededeeling de dank der Vergadering toegebragt. 

Met betrekkiug tot het voorstel van Dr. Heyns, in de laatste zitting, stelde Ds. 
P. E. Faure voor — “ dat elk lid van de Vergadering het regt hebbe, zoo vele personen toe 
te laten tot de Vergadering, als hij slechts wenscht, terwijl hij zicli verantwoordelijk houdt 
voor hun gedrag. Kerkeraadsleden der Gereformeerde Kerk hebben het regt zonder toe- 
gangsbillet de Vergadering bij te wonen.” 

Dit werd geëmendeerd door Ds. Spijker — <c dat alleen leden der Gereformeerde 
Kerk worden toegelaten.” Deze emendatie werd niet aangenomen, maar wel het voorstel 
van Ds. Faure. In de minderheid waren Di. Spijker, Heyns en De Roubaix. 

Overgaande tot de overweging der wetten Art. 22, L »./), werd zulks aangenomeu, 
met die bijvoeging achter hij zal, “ter voorkoming van verlies door brand of anderzins,” en 
achter gedoopten te voegen c< Ledematen.” 

g) aangenomen eri voor “renversel” gesteld, “bewijs van ontvangst,” voor “alhoe- 
wel,” “ zelfs niet.” 

h) aangenomen, en achter hij zal te stellen, “ in eene daartoe te bepalen zitting.” 

ï) aangenomeu. 

A) omtrent a) dat in de vorige zitting is uitgesteld, nu aldus bepaald : 

a) “ met het overnemen, gedurende de zitting der Algemeene Kerkvergadering uit 
de Acta der Vergadering van elk besluit, dat aoor den druk moet worden bekend gemaakt, 
hetzelve in forma gereed maken, opdat die besluiten, op den dag der sluiting, en vóór het 
opbreken der Vergadering, aan de Vergadering voorgelezen en door Moderatoren geteekend 
worden.” 

Ten slotte vau Art. 22 A, het woord “ stads ” uitgedaan. 

Op voorstel van den Actuarius w r erd het volgende artikel, als Art. 22, Ë., hierbij ge- 
voegd en aangenomen : 

Er zal een vaste Scriba zijn, door de Algemeene Kerkvergadering, uit de Predi- 
kanten te benoemen. 

De Scriba zal belast zijn : 



207 



“ a) met de waarnemicg van het Scribaat gedurende de Algemeene Kerkvergade- 
ring en de Vergaderingen der Synodale Commissie. 

b ) met het doen van alle noodige expeditiën, welke niet door den druk behoeven 
te worden bekend gemaakt. 

c) met het toezenden aan den Achivarius ten uiterste binnen den tijd van dne 
maanden, na het opbreken der Algemeene Kerkvergadering, en eene maand na het 
houden van de Vergaderingen der Synodale Commissie, van de Acta dier Vergadering. 

d) In geval van overlijden van den Scriba, of het ontstaan van onvoorziene om- 
standigheden of wettige beletsels oin zijn ambt waartenemen, zal de Actuarius Synodi fun- 
geren tot de eerstvolgende Algemeene Kerkvergadering, wanneer een ander Scriba zal wor- 
den verkoren.” 

Art. 23 : a), b), c), d), é),f) aangenomen, met die bepaling, dat achter é) gevoegd 
worden de woorden, “ en tot genoegen der Algemeene Kerkvergadering voor de behoorlijke 
administratie van alle door hem ontvangen penningen de noodige securiteit stellen en dat 
in /) achter lijsten gevoegd worden, “ en penniugen ” — ook dat er sub La. g) er bijgevoegd 
worde, “ de Quaestor geen afgevaardigde zijnde, zal slechts een adviserende stem hebben, en 
wel alleen in zaken tot zijn Departement behoorende.” 

In het slot van dat artikel voor “ Stadspredikanten ” te stellen, “eenen anderen,” 
en in den aanvang achter fonds — in te lasschen, “ of van het ontstaan van onvoorziene om- 
standigheden of wettige beletsels, om zijn arabt waar te nemen.” 

Art. 24 werd met deze verandering aangenomen, in het slot, “ zij zullen gekozen 
worden bij elke Algemeene Kerkvergadering, één uit de Afgevaardigden van elken Ring.” 

DERDE AEDEELING — RINGS-BESTUU R. 

A,rt. 25 aangenomen. 

a) aangenomen. 

b) aangenomen, doch tegeu het afscheiden van “ Wellington ” van den Kaap- 
stadschen en toevoeging tot den Tulbagschen Ring, werd geprotesteerd door I)s. van der Lin- 
gen en de Afgevaardigden van Wellington. 

c) , d) aangenomen, en in e) gesteld “ de Ring van Albanie ” en ook de Kerk var\ 
Graharnstad genoemd “ de Kerk van Albanie.” 

Art. 26 aangenomen — doch Ds. Van der Lingen protesteerde tegen de uitdrukking 
“ het zorgen voor de vermeerdering van Kerken .” 

Art. 27 aangenomen. 

Art. 2S aangenotnen met uitlating “ Leden der Synodale Commissie.” 

Ds. H. Moorrees wilde dat de Voorzitter van den Ring gekozen worde op dezelfde 
wijze als de Voorzitter bij de Algemeene Kerkvergadering. Uit werd echter niet aangeno- 
men, zoo ook niet het volgende door zijn Wel-Eerw. gewild : “ dat de Voorzitter, wiens beurt 
het is te praesideren, het regt hebbe te bedanken ;” — doch werd het voorstel door Ds. Spij- 
ker gedaan, dat bij dit artikel gevoegd worde : — “ zullende hij zich echter in voorkomende 
gevallen hebben te houden aan de u’etsbepalingen en aan de in de vorige Vergadering geno- 
men besluiten ”; aangenomen, maar de daarop gedane emendatie van Ds. P. Faure verworpen, 
te weten : “ zullende hij in zaken, waaromtrent de vorige Vergadering besloten heeft, naar 
die besluiten zich hebben te gedragen.” 



208 



Art. 29 aangenomen. 



Omtrent Quastor. 



a ) aclitcr Synodaal Fonds te stellen Predikanten Weduwen Funds. 

b ) achter Synodaal Fonds te stellen Predikanten Weduwen Fonds, en voor ten 
minste daarna — ten uiterste zes weken na de VergaderingF 

c ) aangenomen. 



Omirent Scri’ua. 



a), b) aangenoinen ; in c), Scriba der Aigemeene Kerkvergadering gesteld in piaats 
van Actuarius, en deze bijvoeging ** en bekendmaking aan den Voorzitter der Commissie 
der Algemeene Kerkvergadering van den naam van het Lid tot die Commissie afgevaardigd. 

d) aangenomen met die verandering achter fC des Rings,” fí met inachtneming van 
het bepaalde van Art. 28 het overige uitgedaan. 

é) aangenomen. 

/) aangenomen met inlassching achter overlijden “ of het ontstaan van onvoorziene 
omstandigheden of wettige beletsels om zijn ambt waar te nemen.” 

Art. 30 aldus veranderd “ Tweede Dingsdag van de maand October.” 

Omtrent het tweede gedeelte van dat artikel, stelde de Hoog-Eerw. Scriba voor, 
dat de woorden, “ na verkregen goedkeuring van de Synodale Commissie” worden uitgedaan . 

Deze emendatie werd echter niet aangenomen, hebbende in de minderheid ge- 
stemd de Hoog-Eerw. Heeren Moderatoren en Ds. H. Moorrees. 

Art. 31 en 32 werden aangenomen. 

Art. 33 werd aangenomen met de volgende verandering in het tweede gedeelte, 
“ de afwezigen zijn verpligt de redenen van hunne afwezigheid schriftelijk aan de Vergade- 
ring in te zenden en de woorden, “ die zonder wettige, enz., tot Fondsj' uitgedaan ; en 
achter verslag te voegen “Van den staat der Godsdienst.” 

1, aangenomen. 

2, aangenomen, en achter gepredikt te voegen de woorden, fí de lijdenstoffen op 
deu gewonen tijd behandeld,” en achter gezet (ten minste eens in de maand). Ds. H. 
Moorrees in de minderheid. 

3, 4, aangenomen. Op voorstel van Ds. Heyns bij 5 lujgevoegd, “ en, zoo 
mogelijk, ook in de kerkelijke geschiedenis.” 

6, 7, S, 9, 10, 11, 12, aangenomen. 

13, 14, uitgedaan. 

15, 16, aangenomen. 

17, achter attestatie te voegen “ of certificaten.” 

18, aangenomen. 

19, “ Getrouwde ” uitgedaan. Tusschen ef vertrokken en afgestorven ” te stel- 
len, “ voor zoo ver het mogelijk is ,” en achter gedoopten gevoegd “Ledematen.” 

Van 20 tot 27 en het slot aangenomen. 

Hierop w r erden de minuten voorgelezen, en na het dankgebed scheidde de Ver- 
gadenug. J)ie en Anno ut supra. 



209 



ZEVENDE ZITTING. 



Bingsdag , den 8 sten November, 1842. 

Na het gebed en de resumptie der Notuleu, maakte de Hoog-Eerw. Prrnses de Ver- 
gadering bekend, dat de Wel-Eerw. Dr. Roux, afgevaardigde van de kerk van Albanie, was 
aangekomen, waarover de Vergadering zich verheugde. 

Het Credentiaal voorgelezen zijnde (Bijl.), nam de Wel-Eerw. Dr. Roux zitting, 
na aan de Vergadering te hebben bekend gemaakt de redenen der afwezigheid van zijnen 
mede-afgevaardigde, den Ouderling Behrends. 

De Hoog-Eerw. Praeses sprak met veel gevoel van de genoegens door zijn Hoog- 
Eerw. eri de leden der Vergadering, op den voorleden avond in het Biduur gemaakt, en 
bedankte uit naam der Vergadering de Broeders, die bij die gelegenheid de dienst liebben 
verrigt. 

Ook werd besloten, de Broeders Diakerren te bedanken voor de assistentie bij die 
gelegenheid geboden, en den kerkeraad der Evang. Luthersche Gemeente den hartgrondigen 
dank der Vergadering toe te brengen, voor het gebruik van hun Eerw. Kerkgebouw, tot dat 
einde zoo guustig en broederlijk afgestaau. 

De Hoog-Eerw. Praeses de aandacht der Vergadering bepaald hebbende, bij de 
bepalingen van 1826, pag. 15, IV, verklaarde de Vergadering dat de sluiting dezer alge- 
meene Kerkvergadering behoort te geschieden door Dr. Roux. 

Op voorstel vau den Hoog-Eerw. Prseses werd eenparig Dr. Heijns benoemd tot 
het vervaardigen van den Herderlijken Brief. 

Beide gecommitteerden hebben, elk voor zich, de hun opgelegde taak, gereede- 
lijk op zich willen nemen. 

De afgevaardigden van Piketberg, verzocht hebbende dat hun afschrift mogte 
worden verguud van den brief des Gouvernements, op gisteren aan de Vergadering voorge- 
lezen, is dit verzoek toegestaan geworden. 

Tot de overweging der wetten overgaande, merkte de Hoog-Eerw. Prseses aan, 
dat de Actuarius Synodi ex officio lid behoorde te zijn van de Commissie der Algemeene 
Kerkvergadering, waarop besloten werd by Art. 22, A, het volgende te voegen : — 

k. Hij zal ex officio lid zijn der Commissie der Algemeene Kerkvergadering. 

Ds. H. Moorrees verzocht, en dat wordt besloten te doen geschieden, dat bij 
Art. 23, achter het woord “ Erven,” worde gevoegd, “ of eenige andere bezitters van 
goederen , papieren, enz .” 

De Commissie, in de Tweede Zittiug benoemd, orn te rapporteren op eene door Ds. 
Beck van D’Urban ingezonden memorie, leverde een schriftelijk rapport daarover in (Bijl.), 
doch door de Vergadering werd besloten, “ dat dit rapport zal worden gehoord, wanneer 
de zaken, volgens de Beschrijvingspunten, daarmede in verband staande, zullen worden 
behandeld.” 

Overgaande tot de Vierde afdeeling, “ Kerkelijk Bestuur in de gemeente, ' 
werd Art. 34 aangenomen. 



210 



Zoo ook Art. 35. 

In 2 uitgelaten “ algemeene.” 

3, 4, 5 aangenomen. Tegen 5 geprotesteerd door Ds. De Roubaix en de 
Afgevaardigden van den Wijnberg. 

In 6 twee veranderd in een of meer. 

7, 8, 9 aangenomen. 

Voor dat men 10 overwoog, verzocht de Actuarius, dat der Yergadering moge 
worden voorgelezen eene correspondentie, betrekkelijk de benoeraing van Kerkeraadsleden 
door den Kaapstadschen Kerkeraad, met het Gouverueinent gevoerd, welke correspondentie 
de Kaapstadsche Kerkeraad besloten heeft, dat aan deze Vergadering zoude worden medege- 
deeld. Dit verzoek toegestaan zijnde, werd op verzoek van den Wel-Eerw. Scriba van 
den Ring het besluit van den Ring (April 1842), en die geheele correspondentie aan de 
Vergadering ter harer informatie voorgelezen. 

Dit geschied zijnde. werd met betrekking tot 10, door den afgevaardigden Ouder- 
iing van Zwellendam voorgesteld, dat “ vraagt sanctie van ’s lands hooge overheid,” worde 
uitgedaan. Door de meerderheid werd dit voorstel verworpen. 

Zoo werd ook door eene groote meerderheid verworpen, het voorstel van Ds. H. 
Moorrees, “ dat de Kerkeraad niet worde gekozen door den Ring of Ringscommissie, maar 
door de gemeente, of door diegenen, die de gemeente vertegenwoordigen, bij gelegenheid 
dat zij eene afzouderlijke gemeente wordt.” 

Het artikel werd aangenomen met uitdoen der woorden : “dezelve kiest het 
aantal der regerende ouderlingen en diakenen, enz.,” en in plaats te stellen “ die daarop.” 

11 aangenomen, doch voor drie gesteld twee, en in plaats van schriftelijk, voortaan 
te iezen : “ door eene driemalige achtereenvolgende afkondiging in de kerk .” Aan het slot 
geroijeerd de woorden : “ En ieder lid verklaart plegtig,” achter “ hoegenaamd ” te plaatsen ? 
“ behoort er te ivorden,” en met die bijvoeging, “ ingeval de stemmen staken, zal er door 
het lot worden beslist.” 

12 en 13 aangenomen. 

In 14 “ eene iveek ” uitgelaten. 

In 15 “ gecombineerde ” uitgedaan, en achter “ toaar te nernen ,” de geheele periode 
aldus veranderd : “ zullen zich onderhevig maken aan eene broederlijke vermaning van den 
Kerkeraad, en zal de geuieente met de weigering worden bekend gemaakt.” 

Tegen deze laatste bepaling “ aan de gemeente, enz.,” protesteerde de Actuarius. 

16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 aangenomen, en bij het laatste te voegen : “ her- 
kozen Kerkeraadsleden zullen op nieuw worden ingezegend.” 

Omtrent Art. 36 en 37 werd besloten, de overweging uit te stellen tot de eerst- 
volgende Algemeene Kerkvergadering. 

Di. Van der Lingen en Du Toit protesteerden daartegen. 

Art. 38. 1, 2, 3, 4, 5, aangenomen. 

6, voor aan te stellen, " zoo veel mogelijk.” 

Het voorstel van Ds. H. Moorrees om 6 te roijeren, vond hoegenaamd geen bijvai. 

7, vernietigd, doch 8 aangenomen. 

Art. 39 aangenomen, met uitlating “ van de Kerkelijk Ingezegende Huwelijken.” 

Art. 40 aangenomen met die verandering, “ penningen van het Synodale en Predi- 
kanten Weduwen Fonds.” 



211 



Voor dat men tot de overweging van het. aldaar gemeld Formulier overging, vond 
de Vergadering het noodig, dat men besluite op het voorstel van den Kerkeraad van Rivers- 
dal, voorkomende in de Beschrijvingspunten, onder het hoofd “Kerkelijk Bestuur in de 
Gemeente,” en wel dat gedeelte “ dat het toedienen van den Doop op buitengewone tijden ten 
eenenmale verboden worde.” 

Dit voorstel werd door de Vergadering verworpen. 

Waarop het Formulier werd aangenomen met die bijvoeging: “ Voor het Predikan- 
ten Weduwen Fonds ingezameld, 

Bij extra trouwen, 

Buitentijds aanneming, 

Collecten, enz., enz.” 

en geroijeerd de woorden, “ welke som enz. tot alhier.” Achter begrafenis zal worden 
gesteld in parenthesis “ waar het gebruikelijk is.” 

Van Art. 41 werd het eerste gedeelte verworpen. 

In de minderheid. stemden de afgevaardigden van de Kaapstad. 

Vóór Doodregisters gesteld “ zoo mogelijk,” en geroijeerd de woorden “ een korte 
staat, enz.,” tot het einde. 

De overweging van Art. 42 werd uitgesteld tot dat men zal hebben besloten over 
het Reglement op de vacaturen. 

Art. 43 werd aangenomen met aílating der woorden, “ verleend op advies van den 

Ring” 

Na het dankgebed scheidde de Vergadering. Die et anno ut supra. 



ACHTSTE ZITTING. 



IV oensdag, den Qden November , 1842. 

Allen tegenwoordig. 

Iíet gebed gedaan en de Notulen geresumeerd en geteekend zijnde, ging men over 
tot de overweging der gerevideerde w r etten. 

Art, 44, § 1. a) aangenomen. In b) ingelascht achter Katechismus “ op den 
gew'onen tijd lijdensstofFen,” en vóór predikatiën “ zoo ook belijdenis.” 

c) achter zedeleer, “ fcerJcelijke geschiedenis'.' 

e), /) zoomede § 2, a), b), en § 3, a), b), c) voorts van 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 
8, 9 aangenomen. Ds. II. Moorrees objecteerde tegen 4. 

In 10, achter Synodale, gevoegd Predikanten Weduwen Fonds. Tegen dit bijvoeg- 
sel is door den Ouderling van de Kaapstad gestemd geworden. 

Voor December zal men hebben te lezen September . d), e) aangenomen, zullende 
omtrent liet slot eene nadere omschrijving geschieden. 

i2 



212 



Omtrent Art. 45 stelde Ds. H. Moorrees voor, dat achter ontwerpcn gesteld worde, 
“ mits niet in strijd met de bestaande wetten en verordeningen,” en al het overige beginnen- 
de “ met betrekking, enz.,” te worden geroijeerd— welk voorstel werd aangenomen ; doch 
verworpen de emendatie van Ds. Herold, “ dat die wetten en verordeningen aan den Ring 
zullen worden ingeleverd.” 

Art. 46 werd geroijeerd. Daartegen stemde de Actuarius, meenende “ tot de on- 
derteekening der wetten, daar dit door Predikanten bij hunne toelating tot de predikdienst, 
zoo ook voor Kerkeraadsleden bij hun in functie treden noodig ware.” 

Art. 47 aangenomen. 

Art. 48 aangenomen — het voorstel van den Ouderling Le Sueur, dat achter “ Leer- 
aar ” gesteld worde “ Leeraren,” werd met bijkans algemeene stemmen verworpen. 

Art. 49 aangenomen. doch achter aan ingelascht, “ en verlof bekomen van ,” en ach- 
ter kerkeraad “of consulent” 

Met uitzondering van Ds. Van der Lingen werd Art. 50 algemeen aangenomen. 

Art. 51 aangenomen. 

Art. 52 aangenomen, met die bijvoeging aan armen gratis. Tegen het eerste ge- 
deelte van dit Artikel werd gestemd door Di. H. Moorrees en Brink. 

De Hoog-Eerw. Prseses voorgesteld hebbende, dat met Art. 53 ook worde over- 
wogen het voorstel van den Zwellendamschen Ring, voorkomende in de Beschrijvingspunten 
onder het Hoofd “ Ringsbestuur,” te weten : “ Dat, wanneer eene gemeente van eene 
oude wordt afgescheiden, van deze nieuwe gemeente een Afschrift van het Ledematenboek, 
gedurende de jongste 70jaren, tegen eene billijke vergoeding gegeven zal worden ” — werd 
dit voorstel van dien Ring overwogen, doch de aanmerkingen van eenige leden daarover 
gehoord zijnde, verworpen. 

Art. 53 aangenomen, zoo mede 

Art. 54, doch <c uitgezonderd ” veranderd in “ behalve,” en ten slotte er bij ge- 
gevoegd, “ van het Predikanten Weduwen Fonds.” 

Art. 55 werd aangenomen, op verzoek van de Predikanten van de Kaapstad 
werd hun Wel-Eerw. vergund hierin buiten stemming te blijven. De woorden eí En waar 
geene pastorie, enz., enz.,” worden geroijeerd. 

Het voorstel van Ds. Herold, dat er in gelascht worde ten platten lande, werd ver- 

worpen. 

De Ouderling Smuts wilde dat er gesteld worde of ten plaiten lande, of als de 
fondsen zulks toelaten — doch dit algemeen verworpen zijnde, wordt op zijnEds. verzoek be- 
kend gesteld, dat dit zijn voorstel door niemand is ondersteund geworden. 

Art. 56 geroijeerd. 

Na de pauze werd er door de Ouderlingen in de Kaapstad aangemerkt, dat er 
omtrent Art. 55 bij hen eene duisterheid bestaat, en daarom werd er door hen de vraag voor- 
gesteld “ of de Kaapstad daaronder is begrepen?” Tegen het doen van deze vraag werd 
sterk geobjecteerd, daar de wet onbepaald in dat Art. van elke gemeente spreekt ; echter 
besloten zijnde, dat die vraag door de Yergadering zoude worden beantwoord, zoo werd de 
vraag der afgevaardigde Ouderlingen door de Vergadering bevestigend beantwoord. De 
Ouderling LeSueur protesteerde daartegen, welk protest schriftelijk werd ingeleverd (Bijl.). 

Men ging nu over tot de 



213 



VIJFDE AFDEELING 



Art. 57 aangenoraen. 

Voor dat Art. 58 werd overwogen, werd op voorstel van den oog-Eerw. Praeses 
onder de aandacht der Vergadering gebragt het Beschrijvingspunt van den Kerkeraad van 
Tulbagh, voorkomende onder het Hoofd “ Godsdienstig Onderwijs.” De Afgevaardig- 
den dezer gemeente zeiden dit alleen als eene vraag te wdllen hebben voorgesteld, te weten : 
“ of er door de Synode niet zoude kunnen vastgesteld worden, dat voortaan door alle Leer- 
aars en Onderwijzers der Hervormde Kerk, in deze Volkplanting, geene handleidingen bij 
het geven van Godsdienstig Onderwijs gebruikt zullen worden, dan de Heidelbergsche Kate- 
chismus en het Korte Begrip, of zoo men ook daarbij verkiest te gebruiken, de Belijdenis des 
Geloofs en de Formulieren der Eenigheid.” 

De Vergadering besloot eenparig daaromtrent niets meer vast te stellen, dan het- 
geen bepaald is in Art. 58, welk Art. werd aangenomen. 

Art. 59 aldus veranderd aangenomen, dat achter leeraars worde gesteld, die het 
doen /cunnen , en achter predikanten — en worden zij daartoe ooh aangemoedigd. Bij de over- 
weging van dit artikel werd aan de Vergadering voorgelezen de Depeche vau den Hoog-Ed. 
Secretaris van Staat, dd. 26 Mei 1838. 

Art. 60 aangenomen, doch hunner gemeente veranderd in der gereformeerde Jcer/c, 
en het overige “ zullende tot,” enz., weggelaten. 

Art. 61 en 62 aangenomen. 

De overweging van Art. 63 en 64 weid, op voorstel van Ds. H. Moorrees, door 
de meerderheid tot eene nadere Vergadering uitgesteld. 

Op grond van dit Besluit stelde Ds. Van der Lingen voor, welk voorstel door vele 
redenen, door zijnWel-Eerw. in geschrifte gesteld, der Vergadering voorgelezen, werd onder- 
steund (Bijl.), “ dat men de overweging der gerevideerde wetten stake tot over vijf jaren.” 
L Dit voorstel echter werd niet aangenomeK/ 

Art 65, 66, 67, 68 : 1 aangenomen en in 2 in plaats van “ Kerkeraad” gesteld 
“ Predikant.” 

3, a), b), c), d) en 4 aangenomen. 

Tegen de aanneming van art. 68 is geprotesteerd door Ds. Van der Lingen en 
den Ouderling van Zwellendam. 

Hiermede overwogen zijnde het Beschrijvingspunt van den Kerkeraad van Rivers- 
dal, “ Dat op de stipte nakoming van het Reglement (conform Art. 32) door de Algemeene 
Kerkvergadering beraamd, waarnaar personen, die begeeren oefening te houden, zich bij de 
uitvoering daarvan zullen hebben te gedragen, nader aangedrongen w T orde,” vereenigde 
gadering zich daarmede. 

Art. 69, 70, 71, 72 aangenomen. 

Alsnu werd overwogen het Beschrijvingspunt van den Kaapstadschen Ring (1840) 
voorkomende onder Hoofd “ Kerkelijk Bestuur.” “ Dat, tot het daarstellen en onderhouden 
der goede orde in de Ledematen Registers, Kerkeraden geregtigd wmrden om Lidmaten at- 
testatiën gratis te verleenen aan vertrekkenden uit, en gratis te ontbieden voor aankomen- 
den in hunne Gemeenten, en dat, ter vergoeding van het geldelijke verlies, dat hieruit en 
voor de Kerk en voor vooriezers en kosters zoude ontstaan, van elk persoon, bij het doen 

i2* 



214 



van belijdenis des geloofs, in het vervolg de som van een shilliug en zes pence boven hetgecn 
al reeds bepaald is, worde gevorderd. Yan w r elke verhoogde som zes pence aan de Kerk, 
en eeu shilling aan den voorlezer of koster worde toegewezen. 

Nadat veel hierover was gediscussieerd geworden en ook eene emendatie voorge- 
dragen, om slechts 6d. aan den voorlezer of koster en niets aan de Kerk te betalen, werd 
bijkans eenparig besloten, dit “ voorstel ” te verwerpen en te blijven bij het oude gebruik. 

In Art. 73 werd het formulier afgekeurd en besloten, dat daarvoor in de plaats zal 
wordeu gesteld het formulier bij de Kaapstadsche Kerk in gebruik (Bijl.). 

Ook werd besloten dat, waar men bezwaar heeft dit af te geven, alsdan een Certifi- 
caat van lidmaatschap kan worden verleend, volgens formulier (Bijl.). 

Daartegen stemde Ds. H. Moorrees. 

Art. 74 aangenomen, met weglating van hetslot “ en dat de attestatiëu,” enz., enz. 

Art. 75, 76, 77, 1, 2, 3 aangenomen en in dit laatste 3, in de plaats van Tcunnen 
gesteld “ door de Synodale Commissie .” 

De Praeses hierop een voorstel, door Ds. P. E. Paure ingezonden, gelezen hebben- 
de, werd het dankgebed gedaan en men scheidde. Die et anno ut supra. 



NEGENDE ZITTING. 

Donderday, den 10 den November , 1842. 

Allen tegenwoordig. 

Na het gebed werden de Notulen geresumeerd en geteekend ; waarop door Batio- 
narii ingeleverd werd hun rapport omtrent den staat van het Predikanten Weduwen Eonds 
(Bijl.). 

Rationarii en de Quaestor van dat Eonds werden door de Vergadering bedankt — 
terwijl op voorstel van den Quaestor eenparig besloten werd, den dank der Vergadering schrif- 
telijk toe te brengen aan den Mede-administrateur van dat Fonds, den Wel-Ed. Heer Andr. 
Brink, Cz. — welke taak den Scriba werd opgedragen. 

Alsnu overgaande tot de overweging der gerevideerde wetten : 

ZESDE AFDEELING — EERSTE HOOFDSTUK. 

Reglement voor Voorlezers. 

Werd vooraf als een nieuw Art. door Ds. Herold het volgende voorgesteld en aan- 

genomen. 

“ De Voorlezers worden benoemd door de meerderheid van den Kerkeraad, op voor- 
dragt van den Predikant of Predikanten. Zij moeten Leden zijn der Gereformeerde Kerk. 
Art. 1, 2, 3, 4, 5 werden aangenomeu. 

In Art. 6 het woord “ trouw ” uitgedaan. 

7 aangenomen. 



215 



Ds. H. Moorrees wilde voor dat Art. 8 zoude worden geroijeerd, doch op voorstel 
van den Hoog-Eerw. Praeses werd het met. de volgende emendatie aangenomen : “ De leges 
aan Voorlezers uit huwelijken voortspruitende, zoomede voor het verleenen van kerkelijke 
attesten, blijven zoo als bij elke gemeente gebruikelijk is, met uitzondering nogtans,” enz. enz. 
9 aangenomen — half jaar veranderd in drie maanden. 

In 10 ingelascht “ in zijne dienst.” 

11 aangenomen. 

Als een nieuw artikel, werd het volgende voorgesteld en aangenomen : “ De Voor- 
lezers zullen de stad of het dorp niet verlaten, zonder voorkennis en toestemmiug van den 
Predikant, en in vacante gemeenten, van de Ouderlingen.” 

1 3 aangenomen, en besloten overeenkomsiig deze bijgevoegde Artikelen de nommers 
tc veranderen. 



II. Beglement voor Kosters. 



Als een nieuw artikel door Ds. Herold voorgesteld en aangenomen : “ De kosters 
zullen door de meerderheid van den Kerkeraad, op voordragt van den Predikant of Predi- 
kanten, moeten worden gekozen, en Leden moeten zijn der Gereformeerde Kerk.” 

In 13 deur veranderd in deuren en van tijd tot tijd weglaten, en 14 aangenomen. 

In 15 “ Kerkeraden ” veranderd in — “ Van den Kerkmeester of dengene, die met 
het toevoorzigt over kerkelijke gebouwen en goederen belast. is.” 

16, aangenomen. 

In 17 aanzeggen veranderd in bekendmaken. 

1 8, achter en, te voegen voor zoo ver het mogelijk is. 

19, 20 aangenomen. 

21 tusschen Sgnodale en Fonds te voegen “ Predikanten Weduiven” en achter 
toekomende — “ door hen geincasseerd, alsmede eene lijst der achierstallige verschuldigde pen- 



ningen.” 

22 aangenomen. 

23 aan het slot te voegen “ of zullen worden.” 

24 aangenomen doch 25 verworpen, als zijnde plaatselijk. 

26 aangenomen. 

In 27 ingelascht en toestemming . 

28, 29 aangenomen. 

In 30 tusschen ontvangen en penningen ingelascht “ Rerkelijke,” geroijeerd “ van 
attestatien als anderzins. 

31, 32, 33 aangenomen. 



TWEEDE HOOFDSTUK. 



Reglement op de uitoefening van Kerkelijk opzigt en tucht. 

In Art. 1 “Syoode” uitgelaten. 

2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 (dit laatste niet toegestemd door Ds. H. Moorrees), 9, 10, 11, 
12, waar achter “ schriftelijk” ingelascht “ behalve in Kerkeraads Vergaderingen ” 13, 14, 
15 aangenomen. 

In 16 geroijeerd het slot “ waarvan verslag enz. 



216 



Art. 17 aangenomen. 

Art. 18 aldus veranderd — in plaats “ voor het opmaken der uitspraak de Vergade- 
ring verlaterí' te lezen “ gedurende de behandeling der zaak moeten afioezig zijn .” 

Voor twee-derden gesteld de helft, en voor der gemeente te lezen dss kerkeraads. 

19 aangenomen. 

20 te maken tot 21 en dus veranderd “ dan zal hij, een lid der kerk zijnde, zich 
aan kerkelijke censuiir kunnen onderhevig maken.” 

21 te maken tot 20. 

22 aangenomen. 

De overweging van 23 werd uitgesteld tot Maandag, terwijl Heeren Commissaris- 
sen Politiek werden verzocht, om hunne consideratien en advies daarover aan de Vergadering 
alsdan te willen mededeelen — waarop hunHoog-Eds. verklaarden, zich daartoe niet te kunnen 
verbinden. 

Art. 24 werd geroijeerd op voorstel van Ds. P. E. Faure. 

Ds. Herold verzocht, en dit werd zijn Wel-Eerw. toegestaan, aanteekening, dat door 
zijn Wel-Eerw. de vraag was voorgesteld, “hoe alsdan de kosten zullen worden gevonden,” en 
dat deze vraag niet is beantwoord geworden. 

In 25 “ die voor beroep vatbaar is,” veranderd in “ waaromtrent hooger beroep is 

gedaan.” 

26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36 aangenomen. 

In 37 uitgedaan “ en de Ringsvergadering daarop een w r akend, enz., enz.” 

38, 39, 40, met uitlating van het woord schriftelijk, 41, 42, 43, 44, 45, 46 aan- 

genomen. 

Art. 47, eene veranderd in “ dezelve stellen in handen van den Bing ,” en geroijeerd 
“ benoeming van drie leden .” 

Nu werd overwogen het Beschrijvingspunt van den Zwellendamschen Ring — 
Hoofd“ Ringsbestuur” : “Dat aan de Synode voorgesteld worde, dat voortaan iaarlijks door 
den Ring eene permanente Commissie benoemd worde, om zaken, welke geen uitstel kunnen 
lijden, provisioneel te behandelen.” — Dit voorstel werd, aldus geémendeerd, aangenomen : 
“ Er zal voortaan jaarlijks door de Ringsvergadering eene Commissie, bestaande uit drie leden 
worden benoemd, om zaken, welke geen uitstel kunnen lijden, provisioneel te behandelen.” 

Tevens w r erd besloten dit, als een nieuw artikel, te plaatsen in de Derde Afdee- 
ling, Ringsbestuur, en te doen volgen op Art. 28. 

In Art. 48 werden uitgedaan de woorden “ zoo spoedig mogelijk ” — “ bij den Voor- 
zitter van den TLing gebragt te worden bij ,” enz., enz. 

Art. 49, 50, 51, 52 aangenomen. 

Iu Art. 53 uitgedaan de woorden aan den Voorzitter van den Ring, en door den 
Voorzitter. 

Art. 54, 55, 56 : 1, aj, bj, cj. 2, a ), b), (waartegen Ds. H. Moorrees), 57, 58, 59 
(wordende onder geschillen niet verstaan, welke door het wereldlijk gerigt worden beslist) 60, 
61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70 aangenomen. 

In 71 “ aan de Synode” geroijeerd. 

72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80 aangenomen, en het woord “Synode” in die 
artikelen voorkomende, veranderd in algemeene Kerkvergadering. 



217 



Di. LeFebre Moorrees en De Roubaix verklaarden zich met Art. 80 niet te kunnen 
vereenigen, terwijl Ds. Van der Lingen aanteekening verzocht, dat hij in het aannemen van 
dit “ Reglement op de uitoefening van kerkelijk opzigt en tucht niet heeft gestemd.” 

De Hoog-Eerw. Praeses een voorstel betrekkelijk het ordenen van Zendelingen voor- 
gelezen hebbende, werden de Minuten dezer Vergadering voorgehouden — liet dankgebed 
gedaan, en men scheidde van een. Die et.anno ut supra. 



TIENDE ZITTING. 



Vrijdag , den 11 den November, 1842. 



Allen tegenwoordig. 

Na het gebed en de resumptie der Notulen, werd, overeenkomstig besluit in de 
Achtste Sessie genomen, thans aangaande het slot van Art. 44, § 3), voorgesteld en 
besloten, dat de woorden “’s Gouvernements Ordonnantie van 21 Junij,” worden veranderd 
in “ Het Besluit van Gouverneur en Politieken Raad van 17G9,” met die bijvoeging — 
“ Indien nogtans de Kerkeraad in het executeren van voormeld besluit, tegenkanting van de 
zijde van belanghebbenden mogt ontmoeten, zal dezelve, indien het voor het armen fonds 
van belang mogt worden geoordeeld, het gevoelen van deskundigen daarom moeten 
inwinnen, en zich dien conform gedragen.” 

Voortgaande met het “ Reglement op de uitoefening van Kerkelijk Opzigt,” 
werden Art. 81 : J, a), b), c), d), 2, a), b), c), d), aangenomen. In b), c), niet de inlassching 
van de woorden “ in de dienst.” 

Art. 82 dus veranderd : — “ Zal ten zijnen koste de dienst in de gemeente worden 
waargenomen, en de Algemeene Kerkvergadering of Synodale Commissie bepalen, hoe veel 
van zijn traktement hij tot dat einde zal afstaan.” 

In Art. 83 uitgedaan de woorden “ zoo echter, enz., enz.” 

In Art. 84 geroijeerd “ die bij den Voorzitter van den Ring, met toezending van 
die kennisgeving, verzoek zal doen dat ;” en voorts welke vóór maatregelen, en worden ver- 
anderd in zijn. 

In Arts. 85, 86, 87, 88, bet woord Synode veranderd in Algemeene Kerk- 
vergadering. 

Arts. 89 en 90 werden, op voorstel van den Ouderling Le Sueur, geroijeerd. 

De Actuarius stemde daartegen, willende, dat aan het hoofd zoude worden 
geplaatst in revisie, omdat door het vernietigen van deze Artikels, er slechts ééne instantie 
is voor eenen predikant, die zoude worden afgezet, strijdig met Art. 3 van dit Reglement. 

De Afgevaardigden van de Paarl verzochten aanteekening, dat zij het aannemen 
van dit Reglement op de uitoefening van Kerkelijk Opzigt en Tucht (op pag. 22 tot 30 der 
gerevideerde wetten, Art. 1 — 90) niet goedkeuren. 



218 



Ds. Spijker verzocht, dat aangeteekend worde, “ dat hij voor de meeste artikelen 
omtrent Kerkelijk Opzigt en Tucht heeft gestemd, omdat hij meende, dat het geheele 
zamenstel van wetten daaromtrent eene andere gedaante zoude hebben bekomen, dan hij nu 
ontdekt dat het, inzonderheid met betrekking tot predikanten, heeft bekomen, en dat hij 
zich daarom met het zamenstel in zijn geheel niet kon vereenigen.” 

De Afgevaardigden van Wellington vereenigden zich met die van de Paarl. 

Dit Reglement afgehandeld zijnde, ging men over tot de overweging der in eene 
vorige Sessie uitgestelde Arts. 63 en 64 (pag. 16), verklarende Ds. H. Moorrees, dat hij 
stemde tegen de overweging van dezelve. 

Art. 64, 1, 2, 3, aangenomen ; in 4, achter examinandus, “ in de drie eerste 

graden .” 

In 5 ingelascht, “ een in der tijd op te rigten' — achter Akademiën, “ tot de 
Gereformeerde Kerk behoorende .” 

6, a), voor vier te stellen ten minste drie. 

b), c), 1 , 2, 3, 7, 8, 9, 10, 11, a ), 1 , 2, b), c), “ Gereformeerd ” voor Hervorm d ; 
d), e), in plaats van “ President,” “ de Vergadering ” 12, alle aangenomen. 

In 13, 14, “ Sjnode der Hervormde,” veranderd in “ Algemeene Vergadering der 
Gereformeerde.” 

15, 16, 17, 18, aangenomen. 

19, Synodale Commissie veranderd in Ringsvergadering, en bijvoeging — mits 
vertoonende dat zij eene wettige aanstelling bij eene gemeente hebben bekomen. De Ringsver- 
gadering moet zorgen, dat de Acta behoorlijk bij den Actuarius Synodi worden geregistreerd. 

Omtrent Art. 63 bragt de Hoog-Eerw. Prseses zijn op gisteren gedaan voorstel 
ter tafel, hetwelk aldas geëmendeerd werd aangenomen : — “ Dat Zendelingen, door de 
Gereformeerde Kerk geordend, die ordening alleen zullen ontvangen om buiten de grenzen 
dezer volkplanting werkzaam te zijn.” De Actuarius stemde daartegen. 

1, daaruit weggedaan de woorden, “ indien hij geenen bestemden werkkring heeft,” 
eu “ bij den Kaapstadschen Ring, enz., enz.,” en daarvoor te lezen “ eene der Ringsver- 
gaderingen.” 

2, a), b), c ), aangenomen. 

3, weggedaan. 

4, 5, Synode veranderd in “ Ringsvergadering.” 

a), b), c), d), weggedaan, en daarvoor te lezen “ Degenen, die alreede geordend 
zijn, zullen zich houden aan de verklaring bij hunne ordening gedaan (ingevolge bepaling 
van Art. 1826), en die iu het vervolg geordend zullen worden, zullen de volgende verklaring 
moeten doen en onderteekenen.” 

é) aangenomen, met weglating aan en onder de heidenen, en van dit vermogen geen 
ander gebruik maken enz., enz., tot verzameld ivordende, en uitgedaan voorts. 

6, Synode veranderd in Ringsvergadering . 

Geroijeerd “ Hoofdplaats van de Kaap de Goede Hoop.” Achter Christendom in te 
lasschen buiten de grenzen. 1826 in 1842, 9 Nov. in 11 Nov. 

7, Dit artikel werd door 18 leden aangenomen — 14 stemden er' tegen, terwijl 
eemge ledcn buiten stemming bleven. 



219 



Tegen deze handelingen der leden werd geprotesteerd door Dr. Heyns, den Actu- 
arius, de Ouderlingen van de Kaapstad en Ds. Taylor. Ds. Yan der Lingen verzocht aan- 
teekening dat hij niet goedkeurt dat Art. 63 aangenomen is, zoo als het aangenomen is. 

De Hoog-Eerw. Praeses bepaalde nu de aandacht der Vergadering bij 'het Berde 
Hoofdstuk, Beglement op de Vacaturen, waarvan Arts. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 werden aangeno- 
men. In 9 ingelascht “ dan in zeer dringende gevallen .” 

In Art. 10 ingelascht achter zal hij “van het Gouvernement” — en worde er aange- 
teekend,” dat door liet jaar van gratie verstaan wordt de geheele tijd, waarop de weduwe 
het tractement van wijlen haren man blijft genieten van het Gouvernement.” 

Art. 11 aangenomen, doch artikel 12 uitgedaan. 

Waarna de Minuten werden voorgelezen en de Vergadering, nahetgebed, scheidde. 
Bie et anno ut supra. 



ELFDE ZITTING-. 

Zaturdag, den \2den November, 1842. 

Allen tegenwoordig, behalve Ds. De Roubaix (met verlof). 

Na het gebed en de resumptie en onderteekening der Notulen, ging men voort 
met de overweging van het Berde Hoofdstuk, als wanneer aangenomen werden Arts. 13, 
14, 15 (tegen dit gestemd door Ds. H. Moorrees), 16, 17, 18, zoomede Art. 42, pag. 11. 

20 geplaatst voor 19, en aangenomen. In Art. 19 drie veranderd in zes. 

Omtrent Art. 21 werd veel gediscussieerd, over het regt der benoemenden. Er 
waren, die wildeu, dat het artikel zou worden aangenomen zoo als het was voorgedragen. 
Anderen, en onder dezen de Ouderling Le Sueur, Di. Taylor en Fraser, en de Ouderling 
Botma, dat de beroeping door al de ledematen behoorde te geschieden. De meerderheid 
echter besloot, dat dit aan eene gecombiueerde Kerkvergadering behoorde te worden opge- 
dragen, zoo dat dit Artikel met die verandering werd aangenomen, dat in plaats van den 
Kerkeraad worde gelezen — “ eene gecombineerde Kerkeraadsvergadering achter consulent 
ingelascht — “behalve in gemeenten, alwaar een overblijvende leeraar is ;” en er ten slotte 
worde bijgevoegd, “ zullende omtrent de zamenroeping van zoodanige gecombineerde Kerk- 
vergadering, in acht worden genomen, het bepaalde in Art. 35, 11 — Vierde Afdeeling.” 

In Art. 22, vier veranderd in zes. 

Art. 23 en 24 aangenomeu. 

In Art. 25 in te lasschen — ten minste. 

26 en 27 geroijeerd. 

In 28, achter of te stellen — “ een leeraar, zonder beroeping ,” geroijeerd van den 
predikstoel ; voorgesteld veranderd in voorgedragen. 
k-3 



220 



29 en 30 tot een artikel gemaakt. In 29 ingelascht, achter denzelven — “ yewigtig 
beschouwd zijnde” en weglating “ bij den Voorzitter van den Ring,” en in 30 — “ De 
Ringsvergadering, enz., enz., tot kennis.” 

31, achter Praeses gesteld — “ of ingeval de Prases zelf de benoemde ware ,” en 
tenslotte er bijgevoegd — “ door dezen ter approbatie aan het Gouvernement voorgedragen.” 

Art. 32 vernietigd. 

Art. 33 voor Bing te stellen — Prceses of Scriba, en achter approbatie — “ wegens 
onregelmatige wijze van beroep.” 

Art. 34 aangenomen. 

De Ouderling Le Sueur stelde voor, dat de 2de en 3de perioden worden vernie- 
tigd, waarmede zich Ds. Moorrees vereenigde, doch dit voorstel werd verworpen, waarop 
Ds. Edgar aanteekening verzocht, dat hij in de minderheid had gestemd, van gevoelen zijnde, 
dat de Algemeene Kerkvergadering geen regt heeft, zuik eene zaak aan het Gouvernement 
voor te stellen. 

Art. 35, achter dimitteren in eene parenthesis te stellen “ losmaken.” 

Arts. 36, 37, 38, 39, 40, 41 aangenomen. 

In Art. 42, Synode veranderd in “ Algemeene Kerkvergadering, en door denzelven 

aan.” 

43, 44, 45 (met de verandering van het woord Synode) aangenomen. 

Art. 46, Actuarius gesteld in plaats van Scriba der Synode. 

Art. 47. In plaats van “ Synodale Commissiën” Actuarius Synodi, en achter 
verleent door hem als zoodanig, “ in naam der Algemeene Kerkvergadering ,” geroijeerd 
“ door den President en Scriba verleend ” en ook aan het slot President en Scriba uitge- 
daan. — Voor “ Commissie ” in tweede en derde Periode, gelezen “ Algemeene Kerkverga- 
dering.” 

Ds. Le Pebre Moorrees stelde voo r dat de Acte verleend zoude worden door den 
Consulent, doch niemand ondersteunde dat voorstel. 

Art. 48, 49, 50 aangenomen. 

De Commissie van Revisie stelde omtrent Art. 51 de volgende emendatie voor, 
ondersteund door vele Leden : “ Geene wetten zullen voortaan mogen worden vernietigd, 
veranderd, vermeerderd of verbeterd, teuzij het voorstel tot zoodanige verandering, vernieti- 
ging, vermeerdering of verbetering, vooraf aan de Hoogste Kerkelijke Vergadering ware ge- 
schied, en door deze aan al de mindere Kerkbesturen ter overweging toegezonden en tot de 
finale aanneming door ten minste twee-derden der leden ware besloten.” 

Deze emendatie werd echter niet aangenomen, maar door de meerderheid besloten 
Art. 51 in deszelfs geheel te laten. 

Hierop werd door Ds. Spijker voorgesteld, door den Actuarius gesecondeerd en 
met algemeene stemmen aangenomen : “ Dat in het Rapport der Synodale Handelingen aan 
het Gouvernement, inzonderheid met betrekking tot het vrije beroep van Leeraren en de 
daarvoor gemaakte bepalingen, bekend gesteld worde, dat het de wensch der Algemeene Kerk- 
vergadering is, dat zulks aangemerkt worde als een verzoek gedaan, uit aanmerking en gevoe] 
van het gewigt der zaak.” 

Uithoofde varí den ophanden zijnden Sabbat scheidde de Vergadering ten Eén ure, 
nadat de Minuten waren gelezen en het dankgebed was gedaan. Bie et anno ut supra. 



221 



TWAALEDE ZITTING. 

Maandag , den 14 den November, 1842. 

Allen tegenwoordig, uitgenomen Ds. Yan der Lingen wegens indispositie. 

Na het gebed en de resumptie der Notulen, stelde de Commissie van Revisie, met 
betrekking tot Art. 13 van het Reglement op de vacaturen voor, dat daarbij ook worden 
gevoegd Art. 25 en 27 van de Kerkorde van den Commissaris Generaal Mr. J. A. de Mist, 
en wel bepaaldelijk aan het slot van dat artikel deze woorden : “ de vaste jtractemen ten der 
Leeraars in de Hervormd eJKerk worden — tot dat daartoe andere fbndsen zullen zijn aange- 
wezen, in gelijkheid met alle andere civile tractementen betaald, ten kantore van den Ont- 
vanger Generaal, op Ordonnantie van Gouverneur in Raden.” Dit voorstel werd algemeen 
aangenomen. 

Overgaande tot het vierde Hoofdstuk, werden Art. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8. A. 1, 
2, 3, 4 aangenomen. 

“ Geene ververschingen” geroijeerd, met dien verstande, dat zulks niet ten koste 
der synodale kas kan worden gebragt. 

B aangenomen. 

9, 1 0 aangenomen. 

a) aan Rationarii overgelaten, om eene nadere bepaling daarover aan de Vergadering 
voor te leggen. 

b) aangenomen. 

In c) geroijeerd de woorden, “ door hen is bijgewoond.” waarop veranderd in 

gedurende. 

Art. 11 aangenomen — met de bijvoeging — “zullende echter in de buitendistric- 
ten, alwaar de vergadering van den Ring wordt gehouden, de Ouderling, zoo hij op het 
dorp niet woonachtig is, het regt hebben, vacatiepenningen te kunnen eischen.” 

Art. 12, 13, 14, 15 aangenomen. Het laatste met die verandering — “ genieten 
ivegens elken dag drie s/nllings.” Het overige geroijeerd. 

Met Art. 16 werd ook overwogen Art. 23, Tweede Hoofdstuk, waaromtrent in de 
9de Sessie de deliberatie tot heden is uitgesteld geworden. 

Commissarissen Poiitiek verzocht zijnde hun gevoelen over dat artikel der Vergade- 
ring te willen mededeelen, verklaarden hun Ed.-Achtb., dat bijaldien dat artikel, zoo als het 
is voorgedragen, worde aangenomen, “ het alsdan aan de Synodale Commissie moet worden 
opgedragen om, nadat de Besluiten door den Gouverneur zullen zijn bekrachtigd, uit naam 
van de Synode aan Zijne Excellentie den Gouverneur te verzoeken, dat de alzoo bekrachtigde 
besluiten in eene Ordonnantie worden gebragt, en op die wijze gepubliceerd, ten einde dezelve 
eene meer verbindende kracht te doen erlangen, en vooral ook om de Synode in staat te 
stellen, de uitvoering dezer besluiten bij den wereldlijken regter zoo noodig te verzoeken.” 

Commissarissen Politiek voor deze hunne consideratien en advies door den Hoog- 
Eerw. Praeses uit naam van de Vergadering bedankt geworden zijnde, maakte de Hoog-Eerw. 
Prseses gewag, dat zijnHoog-Eerw. ook voor zich zelven de opinie heeft ingewonnen van H. M. 
Procureur Generaal, die de vriendelijkheid heeft gehad over gemeld Art. 23 zijne opinie 
k2* 



222 



schriftelijk aan zijnHoog-Eerw. te geven. De Praeses door de Vergadering en Heeren 
Commissarissen Politiek verzocht zijnde met dezelve te rnogen worden bekend gemaakt, 
is aan dat verzoek voldaan geworden door zijnHoog-Eerw. (Bijl.). 

Gemeld Art. 23 (pag. 24) zoowel als Art. 16 (pag. 37) werden, behalve door de 
Afgevaardigden van Clanwilliam en Ds. H. Moorrees, aangenomen— en besloten dat’deze arti- 
kelen behooren tot. de zoodanige waaromtrent de bepaling is gemaakt Tweede Afdeeling, 
Art. 16, welke aan het Gouvernement zullen worden voorgedragen. 

Art. 17 a) en b ) een shilling veranderd in negen pence. Het overige aangeno- 
men, waartegen gestemd werd door Di. De Roubaix en H. Moorrees. 

c ) aangenomen. Afgevaardigden van de Kaapstad, Malmesbury, Clanwilliam en 
Riversdal in de minderheid. 

d) bijgevoegd waar zulks gebruikelijk is, een shilling, veranderd in negen pence — 
voor betaling — betálingen. 

18 aangenomen. 



VIJFDE HOOFDSTUK. 

Art. 1 en 2 vereenigd en geroijeerd <c Er zal nu worden opgerigt” — en Fonds wordt, 

in is. 

Art. 3, 4, 5, 6 aangenomen. 

1, veranderd in £ 1 — 17 — 6. 

2, do. do. 

3, geroijeerd de woorden “ doop, ledematen, dood.” 

-f 7, Voor Hervormde — u G.ereformeerde jj— geroijeerd, endeingevoíge Art. 6 geheven 
en ontvangen penningen — Maart van elk veranderd in December van dit loojpend jaar, ook ge- 
roijeerd Fredikanten onder, enz., enz. 

8, 9, 10, 11, 12 aangenomen en in Sterling geld te worden overgebragt. 

Gevraagd zijnde of dit eene terugwerkende kracht had op degenen, die reeds had- 
den bijgedragen, antwoordde de Actuarius dat hij dit niet veronderstelde. Eene groote 
meerderheid der Vergadering echter vvas (op grond van Art. 23 — 1824) wat hun zelven aan- 
ging, van een tegenovergesteld gevoelen. 

Di. Le Pebre Moorrees en Scholtz verzochten aanteekening dat zij in de minder- 
heid hadden gestemd. 

Art. 13,14,15, 16,17,18,19 aangenomen — “ Synode” veranderd in “ Alge- 
raeene Kerkvergadering.” 

In Art. 20 veranderd een sleulel aan welke kist. 

21, 22, 23 aangenomen. 

In 21 “Synode” veranderd in “ Bijeenkomst der Algemeene Kerkvergadering,” 
geroijeerd de woorden “ wier schriftelijke aanmerkingen enz., enz. tot worden.” 

Art. 25, op voorstel van den Actuarius, het eerste gedeelte aldus veranderd “ en 
stellen gezamenlijk tot securiteit goede verbandbrieven te boven gaande driemaal het be- 
drag van het Fonds.” En aan het slot dit bijvoegsel — “ De Qumstor en Mede-administra- 
teur hebben het regt ter hunner verantwoordelijkheid eenen assistent aan te stellen, raet een 
salaris, niet te boven gaande de som van twintig pond sterling. 

Rationarii hun rapport ingebragt hebbeude, omtrent het aan hen opgedragen Art. 
10, a) (Bijl.), werden hunEerws. aanbevelingen aldus veranderd door de meerderheid aange- 
nomen : 



223 



Voor den Actuarius Synodi £20 per jaar. 

Voor de Scribas der Ringen elk £10 per jaar. 

Voor den vasten Scriba der Synode, wiens salaris raet de eerstvolgende Algeraeene 
Kerkvergadering een aanvang nemen zal, £10 per jaar. 

Het in eene vorige Sessie door Ds. P. E. Faure gedaan voorstel, thans weder 
voorgelezen zijnde, nam. : “ dat daar, waar de gemeenteleden niet genegen mogten zijn den 
leeraar tot het doen van herderlijke huisbezoeking van rijtuig en voorspan te voorzien, voor 
rekening van de kerkekas der gemeente, rijtuig tot dat einde zal moeten gehuurd worden,” 
werd hetzelve, in de veronderstelling dat zoodanige uitgave nooit noodig zalbehoeven te zijn, 
niet aangenomen. 

Op verzoek van den Actuarius Synodi werd, daar nu de wetten waren afgehan- 
deld, eene Commissie, bestaande uit Di. H. Moorrees en P. E. Paure, benoemd, om 
naauwkeurig te examineren of alles conform de Minuten is afgeschreven geworden. 

Wat aangaat het onderwerp ten slotte van het gerevideerd wetboek, besloten 
hetzelve te roijeren. 

Na het voorlezen der Minuten en het gebed, scheidde de Vergadering. Bie et 
anno ut supra. 



DEUTIENDE ZITTING. 

Dingsdag, den 1 oden November, 1842. 

Allen tegenwoordig. 

De Commissie van Revisie, na het gebeden deresumptie der Notulen, voorgesteld 
hebbende, dat uit de Kerkenorde van Commissaris-Generaal Mr. J. A. de Mist, het navolgende 
voorkomende in Art. 41 : “ in de rnaand Pebruarij van elk jaar, enz., enz.” onder dezelve zal 
enz., enz. tot “ overgenomen zijn,” en die bepaling dat zulks geschiede aan den Actuarius, 
verklaarden zich negentien leden voor dit voorstel. Het werd dus niet aangenomen. 

Ingevolge besluit in de Eerste Sessie genomen, werd de Actuarius Synodi ver- 
zocht zijn Rapport aan de Vergadering te willen voorlezen. Dit geschied zijnde, betuigde de 
de Vergadering haren dank aan den Actuarius Synodi, terwijl het Rapport aangenomen e.n 
aan den Hoog-Eerw. Prseses overhandigd werd (Bijl.) . 

Terwijl men bezig was met het nog aanhooren van eenige punten in gemeld Rap- 
port voorkomende, deed Ds. H. Moorrees de vraag, waarom in den aanvang dezer A3ge- 
meene Vergadering niet is gehandeld geworden overeenkomstig Art. 133 van het Algemeen 
Reglement ? 

De Hoog-Eerw. Praeses antwoordde daarop, dat de Vergadering toen besloten 
heeft dat eerst het Rapport van de Commissie van Revisie met de wetten, door haar voor- 
gelegd, zoude worden overwogen, en dat, wanneer het Rapport van den Actuarius zoude zijn 
gelezen, waarin veel voorkomt dat betrekking heeft op de zaak van Tulbagh, waarop zijn 
Wel-Eerw. doelt, als dan een Commissie zou worden benoemd, in wier handen al de 



224 



ter zaak dienende documenten zouden worden gesteld. De Hoog-Eerw. Praeses verklaarde 
tevens dat bij, uithoofde van zijne betrekking tot Ds. Shand, zich met de zaak in het 
geheel niet zoude inlaten. 

Overeenkomstig besluit, in de tweede Sessie genomen, werd nu eene Commissie 
door den Eerw. Scriba benoemd, in wier handen gesteld werd de memorie van eenige inge- 
zetenen van Tulbagh (verzoekende om de verplaatsing van den Wel-Eerw. Ds. Shand), om 
daarover rapport uit te brengen in de Vergadering van Vrijdag ; aan welke Commissie tevens 
toegang zal worden verleend tot alle ter zaak dienende Documenten. Tot die Commissie 
werden benoemd en aangesteld Di. Van der Lingen, Murray, Eraser en de Ouderlingen Le 
Sueur en Eksteen. 

De briefwisseling voorgelezen zijnde tusschen den Actuarius en den ex ordine 
Praeses van den Kaapstadschen Tting, in het Rapport, voorkomende sub No. VI, werd daar- 
mede in verband gebragt het volgende Beschrijvingspunt — " Protest tegen de handelwijze van 
den exordine Pneses van den Kaapstadschen Bing, en het niet convoceren van de gewone Ver- 
gadering op den gewonen tijd in het jaar 1838. 

Daar de wetten sedert door de Synode vastgesteld daarin hebben voorzien, en dit 
dus tot geen praecedens zal worden genomen, verzocht de Actuarius, en dit wordt zijnHoog- 
Eerw. toegestaau, dat dit Beschrijvingspunt, door hem opgegeven, worde ingetrokken. 

Hetzelfde geschiedde met het ander Beschrijvingspunt van dezen inhoud : “ Pro - 
test tegen zeker besluit van den Kaapstadschen Ring in 1840 genomen, als strijdig met de 
Synodale Verordeningen Ook dit werd ingetrokken, nadat de correspondentie daarom- 
trent aan de Vergadering was voorgelezen geworden, voorkomende sub. No. II, in het 
Rapport, en op grond dat de wetten, thans door deze Algemeene Vergadering verordend, 
volkoraen overeenstemden met de handelwijze van den Actuarius in dezen. 

De Scriba van den Zwellendamschen Ring erkend hebbende, dat en zijn Wel-Eerw. 
en de Prseses van den Ring in de zaak, waartegen de Actuarius had geprotesteerd, en waar- 
omtrent de Scriba aan deze Vergadering nu inhchting gaf, hadden gedwaald, werd ook op 
verzoek van den Actuarius, het Protest, voorkomende onder de Beschrijvingspunten, Hoofd 
Ringsbestuur, ingetrokken. 

De Minuten gelezen zijnde, scheidde de Vergadering, nadat het gebed was gedaan. 

Die et anno wt supra. 



« 



225 



VEEETIENDE ZITTING. 



Woensdag, den I6den November, ]842. 

Allen tegenwoordig, behalve Ds. De Roubaix en de Ouderling Booysen, wegens 
indispositie. 

Het gebed gedaan en de Notulen geresumeerd zijnde, bragt de Ouderling Le 
Sueur, die op gisteren tot lid eener Commissie was benoemd geworden, zijne bezwaren 
deswege in, verzoekende van die betrekking te mogen worden ontslagen. De Vergadering 
dezelve overwogen en gegrond bevonden hebbende, heeft gemelde Ouderling, dienten- 
gevolge ontslagen als lid van gemelde Commissie. 

De Hoog-Eerw. Praeses de punten nagaande, voorkomende in het rapport van den 
Actuarius Synodi, nam, met betrekking tot de correspondentie omtrent het doen drukken 
van den Heidelbergschen Catechismus en de Eormuliercn in het Engelsch, voorkomende 
onder IV L a 6°, op zich desaangaande eene overeenkomst te zullen aangaan met eenen der 
boekdrukkers alhier ; en bijaldien zoodanige overeenkomst worde getroffen — wordt besloten, 
“ dat de Commissie in de Synode van ] 837 benoemd, om den Catechismus, enz., enz., te 
translateren en de proeven na te zien, met de haar opgelegde taak belast blijve — en wordt 
in de plaats van den Ouderling Truter thans benoemd de Ouderling Reitz. 

ln verband met hetgeen voorkomt onder Lemma XIII 4°, 5°, — “ Inlichting 
omtrent de grensscheiding van Piketberg,” werdthans in overweging genomen de briefvan 
den Heer Malan (voorkomende in de 3de Sessie, Bijl.). Het verzoek in den brief overwogen 
en de aanmerkingen gehoord zijnde van een lid der Commissie, door wie de grensscheiding 
is gemaakt geworden ; ook gehoord zijnde de Afgevaardigden van de gemeenten van Tulbagh 
en Piketberg ; en in aanmerking nemende, dat de grensscheiding reeds was geschied toen 
de suppliant eigenaar werd van gemelde plaats — besloot de Vergadering het verzoek van 
gemelden Heer Malan niet te kunnen toestaan, wordende het den Hoog-Eerw. Scriba opge- 
dragen, dit zijnEd. in antwoord te doen dienen. 

De brief van het Gouvernement, voorkomende sub Lemma XIV, gelezen zijnde, zeide 
Ds. Fraser, dat de Ringsvergadering van GraafF-Reinet eene Commissie had benoemd, om de 
grensscheiding te maken voor de nieuw opgerigte gemeente van Zwarteberg ; dat de Com- 
missie ook daarmede is werkzaam geweest ; en verzocht zijn Wel-Eerw. daar er dit jaar 
geene Ringsvergadering te Graaff-Reinet is gehouden geworden, dat het die Commissie 
moge worden toegestaan, rapport van hare verrigtingen aan de Algemeene Kerkvergadering 
te mogen doeu. 

De Vergadering, lettende op hetgeen voorkomt in Art. 6 van het Algemeen Regle- 
ment, 1824, maakte geene zwarigheid dat verzoek toe te staan. 

Ds. Praser leverde hierop in het Rapport dier Commissie (Bijl.). 

Dit gelezen en overwogen zijnde, werd aangemerkt dat ook een gedeelte van de 
gemeente van Worcester, wonende in de nabijheid van den grooten Zwarteberg, daaraan 



226 



behoorde verbonden te worden ; waarop geantwoord werd, dat zulks voor de belangen van 
die menschen allerwenschelijkst was, doch dat de Commissie daaromtrent niets had durven 
besluiten, omdat de gemeente niet behoorde tot den Ring van Graaff-Reinet. 

De Vergadering het een en ander gehoord hebbende, besloot eenparig dit rapport 
te stellen in handen eener Commissie, die met de localiteit wel bekend is, om op morgen 
daaromtrent een nader rapport uit te brengen, en werden daartoe benoemd Di. Taylor, 
Sutherland, en de Ouderlingen Le Sueur, Naudé, Rotman en De Labat. 

In vereeniging met hetgeen gemeld is onder Lemma XVI. 13, werd door den 
Wel-Eerw. Scriba van den Kaapstadschen Ring gelezen, de correspondentie tusschen zijn 
Wel-Eerw. en den leeraar en kerkeraad van D’Urban, en de daarmede in verband staande 
de drie eerste Beschrijvingspunten onder het hoofd Ringsbestuur, als : 

1. De zaak van het niet verschijnen, enz. 

2. Het gedrag van den Wel-Eerw. Heer, enz., enz. 

3. Het niet verschijnen, enz., enz. 

Zoo werd daarop door den Hoog-Eerw. Prseses voorgelezen het Rapport der 
Commissie, omtrent de memorie van Ds. Beck (Bijl.), gelijk ook de memorie zelve (Bijl.). 

Dit geschied zijnde, werd door den Hoog-Eerw. Praeses gevraagd, of die memorie 
van Ds. Beck, niettegenstaande dezelve onbehoorlijke en beleedigende uitdrukkingen bevatte, 
zoude worden aangenomen ? Deze vraag door de meerderheid bevestigend beantwoord 
zijnde, stelde de Hoog-Eerw. Prseses voor, dat Ds. Beck worde geroepen, ten einde met 
eene door deze Algemeene Kerkvergadering te benoemen Commissie te spreken. Dit voor- 
stel aangenomen zijnde, werden tot die Commissie benoemd de Hoog-Eerw. Moderatoren, 
Di. Taylor, Eraser, Dr. Roux en de Ouderling Du Plessis — en tevens bepaald, dat Ds. Beck 
zoude worden geroepen tegen Vrijdag, ten 12 ure. 

Ds. P. E. Eaure verzocht, en dit verzoek werd door de Vergadering toegestaan, 
dat de memorie moge worden gesteld in handen van den Scriba van den Kaapstadschen 
Ring, ten einde de leden van dien Ring, indien zulks mogte worden vereischt, in de 
gelegenheid te stellen daarop te repliceren. 

Het voorstel van den Actuarius, voorkomende in zijn Rapport XVII : 1, — í; Aan- 
beveling aan de gunstige ondersteuning van het Gouvernement, van de belangen der onder- 
scheidene gemeenten tot ons kerkgenootschap behoorende, wier dienaren alsnog door het 
Gouvernement niet worden gesalarieerd,” werd algemeen aangenomen ; en daarop tevens door 
Ds. Eraser voorgesteld en goedgekeurd : “ dat eene memorie aan Hare Majesteit door deze 
Vergadering worde toegezonden, waarin de geestelijke behoeften van de ingezetenen dezer 
volkplanting duidelijk ontwikkeld, met verzoek dat in dezelve goedgunstig moge worden 
voorzien. 

Tot het vervaardigen van gezegde memorie werden benoemd de Hoog-Eerw. 
Moderatoren en Ds. Fraser. 

Omtrent het ander voorstel : “ Het verordenen van zoodanige bepalingen, waardoor 
elk deel der openbare eerdienst tot meerdere stichting worde verrigt,” verklaarde de Actuarius, 
dat hij daarmede bijzonder bedoelde, het voorlezen van Gods Heilig Woord, dat meestal 
geschiedt lang voor het derde klokkengelui, voor dat de geheele gemeente is te zamtn 
gekomen, en door het meerder deel niet beschouwd werd, als een Yoornaam deel uitmakende 
van de openbare eerdienst. Vele leden gaven daaromtrent hun gevoelen te kennen, en 



227 



verklaarden, dat eene verbetering omtrent dit gedeelte der openbare eerdienst eene allezins 
wenschelijke zaak ware. 

De onderscheiden gevoelens gehoord zijnde, stelde de Actuarius voor “ dat het 
aan elken Kerkeraad thans worde aanbevolen, daaromtrent zoodanige voorziening te maken, 
waardoor dit zoo gewenscht doel het best zou kunnen worden bereikt.” Dit werd door de 
Vergadering goedgekeurd, terwijl Dr. Heyns verzocht werd dit onderwerp vooral te willen 
aanstippen in den Herderlijken Brief. 

Nadat de Hoog-Eerw. Prseses het rapport van den Actuarius seriatim had nage- 
gaau, en de aandacht der Vergadering, uitgezonderd eenige bijzondere punten, bij elk 
deel, waar zulks noodig was, had bepaald, ook de Rings-rapporten, ging men over tot de 
“ Geredigeerde Voorstellen.” 

Staats Kerk-Regt. 

Omtrent het daar gemeld Protest de noodige inlichting gegeven zijnde door den 
Hoog-Eerw. Prmses, in zijne betrekking als Scriba van den ZweUendamschen Ring, werd 
dat protest. ingetrokken door den Predikant van Riversdal. 

Het daarop volgende punt werd ook ingetrokken, daar die wetsbepaling niet uit- 
slu’tend toepasselijk is op ons kerkgenootschap, maar ziet op alle gezindten in deze volk- 
planting. 

Synodale Vergaderingen , enz. 

De Hoog-Eerw. Praeses verklaarde dat omtrent het punt, “ dat, door de Synodale 
Besluiten aan de meesten, enz., enz.,” genoegzaam was voorzien in de gerevideerde 
wetten, dit niet noodig was behandeld te worden. 

Ook werd ingetrokken het door dcn Kerkeraad van Zwellendam ingezonden punt, 
“ dat eenig middel beraamd worde ter instandliouding van het Synodale Eonds, instede van 
eene belasting op den H. Doop.” 

“ Het niet verantwoorden van den Kerkeraad van den Tijgerberg, van het Syno- 
dale Ponds van 1841.” Daaraan was sedert voldaan, en werd dit punt ingetrokken. 

Omtrent het daarop volgende punt werd besloten : “ dat zoodanige stukken, 
waaromtrent de Ringsvergadering zulks mogte besluiten, door eenen gezworen Translateur 
zullen worden vertaald, ten einde niet noodeloos de Synodale kas te bezwaren. 

De Minuten werden hierop voorgelezen, het dankgebed gedaan en de Vergade- 
ring scheidde. Die en anno ut supra. 



l2 



228 



VIJETIENDE ZITTING. 



Bonderdag , den Yiden November, 1842. 

Allen tegenwoordig, behalve Ds. Shand eu Ouderling Malherbe, beiden wegens 
indispositie. 

Na het gebed en de resumptie der Notulen, las de Hoog-Eerw. Prseses 
eenen brief bij zijnHoog-Eerw. van Ds. Welsh ontvangen, meldende hoe én zijnWel-Eerw., 
én Di. Pears en Thomson verhinderd zijn geworden in deze Algemeene Kerkvergadering te 
verschijnen, doordien het vaartuig één dag vroeger dan bepaald was de haven had verlaten, 
verzoekende tevens, dat maatregelen mogten worden beraamd ter bevordering van de 
opvoeding der jeugd in de parochie aldaar (Bijl.). 

De Commissie op gisteren benoemd, tot het nader bepalen van de grensscheiding 
der nieuwe parochie van Zwarteberg, leverde daaromtrent haar Rapport in (Bijl.). 

Dat Rapport voorgelezen zijnde en aangenomen, werd de Commissie door den 
Hoog-Eerw. Prseses bedankt ; terwijl eenparig door de Vergadering besloten werd de door 
die Commissie gemaakte grensscheiding goedte keuren, en aan den Hoog-Eerw. Scriba werd 
opgedragen, die onverwijld aan het Gouvernement ter sanctie over te zenden. 

Ook werd gelezen het Rapport der Commissie, bevattende de namen der door haar 
benoemde personen tot ouderlingen en diakenen dier gemeente (Bijl.). Ook dit rapport 
werd goedgekeurd en besloten conform het vorige te handelen. 

Thans overgaande tot de gerevideerde voorstellen, werd onder Hoofd Synodale 
Vergaderingen — “ Omtrent de inkomsten tot het Synodale Fonds te George,” na bekomen 
inlichting van den Scriba van den Zwellendamschen Ring, dat punt door den Ring inge- 
trokken. 

Omtrent het audere — “ Verschil omtrent synodale gelden uit de gemeente van 
George,” las de Qusestor van den Zwellendamschen Ring eenen brief van den Kerkeraad 
van George, waarin gemeld wordt, dat niet de Qusestor Synodi, maar zij, de Afgevaar- 
digden tot de Synoïe van 1834 hadden betaald. De Qussstor verklaarde dat hij de kwitan- 
tiën onder zich berustende heeft, geteekend door Ds. Ballot, zoo van het jaar 1537 als 
1834, en dat hij hern heeft betaald, en exhibeerde dezelve aan de Vergadering (Bijl.). 

De Vergadering verklaarde het aangevoerde van den Kerkeraad geheel ongegrond. 

Omtrent hetgeen voorkomt onder het hoofd Ringsbestuur — “ De Ringsvergadering 
(van Zwellendam) heeft eenparig besloten, dat enz., enz., enz.,” berustte de Vergadering in 
de kennisgeving, dat er dit jaar geene Vergadering van den Ring worde gehouden, zullende 
dit voortaan ook niet meer kunnen geschieden in het jaar waarop de Algemeene Kerkver- 
gadering te zamen komt. 

“ Over het regt van gemeenteleden om stappen te doen ter verdeeling der 
gemeente,” door den Kaapstadschen Ring voorgedragen, las de Wel-Eerw. Scriba van 
dien Ring het volgende besluit : — “ Dat het eenig aantal leden eener gemeente niet vrijsta 
stappen te doen en maatregelen te werk te stellen, die leiden moeten, of ligtelijk 



229 



leiden kunnen, tot het verdeelen van de gemeente, waartoe zulk aantal leden behoort, tenzij 
zulk ondersteld aantal leden van den predikant of predikanten der gemeente in het bijzonder, 
en van den Kerkeraad in het gemeen, verlof daartoe ontvangen hebben.” 

Als eene emendatie daarop werd door Dr. Roux voorgesteld, “ tenzij kennis 
gegeven zij aan den Kerkeraad der gemeente, en verlof verkregen van den Ring.” 

Vóór de emendatie stemden 18 leden, zoo dat dezelve niet werd aangenomen, 
daar de raeerderheid zich voor het origineel voorstel verklaarde. 

KERKELIJKE BESTUUR IN DE GEMEENTE. 

Uithoofde van hetgeen in eene vroegere Sessie is besloten trok de Predikant van 
Riversdal in — “ dat het toedienen, enz. enz.” 

Ook werd door den afgevaardigde van Tulbagh ingetrokken “ dat er door de 
Synode bepaald worde dat in alle kerken, enz., enz.” 

De afgevaardigde deed hetzelfde met het volgende punt — “ dat er door de Synode 
bepaald worde, \dat hetgeen een leeraar der Hervormde Kerk, enz M ep z.” 

De vraag door den Kerkeraad van Graaff-Reinet voorgesteld : “ worden er 
afwijkingen, enz., enz.,” werd beschouwd — door besluiten in eene vroegere Sessie — genoeg- 
zaam beantwoord te zijn. 

Hetzelfde oordeel velde de Vergadering over het andere punt : “ Dat eene bepaling 
gemaakt worde omtrent gevallen, enz., enz.” 

Met betrekking tot de vraag van den Kerkeraad van Beaufort : “ Hoe moet men 
handelen, in gevallen waarin personen, enz., enz.,” was het gevoelen der Vergadering, “ dat, 
wanneer de bewijzen voor den Kerkeraad voldoende zijn, zij aangenomen en in het 
Ledematen-Register behooren bekend gesteld te worden.” 

Aangaande het voorstel van Graaíf-Reinet : “ Dat de Hoog-Eerw. Synodale Ver- 
gadering eene voorziening make dat ledematen, enz. enz.,” was reeds voorzien in de 
gerevideerde wetten. 

Op de vraag van den Kerkeraad van Graaff-Reinet : “ Kunnen Bloedverwanten of 
Familien, enz., enz.” verklaarde de meerderheid der Vergadering niet bewust te zijn van 
eenige wet, welke de begraving van zoodanige lijken op het Kerkhof belet ; — en ook niet 
genegen is daaromtrent eenige bepaling te maken. 

Omtrent de vraag door den Kaapstadschen Ring voorgedragen : “ Geeft de 
regterlijke ontbinding eens huwelijks, enkel en alleen gegrond, enz., enz., enz. ;” werd 
aangemerkt, dat dit vraagpunt door den Kerkeraad van Stellenbosch aan den Ring was 
voorgedragen geworden, en de Vergadering geen antwoord daarop hebbende kunnen geven, 
besloten heeft dit aan de Hoog-Eerwaarde Vergadering te moeten voordragen. Nadat vele 
leden hun gevoelen hierover aan de Vergadering hadden medegedeeld, werd deze vraag 
algemeen ontkennend beantwoord. 

“ Dat de bepaling der Synode in de Nederlanden (d.d. 11 Julij 1817), ten aanzien 
van zekere vragen, enz., enz., enz.,” werd door den Kerkeraad van de Kaapstad ingetrokken, 
blijvende het aan elken leeraar en kerkeraad overgelaten, daaromtrent naar vereischte te 
handelen. 

Betrekkelijk het voorstel door den Kerkeraad van den Wijnberg gedaan, dat een 
plegtig dank-uur worde gehouden, beginnende dat voorstel aldus : " Dat overeenkomstig 
k2* 



230 



het besluit, enz., enz.,” — verklaarde de Yergadering, dat zij daaromtrent geene stellige wet 
wilde gemaakt hebben, dat zij het allezins als eene zeer nuttige zaak beschouwt, en 
besloot dezelve zulks aan elken plaatselijken Kerkeraad over te laten, om daaromtrent te 
handelen zoo als dezelve voor de belangen van de godsdienst het best mogle oordeelen. 
Zullende de Scriba die mededeeling doen. 

“ Dat zekere proclamatie door Hare Majesteit, enz., enz.,” werd door den Kerke- 
raad van Worcester ingetrokken. 

De Vergadering hare gevoelens te kennen gegeven hebbende over het punt : — 
“ Dat er door de Synode zorg worde gedragen dat de gedreigde verspreiding, enz., enz., enz.,” 
werd dit punt, zoo als daar ternedergesteld, ingetrokken, doch besloten dat door deze 
Vergadering den leeraars worde aanbevolen, zoo iu hunne leerredenen, als catechisatiën en 
huisbezoekingen, de leden hunnergemeente vooral opmerkzaam te maken op het onderscheid 
tusschen de leer der Gereformeerde en die der Roomsche Kerk, om aldus door het versprei- 
den van de leer der waarheid lien tegen den invloed van de leer dier kerk te waar- 
schuwen. 

Overgaande tot het Hoofd “ Predikanten Weduwen Ponds,” las de Qusestor van 
dat Ponds eenen brief door hem aan deze Vergadering gerigt (Bijl.). De Quaestor door de 
Vergadering bedankt geworden zijnde, werd in overweging met het laatste gedeelte van 
zijnen brief, het Beschrijvingspunt overwogen, “ Het verzoek van den Eersten Ring, met 
betrekking, enz., enz.,” en werd eenparig besloten deze zaak op eene eerbiedige wijze voor 
te dragen aau H. M. Secretaris van Staat voor de Koloniën. 

Het opstellen en doen vervaardigen van deze memorie, werd opgedragen aan den 
Hoog-Eerw. Moderatoren (Bijl.). 

Betrekkelijk de vraag, voorkomende in het eerste gedeelte van ’s Qusestors brief, 
gegrond op eene in denzelven gedane mededeeling, “ wat hem in deze zaak te doen zij ?” was 
het gevoelen der Vergadering, “ geene andere stappen te doen ter invordering van die geldsonn 
latende het aan den beboete over, indien hij mogt verkiezen zulks vrijwillig te betalen.” 

Onder het Ploofd Bingsbestuur, gelezen zijnde de mededeeling door den Riug 
geschied, omtrent het niet verschijnen van Ds. Van der Lingen in de Vergadering van 1839, 
betuigde de Iloog-Edele Vergadering hare tevredenheid met de verontschuldiging door Ds. 
Van der Lingen ingebragt. 

De Commissie, in de 18de Sessie benoemd, om te rapporteeren over eene memorie 
in hare handen gesteld, aandringende op de verplaatsing van Ds. Shand, haar Rapport inge- 
leverd hebbende (Bijl.), werd zulks gelezen, gelijk ook een brief onderteekend door de 
Heeren De Vaal, Theron, De Klerck, Engels, (Bijl.). De discussiën waarover, wegens 
tijdsverloop tot morgen werden uitgesteld. 

De Hoog-Eerw. Praeses deelde aan de Vergadering mede, dat zijnlloog-Eerw. 
Ds. Beck liad aangeschreven op tnorgen alhier te verschijnen, en een antwoord thans had 
ontvangen, dat hij bereidwillig is daaraan te voldoen (Bijh). 

Na het voorlezen dcr Minuten en na het gebed scheidde de Vergadering. Die et 
anno ut supra. 



231 



ZESTIENDE ZITTING. 



Vrijdag , den 18 November, 1842. 

Allen tegenwoordig, uitgezonderd de Actuarius Synodi, wegens ongesteldheid. 

Ds. P. Ë. Faure, verzocht zijnde in zijne plaats te ageren, zoo deelde, na het 
gebed en de resumptie der Notulen, de Hoog-Eerw. Praeses aan de Vergadering mede, dat 
hij van de afwezendheid van den Hoog-Ed. Heer eersten Commissaris Politiek, gebruik 
maakte aan de Vergaderiug mede te deelen, dat hij het van zijn pligt heeft geacht, in der 
minne met gem. heer te spreken over woorden, die veel aanstoot bebben gegeven in het. 
Rapport van Commissarissen Politiek bij de vorige Synode, aan het Gouvernement gedaan ; 
dat bij eene declaratie van zijn Hoog-Ed. ontvangen heeft, die zijn Hoog-Eerw. kan voor- 
lezen, onder voorwaarde dat de Vergadering er in berustte, en verder in de zaak niet 
trede. 

Door de meerderheid werd dit toegestemd, doch Ds. Murray merkte aan, dat hij 
natuurlijk moet berusten in het gevoelen van de meerderheid, maar dat hij voor zichzelven 
bleef voorbehouden, om, wanneer in het vervolg van tijd eenig nadeel daaruit mogte ont- 
staan, hetzij voor zich zelven, hetzij voor de Kerk in het algemeen, alsdan de correspon- 
dentie door zijn Eerw. daarover gevoerd, bekend te maken, op welke wijze ook zijn Eerw. 
daartoe het geschiktst mogt voorkomen. 

De Voorzitter las hierop den brief van den Wel-Ed. Heer Berrangé (Bijl.). 

Ook werd gelezen een gedeelte van ’s Gouvernements brief aan den Hoog-Eerw. 
Scriba der vorige Synode, en een gedeelte van eenen brief van Sir John Truter. 

Di. Van der Lingen en P. E. Eaure merkten aan, nadat zij de declaratie hadden 
gehoord, dat zij in de minderheid geweest waren, toen de Hoog-Eerw. Vergadering besloten 
heeft in gemelde declaratie te berusten. 

De Commissie benoemd om de memorie op te maken aan Hare Majesteit, ten 
opzigte van de geestelijke behoeften dezet' volkplanting, verzocht om uitstel van tijd, ten einde 
statistieke informatien te kunnen inwinnen, om alles op eene volledige wijze open te leggen 
en aan de Ringen te submitteren ; welk verzoek is toegestaan geworden. 

De leden vau den Kaapstadschen Ring leveren een document in (Bijl.), om te 
stellen in handen der Commissie, welke benoemd is om met Ds. Beck te spreken. 

De zaak van eenigen in de Tulbaghsche gemeente thans voorkomende, verliet de 
Hoog-Eerw. Praeses den stoel, omdat zijnHoog-Eerw. lid is van den Ring van Zwellendam 
die in die zaak hadden geoordeeld. Ds. Murray, Moderator der laatste Algemeene Kerk- 
vergadering tot den stoel geroepen zijnde, werd uit de Acta van den Zwellendamschen Ring 
gelezen, al hetgeen omtrent die zaak is voorgevallen. Daarop gevraagd zijnde of de leden 
die in den Zwellendamschen Ring in deze zaak liemoeijenis liebben gehad, thans daarni 
stemming zullen hebben, werd er door de meerderheid besloten, dat zij daarin noch stem 
noch zitting hebben zouden. Ds. De lloubaix was in de minderheid, en Ds. H. Moorrees 
protesteerde daartegen. 



232 



Als nu werd gelezen de memorie zoo wel als de brief ‘ waaromtrent de Commissie 
op gisteren rapport heeft uitgebragt. 

Door den Hoog-Eerw. Praeses gevraagd zijnde, of gedeputeerden geadmitteerd 
zullen worden ? Besloot de Vergadering dat een der gedeputeerden door de Tulbaghsche 
memorialisten worde toegelaten, en de afgevaardigde Ouderling van Tulbagh, om inlich- 
tingen in het belang hunner zaak mede te deelen. 

Nadat eene Pause was gehouden, gedurende welke de Commissie met Ds. Beck 
zoude onderhandelen : verscheen de Heer De Vaal, en leverde zijn Credentiaal in om bij de 
Synode de zaak van diegenen te behartigen, die Ds. Shand wenschen verplaatst te hebben 
(Bijl.). De Hoog-Eerw. Moderator zijne aanmerkingen over de ingekomen memorie medege- 
deeld hebbende, zeide de Heer De Vaal, dat men nieuwe grieven heeft, doordien Ds. Shand, 
na zijne herstelling als leeraar, beleedigende uitdrukking van den predikstoel heeft gebezigd. 
De Ouderling Du Plessis merkte aan dat hij en zijne gemeente tevreden zijn met hunnen leeraar 
(Ds. Shand) en hem wenschen te behouden. — De Heer De Vaal aanmerkende dat de Heer 
Du Plessis eerst tegen Ds. Shaud had geteekend, en nu verauderd scheen te zijn ; erkende 
de Ouderling Du Plessis zulks, er bij voegende, dat hij zijne dwaling had ingezien en 
teruggekomen, gelijk ook meer met hem dat hebben gedaan. 

De Praeses het gevoelen der Vergadering daarover gevraagd, en vele leden der 
Vergadering liunne gevoelens in het breede over de zaak, alsmede over het vraagpunt daarin 
vervat, medegedeeld hebbende, raaakte de Prseses de Vergadering opmerkzaam op het groot 
gewigt der zaak, en de waarschijnlijk schromelijke gevolgen, welke de toestemming van het 
vraagpunt hebben zoude. 

Hierop werd een voorstel gedaan door Dr. Heyns (Bijl.). De overweging daarvan 
uitgesteld zijnde, werd een nader voorstel gesubmitteerd door den OuderlingLe Sueur (Bijl.). 

Dit voorstel aangenomen zijnde, zoo werd tot dat einde eene Commissie benoemd, 
bestaande uit Di. Robertson, Herold, Spijker, P. Eaure en Ouderling Le Sueur, terwijl 
HH. Commissarissen Politiek werden uitgenoodigd, hetgeen zij vriendelijk op zich namen, 
leden dier Commissie te willen zijn. Zoo mogelijk, zal de Commissie op morgen rapport 
inleveren. 

De Commissie in de zaak van Ds. Beck leverde haar rapport in (Bijl.). 

Een auder punt in het rapport van den Actuarius voorkomende, wegens tijds- 
verloop uitgesteld. 

Ingekomen eene memorie van den Wel-Eerw. Dr. Adamson (Bijl.). 

Gelezen een voorstel van Ds. P. E. Eaure (Bijl.). 

Ds. H. Moorrees vraagt, op welken grond de leden van den Zwellendamschen Ring 
uitgesloten zijn geworden ? 

Na de voorleziug der Minuten en het dankgebed scheidde de Vergadering 
Die et anno ut supra. 



233 



ZEYENTIENDE ZITTING. 

Zaturdag , den 19 den November, 1842. 

Allen tegenwoordig uitgezonderd Ds. Brink — met verlof. 

Na het gebed en de resumptie der Notulen werd ingeleverd en gelezen het Rapport 
der Commissie, op gisteren in de Tulbaghsche zaak benoemd (Bijl.). 

Dit rapport aangenomen zijnde, stelde Ds. Murray voor, welk voorstel algemeen 
werd toegestemd : “ dat de Yergadering haren hartelijken dank betuige aan de Commissie 
voor de pogingen door dezelve aangewend, om het doel, waartoe dezelve benoemd was, met 
zoo gewenscht een gevolg bekroond te zien ■” wordende mede, op voorstel van Ds. Spijker — 
“ het genoegen der Vergadering te kennen gegeven aan de wederzijdsche partijen, voor de 
gereede wijze waarop de toetreding hebbe plaats gevonden.” 

De Vergadering zich vereenigende met de aanbeveling der Commissië, werd het 
punt — “ dat het gedrag der gewezene Kerkeraadsleden te Tulbagh enz. enz.,” ingetrokken. 

Het andere, “ maatregelen te nemen, enz., enz.,” was door de Commissie bewerk- 
stelligd, en hare verrigting in deze wordt door de Vergadering goedgekeurd. 

De Vergadering besloot, dat — “ van het ingeleverd rapport, copij en uittreksel 
van dit besluit zouden worden uitgereikt aan de weêrzijdsche partijen, zoo wel als aan den 
Ring van Zwellendam, alwaar de zaak ter eerster iustantie is behandeld geworden.” 

Omtrent het punt, “ de beantwoording der vraag door den afgevaardigden 
Ouderling, enz., enz.,” deelde de Hoog-Eerw. Praeses (als Scriba van den Zwellendamschen 
Ring) de noodige inlichting mede, waarop Commissarissen Pulitiek om H. H. consideratie 
en advies verzocht zijnde, dezelve schriftelijk mededeelden (Bijl.). 

Het besluit der Vergadering was, dat — “ het den Kerkeraad van Tulbagh worde 
aanbevolen eene inschrijving te openen, en dat hetgeen daarna aan de vereischte som mogt 
ontbreken, uit de kerkenkas worde aangevuld.” 

Ds. Le Eebre Moorrees wilde, dat aangeteekend werd, dat hij in de minderheid 
iiad gestemd, terwijl Ds. Shand verzocht dat die zaak onaangeroerd zoude worden gelaten, 
daar door zijnWel-Eerw. gezorgd is geworden dat de gemaakte onkosten betaald werden. 

Op verzoek van den Hoog-Eerw. Praeses las Dr. Ileyns den door zijnWel-Eerw. 
opgestelden Herderlijken Brief (Bijl.), welke met eenparigen, hartelijken dank aan den 
opsteller, door de Vergadering werd aangenomen, en besloten dien onmiddelijk ter perse 
te leggen, om op den dag der sluiting, als naar gewoonte, van den predikstoel gelezen, en 
vervolgens in de gemeenten verspreid te worden, wordende het tlians bepaald,dat de Synode 
op Woensdag, den 23sten, plegtig zal worden gesloten. 

De Commissie in de zaak van Ds. Beck rapport hebbende ingeleverd, werd zulks 
door den Hoog-Eerw. Praeses gelezen (Bijl.), gelijk mede gelezen werd een brief van genn 
Ds. Beck (Bijl.), terwijl de IIoog-Eerw. Praeses bij monde mededeelde hetgeen Ds. Beck 
zijn Hoog-Eerw. had te kennen gegeven van zijne bezwaren, omtrent het bijvvonen der 
hoogere Kerkelijke Vergaderingen. 



234 



De leden van den Kaapstadschen Ring hierop de Vergadering verlaten hebbende, 
werd Ds. H. Moorrees door den Hoog-Eerw. Prseses verzocht de pen te willen voeren. 

Daar nu door het verlaten der Vergadering van de leden des Kaapstadschen 
Rings, de Vergadering op minder dan twee-derden gerednceerd was, werd er gevraagd 
of nu ook moet voldaan worden aan het in zulke gevallen gevorderde, volgens Art. 61 der 
wetten van 1824, doch is hierop geantwoord, dat reeds in de jongste Synodale Vergadering 
erkend was geworden, dat de bedoelde wetsbepaling voor de Kerkelijke Vergaderingen in 
Zuid-Afrika onuitvoerbaar is. 

Hierop zeide de Voorzitter, dat de zaak tusschen den Wel-Eerw. Heer Beck en 
den Kaapstadschen Ring, zoo als het hem toescheen, uit misvatting en misverstand ontstaan 
was, gaf vervolgens een kort verslag van het gebeurde, en stelde voor : 

a) Dat de Apologie door den Wel-Eerw. Heer Beck gemaakt, door de Synode als 
voldoende beschouwd worde. 

b ) Dat de Synode den Wel-Eerw. Heer Beck haar gevoelen te kennen geve, dat 
de Predikanten ambtshalve verpligt zijn de hoogere Kerkelijke Vergaderingen bij te wonen. 

c) Dat de Synode verklare, dat de Ring het regt had den Wel-Eerw. Heer Beck 
te beboeten, en de boeten in te vorderen, maar handelende in den geest, welke deze Syno- 
dale Vergadering kenschetst, den Ring aanbevele om de boete te schenken. 

cl) Dat de Synode niet anders dan ten hoogsten afkeuren kan den geest doorstra- 
lendeinde uitdrukkingen gebezigd in deaan de Vergadering voorgelegde geschriften van den 
Wel-Eerw. Heer Beck, en zijnWel-Eerw. gelastte om in het vervolg ten aanzien van hoogere 
Kerkelijke Vergaderingen, den gepasten eerbied in acht te nemen. 

Vervolgens is gelezen een geschrift, inhoudende het gevoelen van den Kaapstad- 
schen Ring over de memorie van den Wel-Eerw. Heer Beck, alsmede repliek van den Kaap- 
stadschen Ring op de hier genoemde memorie (zie Bijl.). Nu gaven de verschillende leden 
der Vergadering hiuine gevoelens over deze zaak te kennen. Voor men echter tot een 
besluit overgiug zijn de Wel-Eerw. Heeren Spijker en Heyns binnen gelaten otn te verne- 
men of zij genoegen nainen iu het door den Wel-Eerw. Beck betuigde leedwezen. Het 
grooter deel der Vergadering had nam. : hiertoe besloten, omdat gezegde heeren personeel 
beleedigd waren in de meermalen genoemde memorie. Zulks geschied zijnde, verzekerden 
die heeren dat zij er mede tevreden waren. Waarop de Vergadering het door den Voor- 
zitter voorgestelde verklaarde liaar gevoelen te bevatten, hetwelk dan ook in een besluit 
veranderd is. 

De leden van den Kaapstadschen Ring weder zitting genomen hebbende, rela- 
teerde de Hoog-Eerw. Praeses hetgeen omtrent Ds. Beck vvas besloten geworden. 

Ds. Van der Lingen leverde, in geschrifte, een protest in, dat aan de Vergadering 
werd voorgelezen (Bijl.). 

De Hoog-Eerw. Prseses verzocht de aandacht der Vergadering bij hetgeen voor- 
komt in het Rapport van den Actuarius, L a X, No. 16. De aldaar vermelde brief van het 
Gouvernement werd voorgelezen, terwijl Ds. Murray en de Hoog-Eerw. Praeses de oorzaak 
openleiden, waarom die brief door Zijne Excellentie was geschreven geworden, zijnde een 
antwoord op eenen brief van Moderatoren der vorige Synode. 

Op voorslel van Ds. Murray, werd ook uit de Acta Synodi, 1887, voorgelezen, 
de uitspraak dier Synode in de Kaapstadsche zaken. 



235 



Op de vraag van den Prseses of daaromtrent iets gedaan was, antwoordde Ds. Faure 
“ dat toen gemelde Gouvernementsbrief bij den Kerkeraad is ontvangen geworden, zwarig- 
heden door vele leden werden geopperd, welke destijds aan het Gouvernement zijn voorgelegd 
geworden, doch waaromtrent de Kerkeraad tot op dezen dag geen antwoord heeft ontvangen, 
dat men met den opbouw der tweede Kerk gewis weder een aanvang zoude hebben gemaakt, 
doch dat gebrek aan fondsen dit voor als nog niet heeft toegelaten.” 

De Ouderling Le Sueur voegde er bij dat sints de voltooijing van dit tegenwoordig 
Kerkgebouw, men reeds bedacht is geweest het lang gestaakte werk voort te zetten, dat geen 
stuiver van het fonds der Nieuwe Kerk tot den herbouw der oude is gebezigd — doch 
dat het fonds te gering is het gebouw op te halen, en men bedacht is op maatregelen het 
aangevangen werk te mogen voltooijen. 

Ds. Spijker verzekerde, dat er bij den Kerkeraad nimmer eenige neiging heeft 
bestaan om het werk van het tweede kerkgebouw te verhinderen, en dat men daarmeê zoude 
voortgaan, zoodra er maar de middelen daartoe bestonden ; bij het reeds beweerde door 
zijnEerw. medeafgevaardigden voegende de verzekering, dat de Synode overtuigd zal worden, 
dat de Iverkeraad van de Kaapstad, overeenkomstig deszelfs verpligting, voor de wezenlijke 
belangen der gemeente zal zorgen. 

De Synode besloot den Kerkeraad van de Kaapstad ten ernstigste aan te bevelen, 
daar de opbouw van de tweede kerk eene zoo allerwenschelijkste zaak is, zoo veel mogelijk 
alle middelen aan te wenden om zulks te bevorderen. 

Gesproken zijnde over de kosten, waarvan in de uitspraak der Synode van 1837 
wordt bepaald, was het gevoelen der Vergadering te blijven berusten in de wijze waarop die 
zijn voldaan geworden. 

Di. Van der Lingen en P. E. Faure verzochten aanteekening, dat zij in de discus- 
sien over de Kaapstadsche zakeu geen deel hebben genomen. Laatstgemelde gaf in 
geschrifte zijne redenen in (Bijl.). 

De Hoog-Eerw. Praeses las, met betrekking tot het Beschrijvingspunt over de 
Huwelijks-Wet, eenen brief van Harer Majesteits Procureur-Generaal, verzoekende dat aan 
zijnHoog-Ed. mogen worden ingezonden de bezwaren tegen gemeide wet (Bijl.). 

De overweging hiervan werd uitgesteld tot de eerstvolgende Vergadering. 

Met betrekking tot de nieuwgestichte gemeente te Zwarteberg, was het besluit 
der Vergadering dat dezelve zoude behooren tot den Ring van Graafif-Reinet. 

De minuten voorgelezen zijnde, werd het gebed gedaau, en de Vergadering 
scheidde. Die et anno ut supra. 



236 



ACHTTIENDE ZITTING. 



Maandag, den 21 sten November, 1842. 



Allen tegenwoordig, behalve den Ouderling Joubert, wegens indispositie. 

Na het gebed en de resumptie der Notulen, merkte Ds. Van der Lingen aan, dat 
alles niet zoo naauwkeurig was aangeteekend geworden, gelijk het in de laatste Vergadering 
was voorgevallen ; waarop door den Actuarius werd aangemerkt dat de Minuten bij het 
sluiten der Vergadering waren voorgelezen, en alles overeenkomstig de Minuten was 
gecoucheerd. Ds. Van der Lingen verlof gevraagd hebbende dat hetgeen hij had opgetee- 
kend, eu de aanmerkingen door hem in geschrifte gesteld, mogen worden voorgelezen, het- 
geen zijnEerwaarde verklaarde meer bijzonder betrekking te hebben op de wijze waarop 
in delaatste Vergadering de zaken door den Praeses waren behandeld geworden — en dit door 
de meerderheid der Vergadering toegestaan zijnde, las zijnWel-Eerw. het door hem vervaar- 
digd geschrift, reflecterende meer bijzonder op den Hoog-Eerw. Praeses. Dit geschied 
zijnde, en zijnWel-Eerw. zich nu tot de Vergadering rigtende, werd door den Hoog-Eerw. 
Prseses aangemerkt, dat hij gezwegen had zoo lang die aanmerkingen op zijnHoog-Eerw. 
zijn gemaakt geworden, maar niet konde gedoogen, dat aanraerkingen op de Vergadering 
werden gemaakt, in uitdrukkingen strijdig met Art. 56. De Hoog-Eerw. Prseses stelde 
daarop de vraag voor, en die vraag werd tevens door Ds. Van der Lingen gedaan, of zijn- 
Wel-Eerw. zoude voortgaan met zijne aanmerkingen ? — De Vergadering weigerde hare 
toestemming daartoe te verleenen. 

De Hoog-Eerw. Praeses las eenen brief van den honorairen Scriba van D’Urban 
(Bijl.). Voor notificatie aangenomen. 

Ilet Bcschrijvingspunt, door den Kerkeraad van Worcester ingezonden, werd nu 
overwogen, luidende aldus : — “ Dat bij het aangaan van huwelijken, in het vervolg, enz., enz., 
enz.” Daarbij werden gelezen de in het Rapport van den Actuarius voorkomende brieven 
van Ds. Reid (ingek. br. pag. 201), en den Zwellendamschen Ring (ingek. br. pag. 375); 
ook werden gelezen de consideratiën en advies van Heeren Cominissarissen Politiek (Bijl.), 
die door den Hoog-Eerw. Praeses daaroin zijn verzocht geworden. 

Commissarissen Politiek door den Hoog-Eerw. Prseses bedankt geworden zijnde, 
hebben verscheidene leden hun gevoelen over de tegenwoordige Huwelijks-Wet te kennen 
gegeven, daarop nederkomende, dat het noodig zij, dat die wet veranderd of verbeterd worde. 

De Actuarius stelde voor : — “ Dat de Vergadering het advies aanneme van Heeren 
Commissarissen Politiek, en eene Commissie uit deze Algemeene Kerkvergadering benoeme, 
om na het sluiten der Vergadering met overleg van Coinraissarissen Politiek zich te belasten 
methet bijeenverzamelen van depunten van bezwaar omtrent gemelde Huwelijks- Wet, en het 
vereischte voorstel daarover in naara der Algemeene Kerkvergadering te doen aan Harer 
Majesteits Procureur- Gen eraal. ’ ’ 

Dit voorstel aangenomen zijnde, werden tot die Commissie benoemd Heeren 
Commissarissen Politiek, de Hoog-Eerw. Praeses, de Actuarius Synodi, Ds. Spijker en de 
Ouderling Le Sueur. 



237 



Er werd ook gesproken over het wenschelijke en noodzakelijke van de weder- 
oprigting van het Collegie van Huwelijkszaken, — en gevraagd zijnde of dit zoude worden 
aanbevolen, werd deze vraag door eene groote meerderheid ontkennend beantwoord. 

In de minderheid was Ds. Scholtz. 

Voorgesteld zijnde, " dat de Quaestors der Ringen al de penningen tot onder ultimo 
September 1842 verschuldigd inzamelen, en aan den algemeenen Qusestor inzenden voor of 
uiterlijk op den tweeden Januarij 1843, om daarmede de door deze Algemeene Vergadering 
gemaakte kosten te kunnen voldoen,” werd dit voorstel algemeen aangenomen. 

Ook werd voorgesteld en besloten, dat de Qusestor gekwalificeerd worde zooveel 
gelds op te nemen, als benoodigd zij ter goedmaking der onkosten dezer Algemeene Kerk- 
vergadering. 

Op voorstel van den Actuarius werd er besloten, dat, nadat de gerevideerde wetten 
zullen zijn gesanctioneerd, de beide nieuw gecreëerde Ringen, op den bij de wet bepaalden 
tijd en plaats te zamen komen, hunne ambtenaren kiezen, en hunne werkzaamheden voort- 
zetten. 

Gevraagd zijnde of het gevoelen der Vergadering, over de door den Beaufortschen 
Kerkeraad voorgestelde vraag, in de wetten zal worden gedrukt — besloot de meerderheid 
dat dit bij wijze van Extract aan elken Kerkeraad zal worden medegedeeld. 

De Vergadering besloot echter, dat het gevoelen omtrent het “ regt van gemeente- 
leden om stappen” enz., enz. als een wetsartikel in het nieuwe wet-boek zal worden opgeno- 
men, onder het Hoofd : “ Kerkelijk Bestuur in de Gemeente.” Aan de Commissie, vroeger 
tot nazien der wetten benoemd, wordt de inlassching van dit Wetsartikel opgedragen. 

De Hoog-Eerw. Praeses de memorie voorgelezen hebbende, om aan Zijne Exellentie 
den Hoog-Ed. Secretaris van Staat te worden ingezonden (Bijl.), werden de IIoog-Eerw. ]\lode- 
ratoren bedankt, en besloten dezelve te doen grosseren om door de leden te vvotden getee- 
kend, terwijl Heeren Commissarissen Politiek, op verzoek van den Praeses, op zich namen de 
verzending van gezegde memorie aan Zijne Excellentie den Gouverneur te zullen aanbevelen. 

Ook werd gelezen eene memorie van den Wel-Eerw. Dr. Adamson (Bijl.). — De 
Vergadering het breedvoerig verslag en de aanbevelingen van den Hoog-Gel. Dr. Adamson 
gehoord hebbende, besloot harcn hartelijken dank aan zijnWel-Eerw. te betuigen voor zijne 
bijzondere belangstelling in het bevorderen van het onderwijs van het aankomend geslacht, 
terwijl dezelve met genoegen verneemt zijti Wel-Eerw. inzigten, betrekkelijk de vooruitzig- 
ten van het koloniale jongelingschap en de aanwijzing door zijnWel-Eerw. gedaan om het 
onderwijs van verdienstelijke jongelingen verder te bevorderen. De Vergadering was echter 
van gevoelen, dat zij voor het terjcmooordige in dit, door zijn Hoog-Gel. voorgelegde, plan niet 
treden kon. 

Overeenkomstig een vroeger door Ds. P. E. Faure gedaan voorstel, werd besloten 
het Gouvernement te verzoeken om krachtdadiger handhaving der Sabbats-Ordonnantie. 

Ook werden gelezen de volgende voorstellen : als een van den Hoog-Eerw. Scriba ; 
een van Ds. Praser ; een van Ds. Herold, welke op morgen in overweging zullen worden 
genomen. 

Met betrekking tot eenige gezegden door Ds. Van der Lingen, bij den aanvang der 
Vergadering geuit, welke reflecteerden op het gedrag en de handelwijze van den Hoog-Eerw. 
Praeses, in deze zijne betrekking, stelde, voor het opbreken der Vergadering, Ds. Le Febre 
m2* 



238 



Moorrees voor — “ dat de Yergadering haren hartelijken dank betuige aan den Hoog-Eerw. 
Voorzitter voor de onpartijdige wijze, waarop hij den stoel heeft bekleed en alle zaken in de 
Vergadering heeft bestierd.” Dit voorstel werd ondersteund door Ds- H. Moorrees en an- 
dere leden der Vergadering, en door allen, uitgezonderd de Afgevaardigden van Wellington, 
aangenoraen. 

Commissarissen Politiek gaven bij die gelegenheid hunnen dank te kennen aan 
den Hoog-Eerw. Prseses, wegens de voortreífelijke wijze, waarop de stoel door hera is bekleed 
geworden. 

Eindelijk werd gelezen een brief van Prof. Changuion (Bijl.), waarop besloten werd 
den dank der Vergadering aan zijnHoog-Gel. toe te brengen. 

De Minuten werden voorgelezen, het dankgebed gedaan, en de Vergadering 
scheidde. Die et anno ut supra. 



NEGENTIENDE ZITTING. 

Dingsdag , den 22sten November , 1842. 

Allen tegenwoordig, uitgezonderd den Ouderling Joubert, wegens indispositie. 

Na het gebed en de resumtie der Notulen, verzochten de Afgevaardigden van Wel- 
lington dat het moge worden aangeteekend, dat zij zich vereenigen raet de Vergadering in 
hare dankbetuiging aan den Hoog-Eerw. Praeses, waarvan in de vorige Sessie melding wordt 
gemaakt. 

Het voorstel van den Hoog-Eerw. Scriba, in de vorige Sessie gelezen, nu overwo- 
gen zijnde — te weten : “ dat eenige bepalingen worden gemaakt, volgens welke andere Pres- 
byteriaansche kerken binnen deze Volkplanting, zulks verkiezende, in verband met ons Kerk- 
genootschap gebragt of wel met hetzelve ingelijfd kunnen worden, zoo als in Nederland het 
geval is — en de noodige inlichting daarover gegeven, en vele leden hun gevoelen daarover 
uitgebragt hebbende, — werd door Ds Spijker voorgesteld, “ dat de deliberatie over het voor- 
stel ter inlijving van de Presbyteriaansche Kerken in ons Kerkgenootschap uitgesteld worde 
tot eene volgende Synode, opdat de onderscheiden Kerkeraden daarover geraadpleegd kun- 
nen worden.” Dit voorstel werd niet aangenomen, maar wel de volgende emendatie van 
Ds. Sutherland — “ Dat het voorstel van den Hoog-Eerw. Scriba worde gesteld in handen der 
Synodale Commissie, om in de eerstvolgende bijeenkomst der Algemeene Kerkvergadering 
daarover te rapporteren.” 

Door Ds. Praser voorgedragen zijnde, “ dat een Eonds worde opgerigt, door middel 
van eene jaarlijksche collecte iu alle gemeenten der Gereformeerde Kerk in deze Volkplanting, 
ten doel hebbende scholen te helpen oprigten en onderwijzers te salarieren waar het noodig 
zijn mogte— welk Fonds zijn moet onder het het Bestuur eener Commissie vau de Alge- 
meeue Kerkvergadering” — hebben vele leden een treurig tafereel opgehangen van den jam- 
merlijken toestand van het onderwijs in deze Volkplanting en de noodzakelijkheid beweerd, 
dat er onderwijzers worden aangesteld onder het onmiddelijk op- en toezigt van den 
Kerkeraad. 



239 



Het voorstel echter van Ds. Fraser werd verdrongen door de volgende emendatie 
van Ds. Murray, welke door eene kleine meerderheid werd aangenomen : “ Dat eene jaar- 
lijksche collecte in elke geraeente geschiede, ter bevordering van eene betere opvoeding der 
jeugd, en dat hetgeen in elke gemeente daartoe worde inge^ameld, onder opzigt van den 
Kerkeraad daartoe worde besteed.” 

Het verzoek van Ds. Welsh in overweging genomen zijnde, besloot de Vergade- 
ring — “ Zijn-Eerw. aantebevelen eenen Voorlezer te bekomen, die tevens de bekwaamheid 
heeft onderwijs te geven, in welk geval de Algemeene Kerkvergadering het Gouvernement 
zoude aanbevelen, dat aan zoodanigen Voorlezer het gewoon traktement worde gegeven.” 

Op voorstel van Ds. P. E. Faure besloot de Vergadering — “dat de Predikanten 
der Nederduitsch Gereformeerde Kerk in deze Volkplanting, geene stukken naar de hoogere 
Kerkelijke Vergaderingen zullen zenden, anders dan in de Hollandsche taal.” 

De Actuarius Synodi geproduceerd hebbende de door Ds. Brink, als daartoe be- 
noemd in de Vijfde Sessie, gecopieerde wetten, en daarbij gelezen zijnde het Rapport der 
Commissie (Bijl.), in de twaalfde Sessie aangesteld om alles na te gaan eu met de minuten te 
vergelijken, zoo werd de algemeene dank der Vergadering aan Di. Brink, H. A. Moorrees 
en P. E. Faure, die daartoe gecommitteerd waren, zoomede aan de Ouderling Reitz toege- 
bragt, die zich met het vertalen belast heeft. 

Daarop werden deze wetten door de Hoog-Eerw. Moderatoren in naam der Alge- 
meene Kerkvergadering onderteekend en door Heeren Commissarissen Politiek gecontra- 
signeerd. 

Met betrekking tot het voorstel van Ds. Herold, in de tvveede Sessie aangenomen, 
werd nu door zijn Wel-Eerw. voorgedragen : “ dat de PIoog-Ed. Heeren Commissarissen Po- 
litiek door de Synode worden verzocht, om bij de overgave der gerevideerde wetten de pro- 
visionele sanctie van Zijne Excellentie te trachten te erlangen, en tevens aan te dringen de 
noodzakelijkheid om dezelve zoo spoedig mogelijk naar den Hoog Ed. Heer Secretaris van 
Staat over te zenden, ter bekoming der goedkeuring van liare Majesteit in Rade.” 

Dit voorstel aangenoraen en Heeren Commissarissen Politiek daartoe verzocht 
zijnde, verklaarden hunHoog-Ed. zulks te zullen doen bij de inzending van hunlieder 
rapport aan het Gouvernement (Bijl.). 

Overeenkomstig de bepaling der moderatuur bij de Algemeene Kerkvergadering 
gemaakt, besloot de Vergadering dat een daartoe Afgevaardigde uit den Kaapstadschen 
Ring, de eerstvolgende Algemeene Kerkvergadering openen en een uit den Tulbagschen Ring 
dezelve sluiten zal, en zoo ad rigas. 

Op verzoek der Vergadering nam de tegenwoordige Quaestor Synodi op zicli, het 
Quaestoraat te zullen blijven vvaarnemen tot de eerstvolgende Algemeene Kerkvergadering. 

Gelijk mede op verzoek der Vergadering de Actuarius op zich nam, als Scriba, 
(D.V.) te zullen blijven fungeren tot na de opening der eerstvolgende Algemeene Kerkver- 
gadering. 

De Vergadering besloot den Koster der Kaapstadsche Kerk toe te leggen, hetgeen 
volgens de nu gemaakte verordeningen bepaald is als dag-geld voor dien beambte bij hoogere 
Kerkvergaderin gen . 

Met algemeene stemmen werd het voorstel van den Hoog-Eerw. Praeses goedge- 
keurd en aangenomen ; dat deze Algemeene Kerkvergadering eene correspondentie aanga, 



240 



met andere buitenlandsche Gereformeerde Kerken, ten einde wederzijdsche mededeehngen 
te doen omtrent den staat der Godsdienst, en eene naauwere vereeniging te mogen daarstel- 
len — en zal van dit besluit kennis w T orden gegeven aan de Gereformeerde Kerk in Holland, 
Schotland, Frankrijk, Zwitsírland, Duitschland, Amerika enz., enz , enz. 

Het volgende Quaeritur wordt door Ds. Herold gedaan : “ Op Art. 20 van het Re- 
glement op de zamenstelling van Kerkeraden, de vereischten eens Kerkeraadslids bepaald 
zijnde, en daar het gebeuren kan, dat. zoodanige leden hunnen stand in de Maatschappij kwa- 
meu te verliczen (hetzij vanwege insolventie als anderzints, w r elke geen censuur ten gevolge 
hecft), zoo wordt gevraagd, of zij, niettegenstaande hun persoon of goederen onder het be- 
heer en toevoorzigt van anderen geplaatst zijn, echter hunne dienst als Kerkeraadsleden 
willende blijven uitoefenen, langer in het Kerkelijk Bestuur kunnen geduld worden ? Zoo 
neeu ? Hoe moet de Kerkeraad handelen ?” 

Vele leden hun gevoelen te kennen gegeven hebbende, vooral over de wijze hoe 
men tot die insolventie mogt zijn gekomen, en de voorsteller een stellig antwoord 
op zijne vraag verlangende, verklaarde de Vergadering, dat die vraag in te algemeene 
terraen is voorgedragen, om een bepaald antwoord daarop te kunnen geven. 

De Hoog-Eerw T . Scriba gevraagd hebbende--“ of het door den Kerkeraad onop- 
gemerkt. moge worden voorbijgegaan, dat een lidmaat, zich aan eene openbare misdaad 
schuldig gemaakt hebbende, om de kerkelijke straf te ontgaan, zich vrijwillig van de kerk 
afscheidt en tot een ander kerkgenootschap overgaat ?” was het eenparig antwoord der 
Vergadering ontkennend. 

Daarop gevraagd zijnde, hoe dan de Kerkeraad hebbe te handelen, was er verschil 
van opinie, en werd er, op voorstel van Dr. Heyns, op deze vraag besloten — “ dat, in geval 
het na onderzc-ek mogt komen te blijken, dat de bedoelde persoon zich aan de kerkelijke 
censuur heeft ouderhevig gemaakt, dit aan de gemeente zal wor.len bekend gemaakt, met 
de kennisgeving dat hij het kerkgenootschap heeft verlaten.” 

Ds. Herold protesteerde daartegen. Di. Spijker, H. A. Moorrees, en de Ouder- 
ling Le Sueur stemden in de minderheid. 

Het volgende voorstel, door Ds. P. E. Paure gedaan, en door Dr. Roux gesecon- 
deerd, werd met algemeene stemmen aangenomen — “ dat de Hoog-Eerw. Moderatoren 
verzocht worden, bij het inzenden vau hun Hoog-Eerw. Rapport aan Zijne Excellentie, te 
kennen te geven, de voortdurende verkleefdheid der Synode aan Harer Majesteits persoon 
en Gouvernement.” 

Nieraand iets meer voor te dragen hebbende, wcrden de Minuten voorgelezen en, 
gelijk in elke vorige Sessie, scheidde, na het dankgebed, de Vergadering in liefde en vrede 
(L. D. O. M.). Die et anno ut supra. 



241 



TWINTIGSTE ZITTING. 

Woensdag , den 23 sten November, 1842. 

Allen tegenwoordig, behalve de Ouderlingen Joubert en Keyter. 

Na het gebed eu de resumptie der Notulen, werden dezelve geteekend, waarop 
Ds. Herold voorstelde — “ dat de dank der Vergadering worde toegebragt aan Ds. A. Eaure, 
die gedurende deze Algemeene Vergadering zich met het Scribaat heeft willen belasten.” 
Dit werd door het opstaan der Leden en van Heeren Cornmissarissen Politiek terstond 
beaamd. 

De ledeu wachtteden alsnu de komst van Zijne Excellentie den Gouverneur, 
die ten elf ure binnentrad, en daar de Vergadering opstond, door de Hoog-Eerw. Modera- 
toren werd binnengeleid. 

Zijne Excellentie gezeten zijude, werd er gezongen Gez. 44 vs. 1 en 2. Onder 
het zingen beklom Ds. A. Faure den predikstoel, en na het votum te hebben uitgesproken, 
las zijnHoog-Eerw. den Herderlijken Brief (Bijl.). 

Dit geschied zijnde, werd weder gezongen Gez. 156 : 1 en 4, terwijl, zijnHoog- 
Eerw. afgeklommen zijnde, Dr. Roux nu optrad en eene leerrede hield (Bijl.). 

De IIoog-Eerw. Praeses deed van het Voorzittersgestoelte eene aanspraak aan de 
Vergadering (Bijl.), zoo mede aan Zijne Excellentie den Gouverneur (Bijl.) waarop de Iloog- 
Ed. eerste Commissaris Politiek, na eene korte redevoering, de Vergadering in naam vau 
Zijne Excellentie voor gesloten verklaarde (Bijl.). 

Dr. Roux deed nu een plegtig dankgebed, liet voorts zingen Gez. 96, en sprak 
den zegen ! Zoo eindigde deze Algemeene Vergadering, van welke niet meer kan worden 
gezegd dan de Hoog-Eerw. Praeses in zijne aanspraak heeft aangestipt ! De zegenende 
vruchtgevolgen worden tot bij het late nageslacht genoten ! Dit schenke de Heer door Zijne 
Genade ! 



GEREDIGEERDE VOORSTELLEN 

Voor de Synode , welhe op den \sten November aanstaande, zal worden gehouden. 



STAATS-KERKREGT. 

1. Protest tegen het uitschrijven van eenen Bededag in den Zwellendamschen Ring, gegrond op 

het 7de Art. der Kerkenorde. Predikant van Riversdale. 

2. Yoorstel, om aan de Synode voor te dragen, dat het eerste gedeelte vau Art. 7 der Kerkenorde, 

als reeds geheel in onbruik geraakt zijnde, geabrogeerd worde. Ring van Zwellendam. 

Dat de Synodale Vergaderingen voortaan onafgebroken van 10 uur, a.m., tot 3 p.m. gehouden 
worden. Kerkeraad van Riversdale. 



Synodale Vergaderingen, — Besluiten , — Verordeningen, — Synodaal Fonds. 

Dat, daar de Synodale Besluiten aan de meesten der Ouderlingen en verdere Kerkeraadsleden, 
en genoegzaam aan meest alle Ledematen der He rvor mde Gemeenten in de Buitendistricten onbekend zijn, 
genoemde Besluiten, nadat dezelve zullen herzien zijn, gepubliceerd worden tot algemeen narigt. 

Ring van Zwellendam, 1840. 

Protest tegen zeker Besluit van den Kaapstadschen Ring in 1840 genomen, als strijdig met de 
Synodale verordeningen. Actuarius Sy?iodi. 

De Ring wil de aandacht der Hoog-Eerw. Synode bepalen bij de inkomsten tot het Synodale Fonds 
uit Zitplaatsen in de Gemeente van George. Ring van Zivellendam, 1841. 

Verschil omtrent Synodale Gelden uit de Gemeente van George. 

Ring van Zwellendam, 1841. 

Dat éenig middel beraamd worde ter instandhouding van liet Synodale Fonds, instede van eene 
belasting op den H. Doop. Kerkerctad van Zwellendam. 

Het niet verantwoorden van den Kerkeraad van den Tijgerberg van het Synodale Fonds van 
1841. Ring van de Kaapstad, 1842. 

Het laten translateren van stukken tot den Ring behoorende, door een gezworen Translateur, voor 
rekening van het Synodale Fonds. Ring van de Kaapstad, 1840. 

Protest tegen de handelwijze van den ex ordine Prmses van den Kaapstadschen Ring, in liet 
niet convoceren van de gewone Vergadering op den gewonen tijd in liet jaar 1838. 

Actuarius Synodi. 

RINGSBESTUUR. 



Ringsvergaderingen, — Ringscommissie, — Limietscheiding, — het oprigten van Nieuwe Gemeenten. 

De zaak van het niet verschijnen van de Wel-Eerw. G. W. A. van der Lingen en J. J. Beck oj» 
de Vergadering van April 1839, en hun Eerws. antwoord op de aanschrijving desaangaande van wege de 
Vergadering. Ring van de Kaapstad, 1840. 

Het gedrag van den Wel-Eerw. Heer J. J. Beck, Predikant van den Tijgerberg, die op deze 
Vergadering (1841) weder niet verschenen is, en goedgevonden heeft geene redenen van afwezigheid op 
te geven, terwijl het der Vergadering gebleken is, dat zijn Eerw. zicli, staande de Vergadering, in de stad 
bevond ; die ook niet voldaan heeft aan de boete deswege door de vorige Vergadering zijn Eerw. opgelegd. 

Ring van de Kaapstad, 1841. 



243 



Het niet verschijnen van Afgevaardigden van den Tijgerberg op de Ringsvergadering van 1842. 

Ring van de Kaapstad, 1842. 

De Ringsvergadering (van Zwellendam) heeft eenparig besloten, dat, uithoofde van de zware 
kosten, en vooral dat het doel eener Ringsvergadering door de Synode zeker bereikt wordt, geene gewone 
Vergadering in het aanstaande jaar zal plaats vinden, en hiervan aan de Synode kennis te geven. 

Ring van Zwellendam , 1841. 

Dat aan de Synode voorgesteld worde, dat voortaan jaarlijks door den Ring eene permanente Com- 
missie benoemd worde, om zaken, welke geen uitstel kunnen lijden, provisioneel te behandelen. 

Ring van Zwellendam, 1841. 

Protest van den II. E. Actuarius Synodi tegen de haudelwijze van den Praeses des Zwellendam- 
sclien Rings, en de Commissie door zijn H. E. benoemd ter verdeeling van de Gemeente van Zwellendam 
en Caledon. — Ring van Zwellendam, 1839. 

Het regt van Gemeenteleden om stappen te doen ter verdeeling der Gemeente. 

Ring van de Kaapstad, 1840. 

Dat wanneer eeue Gemeente van eene oude wordt afgescheiden, aan deze nieuwe Gemeente een 
Afschrift van het Ledematenboek, gedurende de jongste zeventig jaren, tegen eene billijke vergoeding, 
gegeven zal worden. Ring van Zwellendam, 1841. 

KERKELIJK BESTUUR IN DE GEMEENTE. 

Kerkeraadsleden, — Kerkegoederen, — Doop en Avondmaal, — Attesten, — Huwelijken, — Begrafenissen , — 
Vragen bij gelegenheid der openlijke Voorbereiding, — viering van den laatsten dag desjaars. 

Dat het gedrag van de gewezene Kerkeraadsleden te Tulbagh, in de zaak tusschen Iien en den 
Ring, onder de ernstige aandacht der Synode gebragt worde, opdat de Synode daaromtrent naar derzelver 
wijsheid handele. Ring van Zwellendam, 1840. 

Maatregelen te nemen betrekkelijk het verkrijgen der Kerkeboeken, Documenten, enz., van 
Tulbagh, welke nog in handen zijn van de gewezene Kerkeraadsleden ; als ook 

De beantwoording der vraag door den Afgevaardigden Ouderling van Tulbagli gedaan : uit welke 
bron de gemaakte kosten ter verkrijging der Pastorie betaald zullen worden ? 

Ring van Zwellendam, 1841. 

Dat het toedienen van Doop en Avondmaal, op buitengewonen tijd, ten eenenmale verboden 
worde. Kerkeraad van Riversdale. 

Dat er door de Synode bcpaald worde, dat in alle Kerken onder de Synode bestaande, liet H. 
Avondmaal, bij deszelfs viermalige viering, alle jaar op een en denzelfden dag uitgedeeld zal worden. 

Kerkeraad van Talbagïi. 

Dat er door de Synode bepaald worde, dat het geenen Leeraar der Hervormde Kerk in deze 
Volkplanting geoorloofd zijn zal, veranderingen te maken in het voorlezen der Doops- en Avondmaals- 
Formulieren, hetzij dat zulks geschiedt met enkele woorden te veranderen of met bewoordingen uit te 
laten. Kerkeraad van Tulbagh. 

Wordt door den Kerkeraad van Graaff-Reinet gevraagd : — Worden er afwijkingeu van den 
gewonen vorm van Kerkelijke Attesten in eenige gevallen toegestaan ? Zooja? Welke veranderingen en 
in welke gevallen? Ring van Graaff-Reinet, 1841. 

Dat eene bepaling gemaakt worde omtrent gevallen, waarin Ledematen zich naar eene andere 
Gemeente, met een Kerkelijk Attest ter woon begeven, doch, na verloop van tijd, met hetzelfde Attest. 
terugkomen. Ring van Zwellendam, 1840. 

Hoe moet men handelen iu gevalleu, waarin personeu bewijzen van hun Lidmaatschap kunnen 
toonen, en die echter geene Kerkelijke Attesten kunnen krijgen, om reden, dat hunne namen niet te 
vinden zijn in het Ledematen-Kegister der Gemeenfe. waarin zij aangenomen waren. 

• Kerkeraad van Beaufort. 

»2 



244 



Dat, tot het daarstellen en onderhouden der goede orde in de Ledematen-Registers, Kerkeraden 
geregtigd worden om Lidmaats-Attestatien gratis te verleenen aan vertrekkenden uit, en gratis te 
ontbieden voor aankomenden in hunne Gemeenten, en dat, ter vergoeding van het geldelijk verlies dat 
hieruit en voor de Kerk en voor Voorlezers en Kosters zoude ontstaan, van elk persoon bij het doen van 
belijdenis des geloofs, in het vervolg, de som van Een Shilling en Zes Penee, boven hetgeen alreeds betaald 
is, worde gevorderd. Yan welke verhoogde som, Zes Penee aan de Kerk, en Een Shilling aan den Voor- 
lezer of Koster worde toegewezen. JRing van de Kaapstad, 1840. 

Dat de Hoog-Eerw. Synodale Vergadering eene voorziening make, dat Ledematen, die door 
verzuim huune Kerkelijke Attesten binnen den tijd, door de wet bepaald, te laten ligten, en dus het regt 
op dezelve verbeurd hebben, op eenigerwijze met Getuigschriften [van hun lidmaatschap] mogen kunnen 
voorzien worden. Kerkeraad van Graaff-Reinet. 

Dat bij het aangaan vau Huwelijken, in het vervolg, eenige juiste bepalingen gemaakt worden 
ten aanzien der graden van bloedvenvantschap, waarin Huwelijken voltrokken mogen worden, ter voor- 
koraiug van bloedschande. 

Dat de nieuwe Huwelijks-Wet, d.d. 7 Sept. 1838, mogt lierzien en verbeterd worden, ten aanzien 
van het doen van Kinderbewijs vóór liet voltrekken van een tweede huwelijk, ter voorkoming dat de 
kindereu bij een vorig huwelijk verwekt, niet in liunne Erfenissen benadeeld worden. 

Dat, bij afwezigheid van den Leeraar der Gemeente, de gewone Huwelijksgeboden door den 
Voorlezer afgekondigd mogten worden. Kerkeraad van Worcester. 

Kunnen Bloedverwanten of Familien van personen, die zicli zelve het leven benemen, vorderen, 
en hebben zij het regt te vorderen, dat zoodanige lijken op het Kerkhof begraven worden? 

Kerkeraad van Graaff-Reinet. 

Geeft de regterlijke ontbinding eens liuwelijks, enkel en alleen gegrond op de onwilligheid van 
een der partijen, aan de insinuatie van huiswaarts te keeren te voldoen, eenen Leeraar der Hervormde 
Kerk vrijheid, om zoodanig onwillig persoon, gedurende het leven van den voormaligen man of vrouw, 
met eeuen anderen in het huwelijk te bevestigen ? Ring van de Kaapstad, 1841. 

Dat de bepaling der Synode in de Nederlanden (d.d. 11 Julij 1817), ten aanzien van zekere 
vragen, bij gelegenheid der openlijke Voorbereiding voor het H. Avondmaal door den Leeraar te doen, en 
door de Gemeente te beantwoorden, algemeen in de Ned. Hervormde Kerk dezer Volkplanting gevolgd 
worde. Kerkeraad van de Kaapstad. 

Dat, overeenkomstig het Besluit van de Synode der Hervormde Kerk in de Nederlanden (Julij 
1817), ook alhier tot eene wet gemaakt vvorde, “dat, daar de laatste dag van het jaar een aanmerkelijk 
tijdperk van het menschelijk leven besluit, en zulk een besluit bijzonder geschikt is om ons te stemmen tot 
ernstig nadenken over ons zelve, en over de wegen van God met ons gehouden,” voortaan in alle Kerken, 
ieder jaar, op dien dag, met een plegtig dankuur zal gesloten worden, waartoe een avonduur, waar zulks 
o-eschieden kan, als liet meest geschikte, wordt aangeprezen. Kerkeraad van den Wijnberg. 

Godsdienstig Onderwijs , — Oefenaars , — Christelijk leven, — Bijdragen tot ondersteuning van Roomschen. 

Of er door de Synode niet zoude kunnen vastgesteld worden, dat voortaan door alle Leeraars en 
Ondenvijzers der Hervormde Kerk in deze Volkplanting geene handleidingen bij liet geven van Godsdien- 
stio- Onderwijs gebruikt zullen worden, dan de Heidelbergsche Katechismus en het Korte Begrip, of, zoo 
men ook daarbij verkiest te gebruiken, de Belijdenis des Geloofs en de Formulieren der Eenigheid. 

Kerkeraad van Tulbagh. 

Dat op de stipte nakoming van het Regleïnent (conform Art. 32), door de Algemeene Kerkver. 
gaderiug beraamd, waarnaar personen, welke begeeren oefening te houden, zich bij de uit.voering daarvan 
zullen hébben te gedragen, nader aangedrongen worde (Zie Synodale Wetten van 1824). 

Kerkeraad van Riversdale. 

Dat zekere Proclamatie door Ilare Majesteit de Koningin uitgevaardigd, op den 21 Junij, 1837, 
“ om de godsvrucht en de deugd aan te prijzen, en de ondeugd. de goddeloosheid en de ongebondenheid 
voor te komen en te straffen,” — in werking gebragt worde, zoo veel zulks de Iverkelijke Regulatiën en be- 



245 



langen toelaten, — en dat er bij de Hooge Overkeid om medewerking aanzoek worde gedaan, opdat zulk eene 
belangrijke wet voor de warc Cliristen Kerk gehandhaafd worde. Kerkeraad van IVorcester. 

Dat er door de Synode zorg gedragen worde, dat de gedreigde verspreiding van de bedorvene 
leer der Roomsche Kerk in deze Volkplanting, zoo veel mogelijk, gestuit en gehinderd worde, en dat 
er uitdrukkelijk bepaald worde, dat het geenen Ledematen der Hervormde Kerk in deze Volkplanting 
geoorloofd zal zijn liunne ondersteuning op eenigerlei wijze daartoe te verleenen. 

Kerkeraad van Tulbagh. 

Predikanten Weduwen Fonds. 

Het verzoek van den eersten Ring, met betrekking tot het uitbetalen door het Gouvernement van 
het Tractement van Predikanten Weduwen, ingevolge Art. 33 der Grondwet, in overweging genomen 
zijnde, werd besloten deze zaak te laten berusten, en hieromtrent werkstelligheid te maken in de eerste 
aanstaande Vergadering der Synode. Ring van Graaff-Reinet en Swellendam, 1841. 

















































. 


































SYNODALE HANDELINGEIS. 



EERSTE ZITTING. 

Dinysdag, 12 October , 1847. 

Ds. A. Faure, bij besluit der Synode van 22 November, 1842, op zich genomen 
hebbende, als Scriba te fungeren tot dat de Praeliminaria dezer Yergadering zouden zijn 
afgeloopen, had op den 18 Augustus dezes jaars, eene Circ.ulaire afgezonden aan de respec- 
tive Kerkeraden, van volgenden inhoud : 

Leeuwenrust, 18 Augustus, 1847. 

Waarde Broeders! Hiermede ontvangt gij de “ geredigeerde Beschrijvings- 
punten” voor de aanstaande Algemeene Kerkvergadering. Tevens verzoek ik uwe afge- 
vaardigden, op den 12den October, ’smorgens ten 9 ure, ín de Consistoriekamer van onze 
Gereformeerde Kerk alhier, tegenwoordig te willen zijn, om aldaar te kunnen voldoen aan 
de bepalingen in Art. 17, a, b, c, d, vastgesteld. 

Dat het Hoofd der Kerk, door zijnen Geest, zijne dienaren bestiere in liunne 
gewigtige beraadslagingen, opdat zijn naam worde verheerlijkt, en het welzijn zijner Kerk 
bevorderd, is de wensch en bede van uwen onderdanigen dienaar en mede-broeder, 

A. FAURE, Fung. Scriba. 

Ten gevolge van deze aanschrijving verschenen in gezegde Consistoriekamer, 
ten bepaalden ure, de Broederen Leeraren en Ouderlingen, afgevaardigden der Gemeenten, 
die door den fungerenden Scriba werden verwelkomd. 

De Credentialen door den fungerenden Scriba voorgelezen zijnde, bleek, dat 
at’gevaardigd en in de Vergadering verschenen waren, uit de 

Kaapstad. — Di. A. Faure, J. Spijker, S. P. Heyns, en Ouderlingen J. .1. 
L. Smuts, en P. van Breda, A.z. 

Stellenbosch. — Ds. T. J. Herold, en Ouderling Jac. Fr. du Toit. 

Paarl. — Ds. G. W. A. van der Lingen, en Ouderling G. J. Hugo. 

Zvoartland. — Ds. J. C. le Febre Moorrees, en Ouderling Joh. Alb. Loubser. 

Tulbagh. — Ds. R. Shand, en Ouderling Phil. Pet. du Plessis. 

Graaff-Reinet. — Niemand. 

Zwellendam. — Ds. W. Robertson, en Ouderling Alb. Johs. Muller. 

Caledon. — Ds. John Cassie, en Ouderling Gab. Steph. de Kock. 

George . — Ouderling Jacobus Johs. Botha. 






























































































i' 















DE 



HAN DELINGrË^ 



DER 



ZEVENDE VERGADERING 



VAN DE ALGEMEENE SYNODE 



DER 



NEDERDUITSCH GEREFORMEERDE KERK VAN ZUID-AFRIKA, 



GEHOUDEN 



IN DE KAAPSTAD, OP DEN 12dex OCTOBER, 1847, 

EN VOLGENDE DAGEN. 



KAAPSTAD : 

GEDRUKT BIJ YAN D E SANDT D E VILLIERS k Co., 
9, K ASTEELSTRAAT. 



1858. 



250 



Uitenhage . — Niemand. 

Cradock. — Niemand. 

Beaufort — Ds. C. Fraser en Ouderling Jacob. St. Nic. de Villiers. 

Somerset ( H. Holland ). — Ds. J. Edgar, en Ouderling H. J. Morkel. 

Worcester — Ds. H. Sutherland, en Ouderling Carel Wynand le Roex. 

Somerset ( Oost). — Ds. J. Pears. 

H'Urban. — Ds. J. J. Beck, en Ouderling Stephs. Malan. 

Clanxoilliam. — Ds. H. L. de Villiers, en Ouderling P. van Zijl. 

Colesberg. — Ds. J Reid, die geen credentiaal overleverende, de droevige tijding 
aan de \ ergadering mededeelde dat de Ouderling, die afgevaardigd was geworden, zijn 
\\ el-Eerw. naar deze Vergadering te vergezellen, op den 18 September was overleden, 
terwijl zijn Wel-Eerw. juist op vertrek stond, en het credentiaal des Kerkeraads nog 
berustende was bij de weduwe des overledenen. Het deed allen leed van deze treurige 
gebeurtenis te moeten vernemen. 

Wijnberg. — Ds. P. E. Faure, en de Ouderling Joh. Jac. Cruywagen. 

Balfour. — Niemand. 

Glenlynden. — Ook Niemand. 

Piketberg. — D.s. J. W. L. Scholtz. 

Albanie . — Niemand. 

Riversdal. — Ds. P. B. Borcherds. 

Bredasdorp. — Ds. J. J. Brink, en Ouderling P. Jac. du Toit. 

Wellington. — Ds. A. F. du Toit, en Ouderling Gid. F. Marais. 

Prince Albert. — Niemand. 

Richnond. — Ds. J. F. Berrangé, en Ouderling B. Pienaar. 

Victoria. — Ds. W. A. Krige, en Ouderling Dirk Joh. de Wit. 

Mosselbaai . — Ds. T. J. van der Riet. 

Fransche Hoek. — Ds. P. N. Ham, en Ouderling A. A. de Villiers (Bijl.). 

De Scriba de aandacht der Afgevaardigden verzocht hebbende bij Art. 17, c, 
gmg men tot de stemming over, en bleek het dat door meerderheid van stemmen tot Voor- 
zitter was gekozen Ds. P. E. Faure, terwijl overeenkomstig Art. 17, d, op dezelfde wijze 
(als bij de wet bepaald) tot Secundus werd benoemd Ds. S. P. Heyns. 

De Praeses den Stoel aanvaard hebbende, verklaarde nu de \ ergadering voor wettig 
geconstitueerd. 

De fungerende Scriba legde hierop over de Geredigeerde Beschrijvingspunten 

(Bijl.)- ■ 

Hij deed mede aan de Vergadering de mededeeling, dat ingevolge Art. 17, í, en 
het Synodaal besluit van 2*2 November, 1842, hij namens den Ring van de Kaapstad, het 
berigt had ontvangen, dat Ds. S. P. Heyns benoemd was geworden deze Vergadering met 
eene Leerrede te openen — terwijl door den Ring van i ulbagh de taak, om dezelve te 
sluiten is opgedragen geworden aan Ds. A. F. du Toit. 

Hij berigtte tevens dat, in navolging van hetgeen vroeger door liet ministerie van 
de Kaapstad was geschied, hij de Hoofden van Departementen, zoo burgerlijke als kerkelijke 
(Protestantsche), had uitgenoodigd tot de bijwoning van de plegtige opening dezer \ erga- 
dering, waarin al de Leden genoegen namen. 



251 



Daar zijne betrekking als fungerencle Scriba nu ophield, werd door Ds. Herold 
voorgesteld, dat de fungerende Scriba verzocht worde de betrekking van permanenten 
Scriba op zich te willen nemen ; doch daar het bleek dat eenige leden zich daarmede niet 
vereenigden, werd de permanente Scriba, op voorstel van den Praeses, met gesloten stem- 
briefjes verkozen, en werd bij de opening van dezelve Ds. A. Faure tot die betrekking 
benoemd, door wien als nu de Vergadering met het gebed werd geopend. 

Na de opening werd eene bedenking door Ds. Spijker geopperd, of namelijk de 
benoeming van den Actuarius Synodi tot vaste Scriba niet in tweestrijd zij met Art. 22, d ; 
vooral terwijl de Synodale Commissie uit een lid minder zoude bestaan. De Praeses merkte 
hierop aan, dat deze bedenking zijn Hoog-Eerw. van zoo veel gewigt voorkwam, dat dezelve 
in nadere overweging genomen, en een nader voorstel daaromtrent zal worden gedaan. 

De Vergadering zich nu uit de Consistoriekamer naar de Kerk begeven heb- 
bende, besteeg Ds. S. P. Heyns den predikstoel — liet, na het voorgebed, zingen Ps. 134 ( ' 
hield eene voortreífelijke Leerrede over de woorden van den Apostel Paulus, Hand. 20 : 27 
(Bijl.), deed het dankgebed — en sprak, na het zingen van Gezang 3 : 3, den Apostolischen 
zegen uit. 

De Vergadering, na eene korte tusschenpoozing, hare werkzaamheden zullende 
hervatten, deed de Hoog-Eerw. Prseses eene hartelijke en treffende toespraak, bepalende 
vooral hare aandacht bij de vrijheid, welke dit ons Kerkgenootschap van Staatswege, 
sedertonze laatste bijeenkomst hebbe bekomen — de vereeniging in welke het tot andere 
Protestantsche Kerkgenootschappen staat, wier medewerking tot hetzelfde verheven doel 
wij hebben aan te kweeken, en den toestand, waarin zoo velen onzer medechristenen zich 
bevinden, die van de openbare genademiddelen zijn verstoken, wier belangen ernstig en 
krachtdadig door ons behooren te worden behartigd. 

De Scriba de aandacht der Vergadering verzocht hebbende bij Art. 10: 27, 
werden hem tot hulp toegevoegd Di. W. Robertson en J. J. Brink. 

De Praeses gevraagd hebbende, of eenige aanmerkingen op de credentialen te 
maken zijn, merkte Ds. Herold aan, dat hij de redenen verlangde te weten, waarom de 
Predikant van George niet was verschenen. Hierop werd gelezen een brief van Ds. Ballot 
(Bijl. in Rapport van Actuarius), de oorzaak zijner afwezigheid meldende. Dit werd door 
de Vergadering voldoende beschouwd. 

Ook werd gelezen een biáef van Ds. Taylor, reden gevende waarom noch hij, 
noch eenig ander afgevaardigde heeft kunnen tegenwoordig zijn (Bijl.). 

Ds. Robertson aangemerkt hebbende, dat eenige Ouderlingen niet waren ver- 
schenen, verklaarden de Leeraars van Piketberg en Riversdal, dat de Ouderlingen dier 
Gemeenten, tot deze Vergadering afgevaardigd, door ziekte verhinderd worden te ver- 
schijnen. De Leeraar van Somerset (Oost) zeide dat door den toestand des lands de 
Ouderling dier Gemeente niet heeft kunnen komen; terwijl die van Mosselbaai door den 
gezwollen staat der rivieren werd verhinderd. 

De Vergadering berustte in deze redenen, doch besloot de Predikanten, die in 
deze Vergadering niet waren verschenen, indien voor het scheiden van dezelve, geene 
schriftelijke kennisgeving mogt w’orden ontvangen van de redenen hnnner afwezigheid, 
hun daarover te doen aanschrijven. 

De Prseses las nu het Reglement van Orde voor. 
o2 



252 



Eenige memorien en brieven ingekomen zijnde, werden dezelve (overeenkomstig 
Art. 10: 20) voorgelezen, als : 

J. Van eenige fungerende en oudkerkeraadsleden van Tulbagh, verzoekende 
dat de Vergaderplaats van den Tulbaghschen Ring niet worde verplaatst naar Malmesbury. 
Deze memorie, gelijk eene andere van Worcester, over datzelfde onderwerp, werd gesteíd 
in handen van Di. Herold, Van der Lingen, en den Ouderling van Stellenbosch, om daar- 
over hun rapport in te brengen, wanneer het beschrijvingspunt over datzelfde onderwerp 
ter tafei zal worden gebragt. 

2. Twee brieven van den Heer G. D. Joubert, gedagteekend Hebron, den 27 
Augustus, 1847. 

3. Drie brieven van eenige ingezetenen van Onder Zeekoe-Rivier, Colesberg, 
gedagteekend 21 Junij, klagende over de handelwijze van den Predikant en Kerkeraad van 
Colesberg. 

Deze brieven werden gesteld in handen eener Commissie (waartoe Di. Van der 
Riet, Ham, en de Ouderling Alb. Muller benoemd waren), welke Commissie gevolmagtigd 
werd, zoowel van den Predikant van Colesberg als de Leden van den Graaff-Reinetschen 
Ring alle noodige inlichting in te winnen, en rapport in te leveren wanneer het beschrij- 
vingspunt over dit onderwerp zal worden behandeld. 

4. In handen van de Predikanten en Ouderlingen van de Paarl en Zwartland, 
werd gesteld eene memorie, aan de Vergadering voorgelezen, van eenige ingezetenen van 
den Paardeberg, verzoekende onder Ressort van de Parochie van de Paarl te worden gesteld, 
waarover in eene volgende Vergadering rapport zal worden ingediend. 

5. Gelezen zijnde een brief geteekend John Addey, rustend diaken te Welling- 
ton, gedagteekend 3 October, 1847 (zie Bijl.), werd op voorstel van den Hoog-Eerw. 
Praeses besloten, den Heer Addey te melden, dat daar zijn voorstel eene verandering 
bedoelt in de constitutie van ons Kerkgenootschap, de zaak voor deze Vergadering niet wel 
kan worden gebragt, omdat dezelve eerst met de beschrijvingspunten aan de overweging 
der respective Kerkeraden had behooren onderworpen geweest te zijn, maar dat dezelve 
onder die punten ter overweging bij eene volgende Algemeene Kerkvergadering zal worden 
opgenomen. 

6. De Kerkeraad van de Kaapstad per brief van 12den (heden) verzocht heb- 
bende, dat de Synode eenen dagzoude gelieven aftezonderen ter inwijding van hetNieuw'e 
of Tweede Kerkgebouw — is, dat verzoek toegestaan zijnde, door de meerderheid besloten, 
dat daartoe worde afgezonderd Dingsdag, den 26 dezer (Bijl ). 

7. Gelezen zijnde een voorstel van Ds. Herold (Bijl.), werd besloten zulks 
m overweging te nemen. 

Na de resumptie der Notulen deelde de Prseses mede, dat het Rapport der Syno- 
dale Commissie op morgen, en van den Actuarius Synodi op overmorgen, zal worden 
gelezen, waarna de Vergadering, op de gewone wijze, met dankzegging werd gesloten. 



253 



TWEEDE ZITTING. 



Woensdag , 13 October, 1847. 



Allen tegenwoordig, behalve dePredikant vanD'Urban, zonder opgaaf vanredenen- 

Na het gebed werden de Notulen gelezen, goedgekeurd en geteekend. 

Di. A. Murray en P. K. Albertijn verschenen in de Vergadering, door omstan- 
digheden verhinderd zijnde de stad op gisteren vroeg genoeg te bereiken ter bijwoning der 
Vergadering. Zij overhandigden de Credentialen door den Kerkeraad van Graaff-Reinet en 
Prins-Albert afgegeven (Bijl.), meldende Ds. Murray, dat de afgevaardigde 
Ouderling niet voor morgen kon komen, terwijl Ds. Albertijn, die vroeger zijne Parochie 
had verlaten, meldde vernomen te hebben, dat zijn medeafgevaardigde door den oploop der 
rivieren was verhinderd geworden te komen. 

Door den Praeses werd aan de Vergadering voorgelezen eene memorie van den 
Eerw. Jacob Verhaag, verzoekende eene kwalificatie tot hulpprediker (Bijk), en 
stelde voor dat dezelve worde overwogen, wanneer het verslag van den Actuarius Synodi 
zal zijn gelezen — waarin de Vergadering genoegen nam. 

De Prseses de vraag gedaan hebbende, of ook door deze Algemeene Kerkver- 
gadering een herderlijke brief aan de gemeenten zal worden afgezonden, waarop door 
eene groote meerderheid toestemmend geantwoord werd ; doch eenige leden aangemerkt heb- 
bende dat de benaming van “ herderlijke brief ” reeds zoo vele vooroordeelen had opge- 
wekt, vooral onder de Emigranten, hetgeen aan onkunde moet worden toegeschreven, zoo 
dat zij al wat dien naam draagt naauwelijks lezen zullen — stelde Ds. van der Lingen voor-. 
“ dat de aanschrijving der Algemeene Vergadering, bij wijze van herderlijken brief, behel- 
zen zoude, eene korte voorstelling van den staat der Kerk — opgaaf van hetgene de Alge- 
meene Vergadering oordet lt noodig te zijn, dat ten gunste der Kerk geschiede. 

a) . Wat de Algemeêne Vergadering besloten hebbe te doen ; 

b ) . Wat de Vergadering wensche dat de Leden der Kerk doen zullen — welk 
voorstel door de Vergadering werd aangenomen ; terwijl tevens besloten werd, dat 
die brief door eene commissie zal w r orden vervaardigd, tot welke commissie benoemd werden 
Di. Spyker, Van der Lingen en Murray. 

De Praeses voorgesteld hebbende dat, gelijk bij vorige gelegenheden, ook thans 
een Synodaal Biduur worde gehouden, werd dit algemeen goedgekeurd, en tot voorgan- 
gers bij die plegtige gelegenheid werden benoemd Di. Fraser en Albertijn, terwijl men 
goed vond te bepalen dat dit geschiede op Vrijdag avond (den 15), ten half zeven ure, en 
dat het gebruik van het Kerkgebouw der Luthersche Gemeente daartoe goedgunstig worde 
verzocht. (Men leze het verzoek Bijl). 

Ter voldoening aan het bepaalde in Art. 24, werden tot Rationarii benoemd Di. 
Herold, Moorrees, Van der Riet en Pears — en door den Praeses bepaald daí zij hun 
rapport zullen hebben in te leveren op Maandag den 25sten, terwijl de Qusestors der Rin- 
gen verzocht werden in tijds de verantwoording der voor dit jaar ingezamelde penningen 
o2* " 



254 



aan den Algemeenen Quaestor te doen, opdat de rekeningen van de ééne Algemeene 
Kerkvergadering tot de andere kunnen worden gesloten. 

Het verslag der verrigtingen der Synodale Commissie aan den Praeses overhandigd 
zijnde (Bijl.), las de Assessor voor hetgeen vermeld is onder No. 1, doch eer men 
overging tot de lezing van de daarbij aangehaalde Bijlagen, werd door den Praeses aange- 
merkt dat, daar overeenkomstig Art. 10: de Vergadering “onder zekere bepalingen met 
opene deuren worde gehouden,” de zaken, in die documenten voorkomende, van dien aard 
waren, dat het beter ware dat bij het lezen derzelve de deuren werden gesloten. De 
Vergadering zich daarmede vereenigende, werd de noodige last daartoe gegeven. 

Na eene korte pauze werden voorgelezen de Handelingen der Synodale Com- 
missie, onder de Bijlagen van haar rapport gemerkt No. 1 La. C. 

Na vele discussien of het rapport der Commissie met of zonder de Bijlagen zal 
worden gelezen, werd door eene groote meerderheid besloten, dat al de daarbij aangehaalde 
Bijlagen zullen worden gelezen, zonder dat men no'gtans terstond na de lezing zoude 
overgaan over de zaak zelve te beslissen. 

De Prseses las daarop hetgeen voorkomt in de Bijlagen van het Rapport der 
Synodale Commissie La. A tot fol. 16, (zijnde het Rapport der Rings Commissie) en 
maakte de Vergadering bekend, dat hij (D.V.) de verdere lezing op morgen zoude 
voortzetten. 

De Notulen geresumeerd zijnde, scheidde de Vergadering met dankzegging 

tot God. 



DERDE ZITTING. 

Donderdag, 14 October, 1847. 

Allen tegenwoordig, uitgezonderd Ds. J. Beck. Ook nam zitting de Ouderling 
Ths. Muller, afgevaardigde van Graaíf-Reinet. 

Na het gebed werden de Notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

De Eerw. Kerkeraad der Luthersche Gemeente het gebruik van haar kerkgebouw 
tot het houden van het Synodaal Biduur goedgunstig aígestaan hebbende, blijkens biáef 
ged. 13 (in Bijl.), werd dit door den Hoog-Eex-w. Praeses, die denzelven voorlas, 
aan de Vergadering medegedeeld, hetgeen de Vergadering met groot genoegen vernam, 
terwijl dezelve eenparig haar gevoelen te kennen gaf, dat bij die gelegenheid geene 
geldelijke inzameling zoude geschieden, zoo als wel vroeger had plaats gehad. 

De Praeses de werkzaamheden van gisteren hervattende, las nu aan de 
Vergadermg voor al de Bijlagen van No. 1, in het Rapport der Synodale Commissie 
voorkomende, uitgezonderd het stuk door de Ouderlingen van Clanwilliam bij de Rings 
Commissie, na afloop van hare verrigtingen ingediend, en gezegd door zekeren S. du 
Toit te zijn overgegeven geworden. 

Na het lezen van al deze stukken, werd door den Praeses gevraagd, “of het 



255 



oordeel nu gaan moet over de zaken in het Rapport van de Synodale Commissie en m de 
Beschrijvingspunten voorkomende, of dan eerst wanneer zij bij de Beschrijvingspunten 
voorkomen?'’ en daarop antwoordde de Vergadering dat het nu moest geschieden. 

Ook vroeg de Praeses, “of de Vergadering de wijze goedkeurde, waarop de 
Synodale Commissie in de zaak van Ds. De Roubaix had gehandeld?” en bevestigend werd 
op die vraag geantwoord, onder de omstandigheden zoo als zij waren. In de minderheid 
stemden Di. Spijker, Scholtz. Du Toit en de ouderling van Wellington, houdende 
Ds. Spijker aan zich gereserveerd zijne redenen nader in te leveren. 

Terwijl deze zaak was afgehandeld, werd door den Custos overgeleverd een brief, 
door Ds. De Roubaix aan den Hoog-Eerw. Praeses gerigt, ged. 14 October (Bijl.). 
“ verzoekende, dat de beslissing van zijne zaak moge worden opgeschort tot dat hij zijne 
verdediging met de daarbij behoorende bewijzen zal hebben ingezonden, en dat een billijk 
termijn hem daartoe moge worden bepaald.” — Dit zijn verzoek door den Praeses aan de 
Vergadering voorgesteld zijnde, werd besloten, “dat heden over acht dagen zijne verdediging 
zoude worden ontvangen;” hetgeen voor het scheiden der Vergadering per missive (Bijl.), 
in antwoord werd medegedeeld. 

De Custos kreeg nu bevel dat de deuren weder konden worden geopend. 

Thans voorgelezen zijnde hetgeen voorkomt in het Rapport der Synodale Com- 
missie onder No. 2, werd op de vraag van den Praeses, of de Bijlagen in deze zaak zouden 
worden gelezen, ontkennend geantwoord — verzoekende Ds. Van der Lingen aanteekening, 
dat hij zich daarmede niet vereenigde. 

Door de Vergadering werden de handelwijze der Synodale Commissie in deze 
zaak goedgekeurd, gelijk ook algemeen werd goedgekeurd hetgeen voorkomt onder No. 3 
en 4. Omtrent het vermelde in No. 5 werd door de meerderheid de handelwijze der 
Commissie goedgekeurd. Ds. Van der Lingen verschilde omtrent de “opinie” — en Ds. 
Spijker merkte aan, dat ook eene mededeeling aan de overige Ringen had behooren te 
geschieden, omdat zij, daaromtrent onkundig gelaten zijnde, de Kerkeraden ouder hun 
ressort gevaar liepen, strijdig met hetzelve te handelen. 

No. 6 gelezen zijnde, werd, op voorstel van den Praeses, besloten daarover te 
handelen wanneer de zaak voorkomt in het Beschrijvingspunt I : 4. 

No. 7 voorgelezen en goedgekeurd zijnde, merkte Ds. Spijker aan, dat ook 
daarvan eene mededeeling aan de overige Ringen had behooren te geschieden. 

De Pi-aeses maakte de Vergadering bekend, dat met het lezen van het Rapport 
der Synodale Commissie op morgen zoude worden voortgegaan. 

Voor het scheiden der Vergadering, dat op de gewone wijze geschiedde, werd 
het navolgende voorstel gelezen van Ds. Spijker, dat hierna in overweging zal worden 
genomen : — “Dat al de tusschenhandelingen der Moderatuur der Synodale Commissie in 
het Rapport van den Actuarius Synodi, voor het houden eener Synodale Vergadering 
gedrukt, en aan elken Kerkeraad op zulk eenen tijd, als denzelven in de gelegenheid stellen 
kan om de daarin vervatte zaken in overweging te nemen, een getal exemplaren daarvan 
gezonden worde, geëvenredigd aan het getal der Leden, waaruit dezelve bestaat.” 



256 



VIERDE ZITTING. 

Vrijdag, 15 October, 1847. 

Allen, uitgezonderd Ds. Beck, tegenwoordig. 

De notulen, na het gebed geresumeerd, goedgekeurd, en geteekend zijnde, las de 
Scriba voor hetgeeu voorkomt in het Rapport der Synodale Commissie. 

No. 8. Dit goedgekeurd zijnde, werd besloten, dat overeenkomstig de daarin 
gedane aanbeveling van de Synodale Commissie, worde gehandeld, en tot een wetsartikel 
vastgesteld — “dat in het jaar, waarin de Algemeene Kerkvergadering wordt gehouden, en 
er dus geene Ringsvergadering plaats vindt, de Quaestors der Ringen van de respective 
Kerkeraden opgaaf eischen van alle penningen, onder ultimo September van dat jaar, 
ten behoeve van het Synodale en Predikanten Weduwen-Fonds geheven, en dat Kerkeraden 
door hunne afgevaardigden verantwoording van dezelve doen binnen de twee eerste dagen 
der Algemeene Kerkvergadering, dat alsdan ook de contributien door de Leden van het 
Predikanten Weduwen Fondsaan de Qusestors worden voldaan, die verantwoording in dit 
een en ander, aan den Algemeenen Qumstor doen zullen, op zoodanigen tijd, dat zijne 
rekeningen en boeken van de ééne Synodale Vergadering tot de andere gesloten kunnen 
worden, na door Rationarii onderzocht en geteekend te zijn." 

No. 9 gelezen zijnde, werd op verzoek van Ds. Reid ook gelezen het verzoek 
door de Speciale Rings Commissie aan de Synodale Commissie gedaan; en werd de han- 
delwijze der Synodale Commissie in deze goedgekeurd. 

Gelijk ook goedgekeurd werd, hetgeen voorkomt onder No. 10, terwijl de Verga- 
dering besloot, dat overeenkomstig aanbeveling der Commissie — “de brievenvracht door de 
beambten der Synode en Scribas der Ringen uit het Synodale Fonds worde gedefroijeerd.'’ 

No. 11 werd almede goedgekeurd, doch besloten, dat het Rapport der Commissie 
in deze als een bijzonder voorstel, in nadere overweging zal worden genomen. 

No. 12 en 13 alweder gelezen en goedgekeurd zijnde, verzoekt Ds. Spyker 
omtrent het laatste aanteekening, als zijn gevoelen, dat hieromtrent eene mededeeling aan 
de Kerkeraden had behooren te geschieden. 

In verband hiermede werd gelezen een brief geteekend G. Esselin, Stellenbosch, 
9 October, 1847 (Bijl ), en nadat de Scriba en Ds. Herold over het eerste gedeelte 
eenige aanmerkingen hadden gemaakt, werd besloten, zoowel den brief van den Eerw. 
A. Hardeland, in No. 13 van het Rapport vermeld, als het extrakt door de Conferentie der 
Zendelingen in het Rynsch Genootschap, door den Eerw. Esselin toegezonden, in nadere 
overweging op eenen daartoe te bepalen dag te nemen. 

No. 14 werd goedgekeurd en werd besloten, daarover te handelen, wanneer zal 
worden overwogen hetgeen voorkomt in het Beschrijvingspunt 1 II, 1 — “ noodzakelijkheid 
ter aanwending van middelen ter opleiding van jongelingen tot het leeraarsambt, enz.” 

Hetgeen vermeld wordt in No. 15 goedgekeurd zijnde, werd besloten dit nader 
te overwegen, wannee.r voorkomt het Beschrijvingspunt VIII, 2, “ omtrent het Weduwen 
Fonds.’ 



257 



Nos. 16, 17 en 18 werden goedgekeurd, zullende No. 16 nader worden over- 
wogen, wanneer het rapport van den Actuarius zal zijn gehoord, en No. 18, w r anneer ter 
tafel zal worden gebragt het Beschrijvingspunt IV, 1, “de staat van het onderwijs in de 
buitendistrikten." 

Het geheel verslag der Synodale Commissie nu gelezen zijnde, werd door den 
Praeses voorgesteld en algemeen goedgekeurd, “ dat de dank der Vergadering aan die 
Commissie worde toegebragt, voor de ijverige, vlijtige en belangstellende wijze, waarop zij 
de onderschiedene zaken aan hare zorg en opzigt toevertrouwd hebben behartigd.” 

De Actuarius Synodi leverde alsnu zijn verslag over (Bijl.), en werd 
hetzelve voorgelezen met zoodanige gedeelten der bijiagen, als de Leden der Vergadering 
w r enschten dat gelezen zouden worden, tot het slot van No. IV, 10, wanneer het uur 
geslagen was dat de Vergadering zoude scheiden. Met betrekking tot het voorgestelde in 
No. II, 4, bleek het dat de Ring, uit de stukken, welke die voor zich liad, niet anders 
oordeelen kon, terwijl de Actuarius tot genoegen der Vergadering van zijne handelwijze 
inlichting gaf, blijkens brief van 25 April, 1843. 

Het medegedeelde onder IV, 6, a) b) zoude tot een nader onderwerp van behan- 
deling worden gemaakt, en omtrent IV, 10, worden beschikt, wanneer het geheele verslag 
zal zijn gelezen. 

V66r het schieden der Vergadering leverde Ds. Spijker zijne redenen in, als op 
gisteren gemeld, welke gelezen werden (Bijl.). 

Ook werd het volgende Queritur , schriftelijk ingeleverd, door den Prseses voor- 
gelezen : “ De afgevaardigden van Malmesbury (Zwartland) vragen “ hoe gehandeld moet 
worden in gevallen, waar kinderen werkelijk gedoopt zijn (dat door getuigen en andere 
omstandigheden kan bevestigd worden), en niet bekend gesteld is in het Doopregister ?” 

(Get). J. C. La Febre Moorrees, 

S. A. Loubser, Ouderling. 

Na het dankgebed werd de Vergadering door den Hoog-Eerwaarden Praeses 
herinnerd aan het Biduur heden avond. 



VIJFDE ZITTING. 



Zaturdag, 16 October, 1847. 

Allen tegenwoordig, uitgezonderd Ds. Beck zonder, en Ds. Sutherland en de 
Ouderling van Tygerberg, met verlof. 

Na het gebed de Notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

De Praeses verzoekt dat aangeteekend worde, dat het Biduur overeenkomstig 
besluit, gisteren avond gehouden, zeer talrijk is bijgewoond geworden, en bragt uit naam 
der Vergadering den dank toe aan Di. Fraser en Albertyn, die voorgangers bij die gele- 
genheid waren geweest. 



258 



Ook werd voor het gebruik van het Kerkgebouw de dank der Vergadering aan 
den Wel-Eerw. Kerkeraad der Luthersche Gemeente toegebragt (Bijl.). 

De Scriba der Synodale Commissie merkt aan, dat in de redenen gisteren inge- 
leverd, en bij de Archiven gedeponeerd, aanmerkingen voorkomen over de handelingen der 
Synodale Commissie, en daar tegen de besluiten van de Synodale Commissie, een protest 
door den Tulbaghschen Ring staat aangeteekend, dat nog zal worden overwogen, geeft 
hij de Vergadering kennis, dat door de Leden dier Commissie een verzoek daarover aan 
de Vergadering, voor het behandelen van dat punt, zal worden ingeleverd. 

Namens de Commissie, benoemd om rapport inteleveren, wanneer gehandeld zal 
worden over het Beschrijvingspunt II, 2, door Ds. Herold uittreksel verzocht zijnde uit 
de Acta des Rings, om de gronden te mogen weten, waarom de Ring de Vergadering 
naar Malmesbury verlangt verplaatst te hebben, is dat verzoek toegestaan en aan den Scriba 
van dien Ring opgedragen geworden, dat extrakt te verleenen. 

De lezing van het Rapport van den Actuarius hervat zijnde, werd besloten den 
brief van den Scriba van den Albanischen Ring, voorkomende in de Bijlagen van dat 
Rapport, pag. 377 (ingekomene brieven), in overweging te nemen, ten einde eenige 
bepalingen voor de toekomst in dergelijke gevallen te kunnen maken. 

Ook werd besloten betrekkelijk het schriftelijk voorstel van den Kerkeraad van 
George, in de Bijlagen (ingekomene brieven, pag. 451), dat bepaald zal worden of hetzelve 
bij deze Vergadering in overweging zal worden genomen, nadat het Beschrijvingspunt 
VI : 7, “ handelende over het Kerkgebouw van Grobbelaarsrivier,’ zal zijn afgehandeld. 

Met betrekking tot het schrijven van den Actuarius aan den Ring van Tulbagh, 
voorkomende in het Rapport VIII, 9, over het stichten van eene nieuwe gemeente in het 
Clanwilliamsche, deelde Ds. de Villiers de Vergadering mede, dat de Gemeente is gesticht, 
en Kerkeraden zijn benoemd, die eerlangs bevestigd zullen worden, hetgeen de Verga- 
dering aangenaam was te mogen vernemen. 

Het geheel verslag van den Actuarius voorgelezen en aangenomen zijnde, werd, 
op voorstel van Ds. A. Murray, de dank der Vergadering aan dien beambte eenparig 
toegebragt. 

De Ouderling Muller verzocht hebbende, dat hem afschrift mogte worden 
verleend van het antwoord van het Gouvernement, op den brief van den fungerenden 
Actuarius Synodi, is zulks hem toegestaan onder de gewone bepalingen. 

Overeenkomstig het op gisteren genomen besluit, werd nu de aandacht der Ver- 
gadering bepaald bij het Beschrijvingspunt III : 4, en daarbij gelezen zijnde het verzoek 
der Zendelingen van de Fransche Kerk in het Basuto-land (pag. 429 der Bijlagen, of inge- 
komen brieven), en de aanbeveling van den Actuarius, IV : 10, gavenvele ledenhun gevoelen 
te kennen, waarop Ds. Van der Lingen voorstelde, dat “ de Algemeene Vergadering eene 
Commissie benoeme, om met den Eerw. Heer Bisseux, Leeraar der Fransche Gerefor- 
meerde Kerk, op eenen te bepalen dag, den Heer Dyke, door oplegging der handen in te 
zegenen, ter bediening van het Evangelie onder de Heidenen, bepaaldelijk in het Basuto 
land :” terwijl Ds. Herold er de volgende ampliatie bijvoegde — “ dat zoodanige Com- 
missie gevolmagtigd worde om de acte van inzegening te teekenen.” Dit werd door eene 
groote meerderheid aangenomen. De minderheid uit vijf bestaande. Ds. Spijker ver- 
zocht aanteekening, dat hij in de minderheid had gestemd. 



259 



Hierop werd dit nader voorstel, door Ds. Van der Lingen gedaan, aangenomen, 
‘‘ Dat de Heer Dyke bekend worde gemaakt met het besluit der Vergadering, en van 
hem te vernemen of dat besluit voldoet aan den wensch van zijne Broeders ?” Hetgeen 
geschiedde (Bijl.). 

Eene memorie gelezen zijnde, geteekend Johan Kretzen (Bijl.), en deze onder- 
steund geworden zijnde door den Leeraar van Zwellendam, werd besloten dezelve in overwe- 
ging te nemen met Beschrijvingspunt IV : 2, “middelen te beramen om, enz., enz." 

Met betrekking tot het antwoord van het Gouvernement op den brief van den 
Actuarius (Bijl. ingek. brieven, pag. 411)ende aanbeveling van den Actuarius in zijn 
Rapport IV: 2, werd besloten: eene andere memorie in te leveren bij het Gouvernement, 
door al de leden der Vergadering geteekend, om voor de weduwe van wijlen den Wel- 
Eerw. Heer Stucki eene jaanvedde te bekomen, en werd het vervaardigen van dezelve aan 
den Ass. Scriba, Ds. Robertson, opgedragen. 

Overgaande tot de overweging van het medegedeelde in Lemma IV : 6, a), b), 
van het rapport van den Actuarius, en het verzoek, van Gouvernements wege gedaan, 
(ingek. br. 449), werd gelezen de geheele correspondentie, tusschen het Gouvernement en 
den Kerkeraad van Natal, zoo mede de brieven des Kerkeraads aan den Actuarius en zijn 
schrijven aan het Gouvernement (Bijl. of ingek. br., p. 412 — 426, 438 — 447). 

Na het lezen van dit een en ander stelde de Praeses de volgende vragen voor, 
welke in de Vergadering van Woensdag zullen worden overwogen : — 

1. Zal aan het verzoek van den Kerkeraad van Pietermaritzburg worden voldaan, 

“ dat de Synode den Eerw. Heer Dohne aanbevele, om als Leeraar der 

Nederduitsche Gereformeerde Gemeente aldaar te worden aangesteld ? ” 

2. Beveelt de Synode dat de Heer Dohne het salaris blijve genieten, tot dat een 

ander wettig geordend leeraar kome ?” 

3. Heeft de Synode het voornemen, iemand tot leeraar aldaar aan te bevelen?” 

Ds. De Villiers stelde voor, dat “ bij de opening van elke zitting het Reglement 

van Orde worde voorgelezen, omdat hij vermeende dat Art. 19 niet is geobserveerd gewor- 
den welk voorstel unaniem is verworpen geworden. 

Vóór het scheiden der Vergadering werden de volgende schriftelijk gedane vra- 
gen voorgelezen, als — 

1. Van Ds. W. A. Krige (Bijl.). 

2. Van Ds. P. N. Ham (Bijl.). 

De Vergadering scheidde na het gebed. 



p2 



260 



ZESDE ZITTING. 



Maandag, 18 October, 1847. 

Allen tegenwoordig — uitgezonderd Ds. Beck, zonder kennisgeving, en Ds. 
Berrangé, wegens indispositie. 

Na het gebed — de notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

Ds. Spijker aanmerkende, dat hij wel aanteekening had verzocht dat hij in de 
minderheid had gestemd, toen het voorstel omtrent de ordening van den Heer Dyke was 
aangenomen geworden, maar niet verzocht hebbende dat zijne redenen zouden worden 
bekend gesteld, leverde thans die redenen in geschrifte in, verzoekende dat dezelve bij de 
archiven mogen worden gelegd. Zij werden voorgelezen en zijn te vinden in de Bijlagen. 

De Prseses las het antwoord van den Heer Dyke, op den brief, namens deze 
Vergadering hem geschreven, de Vergadering bedankende voor de goedgunstige kennis- 
geving, terwijl hij daarbij verzoek doet, “ dat in de Akte van ordening, welke hem zal 
worden uitgereikt, eene clausule worde gevoegd, dat hij het leeraarsambt zoude kunnen 
uitoefenen onder de heidenen, of waar ook de akten van ordening, welke aan de Leeraars 
der Fransche Kerk in het Basuto land gegeven zijn, erkend worden. (Bijl.). 

Dit verzoek werd toegestaan met die bepaling, door Ds. Van der Lingen voor- 
gesteld, “ waar en in zoo verre die (i.e. Fransche) akte wordt erkend.” Tot de Commissie 
van ordening werden benoemd de Moderatoren, Di. van der Lingen, Herold, Robertson, 
Murray, Albertijn en Fraser. 

Het volgende schriftelijk verzoek werd door Ds. Scholtz gedaan, — “ daar ik ver- 
zuimd heb mijn protest te laten aanteekenen, tegen zulke besluiten van de Synode, bij 
welker stemming ik in de minderheid geweest ben, zoo verzoek ik mijn protest tegen die 
besluiten, met opgave van redenen, bij den afloop der Synodale Vergadering te mogen 
bekend stellen." 

Dit wordt zijn Wel-Eerw. toegestaan. 

Gelezen zijnde een brief, geteekend D. G. Joubert, Hebron, 13 September, 
1847, verzoekende om eenige uittreksels uit de acta van den Graaíf-Reinetschen Ring, 
werd besloten, dat verzoek te stellen in handen van den Scriba van dien Ring (Bijl.). 

De correspondentie thans weder gelezen zijnde, waaruit de vragen zijn ontstaan 
in de vorige Sessie, omtrent het aanzoek aan den Kerkeraad van Pietermaritzburg, welke 
vragen nu werden overwogen, stelde omtrent de eerste vraag Ds. van der Lingen voor, 
“ dat de Heer Dohne worde aanbevolen tot Leeraar van Pietermaritzburg, zoodra hij 
bewijzen zal hebben gebragt dat hij door het Genootschap, hetwelk hem heeft uitgezonden, 
geheel is ontslagen.” Hierbij voegde de Praeses deze ampliatie “ en hij onvoorwaardelijk 
onderteekend zal hebben de geloofsbelijdenis der Nederduitsch Gereformeerde Kerk, en 
de Wetten en Reglementen van de Kerk van Zuid Afrika.” 

Ds. Robertson brag de volgende emendatie voor, “ dat de Wel-Eerw. Heer 
Dohne, onder de omstandigheden van de Gemeente te Natal, aanbevolen worde om als 
Predikant van de Gereformeerde Gemeente aldaar geplaatst te worden, zoodra hij de 



261 



Geloofsbelijdenis onzer Kerk, en daarbij onze kerkelijke wetten en verordeningen onvoor- 
waardelijk onderteekend zal hebben.” 

Tot de stemming overgegaan zijnde, werd door de meerderheid verworpen de 
emendatie, gelijk ook het voorstel van Ds. Van der Lingen, met de ampliatie van den 
Praeses, — en mede het voorstel van Ds. Van der Lingen, met deze ampliatie “ mits hij de 
Geloofsbelijdenis en de wetten en reglementen onderteekent op de wijze, door hem te 
te kennen gegeven in zijnen brief aan den Kerkeraad van Pietermaritzburg.” 

De tweede vraag gedaan zijnde, “ beveelt de Synode dat de Heer Dohne het 
salaris blijve genieten, tot dat een ander wettig geordend leeraar kome ?” werd dezelve met 
vier-en-twintig stemmen bevestigend, en met twee-en-twintig stemmen ontkennend be- 
antwoord. 

Ds. Spijker verzocht aanteekening dat hij in de eerste en tweede vraag in de 
minderheid had gestemd. Ds. Krige met de tweede in de minderheid. 

De derde vraag was — “ Heeft de Synode het voornemen iemand tot leeraar 
aldaar aan te bevelen?” welke algemeen toestemmend werd beantwoord, zoodra zij 
daartoe in de gelegenheid zal worden gesteld. 

Bij deze gelegenheid deelde de Scriba aan de Vergadering mede, dat hij, niet 
lang geleden, eenen brief van Ds. van Meurs, uit Kampen, had ontvangen, die hem berigtte 
dat Di. Adriani en Begeman, Predikanten in Noord Holland, hunne begeerte hadden 
te kennen gegeven herwaarts te komen, om het Evangelie te mogen verkondigen, hetgeen 
voor communicatie werd aangenomen. 

De Synodale Commissie, overeenkomstig den aan haar, bij Synodaal besluit van 
22 November 1842, opgedragen last, gerapporteerd hebbende, “ dat Presbyteriaansche 
Gemeenten, op hun verzoek, onder behoud van hunne bijzondere inrigtingen, met ons 
Kerkgenootschap in verband gebragt kunnen worden, en hunne afgevaardigden in onze 
Kerkelijke Vergaderingen alleen eene adviserende stem zullen hebben” (Zie Rapport, 
No. 11, en Bijl.), en dit nu ter tafel gebragt zijnde, stelde Ds. Spijker voor, “dat de 
overweging van, en beslissing op, het Rapport van de Synodale Commissie betrekkelijk de 
Vereeniging van de Presbyteriaansche Kerken uitgesteld worde tot eene volgende Synode, 
opdat de onderscheidene Kerkeraden in de gelegenheid gesteld worden om daarover te 
kunnen raadplegen, en door hunne afgevaardigden hunne gevoelens mede te deelen, en dat 
afschrift van dat gedeelte van het Rapport aan de Kerkeraden worde toegezonden,” — welk 
voorstel door de meerderheid werd aangenomen, — de minderheid van gevoelen zijnde, dat 
over de aanbeveling thans zoude worden beslist. 

Betrekkelijk hetgeen bepaald was omtrent No. 13 in het Rapport der Commissie, ’ 
werd besloten: afschrift van den brief van den Eervv. Aug. Hardeland, en het uittreksel van 
dien van de conferentie van het Rhijnsch Zendeling Genootschap, in handen eener Com- 
missie te stellen, die op Vrijdag aanstaande Rapport daaromtrent zal hebben uittebrengen. 
Tot die Commissie werden benoemd Di. Sutherland, Reid, Scholtz en Borcherds. 

Tot de overweging der geredigeerde Beschrijvingspunten thans overgaande, werd 
omtrent I. 1, “ dat eene bepaling worde gemaakt, dat de Synodale Commissie gedeeltelijk 
uit Ouderlingen moet bestaan,” — opgemerkt, dat de wet zulks volstrekt niet verbiedt, en 
besloten dat de wetsbepaling blijve zoo als die is. 

Omtrent I. 2 werd bepaald dat de Prseses der Synode zijn zal Praeses der Synodale 
Commissie, en bij diens ontstentenis (ingevolge Art. 19 : 5) de Secundus van den Prseses. 



262 



I. 3 werd, op voorstel van Ds. Herold, aldus geëmendeerd — “dat bij het uit- 
schrijven van bededagen, bij de kennisgeving aan de Hooge Overheid, ook hare medewerking 
zal worden verzocht. ’ 

Overgaande tot I. 4: “ Protest van de meerderheid van den Tulbaghschen Ring 
tegen de handelingen der Synodale Commissie ” werd gelezen, het schriftelijk verzoek van 
de Leden der Synodale Commissie, waarvan in de vorige Sessie kennisgeving was geschied. 
(Bijl.). 

Hierop verlaten de Leden der Synodale Commissie, en die van den Tulbaghschen 
Ring, die bemoeijenis in de zaak hebben gehad, de Vergadering ; en op verzoek van den 
Praeses wordt het scribaat aangenomen door Ds. T. J. van der Riet. 

De Prseses vraagt of een minder bestuur tegen de handelingen van een hooger 
protesteren kan ; welke vraag niet werd beantwoord, omdat men eerst met de meriten der 
zaak wilde bekend gemaakt zijn. 

Het verzoek der Synodale Commissie voorgedragen zijnde, besluit de Vergadering 
hetzelve in te willigen. Hierop werden voorgelezen de. handelingen der Synodale Com- 
missie in deze zaak, alsook de gronden van het Protest, door de Leden van den Tulbaghschen 
Ring ingeleverd. (Bijl.). 

De Praeses verklaart de discussien hierover morgen te zullen voortzetten. 

De Leden der Synodale Commissie en die van den Tulbaghschen Ring weder 
zitting genomen hebbende, werd gelezen een voorstel van Ds. Ham (Bijl.). Alsmede een 
brief van de Wel-Eerw. Heeren Blair en Morgan (Bijl.). 

Waarna het dankgebed geschiedde. 



ZEVENDE ZITTING. 

Dingsdag , 19 October , 1847. 

Allen tegenwoordig, uitgezonderd Ds. Beck. 

Ook verscheen in de Vergadering Ds. Roux, betuigende zijn leedwezen, door 
omstandigheden verhinderd te zijn geworden, bij den aanvang tegenwoordig te zijn. 

Na het gebed werden de Notulen geresumeerd, goedgekeurd, en geteekend. 

Ds. Roux, zijn credentiaal overleverende, meldde dat de afgevaardigde Ouder- 
lino-. wiens naam in het credentiaal vermeld wordt, door den toestand van zaken op de 
grenzen, verhinderd was zijn Wel-Eerw. te vergezellen. 

Als een afgevaardigde uit den Ring van Albanie, werd Ds. Roux benoemd tot 
een der Rationarii. 

Ds. Spijker verzocht, en dit wordt zijn Wel-Eerw. toegestaan, voor en aleer men 
de discussien zoude voortzetten over het protest van den Tulbaghschen Ring, eene plegtige 
verklaring te mogen doen, ter wegneming van den nadeeligen indruk, dien het hooren lezen 



263 



van hetgeen voorkomt in het op gisteren voorgedragen verzoek van de Synodale Commissie 
omtrent hem, zoude kunnen hebben gemaakt op degenen, die het hebben hooren voorlezen, 
in opzigt tot zijn karakter — “ dat hij in geenen deele eenigen invloed gehad heeft op de 
handelingen van den Tulbaghschen Ring zoo min als op het ingeleverde protest, betrek- 
kelijk de handelwijze van de Synodale Commissie.” 

De Leden der Synodale Commissie, en die van den Tulbaghsc.hen Ring verlaten 
nu de Vergadering 

Hierop brengt Ds. Spijker de Vergadering voor de aandacht, dat Art. 122 worde 
in acht genomen, welk voorstel met meerderheid van stemmen wordt aangenomen. De 
Vergadering verlaten daarop de Hoog-Eerw. Prseses, benevens Di. Spijker en Van der 
Riet, en het Scribaat wordt, op verzoek van den Assessor, door Ds. Ham waargenomen. 

De stukken betrekkelijk de zaak, alsmede het protest, worden der Vergadering 
voorgelezen. 

Na vele discussien van onderscheidene Broeders, zoo voor als tegen de zaak 
betreurt de meerderheid der Vergadering, dat de Synodale Commissie in vele opzigten 
hunne werkzaamheden verkeerd bestuurd hadden, maar ook waren er sommigen die oor- 
deelden dat de Tulbaghsche Ring niet naar Art. 5 gehandeld had. 

Dien aangaande deed de eerste afgevaardigde van de Kaapstad het voorstel, “ datj 
hoewel de Vergadering zich niet kan vereenigen met de handelingen der Synodale Com- 
missie, kan de Vergadering nogtans niet goedkeuren de wijze van handelen van de Rings 
Vergadering, als strijdig tegen het 5de Art. der Synodale wet.” 

Welk voorstel met eene meerderheid van ééne stem, zijnde 14 tegen 13, verworpen 

werd. 



Hierop deed Ds. Krige het volgende voorstel : “ dat de Synodale Commissie in 
de gegevene omstandigheden niet anders kon handelen, en daarom wij de handelingen van 
den Ring ten eenen male afkeuren, door zich op die wijze tegen de Synodale Commissie te 
verzetten.” Waarop Ds. Van der Lingen eene emendatie maakte van den volgenden inhoud: 
“ dat de Vergadering oordeelt, dat beide de Synodale Commissie en de Ringsvergadermg 
redenen gehad heeft die niet verwerpelijk zijn ; en dat het eenige hetwelk de Vergadering 
meent te moeten afkeuren is, dat men van de eene en andere zijde tegen den geest van 
Art. 115 en 123 zich in het over en weder schrijven, uitgedrukt lieeft !” Welke emendatie 
met eene meerderheid van stemmen aangenomen werd. 

De tweede afgevaardigde van de Kaapstad, de Predikant en afgevaardigde van 
Vhctoria, de Predikant en afgevaardigde van Fransche Hoek, alsook de Assessor, verzoeken 
aanteekening dat zij in de minderheid gestemd hadden, alsmede doet dit de afgevaardigde 
van Graaff-Reinet, die meent dat de Ringsvergadering in de Tulbaghsche questie gedwaald 
heeft. 



Hierop verzocht Ds. Krige ook aan te teekenen, dat op zijn herhaald verzoek zijn 
voorstel niet aan de Vergadering is voorgedragen geworden. 

De Leden der Synodale Commissie, van den Tulbaghschen Ring, de Hoog-Eerw. 
Praeses en andei’en, die zich verwijderd hadden, weder binnen gelaten zijnde, ging men over 
tot de overweging der Beschrijvingspunten. 



264 



II. RINGSBESTUUR. 

Omtrent No. I : “ Daar er geene wet bestaat welke bepaalt, enz.,” verklaarde de 
Vergadering, gelet hebbende op Art. 250, in vereeniging met Art. 30, dat de betrekking 
van Scriba en Qusestor des Rings door eenen en denzelfden persoon moet worden waarge- 
nomen voor een honorarium van £10, — en werd besloten dat in Art. 30, f, het woordje of 
veranderd zal worden in en. 

Aangaande No. 2, “ dat de zitting van den Ring van Tulbagh naar Malmesbury 
worde verplaatst," dat nu overwogen werd, vooraf besloten zijnde “ dat in de stemming 
hierover de Leden van den Tulbaghschen Ring geen deel zullen nemen werd nu gelezen 
het rapport van Ds. Herold, ingediend namens de Commissie benoemd om de memorien, 
over die zaak ingeleverd, te overwegen (Bijl.), ook de memorie van Worcester 
(Bijh), alsmede de gronden door de Leden des Rings aangevoerd (Bijh), en memorie 
van Kerkeraden en Oud-Kerkeraden van Tulbagh (Bijh). 

De Leden van den Tulbaghschen Ring, zoo die voor als tegen de verplaatsing 
waren, hunne aanmerkingen gemaakt hebbende, werd besloten “ dat de Vergadering plaats 
van den Ring te Tulbagh blijve .” 

De Praeses eenen brief gelezen hebbende van Ds. De Roubaix, verzoekende dat 
de tijd tot inzending van zijne defensie tot Maandag moge worden verlengd, is zulks 
eenparig toegestaan, en daarvan terstond kennisgeving geschied (Bijh). 

Omtrent het voorstel 3, “ de noodzakelijkheid van ééne of liever twee nieuwe 
gemeenten tusschen George en Uitenhage te stichten,” las de Scriba van den Zwellen- 
damschen Ring een uittreksel uit de handelingen der Rings Commissie (Bijh), zoo 
mede de briefwisseling, over dat onderwerp gehouden tusschen de Commissie van Zwel- 
lendam en Albanie, waai’op door Ds. Herold voorgesteld en door de Vergadering goedge- 
keurd werd, “ dat van wege de Synode een brief worde geschreven aan de Kerkeraden 
van George en Uitenhage, hen aanmoedigende de inwoners van die gemeenten behulpzaam 
te zijn in het stichten van nieuwe gemeenten ; die van Georga in de Langekloof, en van 
Uitenhage tusschen Gamtoos en Kromme Rivier. 

Het punt No. 4 werd, na eenige opheldering, door den voorsteller ingetrokken. 

Omtrent No. 5 werd besloten, dat de woorden in parenthesi, Art. 34, afd. 13, 
c ' Hier vraagt de Voorzitter visie van die boeken, en in art. 40, het resolutie boek benevens' 
worden geroijeerd, en die verandering in beide wetsartikelen te maken. 

Aangaande No. 6, werd uit de Acta van den Zwellendamschen Ring voorge- 
lezen, wat daartoe aanleiding had gegeven, en de Vergadering besloot, het voorstel aan te 
nemen “ dat de vacatiegelden, bij de Ringsvergaderingen, op dezelfde som worden gesteld 
gelijk bij de Synode” en Art. 250 daarna te veranderen. 

Nos. 7 en 8 gelezen, en de aanmerkingen van Di. Murray en Roux gehoord 
zijnde, werd besloten “ dat het elken Ring vrij zal staan den dag der Vergadering te bepalen, 
mits zulks geschiede in de derde week van de maand October, en Art. 31 aldus te veran- 
deren, “ de gewone Vergaderingen worden eenmaal ’s jaars gehouden, op eenen door elken 
Ring te bepalen dag, in de derde week in de maand October, zullende in de telling der 
weken, een gedeelte voor het geheel genomen worden ; zullende de Ringsvergaderingen 
in het eerstvolgende jaar op den dag, in 1842 bepaald, als nog te zamen komen. 



265 



No. 9 vervatte het voorstel, dat de Herderlijke Brief, door den Ring van 
Graaíf-Reinet in 1842 aan eenige leden der Colesbergsche en Cradocksche Gemeenten 
gerigt, die de Evangelische gezangen niet zingen, naar de Synode worde gerefereerd, met 
verzoekdeszelfs inhoud in overweging te willen nemen,” zoo werd gemelde brief, voorkomende 
in de Acta van den Graaíf-Reinetschen Ring, gelezen, en daarmede vergeleken een te Thaba 
Unchu gedrukt en conform bevonden, en eenige discussien hierover gehoord zijnde, 
werd besloten : dien brief te stellen in handen der Commissie, in de eerste Sessie benoemd 
om rapport in te dienen voor de in hare handen gestelde brieven van den Heer Joubei t 
en andere inwoners van Zeekoe Rivier, en wordt de overweging van dit punt uitgesteld toí 
dat men zal gekomen zijn aan VI, 9, wanneer het verslag der Commissie wordt verwacht. 

Op voorstel van Ds. Brink, “ dat eene Commissie worde benoemd, om op de 
memorie, door den Heer J. Kretzen ingezonden, als in verband staande met het Beschrij- 
vingspunt voorkomende in Hoofd. IV. 2, te rapporteren, voor dat het gemeld Beschrijvings- 
punt ter tafel gebragt worde, — werd besloten te benoemen den Hoog-Eerw. Assessor, met 
Di. Murray, Shand en Brink. 

Gelezen een voorstel van Ds. Krige (Bijl.) 

Na het voorlezen der korte Notulen, zeide de Praeses dat hij uit het hooren der 
notulen van hetgene is besloten geworden, toen hij den stoel niet bekleedde, aanleiding 
heeft gekregen om eenige vragen te doen, op welker beantwoording hij zal hebben aan 
te dringen, voor dat hij als Praeses der Synodale Commissie zal kunnen werkzaam zijn. 

Hierop scheidde de Vergadering more solito. 



ACHTSTE ZITTING. 

Woensdag, 20 October, 1847. 

Allen tegenwoordig, uitgezonderd Ds. Beck. 

Na het gebed, de Notulen geresumeerd zijnde, merkte de Hoog Eerw. Assessor 
aan, dat hij bij het resumeren der korte notulen, door Ds. Ham gehouden, bij het sluiten der 
Vergadering op gisteren eenige aanmerkingen heeft gemaakt, welke daar zij niet waren 
aangeteekend geworden, zijn Hoog-Eerw. nu verzocht in de notulen opgenomen te mogen 
worden. Zij werden door zijn Hoog-Eerw. in geschriftte gesteld en zijn in de Bijl. 

Voor men overging ter teekening der notulen, werden door den Hoog-Eerw. 
Praeses eenige aanmerkingen gemaakt, welke nader door zijn Hoog-Eerw. in geschrift 
zullen worden gesteld, om bij de notulen te worden gelegd. 

Ook verzocht Ds. Herold een voorstel te mogen doen, dat, zijn Eerw. zeide, 
betrekking had op de notulen, welke nu geteekend zouden worden, ten opzi^te van het 
geen aangeteekend staat als het besluit der Vergadering, in de zaak van het protest van 
den Tulbaghschen Ring. 

Dit verzoek door eene groote meerderheid toegestaan zijnde, wenschten Di. Spijker 



266 



en Scholtz en de Ouderling Smuts dat worde aangeteekend, dat zij in de mindei’heid 
hadden gestemd. 

Ds. Herold las hierop zijn voorstel (Byl.) 

Dit voorstel gelezen zijnde, was de vraag of het nu (dan wel naderhand) zoude 
worden overwogen, en terwijl de stemmen staakten, werd door de beslissende stem van den 
Prseses, bepaald dat zulks nu gescliiedde. 

Zeer vele discussien werden hierover gevoerd, en na eenige aanmerkingen van den 
Prseses, zeide Ds. Herold, in zijne betrekking als afgevaardigde tot de Synodale Commissie 
namens den Kaapstadschen Ring, het voorstel te zullen intrekken, in geval de leden van 
dien Ring, in deze Vergadering te^enwoordig, daarin bewilligden. Dit toestemmend door 
hen beantwoord zijnde, werd dit voorstel ingetrokken. 

De notulen nu geteekend zijnde, werd gelezen een brief, geteekend Jan Venter, 
welke gesteld werd in handen der Commissie, belast om rapport in te dienen over de memo- 
rien van zekere inwoners in de parochie van Colesberg. 

Tot de Beschrijvingspunten overgaande, werd nu overwegen II, 10, het voorstel 
van den Beaufortschen Kerkeraad, dat aldaar een nieuwe Ring worde gecreëerd. 

Ds. Fraser dit aangedrongen, en de Leden van den Graaff-Reinetschen Ring 
hunne gevoelens geuit hebbende, werd, op voorstel van den Praeses, besloten, “ dat wanneer 
de Gemeente van West Nieuwveld zal zijn gesticht, alsdan een nieuwe Ring zal .worden 
daargesteld, onder den naam van Beaufortschen, waartoe behooren zullen de Gemeenten 
van Beaufort, Victoria, Prins Albert, en West Nieuwveld.” 

Ds. Roux doet een voorstel, dat de Gemeente van Somerset (Oost) gevoegd worde 
bij den Ring van Albanie, doch Ds. Pears aangemerkt hebbende, dat de Kerkeraad van 
Somerset geene kennisgeving daarvan had ontvangen, werd dit voorstel door zijn Wel-Eerw. 
terug genomen. 

Bij de overweging van III, 1 , “ noodzakelyklteid ter aanwcnding van middelen 
ter opleiding van jongelingen tot het Lceraarsambt in onze Gereformecrde Kerk alhier," werd 
gelezen hetgeen voorkomt in het Rapport der Synodale Commissie, No. 14, met de daarbij 
aangehaalde bijlagen en werd, op voorstel van den Prseses, besloten, de zaak op morgen te 
behandelen. 

Omtrent de vraag, door den Zwellendamschen Ring in 1843 naar de Synode 
verzonden, voorkomende in III: 2, “of en in hoeverre de Wel-Eerw. Heer Moorrees, enz.,” 
las de Scriba van dien Ring de correspondentie met Ds. Moorrees — en gaf de Praeses het als 
zijn gevoelen te kennen, dat de Vergadering hare afkeuring te kennen geve, over het gedrag 
der afgescheidenen, na hetgeen door hen in de vorige Synode was beloofd en op hun 
verzoek aan hen was toegestaan geworden. De Vergadering zicli daarmede vereenigende, 
stelde de Prseses voor — “dat de Vergadering ook afkeure het gedrag van Ds. H. A. Moor- 
rees, door zich te verbinden met die afgescheidene gemeente, waardoor hij zichzclven heeft 
verstoken van zijne regten en voorregten als Predikant der Nederduitsch Gereformeerde 
Kerk van Zuid-Afrika, doch dat men bepale, dat hij zijne regten en voorregten zal blijven 
behouden als lid van het Predikanten Weduwen Fonds, en dat hij zijne regten en voor- 
regten als Leeraar der Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika kan herkrijgen, zoodra hij zich 
van die afgescheidene gemeente heeft losgemaakt en daarom aanzoek doet.” 

Ds. Murray voorgesteld hebbende, dat er bijgevoegd worde, u zoodra hij zijn 



267 



leedwezen te kennen geeft” werd het voorstel met de door Ds. Murray verzochte emendatie 
aangenomen. Verzoekende de Hoog-Eerw. Assessor, Di. Spijker, Scholtz en Du Toit 
a anteekening, dat zij omtrent de emendatie in de minderheid hadden gestemd, terwijl 
Ds. Le Febre Moorrees en de Ouderling Smuts geenestemin de zaak hebben gehad. 

No. 3 werd op verzoek van den voorsteller uitgesteld, tot dat de overwegieg van III: 1 
zal zijn afgehandeld. 

No. III: 4 alreede behandeld zijnde, verzocht de Scriba van den Graaff-Reinetschen 
Ring, voor en aleer No. 5 werd overwogen, dat, daar er in dit jaar geene Vergadering 
van den Ring was gehouden, aan wie de Commissie, door dien Ring benoemd om eene 
grensscheiding te maken voor de nieuw gestichte gemeente van Burgersdorp, haar rapport 
zoude hebben kunnen inleveren, — dat gemeld rapport aan deze Vergadering moge worden 
voorgelegd. Dit verzoek werd ondersteund door den Actuarius, die de Vergadering 
herinnerde, hoe men op dezelfde wijze in de vorige Vergadering had gehandeld ten opzigte 
van Zwarteberg; — waarop het Rapport der Ringscommissie door den Scribater tafel werd 
gebragt (Bijl.), door den Praeses voorgelezen en goedgekeurd zijnde, door de Vergadering? 
besloten werd : “de door de Ringscommissie gemaakte grensscheiding ter approbatie van 
het Gouvernemeet voor te dragen.” 

Met betrekking tot No. 5 werd gelezen een brief van Ds. Taylor (Bijl.), en 
werd door de Vergaderingbesloten, overeenkomstig zijnEerw. verzoek bij het Gouvernement 
aanzoek te doen, dat een Leeraar voor die gemeente worde aangesteld. 

Ds. Murray verlangde er bij gevoegd te hebben, dat de Leeraar een moge zijn ? 
die alreeds ervaren was in de Evangeliedienst. 

Aangaande IV: 1, “den staat van het onderwijs in de Buitendistrikten,” ontwik- 
kelde Dr. Robertson het voorstel nader. Ook werd hierbij gelezen, hetgeen voorkomt in 
het Rapport der Synodale Commissie, No. 8 en de Bijlagen ; waarna, terwijl vele 
leden hierover hadden uitgewijd, de Praeses voorstelde, “dat er eene Commissie van 
opvoeding worde benoemd, ten einde te zorgen, dat in de behoeften worde voorzien 
van het onderwijs in de Buitendistrikten.’' Dit voorstel aangenomen zijnde, werden tot 
die Commissie benoemd Di. Robertson, Spijker, Heyns en P. Faure. 

Ook werden Di. Spijker, Heyns, Roux en van der Riet, in Commissie benoemd, 
om voor de werkzaamheden van bovengemelde Commissie van Opvoeding een plan te 
formeren en instructie te ontwerpen, die haar rapport, zoo spoedig mogelijk, zal inleveren. 

Overeenkomstig besluit in vroegere sessie werd, nu men zoude overgaan tot 
IV: 2, “middelen te beramen om die inrigtingen in stand te houden, enz. enz ,” ingeleverd 
het Rapport der Commissie over de memorie van J. Kretzen (Bijl.), dat op morgen zal 
worden besproken. 

De Kerkeraad van de Kaapstad verzocht hebbende, dat de dag tot inwijding van 
het nieuwe Kerkgebouw op eenen dag later mogte geschieden — werd dat verzoek toege- 
staan — en tevens besloten, dat de ordening van den Heer Dyke een uur vroeger, dan bepaald 
was, op dien dag zoude geschieden, waarna de Vergadering met dankzegging tot God 
scheidde. 



Q í 



268 



NEGENDE ZITTING. 



Donderdag, 21 October, 1847. 

Allen, uitgzonderd Ds. Beck, tegenwoordig. 

De Notulen, na het gebed, geresumeerd zijnde, las de Prseses voor hetgeen 
door zijnHoog-Eerw, op gisteren mondeling was verklaard geworden, en hetgeen nu door 
hem in geschrifte was gesteld (Bijl.). 

De Notulen gelezen zijnde, merkte de Praeses aan dat Ds. Beck, die bij de 
opening der Synode tegenwoordig was, geene enkele sessie der Vergadering had bijgewoond, 
noch ook, ingevolge art. X: 4, eenige schriftelijke kennisgeving van de redenen zijner 
afwezigheid had ingezonden, en stelde voor dat, daar zijne Parochie niet ver van de stad 
was gelegen, zijnEerw. daarover zoude worden aangeschreven : — waarop Ds. Berrangé 
aanmerkte, dat daar wij in Hoofdstuk VI: 12 een beschrijvingspunt hebben, behelzende 
“gemoedelijke bezwaren van Ds. J. Beck wegens het niet bijwonen der hoogere kerkelijke 
Vergaderingen,” wij dat punt thans in overweging nemen. De Vergadering daartoe 
besluitende, verlieten de Leden van den Kaapstadschen Ring, die in deszelfs Vergadering 
van 1844 zitting hebben gehad, nadat zij, in de mededeeling aan de Synodale Commissie 
omtrent de handelwijze van Ds. Beck geschied, als klagers voorkomen, de Vergadering. 

Het voorzitterschap werd door den Prseses opgedragen aan Ds. Robertson, Voor- 
zitter der vorige Vergadering, terwijl het scribaat werd overgenomen door Ds. J. Brink. 

Uit de handelingen van de Synodale Commissie, werden nu voorgelezen al de 
stukken betrekking hebbende op de zaak van Ds. Beck (Bijl). 

Hierop werden eenige aanmerkingen gemaakt door Ds. Berrangé, en het volgende 
voorstel door hem gedaan: “Daar niet slechts de laatstgehoudene, maar ook deze Synode 
de gronden van Ds. Becks weigering om de hoogere Kerkvergaderingen bij te wonen 
overwogen heeft, en van oordeel is, dat dezelve van geen genoegzaam gewigt zijn, zoo wordt 
besloten den Wel-Eerw. Beck hiervan kennis te geven, met verzoek van ten spoedigste 
staande deze Vergadering van hem te mogen weten, of hij al of niet voornemens is zich aan 
de kerkelijke wetten en bepalingen te onderwerpen, opdat de Vergadering besluite, welke 
maatregelen behooren genomen te worden, en ingeval geen voldoenend antwoord ontvangen 
wordt, zal de Wel-Eerw. Beck beschouwd worden bij zijne vorige denk- en handelwijze 
te volharden.” 

Dit voorstel werd, met uitzondering van Ds. Scholtz, door de Vergadering 
aangenomen. 

Aangemerkt zijnde, dat de dag, waarop het antwoord behoort in te komen, nader 
bepaald worde, werd vastgesteld dat het antwoord vóór of op aanstaanden Donderdag (heden 
over acht dagen) moet ingezonden worden. 

De leden van den Kaapstadschen Ring weder zitting en de Prseses zijne plaats 
genomen hebbende, bepaalde zijnHoog-Eerw. met toestemming der Vergadering, 
met betrekking tot het Beschrijvingspunt VI: 6, eene Commissie te benoemen, om over 
hetzelve rapport in te brengen op aanstaanden Maandag. 



269 



Tot die Commissie werden benoemd Ds. Berrangé, Krige, en de tweede afge- 
vaardigde Ouderling van de Kaapstad. 

De leden van den Tulbaghschen Ring leverden, in betrekking tot dit punt, hunne 
verantwoording in (Bijl). 

Dit stuk, gelijk de memorie van J. Marais en overige stukken, hiermede in ver- 
band staande, werden aan gemelde Commissie inhandigd. 

De op gisteren gestaakte overweging van IV : 2, u middelen te beramen om, enz.,” 
weder nu hervat, en op nieuw gelezen het Rapport (Bijl.), waarna Dr. Robertson aan de 
Vergadering een verhaal mededeelde van den aard der werkzaamheden van den Heer 
Kretzen in de Parochie van Zwellendam, en het nut door hem als rondreizenden godsdienst- 
onderwijzer in de gemeente gesticht. 

De Prseses wijdde in het breede uit over den overdienden blaam der Gerefor- 
meerde Kerk aangewreven, als of die zich onverschillig betoonde omtrent den voortplan- 
ting van het Evangelie, en de geestelijke belangen der heidensche bevolking in deze 
Volkplanting zich niet aantrok, — het tegendeel waarvan door ettelijke door zijnHoog-Eerw. 
genoemde daadzaken werd aangetoond. Ds. Van der Lingen, Spijker en anderen, spraken 
in denzefden geest, beroepende laatstgemelde zich op het plan in de Synode van 1834 
ontworpen, de redenen aanhalende waarom hetzelve schipbreuk heeft geleden. 

Algemeen scheen de Vergadering doordrongen te zijn van het gevoel en de over- 
tuiging, dat er vanwege deze Algemeene Kerkvergadering krachtdadige middelen ter 
hand genomen worden, ter uitbreiding van het Rijk onzes Zaligmakers, zoo in als buiten 
deze Volkplanting, waarop de Praeses voorstelde : — “Dat eene Commissie, namens dc 
Synode, worde aangesteld ter bevordering van Evangeliekennis in dit land, door reizende 
Zendelingen in de onderscheidene Parochien, ' welk voorstel met eenparige stemmen werd 
aangenomen. 

Tot het vervaardigen van een plan van werkzaamheden en formeren van instructie 
voor die commissie, werden benoemd Di. Robertson, Brink, Fraser, en de Ouderling 
Smuts. 

Ingevolge het op gisteren genomen besluit werd nu weder overwogen, het punt 
III: 1, “ noodzakelijkheid ter aanwending van middelen ter opleidingvan Jongelingen, enz. 3 
enz., enz.,” en daaromtrenthet volgende voorstel door den Prseses gedaan : — “ Dat er een Theo- 
logisch Seminarium worde opgerigt, waarin ten minste door twee Hoogleeraren onderwijs zal 
worden medegedeeld. Dat de Synodale commissie met de oprigting daarvan belast worde, 
wier pligt het zijn zal de Leeraren en Kerkeraden optewekken, inschrijvingen en inzame- 
lingen in hunne gemeenten te doen, daartoe opwekkingsredenen te houden, het plan voor 
de gemeenten te doen ontwikkelen, en het noodzakelijke daarvan bij hen aan te dringen, of 
welke andere middelen zij daartoe noodig en wenschelijk acht. Dat zoodra men daarin 
slaagt, en de Commissie aanvaart dat men genoegzame fondsen byeen heeft om hetzelve 
te kunnen vestigen, zy geregtigd zyn zal tot het beroepen en aanstellen van Hoogleeraren. 

“ Dat bijaldien en zoo lang zoodanig Seminarium niet tot stand gebragt wordt, liet 
aan een ieder zal vrij staan zich onder het opzigt en de leiding van eenen Leeraar van ons 
Kerkgenootschap voor te bereiden, en na die voorbereiding aan de Synode aantebieden om 
geëxamineerd en toegelaten te worden tot de Heilige dienst by ons Kerkgenootschap.” 

Als eene emendatie stelde de Hoog-Eerw. Assessor voor :- — “ Dat door de Svnode 
q2* 



270 



middelen worden daargesteld ter gemoetkoming van jongelingen van goeden aanleg eri 
opregte Godsvrucht, die zich opgewekt mogten gevoelen om zich op eene der Buitenlandsche 
tot de Gereformeerde Kerk behoorende Hoogescholen, voor het Herders- en Leeraarsambt 
voor te bereiden. 

Vele leden der Vergadering deelden hierover hunne denkbeelden mede. 

De emendatie voorgesteld zijnde, verklaarde eene groote meerderheid zich daarte- 
gen. In de minderheid en voor dezelve stemden Di. Spyker, Roux, Scholtz en Berrangé. 

De Prseses bragt nu het eerste gedeelte van zijn voorstel ter stemming : — “ Dat 
er een Theologisch Seminarium, enz., ut supra ,” eindigende met de woorden, enz., “ aanstellen 
van Hoogleeraren.” 

Dit voorstel werd door eene groote meerderheid aangenomen. Acht leden stem- 
den in de minderheid, verzoekende dat hunne namen werden aangeteekend, de HoogEerw. 
Assessor, Di. Spijker, Moorrees, Berrangé, De Villiers, Roux, Scholtz, en de Ouderling 
Pienaar, die hunne redenen nader zullen inleveren. 

Het andere gedeelte van het voorstel van den Prseses, beginnende met deze 
woorden “ dat by aldien en zoo lang,” en eidigende met “ Kerkgenootschap,” werd door 
zyn HoogEerw. teruggetrokken, opdat het niet een hinderpaal zoude zijn of gemaakt 
worden om het nu aangenomen voorstel en besluit tegen te werken. Ds. Spijker gevraagd 
hebbende vanwaar Hoogleeraren zullen worden beroepen, was het antwoord van sommige 
leden, uit Europa, en wel de eerste te beroepene uit Holland. 

Het punt III. 3, “ om de Haagsche Commissie enz., enz.,” werd door den voor- 
steller ingetrokken. 

De Actuarius en Prseses deelden aan de Vergadering de redenen mede, waarom 
zij het voorstel in IV. 3, hadden ingezonden, “ Roijering, enz.,” Ds. Robertson gewaagde 
hoe geheel tegen de bedoeling der vorige Synode, door wie die bepaling is aangenomen 
geworden, eene verklaring en uitleg aan dezelve is gegeven geworden, welke men nimmer 
in den zin heeft gehad, en de Vergadering was eenparig van gevoelen, dat die parenthesis 
m Ai*t. 61 worde geroijeerd, en besloot, dat in Art. 61 worde geroijeerd, de parenthesis — 
bevattende deze woorden, “ dat Zendelingen door onze Gereformeerde Kerk geordend, die 
ordening alleen zullen ontvangen, om buiten de Grenzen dezer Volkplanting werkzaam te 
zijn,” en in de Acte van toelating deze woorden, “ buiten de grenzen.” 

Een voorstel ingeleverd door den Ouderling van Graaff-Reinet (Bijl). 

Ook werden eenige vragen door den Praeses voorgelezen (Bijl.), welke nader 
zullen worden beantwoord. Hierop scheidde de Vergadering met dankzegging tot God. 



271 



TIENDE ZITTING. 

Vrydag , 22 October , 1847. 



Allen tegenwoordig, uitgezonderd Ds. Beck, zonder, en de Ouderling van Zwart 
iand, met kennisgeving. 

Na het gebed, de Notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

De memorie aan het Gouvernement, v r erzoekende om eene jaarwedde voor de 
Weduwe Stucki werd voorgelezen, goedgekeurd, en geteekend (Bijl). 

Overgaande tot de overweging van hetgeen voorkomt in Hoofdstuk 
Kerk-Bestuur, meldde omtrent No. 1, Ds. Spijker de redenen waarom dit punt niet 
door den Kerkeraad, maar onder zijne naamteekening is ingezonden geworden, zijnde de 
aandacht van zijnEerw. eerst daarbij bepaald, nadat de Kerkeraad deszelfs punten van 
beschrj r ving had ingezonden, en er geen tijd meer was dit punt vóor de inzending hun 
Eerw. voor 1e leggen, doch dat bij de ontvangst der gedrukte beschrijvingspunten de 
Kerkeraad zich daarmede vereenigde, onder die bepaling “ dat in de briefjes de naarptee- 
kening van den inzender worde bekend gesteld." 

De Praeses merkte aan dat hij het wenschelijk beschouwt, dat de Kaapstadsche 
Kerkeraad de Synode om verlof verzoeke, om op de in het beschryvingspunt voorge- 
stelde wijze te mogen te werk gaan by hunne gemeente, met bijvoeging van de bepaling, 
dat aan elk der voorstellers voór de Gecombineerde Vergadering een lijst der voorgestelden 
worde toegezonden. 

Na eenige discussien werd dit punt door den voorsteller ingetrokken. 

Daar Art. 36, 11, nu ter sprake was, werd besloten, dat in hetzelve de woorden 
“ 0771 die aan het Gouvernement voor te dragen worden geroijeerd. 

By de overweging van V. 2, werd uit de Notulen van den Kaapstadschen Ring 
gelezen, de voordragt door den Kerkeraad gedaan, en hetgeen door de Rings Vergadering 
besloten is geworden ; wanneer door de Vergadering eenparig werd besloten, dat : — “ Om 
voortaan een gelijk getal Kerkeraadsleden te doen aftreden, de Kerkeraad in de eerst- 
komende benoeming van Kerkeraadsleden handele in overstemming met het besluit, in 
deszelfs Vergadering genomen van 22 January, 1844, en overeenkomstig Art. 36, 21.” 

Gelezen zijnde een brief vanwege den Kerkeraad van Balfour, gedateerd 1 Octo- 
ber, 1847, aan den Scriba van den Albanischen Ring gerigt, werd Dr. Roux (de Scriba) 
verzocht een bepaald voorstel daaruit op te maken, en aan de Vergadering voor te dragen. 

Omtrent No. 3, werd besloten, dat in Art. 43 § 3, No. 10, litt. e, eerste gedeelte, 
achter het woord “ iemand” gevoegd worden “ die met kerkelijk attest van elders komt." 

Omtrent No. 4, zeide de Scriba dat dit overeenkomstig Synodaal besluit van 8 
November, 1842, door hem op de Beschryvingspunten was geplaatst geworden. Hetgeen 
voorkomt in het door de Commissie van Revisie in dat jaar voorgedragen Reglement, Art. 
36 en 37, nu gelezen zijnde, besloot de Vergadering, met uitzondering van Di. Herold en 
Ham, dat men voor het tegenwoordige geene verandering make in het zamenstellen van 
den Kerkeraad. 



272 



No. 5, als daarmede in verband staande, werd gevolgelijk door Ds. Robertson 
namens den Kerkeraad van Zwellendam ingetrokken. 

De Commissie in wier handen gesteld was geworden de correspondentie der 
Zendelingen van het Rijnsch Genootschap, haar rapport ingeleverd hebbende (Bijl.), 
werd hetzelve gelezen, en vele leden hun gevoelen geuit hebbende, werd eenparig besloten, 
“ dat de leden der Vereenigde Duitsch Evangelische Kerk, op vertoon van attest aan den 
leeraar dier gemeente afgegeven, op plaatsen waar zulk eene Evangelische Gemeente niet 
bestaat, zullen worden toegelaten tot het genot van het avondmaal, blijvende zij leden der 
Evangelische Kerk, doch onder ons kerkelijk opzigt staande, vorderende de Synode, ter 
voorkoming van alle verwarringen, dat zij overtuigd zij van de wettige ordening der Leer- 
aars dier Kerk, door eene schriftelijke verklaring daaromtrent, door hunne conferentie aan 
den Actuarius ingezonden, die daaromtrent telkens aan de Ringen mededeeling zoude 
hebben te doen.” Ook werd besloten dat van dit besluit afschrift aan de Conferentie der 
Vereenigde Duitsch Evangelische Kerk zal worden toegezonden. 

Omtrent VI : 1 “ Bepalingen te maken, enz.,” werd de aandacht bepaald bij 
vroegere Synodale besluiten, wanneer dit voorstel door Ds. Fraser werd ingetrokken. 

Dit had ook plaats omtrent No. 2, íl Vraag of het een leeraar, enz.,” nadat eenige 
redenen gewisseld waren geworden tusschen Di. Faure, Sutherland, de Villiers en Reid. 

Betrekkelijk No. 3, “ de geestelijke aangelegenheden der uitgewekenen, enz.,” 
gaf Ds. Krige een verhaal van een bezoek op last van den Graaff-Reinetschen Ring door 
hem afgelegd aan Riet-Rivier, en vele redenen hierover gewisseld zijnde, werd door den 
Scriba voorgesteld en met eenparige stemmen aangenomen, “ dat namens de Synode eene 
Commissie worde benoemd om de uitgewekenen te bezoeken, met volle magt, om alle zoo- 
danige maatregelen in vereeniging met hen te nemen, waardoor in hunne geestelijke be- 
hoeften op eene geregelde wijze kan worden voorzien ; — dat die Commissie thans worde 
benoemd, dat dit aan de Emigranten worde medegedeeld, en wanneer zij zich bereidwilhg 
verklaren die Commissie behulpzaam te zijn om derwaarts te komen, dezelve hare taak 
alsdan volbrenge.” 

Op de vraag vanden Tulbaghschen Ring, 4, “hoe zal men handelen, enz , enz., 
verklaarde de Vergadering “ dat de kerkelijke wetgeving in dit geval niet kan voorzien.’ 

Door Ds. Reid werd gevraagd “ hoe de Leeraar van Colesberg met het geld doen 
moet door Ds. Krige hem ter hand gesteld wegens het doopen van kinderen ?” 

Op morgen te antwoorden. 

Na de dankzegging scheidde de vergadering. 



273 



ELFDE ZITTING. 

Zatnrdag, 23 October, 1847. 

Afwezig Ds. Beck, zonder, Ds. Scholtz en de Ouderlingen van Zwartland en 
Stellenbosch, met kennisgeving. 

De Notulen, na het gebed geresumeerd en geteekend zijnde, zeide de Praeses dat 
hij nu zoude overgaan tot het benoemen der Commissie, die de Emigranten, als gisteren 
bepaald, zouden bezoeken. 

Ds. Murray had daaromtrent een voorstel, doch het voorgestelde in strijd zijnde 
met de wetsbepalingen, trok hij het terug. 

Tot die Commissie werden door den Praeses benoemd Di. Murray en Berrangé 
en de Ouderlingen Pienaar en De Wit, doch daar op ernstig aandringen van Ds. Berrangé 
om verschoond te mogen worden, en het aanhooren der gewigtige redenen door hem inge- 
bragt, de Vergadering met meerderheid van ééne stem besloot dat zijn verzoek zou worden 
toegestaan, werd in zijne plaats benoemd Ds. Albertijn, die met veel gevoel, hoewel al da 
zwarigheden gevoelende, de taak op zich nam, gelijk ook Ds. Murray (die ook ernstig 
verzocht had verschoond te mogen worden), en de beide Broederen Ouderlingen deden. 

Deze Broeders zullen, zoodra zij de reis zullen ondernemen, en gedurende hunne 
afwezigheid, op speciaal besluit dezer Vergadering, in de openbare gebeden in de gemeente 
herinnerd moeten worden. 

Ook werd, op voorstel van Ds. Murray besloten, dat “ namens deze Vergadering 
een schriftelijk verzoek aan het Bestuur der Bijbelvereeniging zal worden gedaan om eene 
genoegzame hoeveelheid Bijbels, Nieuwe Testamenten, Psalmboeken en Traktaten kostelooa 
naar Colesberg te doen verzenden ten dienste dier Commissie, om met dezelve naar 
welgevallen te handelen.” 

Aangaande de vraag aan het slot der Notulen der vorige Sessie voorkomende, 
“ hoe gehandeld zal worden met het geld,” enz., werd geantwoord, dat “ na aftrek van Rds. 
94 voor den Koster der Colesbergsche Kerk, de door Ds. Krige aan Ds. Reid inhandigde 
geldsom, door laatstgemelde worde bewaard, ten einde terug te worden gegeven aan de 
// Gemeente van Rietrivier, zoodra een Kerkeraad aldaar zal zijn aangesteld. 

De brief van den Eerwaarde J. Verhaag (Bijl.), vroeger reeds gemeld, thans 
weder gelezen, en daarbij acht geslagen geworden zijnde op zijne Akte, door de Commissie 
der Protestantsche Kerk in Nederlands O. en W. Indie afgegeven — en op de Akte van 
Ordening in 1837 goedgekeurd (bij Actuarius, pag. 405), werd besloten, dat hij als hulp- 
prediker zal mogen werkzaam zijn in de Gemeente, onder voorwaarde, dat hij eene Akte 
onderteekent, zich verbindende geen beroep van herder en leeraar bij de Nederduitsch 
Gereformeerde Kerk binnen deze volkplanting te zullen aannemen.” 

Ds. Spijker, die in de minderheid had gestemd, verzocht aanteekening dat hij 
aan zich gereserveerd hield, de redenen nader te zullen bekend stellen. 

Met betrekking tot VI, 5, “dat de aandacht der Synode, enz.,” verzocht Ds. Reid 



274 



dat de Vergadering niet beslisse, voor dat afgehandeld zij VI, 9 : “ Vraag of de Ring van 
Graaíf-Reinet,” enz. 

Omtrent VI : 6 wordt op Maandag verwacht het Rapport der Commissie. 

Op verzoek van een lid der Ringscommissie van Zwellendam, werd in verband 
met VI : 7, “de Synode beslisse over geschil,” enz. enz., ook overwogen VI: 8, “ uitspraak,’’ 
enz. De Scriba van den Zwellendamschen Ring las, ter inlichting der Vergadering, het 
verhandelde over de zaak in den Zwellendamschen Ring uit de Acte voor, en leverde ook 
daar by over de door hem voorgelezen Handelingen der Ringscomnussie (Bijl.), met de 
daarbij aangehaalde briefwisseling van George, 5 Januarij 1847; Mosselbaai, 3 April, 
1847; George, 8 Mei, en Mosselbaai 27 Mei, 1847. 

De Vergadering hare aandacht op het een en ander gevestigd hebbende, was de 

meerderheid van oordeel, “ daar dezelve geene stukken voor zicli had, om over het eigen- 

domsregt van het gebouw van Grobbelaarsrivier te kunnen oordeelen, den Kerkeraad van 

George aan te bevelen, dat die den leeraar van Mosselbaai bij zijne huisbezoekingen in de 

nabijheid van dat gebouw niet hinderlijk zij van hetzelve tot het houden van godsdienst- 

oefeningen gebruik te maken.” 

© © 

Terwyl omtrent No. VI : 8 besloten werd, “ dat den Kerkeraad van George berigt worde, 
dat het aan de Synode gebleken is, uit de stukken door de Ringscommissie voorgelegd, 
dat bij denzelven overtreding van de wet heeft plaats gehad, vooral Art. 46 en Art. 5, 
hetgeen door de Vergadering wordt afgekeurd, en den Kerkeraad worde aangeschreven voor 
de toekomst zich daarvoor te wachten.” De Ouderling van George verklaarde zich be- 
zwaard te gevoelen. 

Overeenkomstig besluit in de Vijfde Sessie genomen, werd nu overwogen het 
voorstel van den Kerkeraad van George, om een nieuwen Ring gesticht te hebben, zoo als 
voorkomt in het Rapport van den Actuarius (Bijl.), waarop de Vergadering verklaarde zicli 
grootelijks te verheugen in het vooruitzigt, dat drie gemeenten in die Parochie zullen wor- 
den gesticht, welke zij hoopt met een goed gevolg aan Oudtshoorn, Oliphantsrivier en 
Ondereinde van Langekloof tot stand zullen worden gebragt. Over het voorstel zelf kon de 
Vergadering echter thans niet beschikken, omdat het niet is ingezonden geworden ter 
plaatsino- op de Beschrijvingspunten, waardoor de Kerken daarvan onkundig bleven.” 

Aan de Commissie benoemd om te rapporteren op de Memorie van G. D. 
Joubert, op haar verzoek, uitstel verleend zijnde, werd de overweging van VI : 9 uitgesteld 
en het Rapport der Commissie op Maandag verwacht. 

Hetgeen voorkomt in VI : 10, 11, voorgelezen, en de aanmerkingen der voorstel- 
lers gehoord zijnde— werd besloten, ten einde aan de bepalingen in Art. 6 en 112 te vol- 
doen, “ dat de zaken van predikanten voor de toekomst ter eerste instantie behandeld 
zullen worden voor den Ringr en ter tweede instantie voor de Synode zelve.” Hiertegen 
werd gestemd door Di. Herold en Reid. 

De Actuarius en Ds. Spijker werden in Commissie benoemd om, íngevolge deze 
bepaling, de noodige veranderingen in de Wetsartikelen te ontwerpen en aan te wijzen. 

Het rapport met de instructie ontvangen zijnde van de Commissie van Onderwijs 
of opvoeding, werd de Commissie bedankt, terwijl de door dezelve ingeleverde instructie 
nader zal worden overwogen (Bijl). 



275 



Het volgende voorstel werd door den Kerkeraad van de Paarl ingeleverd : “ De 
Algemeene Vergadering bepale hoe de Kerkelijke Tucht moet uitgeoefend worden omtrent 
gecensureerde ledematen, die in het wangedrag waarvan zij geoordeeld zijn, blijven vol- 
harden, en wel met kennisgeving, dat zij noch kunnen noch willen zich verbeteren.” 

Ook een ander van den Ouderling P. A. van Zyl — “de Hoog-Eerw. Kerkver- 
gadering bepale dat vacatie gelden op Zondagook worden uitgereikt aan de afgevaardigden.” 
Na het gebed scheidde de Vergadering. 



TWAALFDE ZITTING. 



Maandag, 25 October, 1847. 

Allen tegenwoordig, uitgezonderd Ds. Beck en de Ouderling van Stellenbosch, 
wegens ongesteldheid. 

De Notulen na het gebed geresumeerd, goedgekeurd en geteekend zijnde, leverde 
Ds. Spijker schriftelijk zijne redenen in, waarom hij in de minderheid had gestemd in de 
zaak van den Heer Verhaag (BijL). 

Werd gelezen en in handen van de afgevaardigden van Zwartland en D’Urban, 
ten fine van Rapport gesteld, eene memorie van eenige leden der Tijgerbergsche gemeente, 
verzoekende tot de parochie van Zwartland te mogen behooren. 

De defensie van Ds. De Roubaix heden ontvangen zijnde (Bijl.), werd de- 
zelve voorgelezen en herlezen, en daarbij ook weder overwogen, zijne verdediging bij de 
Rings Commissie ingeleverd. Voor men echter tot de lezing van deze en andere stukken, 
op deze zaak betrekking hebbende, zoude overgaan, werd den Custos, door den Praeses, 
op aanbeveling der Vergadering aangezegd, dat bij de overweging dezer zaak, de deuren 
gesloten zouden blijven, omdat documenten zouden kunnen worden aangehaald, welke, 
wegens derzelver onkieschen inhoud, niet zonder aanstoot voor het publiek konden gelezen 
worden. 

Eenige uren met de overweging der zaak bezig geweest zijnde, verzocht Ds. 
Ham dat de deuren thans zouden worden geopend, omdat hij gedurende den tusschentijd, 
in welken de vergadering gescheiden was, groot ongenoegen had opgemerkt onder het 
publiek, dat de toegang bij deze gelegenheid hun ontzegd werd. De meerderheid der 
vergadering was van gevoelen, dat de oorzaak nog niet was weggenomen waarom order was 
gesteld, dat de deuren bij de overweging dezer zaak niet zouden worden opengezet, en 
het verzoek van Ds. Ham werd dus afgewezen. 

Na nog ernstige deliberatien over de zaak van Ds. De Roubaix, werd het volgende 

voorstel door den Prseses gedaan : “ Dat, daar de Predikant De Roubaix, toen hem aange- 
r2 



276 



schreven werd, dat op den 17 Februarij, 1845, de Synodale Commissie te Clanwilliam zoude 
zitting houden, om zijne zaak te onderzoeken, hij verklaard had de reis naar Clanwilliam 
niet te kunnen doen, uithoofde van insolventie, en tevens, omdat hij aldaar zijn leven niet 
veilig was, en omdat gemelde Predikant De Roubaix bij het doen van een verzoek, thans 
ter tafel, om een nieuw onderzoek in zijne zaak, bepaalt, dat zoodanig onderzoek niet 
gehouden moet worden te Clanwilliam, en ook verklaart, dat indien zulks daar gehouden 
wordt, aan hem alsdan geen regt kan geschieden, — deze vergadering besluite, om, in het 
bezit van al de stukken voor haar, geen nieuw onderzoek in de zaak te doen plaats hebben. 

Vele redenen hierover gewisseld zijnde, werd dit voorstel door de meerderheid 
aangenomen. Di. Spijker en Scholtz (overeenkomstig art. X : 15) werden verschoond 
hunne stem uit te brengen, voordat zij hun protest in de zaak hadden doen aanteekenen, 
toen de zaak in den Kaapstadschen Ring het eerst ter tafel kwam. In de minderheid 
stemden Ds. Herold, de Assessor, Di. Edgar, Le Febre Moorrees, Ham, en de Ouderlin- 
gen Van Breda, Morkel, Malan en de Villiers. 

Ds. van der Lingen leverde schriftelijk zijne redenen in, waarom hij in de meer- 
derheid had gestemd (Bijl). 

De Prrnses vraagt, eer hij eenig nader voorstel doet, of iemand der leden nog 
iets uit de vroeger voorgelezen stukken wenscht herlezen te hebben, wanneer op verzoek 
van den ouderling Van Zijl, de verklaring door C. de Haas afgelegd, gelezen werd, en 
niemand de lezing van eenig stuk meer begeerende, werd door den Prseses gevraagd “ of 
Ds. De Roubaix, naar het oordeel der vergadering, zich niet heeft schuldig gemaakt, door 
zich in den drank te buiten te gaan ?” 

Hierop werd door de meerderheid bevestigend geantwoord. Gelijk almede 
geschiedde, op de volgende vraag : “ Of Ds. De Roubaix, naar het oordeel der vergadering 
én uit zijne eigene erkentenis, én uit de stukken welke men voor zich heeft, niet schuldig 
ís aan mishandeling van zijne vrouw. 

Ds. Le Febre Moorrees stemde in beide in de minderheid, zullende op morgen 
zijne redenen in geschrifte inleveren, — ook werd in de minderheid gestemd door den 
ouderling Van Breda. 

De vergadering vereenigde zich voorts met het gevoelen van den Praeses, dat 
het uit de stukken niet blijkt, dat Ds. De Roubaix schuldig is aan de daadzaak van overspel. 

De Prseses almede gevraagd hebbende, of de vergadering haar gevoelen niet. zal 
uitdrukken : “ dat buiten en behalve de beide voornoemde punten uit de stukken is geble- 
ken, dat Ds. De Roubaix zich onwaardig eenen dienaar van het Evangelie heeft gedragen, 
was de meerderheid van oordeel dat het, om vele redenen, beter ware het gevoelen niet 
uittedrukken. ' 

De Prseses merkte aan, dat het niet is dan met diep gevoel en innerlijke droefheid 
des harten, wegens de vroegere verbindtenis waarin hij tegen den beschuldigden mede- 
broeder staat, dat hij nu een voorstel doen moet, hetwelk hij zich voor de eer van Jezus 
Christus, onzen Zaligmaker, en het belang van zijne kerk, gedrongen gevoelt te moeten 
doen, namelijk : “ dat de Predikant De Roubaix, uithoofde van de punten waarop hij 
schuldig werd bevonden, onbevoegd is de Nederduitsch Gereformeerde Kerk van Zuid 
Afrika langer als leeraar te kunnen dienen.” 

Op dit voorstel zal op morgen worden beslist. 



277 



De Quaestor van het Predikanten Weduwen Fonds herinnerde de Vergadering 
aan hetgeen in het Rapport van den Actuarius voorkomt van het overlijden van Ds. Stucki» 
en vraagt of de Weduwe Stucki, daar wijlen haar echtgenoot zijn inleg in het Predikanten 
WeduwenFonds had betaald, uit het Fonds het minimum zoude trekken, daar haar echt- 
genoot, eer hij de dienst aanvaardde, is overleden, — en was het eenparig gevoelen der Pre- 
dikanten, dat in aanmerking nemende de bijzondere omstandigheden van de Weduwe 
Stucki, zij uit het Fonds genieten zal eene jaarwedde van £ 37 lOs. onder deze bepaling, 
dat dit voorbeeld tot geen precedens zal kunnen of mogen genomen worden. 

Na dankzegging scheidde de Vergadering. 



DERTIENDE ZITTING. 

Dingsdag, 26 October , 1847. 

Allen tegenwoordig, gelijk mede de Ouderling Botma van Prins Albert, — 
afwezig Ds. Beck en Ouderling van Stellenbosch. 

De Notulen, na het gebed, gelezen, goedgekeurd en geteekend zijnde, verzoekt 
Dr. Robertson en bekomt vrijheid zijne redenen in geschrifte in te leveren, waarom hij 
gestemd had, dat op de laatste vraag van den Praeses het gevoelen der vergadering zoude 
worden uitgedrukt. 

Werd ingediend en gelezen eene memorie van de ingezetenen van Napier, ver- 
zoekende op dat dorp eenen eigenen leeraar te mogen hebben, welke memorie ten fine van 
rapport gesteld is geworden in handen eener Commissie, tot welke benoemd werden Di. 
Robertson, Brink en Cassie. 

Ds. Le Febre Moorrees leverde schriftelijk zijne redenen in, waarom hij in de 
zaak van Ds. De Roubaix in de minderheid had gestemd (Bijl.). 

Ds. Spijker verzoekt en bekomt vrijheid de gronden te mogen bekend stellen, 
waarom hij vroeger geprotesteerd had tegen de behandeling dezer zaak voor de kerkelij- 
ke regtbank (Bijl.), en stelt voor, dat het onderzoek der zaak van Ds. De Roubaix, in zoo ver 
dezelve vatbaar is om voor den wereldlijken regter behandeld te worden aan denzelven 
vvorde overgelaten, en het aan den Ring worde opgedragen, het overige naderhand te 
onderzoeken en dan eene uitspraak daarnaar te doen. 

De Praeses maakte hierop eenige aanmerkingen, welke in geschrifte zullen wor- 
den gesteld, om bij de Notulen van dezen dag te worden gedeponeerd (Bijl.). 

Ds. Van der Lingen eene aanspraak gemaakt hebbende, stelde, op het voorstel 
van den \oorzitter, dat gisteren werd voorgedragen, de volgende emendatie voor, “ dat 
de Heer De Roubaix geschorst blijve in de Heilige Bediening, en derhalve onbevoegd zij 
om de Evangelie-dienst te verrigten voor eenen onbepaalden tijd .” Dus de toepassing van 
Art. 189 : 2 c 
r2* 



278 



De Assessor deze emendatie ondersteunende, wijdde uit over de toedragt der 
zaak, en de waarschijnlijk aanleidende oorzaak van het verkeerde in het gedrag van den 
beklaagde, en hoe ook voor hem de weg tot terugkeer met berouw en leedwezen niet 
diende gesloten te worden, maar bij de straf welke hem wordt opgelegd, ook de hoop van 
wederopneming in de bediening en ontheffing hem zoude moge bemoedigen, wanneer 
hij de blijken van verootmoediging en berouw zal hebben gegeven. 

Ds. Berrangé stelde voor, “ dat de schorsing geschiede voor eenen bepaalden tijd, 
met aanbeveling aan de Ringsvergadering of Synodale Commissie, dat hij, op betoond 
berouw, worde ontheven," doch de aanmerkingen van den Praeses en andere Leden gehoord 
hebbende, wenschte zijnEerw. niet dat zijn voorstel ter stemming zoude worden gebragt. 

De Praeses merkte aan, dat hij in zijne betrekking zich gedrongen had gevoeld het 
voorstel, zoo als het in de Notulen van gisteren is opgeteekend, te doen, waaromtrent ook 
zijne redenen kortelijk zijn aangeteekend, verwachtende dat er wel broeders zouden zijn, die 
verzachting van straf voor eenen ongelukkigen gevallen broeder zouden pleiten, dat hij dit 
dan ook had opgemerkt, gelijk ook de Vergadering de krachtige redenen van die broeders, 
die de emendatie ondersteunden, hadden gehoord ; hij vereenigde zich dus met den voor- 
stellerder emendatie, terwijl niets hem genoegelijker zoude zijn,dan de gelegenheid geboren te 
zien, wanneer die broeder, over wien de straf zoude worden uitgesproken, weder in den 
naam des Heeren te mogen opnemen en herstellen in zijne gewigtige bediening. Voor zijn 
Hoog-Eerw. echter de emendatie van Ds. Van der Lingen voordroeg, wenschte hij Ds. 
Spijker te vragen, of hij zijn voorstel in omvraag wenscht gebragt te hebben ? Waarop 
Zijn-Eerw. antwoordde, dat daar het hem gebleken is dat zijn voorstel geene ondersteuning 
bij de Vergadering gevonden heeft, en hij daarin een blijk meende te zien dat de Vergade- 
ring de moeijelijkheid gevoelt om, na de verklaringen op gisteren in de zaak gedaan, met 
dat voorstel in te stemmen, hij hetzelve introk, en verzocht dat hetgeen hij gezegd en in 
geschrifte gebragt had, beschouwd en aangenomen worde als nadere gronden voor zijne 
volharding in het vroeger ingeleverd protest in die zaak. 

De emendatie van Ds. Van der Lingen voorgelezen zijnde, werd door eene groote 
meerderheid der Vergadering aangenomen, nam., dat de Heer De Roubaix geschorst blijve 
in de H. Bediening, en derhalve onbevoegd zij om de Evangeliedienst te verrigten voor 
eenen onbepaalden tyd. 

Ds. Scholtz, wegens redenen gisteren opgegeven, en de Ouderling Van Breda 
hebben niet gestemd, zullende laatstgemelde zijne redenen inleveren welke mondelings 
werden medegedeeld. 

Aan den Assistent Scriba werd het opmaken van de uitspraak opgedragen. 

Gelezen het Rapport der Commissie ,in de zaak van J. S. Marais (Bijl.) 

De leden van den Tulbagschen Ring zich verwijderd hebbende, zeide de Praeses 
dat het noodzakelijk zij, ten einde te weten of de zaak ter tweeder instantie hier zal kunnen 
worden behandeld, dat eenige stukken worden gelezen, en daarop gelezen zijnde de brief 
van gemeiden Marais aan den Scriba, de dato 11 November, 1846, alsmede de memorie 
van den Riiur van Tulbagh, daaraan geannexeerd, en uit de Acta van den Ring het 
behandelde in de zaak, verklaarde de Praeses dat uit de schriftuur van den Scriba van den 
Tulbao-hschen Ring blijkt, dat de zaak ter eerster instantie is behandeld geworden als een 
tegen den Piketbergschen Kerkeraad, en dus ter tweeder instantie hier moet worden 




279 



behandeld. En gelezen zijnde de verantwoording des Kerkeraads bij de Ringsverga 
dering ingeleverd, en de uitspraak der Vergadering, zoo wordt door den Praeses voorge- 
steld, “ dat de Synode verklare dat de Ring van Tulbagh niet wel gedaan heefit, om de 
twee eerste punten van bezwaar tegen den Piketbergschen Kerkeraad ingebragt, voor 
ongegrond te verklaren." De meerderheid der Vergadering vereenigde zich met dit 
voorstel. 

De Leden van den Tulbaghschen Ring weder zitting genomen hebbende, werd 
gelezen het Rapport van de Commissie over Godsdienstig Onderwijs (Bijl). 

Dit Rapport werd, na dankbetuiging aan die Commissie, aangenomen en op 
voorstel van den Praeses, tot permanente Leden dier Commissie benoemd, Di. Heyns, Van 
der Lingen, Robertson, Fraser, en de Ouderling J. J. L. Smuts, — en op voorstel van Dr. 
Robertson, daarbij gevoegd de Praeses (Ds. P. E. Faure). 

Ds. Van der Lingen had gewenscht dat de Commissie zou bestaan uit leden ín 
en nabij de Kaapstad, met honoraire leden in de buitendistrikten, doch daarmede heeft de 
meerderheid der Vergadering zich niet vereenigd. 

Het antwoord van Ds. Beck, op den brief van den 21 dezer, namens de Verga- 
dering afgevaardigd, ontvangen zijnde, werd hetzelve voorgelezen (Byl.). Gedurende de 
discussien hadden zich de Leden van den Kaapstadschen Ring verwijderd, terwijl nu, gelijk 
bij de vroegere discussie over deze zaak, het Prsesidium door Dr. Robertson, en het Scribaa t 
door Ds. Brink werd waargenomen. 

Nu werd gelezen het besluit der Vergadering ten opzigte van de zaak van Ds. 
Beck, in de negende Zitting genomen. 

Na eenige aanmerkingen van onderscheidene leden, stelde de Praeses de vraag 
voor £t of de Vergadering de redenen door Ds. Beck, in zijnen brief van heden aangevoerd, 
voldoende beschouwt V' 

Eene groote ineerderheid antwoordde hierop ontkennend. 

Vele leden spreken hunne gevoelens uit, hierop nederkomende, dat zij de handel- 
wijze van Ds. Beck afkeurden, waarop de Predikant van Graaíf-Reinet voorstelde : “ dat de 
Vergadering zich tevreden houde als Ds. Beck, in het vervolg de Rings en Synodale Ver- 
gaderingen bijwoont, maar ingeval hij zonder wettige verhindering in de eerste aanstaande 
Vergadering van den Kaapstadschen Ring niet tegenwoordig is, de Synode hem zal be- 
s chouwen als aan het Bestuur der Kerk zich onttrokken te hebben." 

De Predikant van Colesberg stelt hierop de volgende emendatie voor : “ dat aan 
Ds. Beck kennis gegeven worde, dat zijn antwoord onvoldoende wordt beschouwd, en dat 
hij namens de Synode aangeschreven worde om op aanstaanden Vrijdag morgen bij het 
openen der Vergadering tegenwoordig te zijn, met belofte om voortaan de Hoogere Kerk- 
vergaderingen gezettelijk te zullen bijwonen, zullende de Vergadering, indien deze maatregel 
met geen’ goeden uitslag mogt achtervolgd worden, gedrongen zijn om ernstiger stappen te 
inoeten nemen, met bekendstelling nogtans van de hoop, welke de Vergadering koestert, 
dat Ds. Beck, door aan deze aanschrijving te voldoen, haar die onaangename taak besparen 
zal. 

Deze emendatie werd door de meerderheid aangenomen. De Predikanten van 
Prins Albert en Richmond verzochten aanteekening, dat zij in de minderheid hadden 
gestemd. De Vergadering besloot dat deze expresse op Svnodale kosten zoude geschieden. 



280 



De Leden van den Kaapstadschen Ring weder zitting genomen hebbende, be- 
paalde de Praeses de aandacht der Vergadering bij de volgende Beschrijvingspunten : — 

VII. Reglement van Vacaturen. 

1. In “ Art. 198 worde, in plaats, enz.” waarop besloten werd dat in Art. 198 in 
de plaats der woorden “ in geval de Gemeente geheel vacant is,” gesteld worden “ bij vaca- 
turen en in geval van schorsingl 

Ook werd besloten omtrent VII: 2, “ dat in Art. 209 — het woord u gesuspen- 
deerde worde weggenomen en het woordje of te plaatsen tusschen ongestelde en afwezige.” 

VII : 3, werd door den Scriba van den Zwellendamschen Ring, namens de 
Leden ingetrokken, nadat men de aanmerkingen van vele Leden der Vergadering had ver- 
nomen. 

Werd gelezen het antwoord van het Gouvernement op de Memorie ten behoeve 
van de weduwe Stucki ingeleverd (Bijl.). 

De memorie van J. Kretzen (Bijl.) weder gelezen zijnde, werd besloten den 
memorialist te schrijven “ dat er eene Commissie is aangesteld ter bevordering van Evan- 
gelische kennis, en dat, zoodra de Commissie de noodige fondsen zal hebben bekomen, de 
Heer Kretzen beschouwd zal worden als de eerste Kandidaat om in de bediening van 
Rondreizende Zendeling in betrekking tot de Synode werkzaam te zijn.” 

De volgende vraag werd schriftelijk door Dr. Scholtz gedaan : — “ daar de Synode 
verklaard heeft dat de Tulbaghsche Ring niet wel gehandeld heeft door de twee eerste punten 
der klagte van P. J. Marais over de handelwijze van den Piketbergschen Kerkeraad onge- 
grond te verklaren, zoo verlangt de ondergeteekende te weten of voornoemde verklaring 
de uitspraak van den Piketbergschen Kerkeraad in de zaak gedaan, al of niet affecteert V 
en daarop wordt geantwoord — •“ dat de verklaring der Synode in het geheel niet affecteert 
de uitspraak door den Piketbergschen Kerkeraad in de zaak gedaan,” en bepaalt de Ver- 
gadering, dat bij het verleenen van extract aan den klager in beroep, P. J. Marais, “ ook 
dit hem worde medegedeeld.” 

De Ouderlingen van George en Zwellendam verzocht hebbende van de verdere 
bijwoning der Vergadering te mogen worden verschoond, om naar hunne woningen te 
kunnen terugkeeren, werd, uithoofde der bijzondere omstandigheden, door hen vermeld, 
hun verzoek toegestaan. 

De Prseses verzocht de Broeders, ten 9 ure tegenwoordig te willen zijn, om aan 
de uitnoodiging des Kerkeraads, ingevolge besluit, te voldoen, en ten 3 ure, om de inzege- 
nmgc van den Broeder H. W. Dyke te willen bijwonen — zullende de werkzaamheden op 
Donderdag worden voortgezet. 

Na het dankgebed scheidde de Vergadering. 



281 



VEERTIENDE ZITTING. 

Donderdag, 28 October, 1847. 

Na het gebed de Notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

De Commissie in wier handen gesteld was de memorie van G. D. Joubert, leverde 
haar rapport daarover in, gelijk mede over andere zaken, omtrent welke haar was opgedragen 
geworden, eene mededeeling aan de Vergadering te doen (Bijl.). 

De Commissie bedankt zijnde, werd dat Rapport gelezen en ook het Rapport der 
speciale Ringscommissie van Graaff-Reinet, waarvan in hetzelve gewag wordt gemaakt. 

Hier verwijderden zich ambtshalve uit de Vergadering de Assessor, de Scriba en 
de beide afgevaardigde Ouderlingen van den Kaapstadschen Kerkeraad. 

De Handelingen van den Ring van Graaff-Reinet in deze zaak werden hierop 
voorgelezen, waaruit gebleken is, dat de zaak tusschen den klager G. D. Joubert, en den 
Predikant en Kerkeraad van Colesberg, in tegenwoordigheid van den Ring, is afgemaakt 
geworden. 

Na eenige verdere inlichting in deze zaak van den Predikant van Colesberg en 
de Leden van den Graaff-Reinetschen Ring bekomen te hebben, verlieten al de Leden 
van dien Ring, welke als zoodanigen in de zaak gezeten hadden, de Vergadering. 

De Praeses deed nu de vraag : — Daar het gebleken is, dat de zaak tusschen 
G. D. Joubert en den Predikant en Kerkeraad van Colesberg met gebed en dankzegging 
voór den Ring in der minne is geschikt geworden, of deze Vergadering zich verder met de 
zaak van Joubert zal inlaten? Hierop stelde de Ouderling van Graaff-Reinet voor, dat de 
memorien van G. D. Joubert mogen worden voorgelezen. Dit geschiedde, en wel eerst 
van den 11 Augustus, en daarop van den 27 Augustus 1847 (Bijl.). 

Uit het eerste dezer stukken bleek het, dat gemelde Joubert “het Bestuur van de 
kerk van Colesberg heeft bedankt," waarop de Prseses voorstelde, dat om die reden zijne 
memoriën ten opzigte van deze zaak, niet in aanmerking genomen worden. Met dit 
voorstel vereenigde zich de meerderheid der Vergadering. 

De Predikant van de Paarl stelde voor, dat bii dit besluit gevoegd worde — “ Vooral 
ook, omdat de Memoriën van gemelden Joubert geene verdere inlichting over de zaak 
geven.” Deze ampliatie is aangenomen geworden. 

De Praeses bragt nu ter tafel eene memorie van eenige leden der Colesbergsche 
Gemeente, d.d. 21 Junij (BijL), — klagende dat zekere Cecilia Margaretha Voster door 
den Kerkeraad van Colesberg onder censuur is gesteld, en verzoekende dat zij door deze 
Vergadering van de gemelde censuur moge ontheven worden, enz. 

Er werd ook voorgelezen eene memorie van zekere ingezetenen van Onder Zeekoe- 
nvier, ook d.d. 21 Junij — (Bijl.), — derzelver ontevredenheid te kennen gevende, dat 
G. D. Joubert zijne klagten, namens de gemeente, tegen Leeraar en Kerkeraad van 
Colesberg voor de Ringsvergadering van Graaff-Reinet heeft ingetrokken ; en verzoekende 
dat de Synode onderzoek doe naar den staat der Colesbergsche gemeente, enz. 



282 



Ds. Spijker vraagde, wanneer deze memorien ingeleverd zijn geworden, en, ten 
antwoord ontvangen hebbende, “’sdaags voor de Synode,” zoo merkte hij aan, dat het 
strijdig is met de kerkelijke wetten, dat deze memoriën, als zijnde te laat ingediend, in 
aanmerking genomen worden, en dat men dus over dezelve niet handelen kan, vooral daar 
de Kerkeraad van Colesberg buiten de gelegenheid is, om daarop te kunnen dienen van 
belang, waarom hij voorstelde dat er geen acht op dezelve geslagen worde, de Vergadering 
bepalende bij Art. 184. 

Ds. van der Lingen stelde als emendatie hierop voor, “dat de Vergadering er niet 
op handele als klagte, maar als kennisgeving, overeenkomstig Art. 7 en 13. 

De Praeses, na de Vergadering te hebben bepaald bij den droevigen staat, waarin 
de Colesbergsche Gemeente schijnt te verkeeren, en bij de noodzakelijkheid dat de Synode 
deze zaak in ernstige overweging neme, ten einde te trachten de rust en den vrede aldaar 
te herstellen, stelde nu de emendatie voor, welke door eene groote meerderheid werd 
aangenomen. 

Di. Spijker en Scholtz en de Ouderling Malan verzochten aanteekening, dat zij 
in de minderheid waren, zullende Ds. Spijker zijne redenen schriftelijk inleveren. 

De Praeses vraagt : — daar de Vergadering vernomen heeft, dat in de Gemeente 
van Colesberg groote ontevredenheid bestaat, wegens het censureren van de reeds gem. 
C. M. Voster, of de Vergadering het niet goed oordeelt, om den Predikant van Colesberg 
inlichting omtrent deze zaak te vragen. De Vergadering antwoordde bevestigend: waarop 
Ds. Reid binnengeroepen, en op de volgende wijze ondervraagd werd : — 

Vr. Waarom heeft de Kerkeraad van Colesberg de zaak tegen C. M. Voster 
begonnen, nadat de zaak van Joubert geschikt was? 

A. Omdat de Predikant en de Ouderling. die in den Ring van Graaíf-Reinet 
in 1846 waren, onder verpligting waren, het bevel van den Ring te gehoorzamen. 

Vr. Welk bevel had de Ring van Graaff-Reinet gegeven? 

A. De Scriba, en mijns inziens, met toestemming van den Ring, heefit ons 
verwezen naar Art. 129, 130 en 131, vragende met nadruk: “Broeder Reid, hebtgijgeene 
kennis aan Art. 131?” waarop ik hem ten antwoord gaf: “ Ik ben er wel mede bekend, 
maar ik wensch van deze Vergadering te weten, hoe de Kerkeraad van Colesberg handelen 
moet.” Daarop hebben verscheidene der leden gpzegd, “wij kunnen niet anders dan naar 
de wet handelen.” 

Vr. Wat is de oorzaak waarom C. M. Voster is gecensureerd geworden? 

A. Uit ongehoorzaamheid aan de kerkelijke wetten, Art. 131. 

Vr. Waarin bestond hare ongehoorzaamheid? 

A. In het niet verschijnen voorden Kerkeraad, volgens Art. 130 en 131, na aan 
den Predikant van Colesberg beloofd te hebben, dat zij zulks doen zoude en hare schuld 
belijden. 

Vr. Welke schuld ? 

A. “Dat zij heeft onbehoorlijk” — ik gebruik hare eigene woorden — “en onbeta- 
melijk omtrent den Ouderling van der Walt gehandeld.” 

Vr. Hoe veel malen is zij gedagvaard geworden? 

A. Schriftelijk twee malen en mondelings eenmaal. 



283 



Ds. Reid merkte hier aan, ten opzig'te van het censureren voor eenen onbe- 
paalden tijd, hetwelk uit de Notulen van den Kerkeraad van Colesberg gebleken is, in dit 
geval te hebben plaats gevonden, dat zulks enkel geschied is, om, bijaldien zij ook nog op 
dienzelfden dag gehoorzaamheid betoonde, liaar daarop van censuur te ontheffen. 

Vr. Heeft de Kerkeraad van Colesbero; dan niet beschouwd dat de zaak van 
C. Voster afgedaan was, bij de minnelijke schikking voor den Graaff-Reinetscnen Ring 
getroffen? 

A. Volstrekt niet, noch de Kerkeraad, noch de klager, noch eenige anderen uit 
de gemeente van Colesberg, in dien tijd in de zaak betrokken, hebben zoo gedacht. 

De Prseses vraagde of iemand anders iets aan den Predikant van Colesberg te 
vragen hadde: waarop de Ouderling van Graaff-Reinet de vragen deed: 

Vr. Wanneer heeft het voorgevallene tusschen van der Walt en C. Voster plaats 

gehad ? 

A. In de maand Mei 1845. 

V. Wanneer is de zaak bij den Kerkeraad van Colesberg aangediend ? 

A. Op den 4 Augustus, 1845. 

V. Waarom is de zaak in de eerstvolgende vergadering niet beslist ? 

A. Omdat de Kerkeraad van Colesberg gehoord heeft, dat de beklaagde geraden 
was, haar op de Ringscommissie te beroepen ; en, om haar in alle gelegenheden te stellen, 
heeft de Kerkeraad besloten, de zaak hangende te doen blijven, tot na afloop van de werk- 
zaamheden der gemelde Ringscommissie. 

V. \\"as C. M. Voster getuige in de zaak van Joubert tegen den Kerkeraad, en 
is zij gehoord voor de Ringscommissie ? 

A. Volgens Art. 122 — neen, maar wel toegelaten, en heeft eene ingewikkelde 
verklaring afgelegd voor de Commissie, — waarschijnlijk ongunstig voor den Kerkeraad en 
gunstig voor den klager. 

Ds. Van der Riet vraagde : 

V. Hoe weet de Predikant van Colesberg, dat ook de andere partij de zaak van 
C. Voster als niet afgedaan heeft beschouwd ? 

A. Ik heb reden zulks te gelooven. 

De Ouderling van Graaft’-Reinet wenschte de verklaring van Cecilia Voster, 
voor de Ringscommissie in de zaak tegen den Kerkeraad te hooren : waarop de gemelde 
verklaring voorgelezen werd. 

De Praeses vraagde of de Vergadering wenschte dat eenige vragen aan den 
Graaff-Reinetschen Ring gedaan worden ; en dit bevestigend beantwoord zijnde, zoo 
vraagde de Praeses aan Ds. Murray, als Ringslid : 

V. Waarom heeft de Ring van Graaff-Reinet de zaak tusschen C. Voster en Van 
der Walt, niet zelvé in handen genomen en beslist ? 

A. Omdat Van der Walt, toen de zaak geschikt was met Joubert, geneigdwas 
het daarbij te laten berusten. 

V. Was Van der Walt bij den Ring tegenwoordig, toen de zaak geschikt 

A. Ja; hij was wel geen lid van den Ring, maar hij was er bij tegenwoordig. 
s2 



werd ? 



284 



V. Waarom heeft de Ring van Graaff-Reinet, nadat de zaak van Joubert geschikt 
was, nog eene bijzondere verklaring gedaan in de zaak van Van der Walt en C. Voster, 
den Kerkeraad van Colesberg daaromtrent bepalende, overeenkomstig de wet te handelen ? 

A. Omdat de vraag gedaan werd door eenen afgevaardigde van Colesberg, — 
hoe te handelen met C. Voster, ingeval van ongehoorzaamheid ; doch de Ring heeft niet 
gezegd, dat de Kerkeraad van Colesberg in de zaak zoude beslissen. 

Ds. Van der Lino;en vraagt : 

O a 

V. Heeft de Speciale Ringscommissie een onderzoek gedaan in de klagten van 
Van der Walt versus C. M. Voster? 

Ds. Krige antwoordt : 

A. Ja; want de geheele zaak is vervat in de getuigenis van C. Voster, op punt 
dertien der beschuldiging. 

Ds. Van der Lingen vraagt : 

V. Is de Kerkeraadvan Colesberg voor de Ringscommissie in de zaak van C. 
Voster verschenen ? enzooja, in welke betrekking ? 

Ds. Krige antwoordt, “ als verklaagde.” 

De Preeses vraagt : 

V. Is de Speciale Commissie aangesteld geworden, om onderzoek te doen in de 
zaak van C. Voster en Van der Walt. 

Ds. Krige antwoordt, neen. 

Hierop deelde de Praeses als zijn gevoelen mede : dat nadat de zaak van 
Joubert versus den Predikant en Kerkeraad van Colesberg geschikt was, en den Ring van 
Graaff-Reinet, de Kerkeraad van Colesberg de zaak van Van der Walt versus C. Voster 
opgenomen heeft, alléén omdat de Ring, na de gemelde schikking, verklaard lieeft, dat de 
gem. Kerkeraad met deze zaak overeenkomstig de wetten handelen moest. 

Dat, had de Ring van Graaff-Reinet de zaak van C. Voster en Van der Walt 
als afgedaan beschouwd, dezelve die verklaring niet had behooren te maken ; en had 
de Ring dezelve als niet afgedaan beschouwd, dezelve aan den Kerkeraad van Colesberg 
had moeten verklaren, dat de Kerkeraad niet de competente regtbank was, om de zaak te 
beoordeelen, maar wel de Ring, als behelzende de zaak eener klagte tegen eenen ouderling. 
Met dit gevoelen vereenigde zich de meerderheid der vergadering. (Hier keerde de 
Assessor, de Scriba, en de afgevaardigde Ouderlingen uit de Kaapstad tot de verga- 
dering terug.) 

De Praeses bepaalde hierop de aandacht der vergadering bij de merite der zaak, 
in de memorie voorkomende, namelijk “ verzoek om ontheffing van de censuur op Cecilia 
Margaretha Voster, door den Kereraad van Colesberg op haar gelegd ;” en de Synode 
gelet hebbende op den geheelen toedragt der zaak, verklaarde Cecilia Margaretha Voster 
van de censuur ontheven te zijn 

De Leden van den Graaff-Reinetschen Ring weder zitting genomen hebbende, 
gaf de Predikant van Colesberg gi'ootelijks zijn genoegen te kexxnen, over dit door de 
Synode genomen besluit. 

Er werd nu vooi’gelezen een brief van den Eerw. Heer Cochet, de Vergadering 
bedankende (Bijl.). 



285 



Ook geschiedde eene mededeeling, dat de Grensscheiding voor de Parochie van 
Burgersdorp was goedgekeurd geworden, — waarna de Vergadering met dankzegging tot 
God scheidde. 



VIJFTIENDE ZITTING. 



Vrijdag, 29 October, 1847. 

Afwezig Ds. Albertijn, w r egens ongesteldheid, en de Ouderlingen vroeger gemeld. 

De Notulen, na het gebed gelezen, goedgekeurd en geteekend zijnde, leverde 
Ds. Spijker, ingevolge kennisgeving op gisteren, in geschrifte zijne redenen, waarom hij 
gestemd heeft tegen het aannemen van de Memorie van G. D. Joubert (Bijl.). 

De Preeses, in naam van Jan Venlcr, gevolmagtigde van Cecilia M. Yoster, 
gevraagd hebbende, of de zaak tusschen P. van der Walt en gezegde C. M. Voster, als eene 
afgedane zaak moet worden beschouwd, was het antwoord der meerderheid bevestigend, 
terwijl Ds. Herold verzocht dat daarbij worde gevoegd, vooral nadat gelezen is copij van 
eenen brief door gemelde C. M. Yoster aan P. van der Walt geschreven, gedagteekend 
25 December, 1846 (Bijl.). 

Di. Spijker en Pears stemden in de minderheid. 

Ds. Berrangé bij het resumeren der Korte Notulen op gisteren afwezig geweest 
zijnde, en ook vroeger toen de door den Prseses aan Ds. Reid gedane vragen waren 
beantw r oord, verzocht niet voor zijn personeel belang, maar voor dat van den Ring van 
Graaff-Reinet, aan den Leeraar van Colesberg, nu hij met die antwoorden w ? as bekend 
geworden, eenige vragen te mogen doen. Dit toegestaan zijnde, vraagde hij, “of deleer- 
aar van Colesberg, toen de zaak voor den Ring werd gebragt, wist dat dezelve, overeen- 
komstig de w r etten, niet voor den Kerkeraad kon behandeld w r orden? Zoo ja, of hij dit zijn 
gevoelen aan den Ring heeft bekend gemaakt? Waarop Ds. Reid antwoordde, dat P. van 
der Walt gevraagd heeft of deze zaak voor den Kerkeraad dienen kon, w'aarop hij meent 
bevestigend te zijn geantwoord. 

Na vele discussien, verklaarde de Praeses dat, met betrekking tot het behandelde 
op gisteren, aan de Leden van den Graaff-Reinetschen Ring gelegenheid zal worden gegeven 
eene declaratie te doen, welke bij de Notulen van deze Vergadering zal worden gedeponeerd. 

Met betrekking tot het Beschrijvingspunt VII : 9, leverde Ds. Reid een schrif- 
tuur in — hetwelk aangenomen werd onder die bepaling, dat daarin worde geroijeerd elke 
uitdrukking, welke als beleedigend kan w'orden bcschouwd (Bijl.). 

Waarna de Praeses aanmerkte, “ dat, daar de Vergadering van gisteren de memo- 
rien van G. D. Joubert ter zijde had gesteld, op grond dat de zaak in de Ringsvergadering 
van Graaff-Reinet zoo plegtig met gebed en dankzegging in der minne is geschikt gewor. 
s2* 



286 



den, volgens zijn (Praeses) gevoelen, de Vergadering ook niet treden kan in het onderzoek 
der zaak, om de vraag, door den Predikant van Colesberg gedaan, te beantwoorden. 
Eene groote meerderheid der Vergadering vereenigde zich met dit uitgedrukt gevoelen van 
den Praeses. 

De aandacht der Vergadering bepaald zijnde bij Beschrijvingspunt VI, 5, ver- 
klaarde dezelve dat de wet hier duidelijk spreekt, en dat bij het doen van aanklagte, ter 
eerster instantie, die overige bepalingen der wet in acht moeten worden genomen, welke 
gewagen waar in die opzigten personen in kerkelijke betrekkingen moeten worden 
beoordeeld. 

Met betrekking tot den herderlijke brief door de Ringsvergadering van Graad'- 
Reinet uitgevaardigd, voorkomende in punt II. 9, verklaarde de Vergadering, diegemelden 
brief bij eene vroegere zitting had hooren voorlezen, dat deszelfs bedoeling zeer christelijk 
en goed was, terwijl de Vergadering zich tevens vereenigde met het gerapporteerde der 
Commissie — “ dat het wenschelijk ware geweest dat eenige uitdrukkingen wat beter waren 
daargesteld.” 

Gelezen zijnde het rapport der Commissie over de memorie van eenige ingezetenen 
van den Paardenberg, verzoekende tot de Parochie van de Paarl te mogen behooren (Bijl.), 
besloot de Vergadering dat verzoek toe te staan, en zal daarvan den belanghebbenden kennis 
worden gegeven. 

Ook werd gelezen het rapport der Commissie van eenige bewoners van den 
Koeberg, verzoekende dat zij, zoo als vroeger tot de Parochie van Malmesbury mogen 
worden getrokken (Bijl.), en werd alsmede eenparig besloten, dat hunne bede zal 
worden toegestaan, en kennisgeving zal worden gedaan. 

Werd gelezen de brief van Ds. Beck (Bijl.). 

De leden van den Kaapstadschen Ring zich verwijderd hebbende, werd het 
Prsesidium door Ds. Robertson en het Scribaat door Ds. Brink waargenomen. 

Na den brief van Ds. Beck, gelezen zijnde het besluit der Synode op 11. Dingsdag 
genomen, werd na weinige aanmerkingen door den leeraar van Richmond voorgesteld : 
“dat Ds. Beck, uithoofde van zijne voortdurende weigering om de Hoogere Kerkvergade- 
ringen bij te wonen, zich aan pligtverzuim en ongehoorzaamheid schuldig maakt; en daar alle 
pogingen om hem van zijne dwaling te overtuigen, tot leedwezen der Synode, vruchteloos 
zijn geweest, zoo wordt besloten den Wel-Eerw. Beck in zijne dienst te schorsen, voor den 
tijd van zes weken met verlies van traktement, en dat daarvan aan het Gouvernement en den 
Kerkeraad van D’Urban kennis worde gegeven. De Ouderling P. van Breda leverde 
hierop de volgende emendatie in, “ dat deze Vergadering vooralsnog over de weigering 
van den Eerw. Heer Beck, om de Synodale en andere hoogere Kerkelijke Vergaderingen 
bij te wonen, niet tot een besluit kome, doch aan zijn verzoek tot uitstel voldoe. 

Deze emendatie tot de stemming gebragt zijnde, werd door eene groote meerder- 
heid verworpen, terwijl integendeel het voorstel door eene groote meerderheid werd 
aangenomen. 

De Ouderling P. van Breda en Di. Moorrees, Fraser, Robertson, en Reid 
verzochten aanteekening dat zij in de minderheid hadden gestemd. 

De IIoog-Eerw. Praeses gevraagd hebbende, wanneer dit besluit in werking moet 
worden gebragt, werd door Ds. Sutherland het voorstel gedaan, dat zulks geschieden moet 



287 



dadelijk na adoop van de eerstkomende Ringsvergadering', wanneer hij dezelve niet zal 
hebben bijgewoond, of geene wettige, door den Ring te beoordeelen redenen van zijne 
afwezigheid aan de Vergadering zal hebben ingezonden, overeenkomstig Art. 10, 4. 

De volgende emendatie door Ds. Krige voorgesteld, “ dat de schorsing plaats 
hebbe dadelijk na afloop van deze Synodale Vergadering, werd door de meerderheid der 
Vergadering niet aangenomen. Di. Krige, Scholtz, en Ham verzochten aanteekening 
dat zij in de mmderheid waren, gevende Dr. Scholtz te kennen, dat hij aldus heeft gestemd 
uithoofde dat de Vergadering zich zelve niet gelijk bleef. 

Nu kwam het door Ds. Sutherland gedane voorstel ter overweging, hetwelk door 
eene groote meerderheid der Vergadering werd aangenomen. 

De zaak dus afgehandeld zijnde, namen de leden van den Kaapstadschen Ring, 
die zich verwijderd hadden gedurende de overweging en beslissing dezer zaak, weder 
zitting ; daar de Praeses aan de Vergadering mededeelde dat hij hare aandacht nu zoude 
bezig houden met liet lezen van í’apporten door vroegere aangestelde Commissien waartoe 
zijn Eerw. nu overging. 

Gelezen zijnde het rapport der Rationarii (Bijl.), werd de dankder Vergadering 
aan hen toegebragt, gelijk mede aan den Qusestor der beide Fondsen. 

Het Rapport der Commissie betrekkelijk de memorie der ingezetenen van Napier 
(Bijl.) gelezen en vele aanmerkingen gehoord zijnde, besloot de vergadering , vooral ook, 
na dat haar aandacht is bepaald geworden bij de aanmoediging door den Ring van Zwel- 
lendam, in zijne Vergadering, van October 1839, gegeven aan de ingezetenen van die 
plaats en de gedeeltelijke aanmoediging ook van Gouvernementswege geschied, “dat het 
verzoek der memorialisten zal worden toegestaan, terwijl zij werden verwezen naar den 
Ring van Zwellendam (of diens Ringscommissie), om het noodige in de zaak tot het maken 
der grenscheiding te bewerkstelligen. 

De aandacht der Vergadering bepaald zijnde bij het Beschrijvingspunt VIII, 1, 
werd door Ds. Spijker gevraagd “ of de bepaling in Art. 281, laatste gedeelte, betrekkelijk 
het maken van veranderingen in het Reglement voor het Weduwen Fonds, betrekking heeft 
op bepalingen van Revenuen op het Fonds?” en daarop werd bevestigend geantwoord. 

Het voorstel in VIII, 1 gedaan wordende, “dat het besluit der Synode van 1842 
worde vernietigd, waarbij bepaald is, dat Art. 270 eene terugwerkende kraclit zal hebben 
op predikanten, die onder de vorige bestaande Regulatiën voor dit Fonds aan hetzelve deel 
liebben genomen,” werd niet aangenomen, waarop Ds. Scholtz een protest inleverde (Bijl.) 

Na eenige discussiën omtrent VIII, 2, 3, werd aan Ds. Spijker opgedragen, om 
aan Direkteuren van de Z. A. Maatschappij van Administratie en de Executeurskamer te 
schrijven, ten einde van hen te mogen vernemen of en onder welke voorwaarden zij de 
administratie van het Predikanten Weduwen Fonds, thans Rds. 90,000 bedragende, op 
zich zouden willen nemen. 

De Praeses stelde voor, met betrekking tot Art. 22, a, dat, ingeval de Actuarius 
Synodi ook tot Scriba mogte verkozen zijn of worden, alsdan de oudste Predikant van de 
Kaapstad vervulle hetgeen van den Actuarius wordt gevorderd. 



288 



ZESTIENDE ZITTING. 

Zaturdag, 30 October, 1847. 

Afwezig de Ouderling van Worcester, met verlof naar huis teruggekeerd, wegens 
hevige ongesteldheid zijns kinds. 

Na gebed, de Notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend zijnde, levert 
Ds. van der Lingen een protest in tegen het besluit in de gereduceerde Vergadering, op 
gisteren, ten opzigte van Ds. Beck genomen (Bijl.). 

De Ouderling van Wellington verzoekt en bekomt verlof, wegens krankheid 
zijner vrouw, naar zijne woning te mogen terugkeeren. Ds. Krige verliet de Vergadering 
om te Stellenbosch de predikdienst te gaan vervullen. 

Gelezen de vroeger ingeleverde memorie van Jan Venter (Bijl.), welke door hem 
werd toegelicht door eenen naderen brief (Bijl.), waarop de Preeses aan den Predikant 
van Colesberg de vraag deed, of aan iemand aldaar de toelating tot het lidmaatschap der 
gemeente wordt geweigerd, die niet stellig belooft de Evangelische Gezangen te zingen ? 
Het antwoord was, neen. Wederom gevraagd zijnde of hij beiuust is, dat die weigering 
door eenig lid des Kerkeraads gedaan Avordt? antwoord — a niet, dat mij bewust is ; in mijne 
tegenwoordigheid is zulks niet geschied, ' op de vraag, “waarom Jan Venter als Kerkeraads 
lid bedankt is,” antwoordt — “Hij heeft zelf bedankt." 

De memorialist Jan Venter werd verzocht eenige explicatie te geven omtrent 
eenige uitdrukkingen in zijnen brief, teneindeden regten inhoudvan denzelven te kunnen 
bevatten, wanneer hem werd te kennen gegeven, dat omtrent den herderlijken brief door de 
Svnode in de Vergadering van gisteren was beslist geworden. 

Tevens besloot de Vergadering op voorstel van den Praeses, te verklaren, “ dat 
het niet gebleken is, én uit de stukken én door de stellige verklaring van den Leeraar van 
Colesberg, en de verklaring van den memorialist zelven, dat de Leeraar van Colesberg eene 
stellige verklaring gevorderd heeft van degenen, die tot het lidmaatschap der gemeente 
wenschen toegelaten te worden, hen verpligtende de gezangen te zingen ; maar daar het 
gebleken is, dat er in de Gemeente van Colesberg eenige leden zijn, die in het denkbeeld 
verkeeren dat zij de voorregten van de Christelijke Kerk niet kunnen genieten tenzij zij zich 
verbinden de gezangen te zingen, zoo verklaart de Synode, dat het niet zingen der gezangen 
hen ook voor de toekomst niet zoude hebben te verhinderen deel te nemen aan de uiterlijke 
voorregten der Christelijke Kerk, of het waarnemen van kerkelijke’bedieningen, en de 
Synode hoopt en vertrouwt, dat die leden der Gereformeerde Kerk, die tot nog toe gewei- 
gerd hebben de gezangen te zingen, de voorbeelden van hunne Herders en Leeraars, en 
andere godvruchtige mannen zullen volgen, die door het zingen van dezelve veel zegen 
voor zichzelven hebben genoten. Ook beveelt de Synode die leden, dat, zoo zij omtrent 
het een of ander gezang eenige bedenking of zwarigheid mogen hebben, zij daarover met 
hunne Leeraars spreken, en zich door hunnen raad laten bestieren. 

Het Rapport der Commissie, om zoodanige W ets-Artikelen aan te duiden, welke, 
ten gevolge van bet Synodaal besluit, eene nadere wijziging vereischen, gelezen zijnde (Bijl.), 



289 



werd besloten, overeenkomstig die aanwijzing, de veranderingen te maken, en ze alzoo 
bekend te stellen in eene nieuwe uitgaaf der “ Wetsbepalingen.” 

De Commissie, tot het vervaardigen van den Herderlijken Brief benoemd, over- 
handigt denzelven aan den Praeses, en ontvangt den dank der Vergadering, en gemelde 
brief voorgelezen zijnde, wordt met eenige bijvoegselen aangenomen (Bijl.) ; en besloten 
denzelven ter perse te leggen. 

Omtrent het op gisteren door den Prseses gedane voorstel, aan liet slot der 
Notulen opgeteekend, zegt Ds. Spijker dat hij tegen eenige verandering is, maar stelt, in 
geval van verandering, als eene emendatie op het voorstel voor, “ dat, in geval van overlijden 
van den Scriba der Synode, alsdan de Synodale Commissie iemand benoeme tot de eerst- 
volgende Algemeene Kerkvergadering te fungeren," — welke emendatie met algemeene 
stemmen werd aangenomen. 

Hierop worden de in eene vroegere zitting door den Prseses gedane vragen 
(Bijl.) gedaan en beantwoord, als : 

1. Mag de Synodale Commissie bij briefwisseling handelen? Zoo ja, in welke 
gevallen ? De meerderheid der Vergadering, wijzende op Art. 176: 31, 18: 3, 19: 2> 
antwoordt Ja, maar alleen in zaken waarin de Avet haar zekere pligten ter vervulling heeft 
voorgeschreven, doch niet in eenige proceszaak hoegenaamd. 

Di. Herold, Spijker, Moorrees, en Scholtz waren in de minderheid. Ds. 
Spijkers redenen (zie Bijl.). 

2. Heeft de Synodale Commissie, als vertegenwoordigende de Synode zelve, en 
belast met de zorg voor de handhaving der kerkelijke wetten en reglementen, en de 
uitvoering harer besluiten, niet het regt, en is zij niet verpligt om daar, waar zij afwijking 
of ongehoorzaamheid ontwaart, of zidks ter harer kennis gebragt wordt, zoodanige afwij- 
king of ongehoorzaamheid te berispen en daarover te vermanen ? Dit werd bevestigend 
beantwoord. 

3. Mag een minder Kerkbestuur, hetzij Kerkeraad of Ring, tegen zoodanige 
berisping, vermaning of last protesteren, of is dezelve verpligt om te gehoorzamen, en in- 
dien vermeenende ten onregte berispt te zijn, daarvan kennis te geven aan de Synode, ter 
beoordeeling ? — Antwoord, met venvijzing op Art. 19: 8, niet protesteren , maar wel 
klagen. 

Op de vraag in de vierde Sessie door Ds. Moorrees gedaan, “ hoe gehandeld 
moet worden in gevallen, waar kinderen werkelijk gedoopt zijn ( 'dat door gctuigen en 
andere omstandighedcn kon bevestigd worden), en niet bekend gesteld zijn in liet doop- 
register ?” wordt geantwoord — “ dat zij in dat geval als gedoopt zullen worden bekend 
gesteld — met referte naar de Kerkeraads resolutie bij welke zulks wordt erkend. 

Daar in het jaar 1846 geene Ringsvergadering in Albanie is gehouden gewor- 
den (en dit ook niet plaats vindt in het jaar waarop de Synode vergadert), besloot de Svnode 
te bepalen dat, wanneer geene gewone Ringsvergadering heeft kunnen gehouden worden, 
de door de Ringsvergaderingen benoemde Commissiën in functie zullen blijven tot de 
eerstvolgende Vergadering. 

Ds. Herold aanteekening verzocht hebbende, dat hij als lid der Synodale Com- 
missie niet langer werkzaam zijn kan, en verzoekende ontslagen te mogen worden, verklaarde 



290 



de Praeses dat de Vergadering hem niet kon ontslaan, omdat de leden der Synodale 
Commissie door de Ringen worden benoemd. 

Door Ds. Ham was in eene vroegere zitting (Bijl.) gevraagd “ dispensatie van 
Art. 75, daar hij zeer veel moeite heeft aangewend om aan gemeld artikel te voldoen, maar 
daarin niet is kunnen slagen, en genoodzaakt is geworden een schoolmeester te kiezen, die 
tevens de post van voorlezer bekleedt en lidmaat is der Luthersche Gemeente — of stelt 
anders voor, dat er bij Art» 75 gevoegd worde : zy moeten zoo veel mogelijk leden der 
Gereformeerde Kerk zijn." En hierop wordt thans geantwoord, dat de wet niet zoude 
worden veranderd, doch dat dispensatie zou worden verleend, zoo als ook geschiedde aan 
Di. Herold en Pears die hetzelfde verzoek deden. 

Omtrent het voorstel van Ds. Ham (Bijl.) en aldus luidende, vereenigde 
zich de Vergadering met den geest van hetzelve, doch besloot geene wetsbepaling 
te maken, maar zulks den onderscheiden Leeraars aan te bevelen. 

Door den Ouderling van Graaff-Reinet was een voorstel gedaan (Bijl.), om de 
Synodale Vergadering zamengesteld te hebben uit afgevaardigden der Ringen, doch dit 
werd thans niet aangenomen, omdat dit eene verandering voorstelt in de constitutie, 
lietwelk vooraf aan de onderscheiden Kerkeraden dient medegedeeld te zijn geweest. 

Door den Kerkeraad van Victoria waren eenige vragen ingezonden (Bijl.), 
welke nu door de Vergadering werden beantwoord : als, 

1. Wat te doen, wanneer de moeder van een onecht kind komt te trouwen, 

zonder dat zij het kind of de kinderen brengt, opdat zij geëcht worden ? 

Antw. Er worden geene kinderen meer voor echt verklaard, die niet in een 
wettig huwelijk verwekt zijn (Zie Huwelijks Ordonnantie.) 

2. Indien iemand voorregten onzer kerk geniet, in onze parochie vastgoed 

bezit, doch een lid is eener andere kerk, mag hij gedagvaard worden voor 
den Kerkeraad, of niet, bij het te buiten gaan van zich zelven in een of 
ander opzigt ? Wat te doen, wanneer hij, gedagvaard zijnde, weigert te 
compareren ? 

Antw. Hij mag niet worden gedagvaard, maar verbeurt de voorregten der Kerk. 

3. Is de Kerkeraad verphgt attest te verleenen aan iemand, wanneer er redenen 

bestaan te gelooven, dat zulks gevraagd wordt niet om naar elders te ver- 
huizen, maar slechts om alzoo kerkelijk opzigt te ontduiken. 

Antw. Attesten worden alleen afgegeven, als aanbevelingsbrieven aan opzieners 
eener gemeente werwaarts men zal vertrekken. In het genoemd geval kan 
geen attest worden afgegeven, maar een certifikaat of uittreksel uit het 
Ledematen Register kan niet worden geweigerd. 

Door Ds. Van der Lingen werd de aandacht der Vergadering bepaald bij de 
Huwelijks Ordonnantie en hetgeen daarover is besproken en gehoord, zijnde de verrigtingen 
der Commissie, bij de vorige Synode daartoe benoemd en aangesteld, oordeelde de Verga- 
dering, na de alreede aangewende pogingen niets meer in de zaak te doen. 

Aan de Vergadering werd voorgelezen de door den Assistent Scriba opgestelde 
uitspraak in de zaak van Ds. De Roubaix (Bijl.). 

Door Ds. Roux werd voorgedragen het volgende door den Kerkeraad van Bal- 
four gedane voorstel : “ dat de drie leden, welke thans benevens den Predikant, den 



291 



Kerkeraad van Balfour uitmaken, doch wier diensttijd reeds verloopen is, en van welke twee, 
uithoofde van diensttijd van vier jaren, niet verkiesbaar zijn, als Kerkeraadsleden een jaar 
langer mogen verblijven, en dat de plaatsen der overige Leden des Kerkeraads, welke 
door sterfgeval als anderzins ledig zijn, aangevuld mogen worden door personen in eene 
gecombineerde Vergadering in dit jaar daartoe gekozen.” 

Dit wordt, onder de bijzondere omstandigheden mondeling vermeld, toegestaan. 

Het voorstel van Ds. Roux betrekkelijk den vorm in Art. 39 voorkomende, zoo als 
opgegeven in Bijl. 73, neemt de Vergadering aan en besluit alzoo te veranderen. 

Door Ds. Herold was het schriftelijk voorstel gedaan : “daar reeds bij eene 
afzonderlijke bijeenkomst van afgevaardigde Predikanten tot de Synodale Vergadering van 
1842, eene overeenkomst heeft plaats gehad tot eene uniformiteit met betrekking tot het 
gebruik van een toga , in plaats van de zoogenaamde mantels, bij de uitoefening der eere- 
dienst, maar zulks door allen niet is geobserveerd, zoo wordt voorgesteld, dat hieromtrent door 
cen Synodaal besluit bepaling worde gemaakt ” waarop door Ds. Heyns deze emendatie wordt 
voorgesteld, welke door de meerderheid werd aangenomen — “Dat het den predikanten 
aanbevolen worde om de toga en bef bij het openbaar dienstwerk te dragen waar zulks met 
schik geschieden kan, doch dat zij bij hoogere Kerkvergaderingen met toga en bef ver- 
schijnen zullen." 

Een voorstel gelezen van den Praeses omtrent het doen drukken van de Synodale 
verrigtingen. 

Ook werden gelezen de antwoorden zoo van de Secretarissen van de Admi- 
nistratie en Boedelbereddering, als Executeurskamer, op de brieven door Ds. Spijker in 
naam der Vergadering geschreven, welke brieven bij den aanvang der Vergadering waren 
gelezen geworden, zullende op Woensdag worden overwogen (Bijl.). 

Voor het scheiden der Vergadering, gaf de Praeses kennis, dat de Synode op 
Dingsdag morgen door Ds. Du Toit zal worden gesloten. 

De Vergadering scheidde met dankzegging. 



ZEVENTIENDE ZITTING. 

Maandag , 1 JVomnber, 1847. 

Afwezig de Ouderling van Graaff-Reinet met verlof. 

Na het gebed, de Notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend zijnde, ver- 
zoekt Ds. Berrangé en bekomt verlof om zijn protest te mogen inleveren tegen het besluit 
op 11. Zaturdag genomen betrekkelijk het dragen van een toga. 

Ook werden gelezen en bij de Bijlagen gedeponeerd, de schriftelijke redenen van 
Ds. Spijker over de kleederdragt of ambtsgewaad, waaromtrent 11. Zaturdag is besloten 
geworden (Bijl.). 

x . 



292 



De Assessor, de plaats van den Praeses vervullende, die zich voor eenen korten 
tijd wegens ambtsverrigtingen alsnog uit de Vergadering verwijderd hield, stelde voor, dat 
er een gedenkschrift der Synode worde uitgegeven, dat bevatten zal : 

1. Eene korte vermelding van de Acta Synodi. 

2. De leerrede bij het openen en sluiten der Vergadering en in dien tusschentijd 
gehouden, en dat Dr. Changuion worde verzocht zich met de uitgave te belasten, waarbor- 
gende de Synode zijn Hooggell. een debiet van 150 Exemplaren. 

Ds. Spijker stelde voor dat er bijgevoegd worde, u dat de Acta der Synode niet 
gedeeltelijk maar geheel in druk verschijnen, en daarbij gevoegd worden de redenen bij de 
Synode ingeleverd van dissentie tegen eenig besluit.” 

Door de meerderheid der Vergadering werd het oorspronkelijk voorstel zonder 
het bijvoegsel aangenomen. Di. Spijker, Du Toit en Scholtz stemden in de minderheid, 
eerstgemelde omdat niet alles zoude worden gedrukt. 

De volgende vraag, vroeger door Ds. Le Febre Moorrees ingeleverd, wordt nu door 
den Praeses (die weder zijne plaats bekleedde) aan de Vergadering voorgelezen,” “Daar de 
Synode in de zaak van den Wel-Eerw. H. A. Moorrees gemeend heeft eene uitspraak te 
kunnen doen, gegrond op de stukken voor haar, en ZEw. nog altijd in het denkbeeld 
verkeerde opgeroepen te zullen worden, ten einde Zijn-Eerw. gedrag te kunnen verant- 
woorden, dit echter niet geschied, en Zijn-Eerw. dus alle gelegenheid benomen is, ten einde 
voor zichzelven eene billijker uitspraak te verkrijgen; en daarentegen niets gerept is van de 
afgescheidene gemeente te Tulbagh, zoo vraagt de ondergeteekende hoe de leden dier 
gemeente te beschouw r en, en in welke betrekking zij tot onze kerk staan ?” 

(Get.) J. C. La Febre Moorrees. 

Na het lezen van welke vraag door zijnH-Ew. werd aangemerkt, “dat Ds. 
H. Moorrees niet is veroordeeld,” en dat de Synode den weg ter terugkeering voor hem 
geopend heeft. De Praeses aanleiding daartoe nemende uit de voorgestelde vraag van 
Ds. Le Febre Moorrees, verklaarde tevens, “niets hartelijker te wenschen dan dat de Wel- 
Eerw. H. A. Moorrees en de gemeente der afgescheidenen, weder met ons kerkgenootschap 
vereenigd waren en daartoe stappen namen,” met welke verklaring van den Praeses de 
meerderheid der Vergadering instemde. 

De instructie, door de Commissie ter bevordering van het onderwijs, vooral 
in de buitendistrikten, vroeger ingeleverd (Bijl.), thans overwogen zijnde, werd dezelve, 
met eenige daarin gemaakte veranderingen, aangenomen. 

Door Ds. Edgar voorgesteld zijnde, “dat aan naburige leeraars worde aanbevolen 
om met elkanderen beurt te wisselen, zoo dikwijls mogelijk, doch kosteloos voor de ge- 
meente,” werd dit voorstel aangenomen. 

Ook werd het volgende voorstel, door Ds. Robertson ter tafel gebragt, aangenomen, 
“dat vanwege deze Algemeene Vergadering aanbeveling geschiede, dat in elke maand een 
biduur in de gemeente worde gehouden ter uitbreiding van het Koningrijk van onzen 
Heer Jezus Christus.” 

Ingevolge Art. 1 7 werd door de Synode bepaald, dat door den Ring van Zwellen- 
dam een lid zal worden benoemd ter sluiting der eerstvolgende Synodale Vergadering. 



293 



Thans overgaande ter overweging van de antwoorden zoo van de Kantoren der 
Associatie als Executeurskamer, welke in de laatste Vergadering alreede waren voorgelezen 
geworden, werd, eer men tot de stemming overging aan wie het beheer van het Predikanten 
Weduwen Fonds zoude worden opgedragen, door Ds. Spijker een voorstel gedaan 
(Bijl.), welk voorstel in omvraag gebragt zijnde, door de Vergadering unaniem 
werd verworpen, en werd door eene groote meerderheid besloten, het Fonds, door 
den Quaestor en Medeadministrateur tot nog toe beheerd, door eerstgemelden amb- 
tenaar te stellen in handen van de Directie van de Executeurskamer. 

Ds. Spijker in de beslissing niet gestemd hebbende, “protesteert tegen de ver- 
werping van zijn voorstel omtrent en tegen de wijze, waarop de Vergadering besloten heeft 
de administratie van het Predikanten Weduwen Fonds in handen van de Executeurskamer 
te stellen.” 

De Vergadering heeft besloten, dat Art. 277, 278, 279 en 282 van derzelver 
kracht beroofd zullen zijn, ten gevolge van de overgaaf van het Fonds ter administratie van 
de Executeurskamer, zullende de Quaestor van het Predikanten Weduwen Fonds al de 
penningen van de Quaestors der Ringen bij hem ontvangen, binnen 24 uren aan de 
Executeurskamer inhandigen, blijvende hij belast met de uitbetaling der weduwen en zulks 
door trekking op de Executeurskamer. 

In betrekking hiermede wordt door Ds. Herold voorgesteld en door de Verga- 
dering goedgekeurd, “dat de Predikanten van den Kaapstadschen Ring belast worden met 
de revisie van die artikelen van het Predikanten Weduwen Fonds, welke uithoofde van de 
veranderde administratie herziening vereischen, zullende de belanghebbenden met de revisie 
terstond worden bekend gemaakt.’ 

Het voorstel van Ds. Spijker in eene vroegere Zitting omtrent het drukken van 
het Rapport van den Actuarius, enz., gedaan, door zijnWel-Eerw. ingetrokken zijnde, 
werd door hem voorgesteld en door de Vergadering aangenomen, dat, in Art. 19:4, worden 
geroijeerd de woorden “ hetzelve aan derzelver goedkeuring onderwerpende ,” en dat de 
Actuarius Synodi op de Beschrijvingspunten brenge hetgeen door hem in die betrekking' 
voor de aandacht der Vergadering gebragt moet worden. 

Op voorstel van den Ouderling Van Zijl besloot de Vergadering, dat “aan de 
afgevaardigden verblijfkosten zullen worden betaald van den aanvang tot het einde der 
Synode, Zon- en Feestdagen mede gerekend.” 

De Kerkeraad van de Paarl had in eene vroegere Zitting het volgend voorstel 
gedaan : “ de Algemeene Vergadering bepale, hoe de kerkelijke tucht moet worden uitge- 
oefend omtrent gecensureerde ledematen, die in het wangedrag, waarvan zij geoordeeld 
zijn, blijven volharden, en wel met kennisgeving dat zij noch kunnen noch willen 
zich verbeteren.” En daarop was het gevoelen der Vergadering, dat zulk een gedrag de 
uitsluiting uit de gemeente ten gevolge moet hebben.” 

De Hoog-Eerw. Assessor de aandacht der Vergadering verzocht hebbende bij het 
besluit der Synode van 1842, waarbij bepaald was, dat er eene correspondentie worde 
geopend met andere Buitenlandsche Gereformeerde Kerken, enz., werd besloten dat door 
Moderatoren en den Assessor daaraan worden voldaan. 

Ds. Fraser verzocht de aandacht der Brs. Leeraren te mogen bepalen bij het 
pligtmatige elkander in den gebede op zekeren dag per week, zegge Vrydag morgen, 
t2* 



294 



liefderijk te gedenken, dat zij in godsvrucht toenemen en Gods zegen hunne werkzaam- 
heden in de Gemeente bekroone, en verheugde zich van de BB. te vernemen dat zij elkan 
deren in den gebede gedenken zullen. 

Na het dankgebed scheidde de Vergadering. 






ACHTTIENDE ZITTING. 



Dingsdag, 2 November, 1847 . 

In de Consistoriekamer ten 9 ure te zamen gekomen zijnde, werden na het gebed 
de Notulen geresumeerd, goedgekeurd en geteekend. 

Het volgende voorstel werd door den Praeses voorgelezen: “ De ondergeteekenden 
stellen bij dezen voor, dat de dank dezer Synodale Vergadering, en inzonderheid van de 
Predikanten, betuigd worde aan den Wel-Eerw. Abraham Faure, wegens den belang- 
loozen en onvermoeiden ijver, waarmede hij, gedurende zoo vele jaren, het Predikanten 
Weduwen Fonds heeft geadministreerd ; en dat wegens de naauwe betrekking, waarin de 
Moderator staat tot den Qusestor van het gem. Fonds, deze dankbetuiging door middel van 
den Hoog-Eerw. Assessor geschiede.” — Geteekend W. Robertson, A. Murray, C. Fraser, 
P. B. Borcherds, H. L. de Villiers, W. A. Krige, A. F. du Toit, J. F. Berrangé, A. 
Roux, T. J. van der Riet, P. N. Ham. 

Het voorstel algemeen aangenomen, deed de Assessor eene aanspraak aan den 
Quaestor, en met zinspeling op de welbekende voorzigtigheid van wijlen den Medeadmi- 
nistrateur, zijne stellige verwachting te kennen gevende, dat alle eífecten in juiste orde zullen 
worden bevonden. 

De Quaestor, het voorledene even aanstippende, geeft de verwachting te kennen, 
dat het aan de Vergadering voor te leggen rapport, wanneer de overgifte zal zijn geschied, 
allen zal bevestigen in de overtuiging van hetgeen hij hen gisteren verzekerde, dat de ver- 
bandbrieven wel gesecureerd zijn, zoo als alhier gebruikelijk is, en dat gedurende den tijd, 
waarop het Fonds door hem is geadministreerd geworden, en dat is van den aanvang, geen 
penning op de kapitalen is verloren. 

De Scriba las de gemaakte uittreksels, welke door den druk moeten worden 
bekend gemaakt, welke goedgekeurd en geteekend werden, terwijl aan den Scriba de vrij- 
heid werd gelaten eene andere rangschikking te maken, dan waarin de besluiten nu werden 
voorgelezen. 

De Vergadering hierop hare plaats in het ruim der Kerk genomen hebbende, 
besteeg Ds. Du Toit den predikstoel, liet zingen Gezang 12 v. 2, 1, sprak eene Ieerrede 
(Bijl.) over l Sam. 7:12, nadat hij gebeden had, en besloot met te doen zingen Gezang 
(18 v. 10. 



295 



Van het Voorzittersgestoelte deed de Praeses eene treífende aanspraak, de 
Broeders bedankende voor de hulp, enz. (Bijl.). 

Waarna de Scriba den Herderlijken Brief voorlas — het gebed deed — zingen liet 
Gezang 2 : 5, en den zegen uitsprak. 

In de Consistorie vergaderd zijnde, werden de rekeningen door den Praeses ge- 
teekend en den afgevaardigden overhandigd. 

Ds. Herold herinnerde de Vergadering, dat in het Rapport van Rationarii was 
aangemerkt, dat een honorarium door den Quaestor behoorde bepaald te worden, omdat het 
eene omissie is in de Wetsbepalingen van 1842, waarbij zulks had dienen vastgesteld te 
zijn geweest. De Praeses zeide, hij had dat aangeteekend, maar het was hem ontgaan dat 
voorstel voor te brengen, waarop door Ds. Heyns voorgesteld en algemeen goedgekeurd 
werd, dat een honorarium worde toegekend aan den Quaestor van het Synodale en Predi- 
kanten Weduwen Fonds van twintig pond sterling per jaar, zullende de eene helft uit 
het Synodale en de andere helft uit het Predikanten Weduwen Fonds worden voldaan. 

In naam der Vergadering werd de Praeses door den Assessor bedankt, terwijl ook 
besloten werd den dank der vergadering toe te brengen aan den Wel-Edelen Heer F. S. 
Berning, die ge’ágeerd heeft als mede-administrateur van het Weduwen Fonds, sedert den 
dood van den Wel-Edelen Heer Andries Brink. 

De Notulen voorgelezen en goedgekeurd zijnde, werden door Moderator. 
Assessor en Scriba geteekend, wanneer de Vergadering, na het vaarwel van den Praeses 
gehoord te hebben, scheidde. 



GEREDIGEERDE BESCHRIJVINGSPÏÏNTEN. 



Voor de Algemeene Vergadering der Nederduitsch Gereformeerde Kerk, welke gehouden 
zal worden op den 12 den October 1847 , en volgende dagen. 



I. SYNODALE COMMISSIE. 

1. Dat eene bepaling worde gemaakt, dat de Synodale Comraissie gedeeltelijk uit Ouderlingen 

bestaan moet. Ring van Zwellendam. 

2. Bepaling, wie bij de Synodale Commissie Yoorzitter zijn moet ; opdat de Scribas der Ringen 
weten, aan wien zicb te adresseren ter voldoening aan het van hen gevorderde in Art. 30, litt. c. bl. 20. 

Scriba van den Kaapstadschen Ring. 

3. Voorstel, dat bij het uitschrijven van Bededagen de medewerking en goedkeuring der Hooge 
Regering verzocht worde, en de behoefte der onderscheidene buitengemeenten worde behartigd. 

Ring van Tulbagh. 

4. Protest van de meerderheid des Rings tegen de handelingen der Synodale Commissie. 

Ring van Tidbagh, 1846. 



II. RINGSBE STUUR. 

1. Daar er geene wet bestaat, welke bepaalt, dat de betrekkingen van Scriba en Qusestor des 
Rings, door éénen en denzelfden persoon moeten, of door twee verschillende personen hunnen worden waar- 
genomen, en het dus twijfelachtig is, hoe, hetgene omtrent dezelve in Art. 250, litt. a., vastgesteld is, te 
verstaan zij : wordt eene stellige verklaring daaromtrent gevraagd. 

Scriba van den Kaapstadschen Ring. 

2. Voorstel, dat de zitting van den Ring van Tulbagh naar Malmesbury verplaatst worde. 

Ring van Tulbagh, 1846. 

3. Aan de Synode voor te dragen de noodzakelijklieid van ééne of liever twee nieuwe Gemeenten 

tusschen George en Uitenhage. Rings Commissie van Zwellendam, 1847. 

4. Dat een waar Copy der Notulen, gehouden gedurende de Zitting des Rings, aan elken Kerke- 
vaad binnen deszelfs ressort, door den Scriba, met het einde des jaars, worde toegezonden. 

Predikant van Colesberg. 

5. Dat de woorden in parenthesi, Art. 34, afd. 13, “ Hier vraagt de Voorzitter visie van die boe- 

ken,” en in Art. 40, “het resolutieboek benevens” geroijeerd worde. Kerkeraad van Wellington, 1847. 

6. Dat de vacatiegelden bij de Ringsvergaderingen op dezelfde som gesteld worden gelijk bij de 

Synode. Ring van Zwellendam, 1845. 

7. Dat de gewone jaarlijksche Ringsvergadering op den tweeden Woensdag na Avondmaalsviering, 

in de maand October, gehouden worde. Ring van Albanië, 1845. 

8. Dat het aan elken Ring vrij zal staan den dag der vergadering te bepalen, mits zulks plaats 

hebbe gedurende de maand October. Ring van Graaff-Reinet, 1845. 



297 



9. Dat de Herderlijke Brief, door den Ring in 1842 aan eenige leden der Colesbergsche en Cra- 

docksche Gemeenten gerigt, die de Evangelische Gezangen niet zingen, aan de Synode worde gerefereerd, 
raet verzoek deszelfs inhoud in overweging te willen nemen. Ring van Graaff-Reinet, 1846. 

10. Het stichten van eenen nieuwen Ring, onder den naam van Beaufortschen, — waartoe behoo- 
ren zullen de Gemeenten van Beaufort, Victoria, Prince Albert, Richmond. Kerkeraad van Beaufort. 

HI. LEERAARSAMBT. 

1. Noodzakelijkheid ter aanwending van middelen ter opleiding van Jongelingen tot het Leeraars- 

ambt in onze Gereformeerde Kerk alhier. Synodale Commissie. 

2. Vraag, of en in hoe ver de Wel-Eerw. Heer H. A. Moorrees, door zich te vereenigen met de 
personen te Tulbagh, die zich van het Bestuur der Gereformeerde Kerk in Zuid Afrika hebben afgescheiden, 
daardoor zijne vorige regten en voorregten als Predikant der Gereformeerde Kerk, verbeurd hebbe ? 

Ring van Zwellendam 1845. 

3. Voorstel, om de Haagsche Commissie te verzoeken voortaan niet meer voor onze kerk in deze 

volkplanting te examineren en te ordenen. Predikant van Franschhoek, 1847. 

4. Verzoek van de Leeraars der Fransche Gereformeerde Kerk (Zendelingen in het Basuto-land), 
dat de Heer Dyke tot Leeraar in dat land worde geëxamineerd en geordend. Door den Hoog-Eerw. Prceses 
der Syn. Comm. en Act. Synodi aanbevolen, onder zekere bepalingen. 

5. Verzoek van den Kerkeraad te Burgersdorp, dat een Leeraar voor die Gemeente worde aange- 

steld. J. Taylor, Consulent. 

IV. GODSDIENSTIG ONDERWIJ S. — ZENDELINGEN. 

1. In ernstige overweging te nemen den staat van het Godsdienstig Onderwijs in de Buitendistric. 

ten. Predikant van Zwellendam. 

2. Middelen te beramen om die inrigtingen in stand te houden en te bevorderen, welke rondrei- 
zende Zendelingen in dit uitgestrekt en wijdbevolkt land ondersteunen. 

Kerkeraad van Zwellendam , 1847. 

3. Roijering van de eerste Parenthesis in Art. 61. 

Actuarius Synodi en Kerkeraad van Wijnberg. 

V. KERKBESTUUR EN DE GEMEENTE. 

1. In Art. 36, No. 11, wordt eene zoodanige verandering aanbevolen, waardoor de stemgeregtig. 
den, bij de daarin vermelde gecombineerde Vergadering, wel het regt behouden om nieuwe Kerkeraadsleden 
voor te stellen ; maar genoodigd worden, om, in plaats van zulks op die gecomfcineerde Vergadering te doeu, 
veertien dagen, voor het houden derzelve, de namen derzulken, dic zij oordeelen verkiesbaar te zijn, raet 
geslotene briefjes, bij den Kerkeraad in te zenden, ten einde laatstgemelde gelegeuheid bekome, om over 
de vereischte kwalificatiën der voorgestelden te kunnen oordeelen, voor dat men tot de stemming overgaat. 

J. Spijker, Predikant. 

2. De Synode beslisse over een door den Iverkeraad van de Kaapstad aan den Kaapstadschen Ring, 
in deszelfs Vergadering van 1844, gedaan, maar niet volkomen toegestemd, voorstel ; dienende, om in de 
Gemeente aldaar, jaarlijks een gelijk getal Kerkeraadsleden te laten aftreden, hetwelk aldaar, sedert de 
vermeerdering der leden diens Kerkeraads ;> het geval niet geweest is. Kerkeraad van de Kaapstad. 

3. Dat in Art. 43, § 3, No. 10, litt. e., eerste gedeelte, ter voorkoming van misverstand, achter 
iiet woord “ iemand ” gevoegd worde : “ die met kerkelijk attest van elders komt.” 

Kerkeraad van de Kaapstad. 



298 



4. Vergaderingen van Ouderlingen en Diakenen in sommige Gemeenten van elkander afgescheiden. 
In advies gehouden door de Synode van 1842. 

5. Dat in Gemeenten, waarin er vier of meer Ouderlingen zijn, de Ouderlingen een afzonderlijk 

Collegie zullen uitmaken, ten einde zaken, die de zeden of leerstellingen der lidmaten betreffen, te behan- 
delen, Kerkeraad van Zwellendam, 1847. 

VI. KERKELIJK OPZIGT EN TUCHT. 

1. Bepalingen te maken omtrent de pligten van Doopgetuigen, zoo voor echte als onechte kinderen. 

Kerkeraad van Beaufort. 

2. Vraag, of het een’ Leeraar vrij staat verlof te verleenen of te weigeren aan ouders, die onbespro- 
keu zijn van gedrag, en die, uithoofde van den afstand van hunne eigene kerk, of andere dringende omstan- 
digheden, hunne kinderen bij eenen anderen Leeraar wenschen te laten doopen. 

Kerkeraad van Beaufort. 

3. De aandacht van de IIoog-Eerw. Vergadering te bepalen bij de geestelijke aangelegenlieden van 
de Uitgewekenen aan de Riet-Rivier ; — dat middelen in het werk rnogen worden gesteld om ze zoo spoedig 
inogelijk onder de zegeningen des Evangelies te brengen. 

Kerkeraad van Beaufort en Predikant van Victoria. 

4. Iloe zal men |handelen, indien in eenig geval liet getuigenis van personeu vereischt wordt, die 

geene leden der Gei’eforineerde Kerk zijn? Tulbaghsche Ring, 1845. 

5. Dat de aandacht der Synode bepaald worde bij Art. 117, ten einde het ware doel en de regte 

meening van hetzelve te bepalen. Predikant van Colesberg. 

6. Beroep van J. S. Marais, tegen de uitspaak van den Tulbaghschen Ring, over de door hem 

ingebragte klagte tegen den Iverkeraad van Piketberg. Sgnodale Commissie. 

7. Dat de Synode beslisse, hoe gebandeld moet worden met het geschil tusschen de Kerkeraden 
van George en Mosselbaai, betrekkelijk het Kerkgebouw aan Grobbelaars Rivier. 

Rings Commissie van Zwellendam, 1847. 

8. Dat de Synode uitspraak doe over de klagten van den Kerkeraad van Mosselbaai tegen den 

Predikant en Kerkeraad van George. Rings Commissie van Zwellendam, 1847. 

9. Vraag, of de IIoog-Eerw. Ring van Graaff-Reinet, en deszelfs speciale Commissie, in de zaak 

vau den Ileer G. D. Joubert, tegen den Leeraar en Kerkeraad van Colesberg, onpartijdig, en avoI overeen- 
komstig de Kerkelijke Wetten, gehandeld hebbe? Predikant van Colesberg, 1847. 

10. Dat een nieuw Wets-Artikel worde gevoegd achter Art. 196, bepalende hoe zij, die ter 

eerster instantie" door de Synode zijn gevonnisd, ingevolge Art. 6 en 112, het beroep ter twaedsr instantie 
zouden kunnen vervolgen. Actuarius Sgnodi. 

11. Revisie van de Wetsbepalingen vervat in Art. 183 tot 196, omdat daardoor Predikanten de 
gelegenheid benonien is, om, van eene uitspraak in hunne zaak, zicli op een hooger Kerkbestuur te kunnen 
beroepen, en zulks strijdig met de algemeene bepalingen in Art. 6 en 112 ; eenc rede waarom de onderge- 
teekende tegen liet aannemen dier Wetsbepalingen, in de Synode van 1842, geprotesteerd heeft. 

J. Spijker, Predikant. 

12. Gemoedelijke bezwaren van Ds. J. J. Bcck, wegens het niet bijwonen der Hooge Kerkelijko 

Vergaderingen. Sgnodale Commissie. 

VII. REGLEMENT OP VACATURÊN — BEROEPING — ONTSLAG VAN PREDIKANTEN. 

1. In Art. 198 worde, in plaats van de woorden “ in geval de genreente gelieel vacant is,” gesteld 
hij vacaturen in geval van schorsing ; ten einde dit Artikel alzoo in overeenstemming te brengen met dat 
gedeelte van Art. 26, hetwelk van het benoemeu van Consuleuten meiding maakt. 

J. Spijker, Predikant. 



299 



2. Het woord “ gesuspendeerde ” worde in Art. 209 weggenomen ; omdat voor zulk een geval 
reeds gezorgd is, door de bepaling in Art. 26, dat zulks door den Consulent gesehieden zal. 

J. Spijkee, Predikant. 



3. Dat de Synode vaste bepalingen make omtrent het laatste gedeelte van Art. 5 der Kerkelijke 
Ordonnantie van lOden November 1843. Ring van Zwellendam , 1845. 



4. Beslissing in de zaak van Ds. E. H. F. de Roubaix, wegens de tegen hem ingebragte bezwaren. 

<S 'ynodale Commissie. 



VIII. PREDIKANTEN WEDUWEN FONDS. 

1. Dat Art. 270 van het Reglement van het Predikanten Weduwen Fonds worde herzien, — dat in 
plaats van de woorden “ die zes jaren” gecontribueerd hebben, gestekl worde : “ die tweejaren hebben 
gecontribueerd,” overeenkomstig Synodaal Besluit van den lOden November 1826; — dat, bijaldien de Sy- 
node redenen mogt vinden deze verandering niet te maken, het Besluit van de Synode van 1842 worde 
vernietigd, waarbij bepaald is, dat Art. 270, bovengemeld, eene terugwerkende kracht zal hebben op Pre- 
dikanten die onder de vorige bestaande Regulatiën voor dit Fonds aan hetzelve deel hebben genomen. 

Predikant van Piketberg. 

2. Daar hetgene in Art. 282 van den Quaestor van het Predikanten Weduwen Fonds en zijnen 

Mede-administrateur gevorderd wordt, van dien aard is, dat er slechts weinigen gevonden worden, die, zoo 
zij daartoe al genegen mogten wezen, zulke betrekkingen op zich nemen kunnen ; en daar het, zoo niet reeds 
ondervonden, dan toch te voorzien is, dat het Kerkbestuur in liet benoemen en aanstellen van zoodanige 
beambten, (volgens Art. 277, laatste gedeelte en Art. 280,) vooral in den tijd wanueer de Synode niet ver- 
gaderd is, groote moeijelijkheden en teleurstellingen ontmoeten, en de administratie van dat Fonds gevolge- 
lijk op eenen lioogst wankelbaren voet komen kan : zoo besluite de Synode, het beheer van dat Fonds, voor 
de toekomst, in handen te stellen van de Zuid Afrikaansche Maatschappij van Administratie en Boedelbe- 
redding alhier, of van eenig ander geaccrediteerd ligchaam. J. Spijker, Predikant. 

3. Dat Art. 277 aklus worde veranderd : — Ilet belieer van het Predikanten Weduwen Fonds 
worde opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit een viertal permanente Leden der Synode, geassisteerd 
door eenen gesalarieerden Boekliouder, door dezelve te benoemen. De Leden van welke Commissie zijn 
zullen de Predikanten van de Kaapstad en den Wijnberg. 

Revisie van Art. 278, 279, 280 en 282. Qneestor van ket Predikanten Weduwen Fonds. 



Van de Sandt de Villiers Co., Drukkers, 9, Kasteelstraat, Kuapstad. 



INLEIDING. 



In het jaar 1660 treffen wij in deze Kolonie sleclits ééne gemeente aan, gevestigd in de Kaapstad, 
zonder eenen vasten leeraar. Tegen het einde der 17de eeuw vindt raen er drie : iu de Kaapstad, 
dagteekenende van liet jaar 1660 ; te Stellenbosch van het jaar 1684 ; en aan de Paarl (of Drakenstein) van 
het jaar 1685. In den loop der 18de eeuw werd dit getal met nog vier verineerderd — te Zwartland, 1744 ; 
te Tulbagh, 1745 ; te Graaíf-Reinet, 1792 ; en te Zwellendam, 1794. In het begin der 19de eeuw, vóór 
de eerste Synodale Yergadering in 1824, zijn uog opgerigt de Hervormde Gemeenten te Caledon, 1810 ; te 
George, 1812 ; te Uitenhage, 1817 ; te Cradock, te Somerset en te Beaufort, 1818 ; te Worcester, 1820. 

Reeds in de jaren 1710 en 1711 schenen de Predikanten der Gereformeerde Kerk, toen het 
eenige Kerkgenootschap alhier, de noodzakelijkheid te gevoelen van eene Classis of Algemeene Kerkverga- 
dering bijeen te roepen, bestaande uit Afgevaardigden van de reeds gevestigde gemeenten. Men had 
hierover eene briefwisseling gehouden met de Ileeren Majores, doch daar men meende dat dit de 
Amsterdamsche Classis niet zou behagen, zoo werden de Kaapsche predikanten geraden, daarop niet 
al te stellig aan te dringen, gelijk blijkt uit de papieren van den lOden Maart 1710, op de Koloniale 
Secretarie berustende. Echter vindt men in de Resolutiën der Kaapstadsche Kerk, dat er zoodanig eene 
Gecombineerde Kerkvergadering is gehouden in de jaren 1755, 1756, enz. Doch dit was niet welgevallig 
aan de Moederkerk en werd derhalve gestaakt. 

Toen deze volkplanting nog met de Nederlanden vereenigd was, werd de koloniale kerk met 
hare leeraars en gemeenten, beschouwd als te behooren tot de Classis van Amsterdam. Doch sedert zij 
onder den schepter van Groot-Brittanje was gebragt, waren de gemeenten onafhankelijk, zoowel van de 
moederkerk als van elkander, en konden kerkeraden, leeraars en gemeenteleden zich bij geen hooger 
kerkelijk ligchaam vervoegen. Daardoor ontbrak alle eenheid van bestuur, als ook de behoorlijke zamenwer-. 
king tot de bevordering van het welzijn der kerk. 

Zoo leefde men voort tot het jaar 1824, toen de Kaapstadsche Kerkeraad bij Zijne Excellentie C. 
H. Somerset, Hoofdgebieder der Kolonie, aanzoek deed om vergunning ten einde eene Algemeene Kerk- 
vergadering bijeen te roepen, in welke Missive de volgende beweegredenen worden genoemd : “ dat daar bij 
het wegvallen van andere vroeger bestaande steunsels, dezelve Kerk nu eenigermate aan haar zelve is 
overgelaten, en in kerkelijke zaken, hetzij leer of pligt betreffende, Kerkeraden geen hooger gerigt heeft, 
om zich daarbij te vervoegen, iets te nadeeliger en gevaarlijker, daar dit Kerkelijk Genootschap meer en 
meer toeneemt, en er ook inmiddels verschijningen hebben plaats gevonden van andere godsdienstige 
gezindheden, in deze Volkplanting te voren niet bekend, dewelke, ofschoon voor als nog niet regtstreeks, 
nogtans eventueel zouden kunnen strekken, om de bij ons vastgestelde orde van zaken omver te werpen.” 



IV. 



Dit verzoek bereidvaardig toegestaan zijnde, werd op den 2den November 1824, de eerste 
Vergadering 1 geopend van de Synode der Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika, die nu reeds negen 
Vergaderingen heeft geliouden. 

Sedert het jaar 1804, had de Kerkenorde van den Commissai'is-Generaal J. A. de Mist tot rigt- 
snoer der kerk verstrekt, in 1824 werd een Algemeen Reglement voor liet Bestuur der H ervormde Ke rk in 
Zuid-Afrika ontworpen, en in 1842 een Gerevideerd Kerkelijk Reglement aangenomen, en door Zijne 
Excellentie Sir George Napier in het volgend jaar gesanctioneerd, terwijl daarbij eene Kerkelijke Ordon- 
nantie werd gevoegd. Sedert dien tijd lioudt de Gereformeerde Kerk hare Synodale Vergad eringen 
zonder Vertegenwoordigers der Regering in haar midden. en geniet zij vele andere kerkelijke voorregten, 
waarvoor zij vele jaren lang had gestreden. 

r- Kaapstad, Januarij, 1859. 



y 



l ) Bij de orginele Acta van de Synodale Vergadering vau 1824, vindt nien geene Geredigeerde Beschrijvings- 
punten. In eene missive aan Ziine Excellentie den Gouverneur van den 21 October 1824, vindt men echter eene opgaaf 
van de volgende “ hoofdzaken.” 

“ Het ontwerpeu van een Reglement van Orde voor deze Vergaderiug, nu, en voor het vervolg. 

“ En dan als hoofdzaak derzelver aandacht bezig houden, met het onlwerpen van een Algemeen Reglement van 
Bestuur voor de Hervormde _J£erisJnflnen deze Yolkplanting, met al de aankleve daarvan, vervat in zoovele onderdeelige 
zaken, als daartoe ex rei natura, kunnen en moeten gebragt worden. 

“ Alsmede Reglemeuten betreffende het Godsdienstig Onderwij s deiA iervormden, het bewaren van goede orde, 
/het doen van Kerkvisitatie, en in het bijzonder dan ook, de overweging van middelen ter bepaling van Fondsen ter goed- 
making van oukosten, die vallen zullen op het houden van deze en dergelijke Vergaderingen.” 



012 01332 



0108